Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CN0180

Zaak C-180/15: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Nacka tingsrätt — Mark- och miljödomstolen (Zweden) op 21 april 2015 — Borealis AB en anderen/Naturvårdsverket

OJ C 205, 22.6.2015, p. 21–23 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

22.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Nacka tingsrätt — Mark- och miljödomstolen (Zweden) op 21 april 2015 — Borealis AB en anderen/Naturvårdsverket

(Zaak C-180/15)

(2015/C 205/30)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Nacka tingsrätt — Mark- och miljödomstolen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Borealis AB, Kubikenborg Aluminium AB, Yara AB, SSAB EMEA AB, Lulekraft AB, Värmevärden i Nynäshamn AB, Cementa AB, Höganäs Sweden AB

Verwerende partij: Naturvårdsverket

Prejudiciële vragen

1)

Is het bij de berekening van de correctiefactor voor alle bedrijfstakken van de industriële sector verenigbaar met artikel 10 bis, leden 1 en 4, van de emissiehandelsrichtlijn (1) om de totale emissies bij de verbranding van restgassen voor elektriciteitsopwekking te rekenen tot het veilingdeel en niet tot het Industritak [(het plafond voor de kosteloze toewijzing van emissierechten; hierna: „industrieplafond”)], hoewel emissies van restgassen recht geven op de kosteloze toewijzing van emissierechten op grond van artikel 10 bis, lid 1, van de emissiehandelsrichtlijn?

2)

Is het bij de berekening van de correctiefactor voor alle bedrijfstakken van de industriële sector verenigbaar met artikel 10 bis, leden 1 en 4, van de emissiehandelsrichtlijn om de totale ontstane emissies bij warmte-opwekking in warmtekrachtinstallaties om die warmte te leveren aan [...] installaties [die onder de handelsregeling vallen (hierna: „ETS-installaties”)] te rekenen tot het veilingdeel en niet tot het industrieplafond, hoewel emissies door de opwekking van warmte recht geven op de kosteloze toewijzing van emissierechten op grond van artikel 10 bis, lid 4, van de emissiehandelsrichtlijn?

3)

Indien de vragen 1 en 2 ontkennend worden beantwoord, is de berekening van het aandeel van de industrie (34,78 procent) in de totale emissies in de referentieperiode dan correct?

4)

Is besluit 2013/448/EU (2) van de Commissie ongeldig en in strijd met artikel 10 bis, lid 5, [tweede] alinea, van de emissiehandelsrichtlijn, doordat als gevolg van de berekening van het industrieplafond door de Commissie onvermijdelijk een correctiefactor voor alle bedrijfstakken moet worden toegepast in plaats van „waar nodig”?

5)

Is de productbenchmark voor ruwijzer vastgesteld in overeenstemming met artikel 10 bis, lid 2, van de emissiehandelsrichtlijn, gelet op het feit dat bij de vaststelling van de beginselen voor de bepaling van ex-ante benchmarks dient te worden uitgegaan van de gemiddelde prestatie van de 10 % meest efficiënte installaties in de relevante bedrijfstak?

6)

Is het bij de toewijzing van kosteloze emissierechten voor de levering van warmte aan particuliere huishoudens verenigbaar met artikel 10 bis, lid 4, van de emissiehandelsrichtlijn dat geen kosteloze emissierechten worden toegewezen voor warmte die is uitgevoerd naar particuliere huishoudens?

7)

Is het bij het aanvragen van een toewijzing van kosteloze emissierechten verenigbaar met bijlage IV van besluit 2011/278/EU (3) van de Commissie dat, zoals Naturvårdsverket [(dienst natuurbescherming)] te werk is gegaan, niet alle broeikasgasemissies worden vermeld die verband houden met de opwekking van warmte die wordt uitgevoerd naar particuliere huishoudens?

8)

Is het bij de toewijzing van kosteloze emissierechten voor de levering van warmte aan particuliere huishoudens verenigbaar met artikel 10 bis, leden 1 en 4, van de emissiehandelsrichtlijn juncto artikel 10, lid 3, van besluit 2011/78/EU van de Commissie dat geen extra kosteloze emissierechten worden toegewezen voor de fossiele emissies die de toewijzing voor aan particuliere huishoudens geleverde warmte overschrijden?

9)

Is het bij een aanvraag voor de toewijzing van kosteloze emissierechten verenigbaar met bijlage IV van besluit 2011/278/EU van de Commissie dat, zoals Naturvårdsverket te werk is gegaan, de cijfers van de aanvraag aldus worden aangepast dat broeikasgasemissies door de verbranding van restgassen worden gelijkgesteld met de verbranding van aardgas?

10)

Houdt artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie in dat aan een exploitant geen kosteloze emissierechten kunnen worden toegewezen voor het verbruik in een warmtebenchmark-subinstallatie van warmte die is geproduceerd in een andere installatie, die een brandstofbenchmark-subinstallatie is?

11)

Indien vraag 10 bevestigend wordt beantwoord, is artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie dan in strijd met artikel 10 bis, lid 1, van de emissiehandelsrichtlijn?

12)

Is het bij de toewijzing van kosteloze emissierechten voor het verbruik van warmte verenigbaar met de emissiehandelsrichtlijn en de richtsnoeren nrs. 2 en 6 dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de warmtebron waaruit de verbruikte warmte voortkomt?

13)

Is besluit 2013/448/EU van de Commissie ongeldig en in strijd met artikel 290 VWEU en artikel 10 bis, leden 1 en 5, van de emissiehandelsrichtlijn, gelet op het feit dat het de berekeningsmethode van artikel 10 bis, lid 5, [eerste] alinea, onder a) en b), van de emissiehandelsrichtlijn wijzigt door emissies die ontstaan door verbranding van restgassen en warmtekrachtkoppeling uit te sluiten van de grondslag voor de berekening, hoewel de kosteloze toewijzing van emissierechten daarvoor wordt toegestaan op grond van artikel 10 bis, leden 1 en 4, van de emissiehandelsrichtlijn en besluit 2011/278/EU van de Commissie?

14)

Moet meetbare warmte in de vorm van stoom van een ETS-installatie die wordt geleverd aan een stoomnet met meerdere stoomverbruikers, waarvan minstens één een niet-ETS-installatie is, worden geacht een warmtebenchmark-subinstallatie te vormen als bedoeld in artikel 3, onder c), van besluit 2011/278/EU van de Commissie?

15)

Is het voor het antwoord op vraag 14 van belang

a)

of het stoomnet eigendom is van de grootste stoomverbruiker binnen het net en die verbruiker een ETS-installatie is,

b)

welk deel van de totale levering van warmte aan het stoomnet wordt verbruikt door de grootste stoomverbruiker,

c)

hoeveel leveranciers onderscheidenlijk verbruikers van stoom er binnen het stoomnet zijn,

d)

of het onzeker is wie de meetbare warmte heeft opgewekt die de onderscheiden stoomverbruikers afnemen, en ten slotte

e)

of de verdeling van het stoomverbruik binnen het net aldus zou kunnen veranderen dat er meer stoomverbruikers bijkomen die niet-ETS-installaties zijn of dat het verbruik van bestaande niet-ETS-installaties toeneemt

16)

Indien het antwoord op vraag 14 afhangt van de omstandigheden van het individuele geval, aan welke omstandigheden dient dan belang te worden gehecht?


(1)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32).

(2)  Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 240, blz. 27).

(3)  Besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 130, blz. 1).


Top