EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0340

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 20 juli 2017.
Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft - KABEG tegen Mutuelles du Mans assurances - MMA IARD SA.
Verzoek van het Oberste Gerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 9, lid 1 – Artikel 11, lid 2 – Rechterlijke bevoegdheid in verzekeringszaken – Rechtstreekse vordering van de getroffene tegen de verzekeraar – Vordering van de werkgever van de getroffene, een publiekrechtelijke instelling, die wettelijk gesubrogeerd is in de rechten van zijn werknemer jegens de verzekeraar van het betrokken voertuig – Subrogatie.
Zaak C-340/16.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:576

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

20 juli 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 9, lid 1 – Artikel 11, lid 2 – Rechterlijke bevoegdheid in verzekeringszaken – Rechtstreekse vordering van de getroffene tegen de verzekeraar – Vordering van de werkgever van de getroffene, een publiekrechtelijke instelling, die wettelijk gesubrogeerd is in de rechten van zijn werknemer jegens de verzekeraar van het betrokken voertuig – Subrogatie”

In zaak C‑340/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 25 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 16 juni 2016, in de procedure

Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft – KABEG

tegen

Mutuelles du Mans assurances – MMA IARD SA,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, M. Vilaras, J. Malenovský, M. Safjan (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft – KABEG, vertegenwoordigd door H. H. Toriser, Rechtsanwalt,

Mutuelles du Mans assurances – MMA IARD SA, vertegenwoordigd door M. Angerer, Rechtsanwalt,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Di Matteo, avvocato dello Stato,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 2017,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Landeskrankenanstalten-Betriebsgesellschaft – KABEG (hierna: „KABEG”), een publiekrechtelijke instelling met zetel te Klagenfurt am Wörthersee (Oostenrijk) die zorginstellingen exploiteert, enerzijds, en Mutuelles du Mans assurances – MMA IARD SA (hierna: „MMA IARD”), een in Frankrijk gevestigde verzekeringsmaatschappij, anderzijds, over het door de KABEG ingediende verzoek tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de loondoorbetaling aan een van haar werknemers tijdens een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval in Italië waarbij die werknemer en een motorrijtuig dat gedekt was door een bij MMA IARD afgesloten wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering betrokken waren.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 44/2001

3

In de overwegingen 11 tot en met 13 van verordening nr. 44/2001 stond te lezen:

„(11)

De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(12)

Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

(13)

In het geval van verzekerings-, consumenten‑ en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.”

4

De bij verordening nr. 44/2001 vastgestelde bevoegdheidsregels waren opgenomen in hoofdstuk II ervan, dat bestond uit de artikelen 2 tot en met 31.

5

Artikel 2, lid 1, van die verordening, dat was opgenomen in afdeling 1 van dat hoofdstuk II, met als opschrift „Algemene bepalingen”, luidde:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

6

Artikel 3, lid 1, van die verordening, dat eveneens in die afdeling 1 was opgenomen, luidde:

„Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

7

Afdeling 3 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001 had als opschrift „Bevoegdheid in verzekeringszaken” en omvatte de artikelen 8 tot en met 14 van die verordening.

8

Artikel 8 van die verordening luidde:

„De bevoegdheid in verzekeringszaken is in deze afdeling geregeld, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5.”

9

Artikel 9, lid 1, van die verordening bepaalde:

„De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen:

a)

voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, of

b)

in een andere lidstaat, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft, voor het gerecht van de woonplaats van de eiser, […]

[…]”

10

Artikel 10 van die verordening luidde:

„De verzekeraar kan bovendien worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering van onroerend goed betreft. Hetzelfde geldt voor het geval dat de verzekering zowel betrekking heeft op onroerende als op roerende goederen die door eenzelfde polis gedekt zijn en door hetzelfde onheil getroffen zijn.”

11

Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 luidde:

„De artikelen 8, 9 en 10 zijn van toepassing op de vordering die door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien de rechtstreekse vordering mogelijk is.”

