Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CN0220

Zaak C-220/15: Beroep ingesteld op 12 mei 2015 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

OJ C 228, 13.7.2015, p. 7–8 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/7


Beroep ingesteld op 12 mei 2015 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-220/15)

(2015/C 228/09)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Kukovec, A. C. Becker, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 6, punt 1 van richtlijn 2007/23/EG (1) niet is nagekomen, door in de Erste Verordnung zum Sprengstoffgesetz (Eerste besluit bij de Duitse wet op de springstoffen, hierna: „1. SprengV”) naast de vereisten van de richtlijn te hebben bepaald dat, ongeacht een eerder uitgevoerde conformiteitsbeoordeling, pyrotechnische artikelen de procedure van § 6, vierde alinea, 1. SprengV, moeten doorlopen alvorens in de handel te worden gebracht, en dat de Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung (Duits federaal onderzoeks- en testinstituut voor materialen) ingevolge § 6, vierde alinea, vijfde volzin, 1. SprengV bevoegd is, de gebruiksaanwijzingen van alle pyrotechnische artikelen te controleren en zo nodig te wijzigen.

de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep betreft de vraag in hoeverre de lidstaten aan fabrikanten en importeurs van pyrotechnische artikelen in de zin van richtlijn 2007/23/EG aanvullende nationale vereisten voor het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen kunnen opleggen, ook voor die producten die blijkens een aangebrachte CE-markering voldoen aan de wezenlijke vereisten van de richtlijn. Daarenboven stellen de door de Commissie betwiste regelingen geen inhoudelijke vereisten aan deze producten, maar voorzien zij enkel in een aanvullende procedure, die voorafgaand aan de markttoegang op het grondgebied van verweerster plaatsvindt.

Verweerster eist namelijk dat, ondanks een bewijs van overeenstemming, van alle pyrotechnische artikelen in de zin van richtlijn 2007/23/EG aangifte wordt gedaan bij een wettelijk aangewezen federaal instituut, dat ten bewijze van de aangifte een identificatienummer verstrekt. Niet alleen duurt de procedure tamelijk lang, ook kan zij gepaard gaan met de betaling van administratiekosten en de afgifte van monsters. De Commissie staat op het standpunt dat het vereiste van een dergelijke procedure een schending vormt van het in artikel 6 van richtlijn 2007/23/EG gewaarborgde vrije goederenverkeer voor alle pyrotechnische artikelen die aan de vereisten van de richtlijn voldoen.

Deze situatie is ook door de vaststelling van richtlijn 2013/29/EU (2), waarbij richtlijn 2007/23/EG met ingang van 1 juli 2015 wordt ingetrokken, niet veranderd. Ten eerste wordt de periode waarover wordt beoordeeld of sprake is van niet-nakoming bepaald door het verstrijken van de in het met redenen omklede advies genoemde termijn (in dit geval 27 maart 2014). Ten tweede bevat richtlijn 2013/29/EU in artikel 4, eerste alinea, een voorschrift ter waarborg van het vrije verkeer voor alle pyrotechnische artikelen die aan de Unierechtelijke vereisten voldoen, dat identiek is aan artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 2007/23/EG.

De in het onderhavige geval gestelde inbreuk op een recht door verweerster bestaat derhalve in wezen uit een procedurele voorwaarde voor het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen, die naar mening van de Commissie niet is toegestaan en verder strekt dan de geharmoniseerde vereisten van het Unierecht. De betwiste regeling wekt als vormvoorschrift op het eerste gezicht wellicht de indruk enkel tot gevolg te hebben dat de verhandeling van deze producten in de afzonderlijke gevallen een vertraging oploopt die valt te overzien. De concrete gevolgen van deze regeling moeten echter niet worden onderschat. Daarbij moet allereerst in aanmerking worden genomen dat verweerster een van de grootste, zo niet de grootste, afzetmarkten voor pyrotechnische artikelen op de interne markt vormt. Verder moet in aanmerking worden genomen dat bepaalde pyrotechnische artikelen op het grondgebied van verweerster slechts eenmaal per jaar, en slechts voor zeer korte tijd, aan consumenten mogen worden verkocht, waardoor de tijdsdimensie van deze markttoegang des te meer betekenis krijgt. In dit opzicht geeft het tot slot ook te denken dat de regeling die thans wordt betwist, krachtens het nationale recht wordt uitgevoerd door dezelfde autoriteiten als die welke tevens als aangemelde instantie in de zin van richtlijn 2007/23/EG zijn aangewezen om de conformiteitsbehoordelingsprocedures uit te voeren. Het vereiste van een aanvullende procedure in het nationale recht van verweerster verschaft deze autoriteiten derhalve een concurrentievoordeel ten opzichte van de aangemelde instanties van andere lidstaten. In het licht van deze praktische gevolgen van de bestreden regeling gaat het in de onderhavige procedure dan ook geenszins louter om de principiële juridische beoordeling van een belemmering van de marktdeelnemers om producten die naar eerder oordeel van een andere dan de Duitse aangemelde instantie in overeenstemming zijn met de vereisten van het Unierecht, in de handel te brengen.


(1)  Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PB L 154, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) (PB L 178, blz. 27).


Top