EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0029

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 4 mei 2017.
HanseYachts AG tegen Port D’Hiver Yachting SARL e.a.
Verzoek van het Landgericht Stralsund om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 27 – Aanhangigheid – Gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht – Artikel 30, punt 1 – Begrip ,stuk dat het geding inleidt’ of ,gelijkwaardig stuk’ – Verzoek om een deskundigenonderzoek teneinde voorafgaand aan enig proces het bewijs van feiten waarop een later beroep in rechte kan worden gegrond, te bewaren of vast te stellen.
Zaak C-29/16.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:343

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

4 mei 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 27 — Aanhangigheid — Gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht — Artikel 30, punt 1 — Begrip ‚stuk dat het geding inleidt’ of ,gelijkwaardig stuk’ — Verzoek om een deskundigenonderzoek teneinde voorafgaand aan enig proces het bewijs van feiten waarop een later beroep in rechte kan worden gegrond, te bewaren of vast te stellen”

In zaak C‑29/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Stralsund (rechter in eerste aanleg Stralsund, Duitsland) bij beslissing van 8 januari 2016, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2016, in de procedure

HanseYachts AG

tegen

Port D’Hiver Yachting SARL,

Société Maritime Côte D’Azur,

Compagnie Generali IARD SA,

wijst HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

HanseYachts AG, vertegenwoordigd door O. Hecht, Rechtsanwalt,

Port D’Hiver Yachting SARL, vertegenwoordigd door J. Bauerreis, Rechtsanwalt,

Société Maritime Côte D’Azur, vertegenwoordigd door A. Fischer, Rechtsanwältin,

Compagnie Generali IARD SA, vertegenwoordigd door C. Tendil, voorzitter, bijgestaan door J. Laborde, Rechtsanwalt,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 januari 2017,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 30, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen HanseYachts AG enerzijds, en Port D’Hiver Yachting SARL, Société Maritime Côte d’Azur (hierna: „SMCA”) en Compagnie Generali IARD SA (hierna: „Generali IARD”) anderzijds met betrekking tot een verzoek tot vaststelling dat HanseYachts niet aansprakelijk is voor de door SMCA gevorderde schadevergoeding.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Overweging 15 van verordening nr. 44/2001 luidt:

„Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.”

4

Hoofdstuk II van deze verordening, „Bevoegdheid” genaamd, bevat een afdeling 2, met het opschrift „Bijzondere bevoegdheid”. In deze afdeling staat artikel 5 van deze verordening, dat luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

[…]

[…]

3.

ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

[…]”

5

In afdeling 7 van dit hoofdstuk II, met het opschrift „Door partijen aangewezen bevoegd gerecht”, staat meer bepaald artikel 23 van verordening nr. 44/2001, waarvan lid 1 luidt als volgt:

„Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. […]”

6

Afdeling 9 van dat hoofdstuk II, met het opschrift „Aanhangigheid en samenhang”, bevat de artikelen 27 tot en met 30 van die verordening. Artikel 27 ervan bepaalt:

„1.   Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.   Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”

7

Artikel 30 van deze verordening luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht

1.

op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of,

[…]”

Frans recht

8

De code de procédure civile (Frans wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „CPC”) bevat, in boek I, een titel VII, met het opschrift „Gerechtelijke bewijsvoering”. In ondertitel II van deze titel van de CPC, met het opschrift „Onderzoeksmaatregelen”, staat artikel 145, dat luidt als volgt:

„Indien er een legitieme reden bestaat om voorafgaand aan enig proces het bewijs van de feiten waarvan de beslechting van een geding kan afhangen te bewaren of vast te stellen, kunnen op verzoek van iedere belanghebbende, bij verzoekschrift of in een kort geding, de wettelijk toelaatbare onderzoeksmaatregelen worden bevolen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9

Uit de verwijzingsbeslissing en het aan het Hof verstrekte dossier blijkt dat HanseYachts, een in Greifswald (Duitsland) gevestigde vennootschap, motor- en zeilboten bouwt en verkoopt. Port D’Hiver Yachting is een vennootschap die boten in de handel brengt en is gezeteld in Frankrijk.