12

Verordening nr. 44/2001 is ingetrokken bij artikel 80 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1). Deze laatste verordening is op grond van artikel 81, tweede alinea, ervan evenwel pas sinds 10 januari 2015 van toepassing.

Richtlijn 2009/103

13

Artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11), met als opschrift „Verplichte motorrijtuigenverzekering”, luidt:

„Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld.

Iedere lidstaat treft de nodige maatregelen opdat door de verzekeringsovereenkomst eveneens worden gedekt:

a)

de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de in deze staten geldende wettelijke regelingen;

b)

de schade waarvan onderdanen van de lidstaten het slachtoffer kunnen zijn op het traject dat een rechtstreekse verbinding vormt tussen twee gebieden waar het Verdrag van toepassing is, wanneer er geen nationaal bureau van verzekeraars bestaat voor dat traject. In dat geval wordt de schade gedekt overeenkomstig de nationale wetgeving inzake de verplichte verzekering die geldt in de lidstaat op het grondgebied waarvan het voertuig gewoonlijk is gestald.

De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.”

14

Artikel 18 van die richtlijn, met als opschrift „Rechtstreekse vordering”, luidt:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3 bedoelde verzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15

Op 26 maart 2011 vond er in Italië een verkeersongeval plaats waarbij een fietser, een in Oostenrijk wonende werknemer van de KABEG, en een motorrijtuig dat gedekt was door een bij MMA IARD afgesloten wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering betrokken waren. Bij dat ongeval heeft die werknemer verschillende verwondingen opgelopen.

16

De KABEG heeft zich tot het Landesgericht Klagenfurt (rechter in eerste aanleg Klagenfurt, Oostenrijk) gewend met het verzoek MMA IARD te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 15505,64 EUR, te vermeerderen met rente en kosten. De KABEG heeft verklaard dat zij het loon van haar werknemer die het slachtoffer van het verkeersongeval was, had doorbetaald tijdens het ziekteverlof na dat ongeval. Om die reden is zij ten belope van dat bedrag gesubrogeerd in de geldelijke rechten van die werknemer.

17

De KABEG is van mening dat het Landesgericht Klagenfurt territoriaal bevoegd is op grond van artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001. Bovendien voert zij aan dat de terzelfder tijd door haar werknemer ingestelde vordering aanhangig is bij diezelfde rechter, die zich reeds bevoegd heeft verklaard.

18

MMA IARD heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen op grond dat in afdeling 3 van hoofdstuk II van die verordening een eigen stelsel van bevoegdheidsverdeling in verzekeringszaken is vastgesteld. Volgens overweging 13 van die verordening hebben de in die afdeling vastgestelde bijzondere bevoegdheidsregels tot doel de zwakke partij te beschermen. De KABEG kan als werkgever geen aanspraak maken op een dergelijke bescherming.

19

Het Landesgericht Klagenfurt heeft die exceptie verworpen op grond dat de KABEG, die slechts in de rechten van haar werknemer is gesubrogeerd, zich kan beroepen op artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001, aangezien een dergelijke rechtspersoon, ongeacht zijn omvang, in een geding tegen een verzekeringsonderneming de zwakke partij is.

20

MMA IARD heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Graz (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Stiermarken, Graz, Oostenrijk), dat de exceptie van niet‑ontvankelijkheid heeft aanvaard, die beslissing heeft herzien en het beroep heeft verworpen. Die rechter heeft met name opgemerkt dat de verwijzing in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 naar artikel 9, lid 1, onder b), van die verordening de getroffene, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, het recht verleent om de verzekeraar op te roepen voor het bevoegde gerecht van de lidstaat waar die getroffene woonplaats heeft of is gevestigd. Bovendien vallen onder het begrip „getroffene” zowel rechtstreeks getroffenen als indirect getroffenen.

