EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CJ0367

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 25 januari 2017.
Stowarzyszenie „Oławska Telewizja Kablowa” w Oławie tegen Stowarzyszenie Filmowców Polskich w Warszawie.
Verzoek van de Sąd Najwyższy om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2004/48/EG – Artikel 13 – Intellectuele en industriële eigendom – Inbreuk – Berekening van schadevergoeding – Regeling van een lidstaat – Tweemaal het bedrag van de normalerwijze verschuldigde royalty’s.
Zaak C-367/15.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:36

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

25 januari 2017 ( 1 )

„Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2004/48/EG — Artikel 13 — Intellectuele en industriële eigendom — Inbreuk — Berekening van schadevergoeding — Regelgeving van een lidstaat — Tweemaal het bedrag van de normalerwijze verschuldigde royalty’s”

In zaak C‑367/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) bij beslissing van 15 mei 2015, ingekomen bij het Hof op 14 juli 2015, in de procedure

Stowarzyszenie „Oławska Telewizja Kablowa”

tegen

Stowarzyszenie Filmowców Polskich,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, M. Berger (rapporteur), A. Borg Barthet, E. Levits en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 juli 2016,

gelet op de opmerkingen van:

Stowarzyszenie „Oławska Telewizja Kablowa”, vertegenwoordigd door R. Comi en A. Comi, radcowie prawni,

Stowarzyszenie Filmowców Polskich, vertegenwoordigd door W. Kulis en E. Traple, adwokaci,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Drwięcki en M. Nowak als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Magrippi en E. Tsaousi als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en G. Eberhard als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en F. Wilman als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 november 2016,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16).

2

Dit verzoek werd ingediend in het kader van een geding tussen Stowarzyszenie „Oławska Telewizja Kablowa”, gevestigd te Oława (Polen) (hierna: „OTK”), en Stowarzyszenie Filmowców Polskich, gevestigd te Warschau (Polen) (hierna: „SFP”), over een vordering wegens inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3

Artikel 1, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs) van 15 april 1994 (PB 1994, L 336, blz. 214; hierna: „TRIPs-overeenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), bepaalt:

„De Leden geven uitvoering aan de bepalingen van deze Overeenkomst. De Leden kunnen, maar zijn niet verplicht, in hun nationale wetgeving een uitgebreidere bescherming toepassen dan in deze Overeenkomst is vereist, mits deze bescherming niet in strijd is met de bepalingen van deze Overeenkomst. […]”

4

Artikel 19 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), bepaalt:

„De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming, die door de wetgeving van een der landen van de Unie mocht zijn voorgeschreven.”

5

Artikel 2, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gesloten te Rome op 26 oktober 1961 (hierna: „Verdrag van Rome”), bepaalt:

„De nationale behandeling is onderworpen aan de in dit Verdrag speciaal gewaarborgde bescherming en speciaal voorziene beperkingen.”

Unierecht

6

De overwegingen 3, 5 tot en met 7, 10 en 26 van richtlijn 2004/48 luiden:

„(3)

Zonder doeltreffende middelen om intellectuele-eigendomsrechten te handhaven, worden innovatie en creativiteit […] ontmoedigd en investeringen verminderd. Er moet dus voor worden gezorgd dat het materiële recht inzake de intellectuele eigendom […] in de [Unie] doeltreffend wordt toegepast. In dit opzicht zijn de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten voor het welslagen van de interne markt van wezenlijk belang.

[…]

(5)

De TRIPs-overeenkomst omvat met name bepalingen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten die gemeenschappelijke normen vormen die op internationaal vlak van toepassing zijn en in alle lidstaten ten uitvoer worden gelegd. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de lidstaten, met inbegrip van de TRIPs-overeenkomst.

(6)

Voorts bestaan er internationale verdragen waarbij alle lidstaten partij zijn en die ook bepalingen over de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten bevatten. Dat geldt met name voor het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en het Internationale Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties.