10

HanseYachts heeft bij overeenkomst van 14 april 2010 een motorboot van het model Fjord 40 Cruiser verkocht aan Port D’Hiver Yachting. Deze boot is op 18 mei 2010 in Greifswald, een in het arrondissement van het Landgericht Stralsund (rechter in eerste aanleg Stralsund, Duitsland) gelegen stad, overgedragen aan Port D’Hiver Yachting. Hij is vervolgens naar Frankrijk vervoerd en op 30 april 2010 doorverkocht aan SMCA, een in deze lidstaat gevestigde vennootschap.

11

Op 1 augustus 2011 hebben HanseYachts en Port D’Hiver Yachting een distributieovereenkomst gesloten die een forumkeuzebeding bevatte ten gunste van de gerechten van Greifswald en het Duitse recht als het toepasselijke recht aanwees. Deze overeenkomst verving volgens artikel 22 ervan, alle vroegere schriftelijke of mondelinge overeenkomsten tussen partijen.

12

Naar aanleiding van averij die zich in augustus 2011 aan de motor van de boot had voorgedaan, heeft SMCA, op grond van artikel 145 CPC, bij op 22 september 2011 aan Port D’Hiver Yachting betekende dagvaarding in kort geding de tribunal de commerce de Marseille (handelsrechter Marseille, Frankrijk) verzocht om een deskundigenonderzoek voorafgaand aan enig proces. Ook werd een dagvaarding afgegeven aan Volvo Trucks France SAS, in haar hoedanigheid van fabrikant van de motor. In 2012 heeft Generali IARD in de procedure geïntervenieerd als verzekeraar van Port D’Hiver Yachting. In 2013 werd ook HanseYachts als bouwer van de betrokken boot in het geding opgeroepen.

13

Op 18 september 2014 heeft de door de tribunal de commerce de Marseille aangestelde deskundige zijn deskundigenrapport neergelegd.

14

Op 15 januari 2015 heeft SMCA Port D’Hiver Yachting, Volvo Trucks France en HanseYachts gedagvaard voor de tribunal de commerce de Toulon (handelsrechter Toulon, Frankrijk), en vergoeding gevorderd van de schade die zij stelt te hebben geleden en vergoeding van de kosten van de procedure van het deskundigenonderzoek. De tot HanseYachts gerichte vordering was gebaseerd op de garantie van de fabrikant voor verborgen gebreken.

15

Voordat de vordering bij de tribunal de commerce de Toulon werd ingediend, maar na de dagvaarding in kort geding voor de tribunal de commerce de Marseille, heeft HanseYachts op 21 november 2014 voor het Landgericht Stralsund verzocht om een verklaring voor recht dat Port D’Hiver Yachting, SMCA en Generali IARD met betrekking tot de boot in kwestie geen enkele schuldvordering op haar hadden.

16

Aangezien verweersters in het hoofdgeding op grond van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 een exceptie van aanhangigheid hebben opgeworpen, wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij, gelet op het bepaalde in artikel 30 van deze verordening, als gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak moet aanhouden totdat de bevoegdheid van de tribunal de commerce de Toulon, het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, of dat hij, als gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, kan onderzoeken of de vordering gegrond is. In dat verband is hij van oordeel dat zijn beslissing afhangt van de vraag of het stuk waarbij de zelfstandige bewijsprocedure bij de tribunal de commerce de Marseille is ingeleid, een „stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk” is in de zin van artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001, dan wel of deze kwalificatie slechts geldt voor het stuk waarmee het beroep in rechte is ingeleid bij de tribunal de commerce de Toulon.