21

Niettemin genieten, volgens die rechter, niet alle getroffenen dat recht. In dit verband moet, om vast te stellen of een getroffene zich op dat recht kan beroepen, worden nagegaan of die getroffene „economisch zwakker en juridisch minder ervaren” is dan een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar. Dit is niet het geval voor een publiekrechtelijke instelling die vijf ziekenhuizen beheert, zoals de KABEG.

22

Op grond van artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 heeft de KABEG bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) beroep in „Revision” ingesteld.

23

In de eerste plaats rijst volgens die rechter de vraag of, indien zou worden geoordeeld dat een eiser geen bescherming behoeft, diens vordering kan worden aangemerkt als een vordering „in verzekeringszaken” in de zin van artikel 8 van die verordening.

24

In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af op grond van welke criteria kan worden vastgesteld dat de persoon die wettelijk is gesubrogeerd in de rechten van een getroffene, zwakker is dan een professionele wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar.

25

Daarom heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Gaat het bij de vordering van een binnenlandse werkgever tot vergoeding van de door de loondoorbetaling aan zijn in het eigen land woonachtige werknemers op hem verschoven schade om een vordering in ‚verzekeringszaken’ in de zin van artikel 8 van verordening nr. 44/2001, wanneer

a)

de werknemer bij een verkeersongeval in een lidstaat (Italië) gewond is geraakt,

b)

de vordering is gericht tegen de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar van het schadeveroorzakende voertuig die in een andere lidstaat (Frankrijk) is gevestigd, en

c)

de werkgever een publiekrechtelijke instelling met eigen rechtspersoonlijkheid is?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Dient artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2011 aldus te worden uitgelegd dat de werkgever die het loon doorbetaalt als ‚getroffene’ de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar van het schadeveroorzakende voertuig kan oproepen voor het gerecht van de plaats waar de werkgever is gevestigd, voor zover een dergelijke rechtstreekse vordering mogelijk is?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

26

Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een in een eerste lidstaat gevestigde werkgever die het loon heeft doorbetaald van zijn wegens een verkeersongeval afwezige werknemer en die is gesubrogeerd in de rechten van die werknemer jegens de in een tweede lidstaat gevestigde maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, als „getroffene” in de zin van deze laatste bepaling die verzekeringsmaatschappij kan oproepen voor de gerechten van de eerste lidstaat, indien een rechtstreekse vordering mogelijk is.

27

In dit verband zij eraan herinnerd dat bij afdeling 3 van hoofdstuk II van die verordening een autonoom stelsel voor de gerechtelijke bevoegdheidsverdeling in verzekeringszaken is ingevoerd (arrest van 12 mei 2005, Société financière et industrielle du Peloux, C‑112/03, EU:C:2005:280, punt 29).

28

Net als zaken betreffende werknemers of consumenten en zoals volgt uit overweging 13 van verordening nr. 44/2001, wordt een vordering in verzekeringszaken gekenmerkt door een zeker gebrek aan evenwicht tussen de partijen (zie in die zin arrest van 26 mei 2005, GIE Réunion européenne e.a., C‑77/04, EU:C:2005:327, punt 22). De bepalingen van de voornoemde afdeling strekken ertoe dat gebrek aan evenwicht te verhelpen door ervoor te zorgen dat voor de zwakke partij bevoegdheidsregels gelden die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C‑347/08, EU:C:2009:561, punt 40).

29

De twijfels van de verwijzende rechter omtrent de kwalificatie als „zwakke partij” van een werkgever die wettelijk is gesubrogeerd in de rechten van een getroffene, komen voort uit de vaststelling door het Hof dat een socialezekerheidsorgaan dat wettelijk is gesubrogeerd in de rechten van de door een verkeersongeval rechtstreeks getroffene, niet op die manier kan worden gekwalificeerd, terwijl een rechtsopvolger van de rechtstreeks getroffene – zoals een erfgenaam – wel op die manier kan worden gekwalificeerd (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C‑347/08, EU:C:2009:561, punten 42 en 44).