(7)

Uit de raadplegingen van de Commissie ter zake blijkt, dat er ondanks de TRIPs-overeenkomst nog belangrijke verschillen betreffende de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten tussen de lidstaten bestaan. Zo lopen de regelingen voor de toepassing van de voorlopige maatregelen die met name worden gebruikt ter bescherming van bewijsmateriaal, de berekening van schadevergoeding of ook de regelingen om een rechterlijk bevel toe te passen van lidstaat tot lidstaat sterk uiteen. In sommige lidstaten bestaan geen maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zoals het recht op informatie en het terugroepen op kosten van de inbreukmaker van de op de markt gebrachte inbreukmakende goederen.

[…]

(10)

Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van deze wetgevingen teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen.

[…]

(26)

Ter vergoeding van de schade die het gevolg is van een inbreuk door een inbreukmaker die een activiteit verricht heeft terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze aanleiding zou geven tot een dergelijke inbreuk, moet het bedrag van de aan de rechthebbende toegekende schadevergoeding worden vastgesteld rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals het door de rechthebbende geleden inkomensverlies of de door de inbreukmaker onrechtmatig gemaakte winst en in voorkomend geval, de aan de rechthebbende toegebrachte morele schade. Als alternatief, bijvoorbeeld indien de feitelijke schade moeilijk te bepalen is, kan het bedrag van de schadevergoeding worden afgeleid uit elementen als het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken. De bedoeling is niet een verplichting te introduceren om te voorzien in een niet-compensatoire schadevergoeding, maar wel schadeloosstelling mogelijk te maken die op een objectieve grondslag berust, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de kosten van de rechthebbende, bijvoorbeeld voor opsporing en onderzoek.”

7

Artikel 2 van richtlijn 2004/48, met het opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.   Onverminderd de middelen die in de [Unie-] of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het [Unie]recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.

[…]

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan:

[…]

b)

internationale verplichtingen van de lidstaten en met name de TRIPs‑overeenkomst, waaronder de verplichtingen met betrekking tot strafprocedures en straffen;

[…]”

8

Artikel 3 van deze richtlijn, met het opschrift „Algemene verplichting”, bepaalt:

„1.   De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2.   De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

9

Artikel 13, met het opschrift „Schadevergoeding”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden.

De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen:

a)

houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden,

of

b)

kunnen, als alternatief voor het bepaalde onder a), in passende gevallen de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken.”

Pools recht

10

Artikel 79, lid 1, van de ustawa o prawie autorskim i prawach pokrewnych (wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten) van 4 februari 1994 (geconsolideerde tekst, Dz. U. 2006, nr. 90, volgnummer 631), in de versie die gold op de datum van instelling van de vordering in het hoofdgeding (hierna: „auteurswet”), bepaalde:

„(1)   De rechthebbende wiens aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten zijn geschonden, kan vorderen dat de inbreukmaker:

[…]

3.   de geleden schade vergoedt

a)

overeenkomstig de daarvoor geldende algemene beginselen, of

b)

door betaling van een bedrag ter hoogte van tweemaal, of bij een verwijtbare inbreuk, driemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien de rechthebbende toestemming had verleend om het werk te gebruiken;

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11

SFP is een organisatie voor collectief beheer van auteursrechten die hiertoe gemachtigd is in Polen. Zij is bevoegd voor het beheer en de bescherming van de auteursrechten op audiovisuele werken. OTK zendt televisieprogramma’s uit via het kabelnetwerk op het grondgebied van de stad Oława (Polen).

12

Na de opzegging, op 30 december 1998, van een licentieovereenkomst waarin de regels voor de vergoeding tussen de partijen in het hoofdgeding waren vastgesteld, heeft OTK de auteursrechtelijk beschermde werken verder gebruikt en bij de Komisja Prawa Autorskiego (Poolse auteursrechtencommissie) een verzoek ingediend dat in wezen de vaststelling beoogde van de vergoeding die verschuldigd was voor het gebruik van de door SFP beheerde auteursrechten. Bij beslissing van 6 maart 2009 heeft deze commissie die vergoeding vastgesteld op 1,6 % van de netto-inkomsten van OTK uit de doorgifte van werken via de kabel, exclusief belasting over de toegevoegde waarde en bepaalde door OTK gemaakte kosten. Aangezien OTK zelf is overgegaan tot een berekening van het op die grondslag verschuldigde bedrag, heeft zij SFP een bedrag van 34312,69 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 7736,11 EUR) betaald uit hoofde van de inkomsten voor de periode 2006‑2008.