17

Volgens de verwijzende rechter zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 vervuld, aangezien de vordering die bij de tribunal de commerce de Toulon is ingediend en de bodemprocedure tussen dezelfde partijen aanhangig zijn en zowel hetzelfde onderwerp betreffen, als op dezelfde oorzaak berusten. Hij benadrukt dat uit de rechtspraak van het Hof, met name de arresten van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, EU:C:2012:664, punten 42e.v.), en 19 december 2013, Nipponkoa Insurance (C‑452/12, EU:C:2013:858, punten 41e.v.), naar voren komt dat het feit dat de hoofdvordering bestaat uit een negatief declaratoire vordering, niet in de weg staat aan een vaststelling dat sprake is van aanhangigheid.

18

Naar oordeel van het Landgericht Stralsund vormen het in het Franse recht voorziene verzoek om een gerechtelijk deskundigenonderzoek voorafgaand aan enig proces, en de bodemvordering die hierop is gevolgd een materiële eenheid, aangezien de bodemvordering een voortzetting is van de beslechting van een tussen partijen bestaand geschil. Om deze reden is hij van oordeel dat een geschil tussen dezelfde partijen en dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, het eerst is aangebracht bij de Franse gerechten.

19

Volgens de verwijzende rechter rechtvaardigt de tekst van artikel 30 van verordening nr. 44/2001, op grond waarvan een zaak niet alleen wanneer een „stuk dat het geding inleidt”, maar ook wanneer een „gelijkwaardig stuk” bij het gerecht is ingediend, wordt geacht te zijn aangebracht bij een gerecht, dat dit artikel ruim wordt uitgelegd, in die zin dat een verzoek om een zelfstandige bewijsprocedure, als die welke bij artikel 145 CPC is ingesteld, zou kunnen worden beschouwd als een gelijkwaardig stuk dat een geding inleidt.

20

In die omstandigheden heeft het Landgericht Stralsund de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer het procesrecht in een lidstaat voorziet in een zelfstandige bewijsprocedure, waarbij op bevel van het gerecht een beroep wordt gedaan op een deskundige, [meer bepaald] de ‚expertise judiciaire uit het Franse recht’, en wanneer in deze lidstaat een dergelijke zelfstandige bewijsprocedure wordt uitgevoerd en aansluitend in dezelfde lidstaat op grond van het resultaat van de zelfstandige bewijsprocedure een beroep in rechte tussen dezelfde partijen wordt ingesteld:

Is in dat geval het stuk waarbij de zelfstandige bewijsprocedure is ingeleid al een ‚stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk’ in de zin van artikel 30, punt 1, van verordening […] nr. 44/2001, of moet pas het stuk waarbij het beroep in rechte is ingeleid worden aangemerkt als ‚stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk’?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21

Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 27, lid 1, en artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moeten worden uitgelegd dat, bij aanhangigheid, het tijdstip waarop een procedure is ingeleid met het verzoek tot bevel van een onderzoeksmaatregel voorafgaand aan enig proces, het tijdstip kan vormen waarop een zaak in de zin van artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 „geacht [wordt] te zijn aangebracht” bij een gerecht dat moet oordelen over een vordering ten gronde die aansluitend op het resultaat van deze maatregel in dezelfde lidstaat is ingesteld.

22

Vooraf moet allereerst worden opgemerkt dat verordening nr. 44/2001 is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1). Deze laatste verordening is krachtens artikel 81 ervan echter pas van toepassing vanaf 10 januari 2015. Derhalve moet het verzoek om een prejudiciële beslissing dat betrekking heeft op een gerechtelijke procedure die op 21 november 2014 door HanseYachts is ingeleid, worden onderzocht in het licht van verordening nr. 44/2001.