30

In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat in omstandigheden als in het hoofdgeding de mogelijkheid voor een in de rechten van zijn werknemer gesubrogeerde werkgever om de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeraar van de schadeveroorzaker op te roepen voor de gerechten van de lidstaat waar die werkgever is gevestigd, de coherentie van de bevoegdheidsregels en derhalve de voorspelbaarheid van die regels en een goede rechtsbedeling waarborgt.

31

Derhalve moet in casu worden onderzocht of een werkgever die in de rechten van de rechtstreeks getroffene is gesubrogeerd, onder het begrip „getroffene” in de zin van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 valt.

32

Zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het begrip „zwakke partij” in verordening nr. 44/2001 in verzekeringszaken een ruimere betekenis dan inzake door consumenten gesloten overeenkomsten of individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst.

33

Voorts moet eraan worden herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat de verwijzing in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 tot doel heeft de in artikel 9, lid 1, onder b), van die verordening bedoelde opsomming van eisers aan te vullen met de personen die schade hebben geleden, zonder dat de kring van deze personen werd beperkt tot degenen die de schade rechtstreeks hebben geleden (arresten van 13 december 2007, FBTO Schadeverzekeringen, C‑463/06, EU:C:2007:792, punt 26, en 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C‑347/08, EU:C:2009:561, punt 27).

34

Een beoordeling per geval van de vraag of een werkgever die het loon doorbetaalt, als een „zwakke partij” kan worden aangemerkt en onder het begrip „getroffene” in de zin van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 kan vallen, zou bovendien – zoals de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing heeft opgemerkt – een risico van rechtsonzekerheid doen ontstaan en in strijd zijn met de doelstelling van die verordening, die is neergelegd in overweging 11 van die verordening, volgens welke de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn.

35

Op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 kunnen werkgevers die zijn gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding van hun werknemers, zich bijgevolg – als personen die schade hebben geleden en ongeacht hun omvang en hun rechtsvorm – beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregels van de artikelen 8 tot en met 10 van die verordening.

36

De werkgever die in de rechten van zijn werknemer is gesubrogeerd omdat hij het loon van die werknemer heeft betaald gedurende een periode van arbeidsongeschiktheid en die, op die grond alleen, een vordering uit hoofde van de door die werknemer geleden schade instelt, kan bijgevolg worden geacht zwakker te zijn dan de verzekeraar die hij voor de rechter daagt en derhalve over de mogelijkheid te moeten beschikken om die vordering in te stellen voor de gerechten van de lidstaat waar hij is gevestigd.

37

Hieruit volgt dat een werkgever die is gesubrogeerd in de rechten van de werknemer die het slachtoffer van een verkeersongeval was en wiens loon hij heeft doorbetaald, als „getroffene” de verzekeraar van het bij dat ongeval betrokken voertuig kan oproepen voor de gerechten van de lidstaat waar hij is gevestigd, indien een rechtstreekse vordering mogelijk is.

38

In verband met dit laatste moet worden opgemerkt dat het op grond van artikel 18 van richtlijn 2009/103 aan de lidstaten staat om er zorg voor te dragen dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen.

39

Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een in een eerste lidstaat gevestigde werkgever die het loon heeft doorbetaald van zijn wegens een verkeersongeval afwezige werknemer en die is gesubrogeerd in de rechten van die werknemer jegens de in een tweede lidstaat gevestigde maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, als „getroffene” in de zin van deze laatste bepaling die verzekeringsmaatschappij kan oproepen voor de gerechten van de eerste lidstaat, wanneer een rechtstreekse vordering mogelijk is.

Kosten

40

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 9, lid 1, onder b), juncto artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een in een eerste lidstaat gevestigde werkgever die het loon heeft doorbetaald van zijn wegens een verkeersongeval afwezige werknemer en die is gesubrogeerd in de rechten van die werknemer jegens de in een tweede lidstaat gevestigde maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, als „getroffene” in de zin van deze laatste bepaling die verzekeringsmaatschappij kan oproepen voor de gerechten van de eerste lidstaat, wanneer een rechtstreekse vordering mogelijk is.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top