23

Vervolgens moet worden vastgesteld dat het Hof niet is verzocht om een beslissing over de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter en die van de tribunal de commerce de Toulon, ondanks de nadere gegevens die de verwijzende rechter op dat punt heeft verstrekt. In het onderhavige geval stelt de verwijzende rechter, ofschoon HanseYachts lijkt te hebben beweerd dat de Duitse rechter op grond van artikel 23 van verordening nr. 44/2001 exclusief internationaal bevoegd is, dat hij internationaal bevoegd is op grond van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 44/2001 en meent hij dat geen enkele uitsluitende bevoegdheid van de Duitse gerechten in de weg staat aan de vordering die voor de tribunal de commerce de Toulon is ingesteld, daar de Franse rechter op zijn beurt zijn internationale bevoegdheid ontleent aan artikel 5, lid 3, van deze verordening.

24

In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend de zaak is van de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (arrest van 27 februari 2014, Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve is het Hof voornemens, zonder vooruit te willen lopen op de kwestie van de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter, de gestelde vraag te beantwoorden.

25

Afdeling 9 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met het opschrift „Aanhangigheid en samenhang”, bevat de artikelen 27 tot en met 30 van deze verordening. Deze afdeling beoogt, in het belang van een goede rechtsbedeling binnen de Europese Unie, de mogelijkheid van parallel lopende procedures voor de gerechten van verschillende lidstaten zoveel mogelijk te beperken, en te voorkomen dat onverenigbare beslissingen worden gewezen.

26

Uit de bewoordingen van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 vloeit voort dat sprake is van aanhangigheid zodra tussen dezelfde partijen vorderingen die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten voor de gerechten van verschillende lidstaten aanhangig zijn.

27

De verwijzende rechter meent dat sprake is van aanhangigheid tussen de zaak die voor hem aanhangig en die welke is aangebracht voor de tribunal de commerce de Toulon. Hij benadrukt dat hij, als gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, slecht verplicht zou zijn om zijn uitspraak aan te houden, indien de bodemprocedure die voor de tribunal de commerce de Toulon is ingeleid wordt geacht al te zijn begonnen in het stadium van de bewijsprocedure die voor de tribunal de commerce de Marseille is ingeleid.

28

Vooraf zij eraan herinnerd dat het mechanisme dat in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 is vastgelegd om gevallen van aanhangigheid op te lossen, een objectief en automatisch mechanisme is en is gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, Aannemingsbedrijf Aertssen en Aertssen Terrassements, C‑523/14, EU:C:2015:722, punt 48en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29

In deze context definieert artikel 30 van die verordening eenvormig en autonoom het tijdstip waarop een gerecht wordt geacht te zijn aangezocht voor de toepassing van afdeling 9 van hoofdstuk II en met name artikel 27 van die verordening, betreffende aanhangigheid (arrest van 22 oktober 2015, Aannemingsbedrijf Aertssen en Aertssen Terrassements, C‑523/14, EU:C:2015:722, punt 57). Krachtens punt 1 van artikel 30, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt, wordt de zaak aangebracht op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij een gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen.

30

Uit overweging 15 van verordening nr. 44/2001 komt naar voren dat dat artikel met name beoogt om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd en dat die datum autonoom moet worden bepaald. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 67 van zijn conclusie, blijkt uit de wetgevingswerkzaamheden die zijn voorafgegaan aan de vaststelling van deze verordening, met name uit het voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en in handelszaken [COM(1999) 348 def.], dat artikel 30 ervan tot doel heeft de juridische onzekerheden ten gevolge van de grote verscheidenheid van de in de lidstaten bestaande instrumenten ter bepaling van het tijdstip waarop een gerecht is aangezocht, te beperken door middel van een materiële regel op basis waarvan dit tijdstip op eenvoudige en eenvormige wijze kan worden bepaald.

31

In het onderhavige geval blijkt uit artikel 145 CPC dat in het Franse recht, indien er een legitieme reden bestaat om voorafgaand aan enig proces het bewijs van de feiten waarvan de beslechting van een geding kan afhangen te bewaren of vast te stellen, op verzoek van iedere belanghebbende, bij verzoekschrift of in een kort geding, de wettelijk toelaatbare onderzoeksmaatregelen kunnen worden bevolen. Een van deze maatregelen is de expertise judiciaire, ofwel het gerechtelijk deskundigenonderzoek.

32

Dat artikel vermeldt uitdrukkelijk dat het verzoek om de betrokken onderzoeksmaatregel „voorafgaand aan enig proces” wordt ingediend. In haar antwoorden op de vragen die het Hof heeft gesteld uit hoofde van de maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen op grond van artikel 61, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, heeft de Franse regering allereerst opgemerkt dat de tekst van artikel 145 CPC de uiting is van de autonomie van de onderzoeksmaatregelen die op basis ervan zijn bevolen ten opzichte van de bodemprocedure betreffende dezelfde partijen, aangezien „voorafgaand aan enig proces” om deze maatregelen moeten worden verzocht. Vervolgens wordt, volgens deze regering, een verzoek op grond van artikel 145 CPC behandeld in een procedure die losstaat van een eventuele bodemprocedure. De regering heeft benadrukt dat de rechter die op grondslag van artikel 145 CPC is aangezocht, door het opleggen van de verzochte onderzoeksmaatregel het bij hem ingestelde beroep heeft uitgeput.

33

Uit deze door de Franse regering uiteengezette uitlegging van artikel 145 CPC volgt dat, ofschoon inderdaad een band kan bestaan tussen de procedure die op grond van dit artikel is ingesteld en de bodemprocedure met het oog waarop de onderzoeksmaatregel is bevolen, een dergelijke bewijsprocedure niettemin autonoom is ten opzichte van de bodemprocedure die eventueel daarna kan worden ingesteld.

34

Niettemin moet worden benadrukt dat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of een dergelijke uitlegging van dat artikel moet worden gevolgd, aangezien het Hof volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is het nationale recht van een lidstaat uit te leggen (zie onder meer arrest van 13 december 2012, Caves Krier Frères, C‑379/11, EU:C:2012:798, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

Gelet op deze autonome aard en de zeer duidelijke scheiding die bestaat tussen de bewijsprocedure enerzijds en de eventuele bodemprocedure anderzijds, moet het begrip aan een gedinginleidend stuk „gelijkwaardig stuk”, bedoeld in artikel 30 van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het gedinginleidend stuk voor de bewijsprocedure, ter beoordeling van een geval van aanhangigheid en ter bepaling van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht in de zin van artikel 27, lid 1, van deze verordening, niet tevens kan worden beschouwd als het gedinginleidend stuk voor de bodemprocedure. Een dergelijke uitlegging zou bovendien niet erg verenigbaar zijn met de door artikel 30, punt 1, nagestreefde doelstelling, die, zoals in punt 30 van dit arrest is uiteengezet, beoogt het tijdstip waarop een gerecht is aangezocht op eenvoudige en eenvormige wijze te kunnen laten bepalen.

36

Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 27, lid 1, en artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moeten worden uitgelegd dat, bij aanhangigheid, het tijdstip waarop een procedure is ingeleid met het verzoek tot bevel van een onderzoeksmaatregel voorafgaand aan enig proces, niet het tijdstip kan vormen waarop een zaak in de zin van artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 „geacht [wordt] te zijn aangebracht” bij een gerecht dat moet oordelen over een vordering ten gronde die aansluitend op het resultaat van deze maatregel in dezelfde lidstaat is ingesteld.

Kosten

37

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 27, lid 1, en artikel 30, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat, bij aanhangigheid, het tijdstip waarop een procedure is ingeleid met het verzoek tot bevel van een onderzoeksmaatregel voorafgaand aan enig proces, niet het tijdstip kan vormen waarop een zaak in de zin van artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 „geacht [wordt] te zijn aangebracht” bij een gerecht dat moet oordelen over een vordering ten gronde die aansluitend op het resultaat van deze maatregel in dezelfde lidstaat is ingesteld.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top