13

Op 12 januari 2009 heeft SFP een vordering ingesteld waarbij zij met name op grond van artikel 79, lid 1, punt 3, onder b), van de auteurswet heeft gevorderd dat OTK het verbod op doorgifte van beschermde audiovisuele werken werd opgelegd zolang er geen nieuwe licentieovereenkomst was gesloten, alsook dat OTK werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 390337,50 PLN (ongeveer 88005,17 EUR), vermeerderd met de wettelijke rente.

14

Bij vonnis van 11 augustus 2009 heeft de Sąd Okręgowy we Wrocławiu (regionale rechter Wrocław, Polen) OTK veroordeeld tot betaling aan SFP van een bedrag van 160275,69 PLN (ongeveer 36135,62 EUR), vermeerderd met de wettelijke rente, en in wezen de vordering voor het overige afgewezen. Aangezien de door beide partijen in het hoofdgeding tegen dit vonnis ingestelde beroepen werden verworpen, hebben zij allebei cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 15 juni 2011 heeft de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) de zaak evenwel voor heronderzoek terugverwezen naar de Sąd Apelacyjny we Wrocławiu (rechter in tweede aanleg Wrocław, Polen), die op 19 december 2011 een tweede arrest heeft gewezen. Laatstgenoemd arrest werd wederom vernietigd door de Sąd Najwyższy in het kader van een cassatieberoep en de zaak werd opnieuw voor heronderzoek terugverwezen naar de Sąd Apelacyjny we Wrocławiu. Tegen het door deze laatste rechter gewezen arrest werd cassatieberoep ingesteld door OTK.

15

In het kader van laatstgenoemd cassatieberoep, waarbij de Sąd Najwyższy deze zaak voor de derde keer dient te onderzoeken, heeft deze rechter twijfels over de verenigbaarheid van artikel 79, lid 1, punt 3, onder b), van de auteurswet met artikel 13 van richtlijn 2004/48. Volgens deze bepaling van de auteurswet is het immers mogelijk dat een rechthebbende wiens aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten zijn geschonden, schadeloosstelling vordert in de vorm van betaling van een bedrag ter hoogte van twee- of driemaal de passende vergoeding. Die bepaling zou dus een vorm van sanctie inhouden.

16

Verder vraagt de verwijzende rechter zich af of de toekenning van de vergoeding als bedoeld in richtlijn 2004/48 aan de houder van aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten vereist dat deze houder het bewijs levert van de schadeveroorzakende gebeurtenis, de geleden schade en de omvang ervan, het causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de schade alsmede de verwijtbare aard van de handelingen van de inbreukmaker.

17

In deze omstandigheden heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Kan artikel 13 van richtlijn 2004/48 aldus worden uitgelegd dat de rechthebbende wiens aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten zijn geschonden, de mogelijkheid heeft om ofwel vergoeding van de door hem geleden schade te verlangen overeenkomstig de daarvoor geldende algemene beginselen, ofwel – zonder dat hij de schade en het bestaan van een causaal verband tussen de inbreukmakende handeling en de schade hoeft aan te tonen – betaling te vorderen van een bedrag ter hoogte van tweemaal of, in het geval van een verwijtbare inbreuk, driemaal de passende vergoeding, terwijl volgens dat artikel de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening moet houden met alle in lid 1, onder a), ervan genoemde factoren, en slechts bij wijze van alternatief in bepaalde gevallen de schadevergoeding met inachtneming van de in lid 1, onder b), genoemde factoren kan vaststellen op een forfaitair bedrag? Is het met artikel 13 van de richtlijn in overeenstemming om op vordering van een partij een vooraf bepaalde forfaitaire schadevergoeding ter hoogte van twee- of driemaal de passende vergoeding toe te kennen, in aanmerking genomen dat in overweging 26 van de richtlijn wordt verklaard dat het niet de bedoeling van de richtlijn is om te voorzien in de toekenning van niet-compensatoire schadevergoeding?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

18

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de houder van een intellectuele-eigendomsrecht waarop inbreuk is gemaakt, de keuze heeft om van de inbreukmaker hetzij vergoeding van de door hem geleden schade te verlangen rekening houdend met alle passende aspecten van het concrete geval, hetzij – zonder dat hij de feitelijke schade en het causale verband tussen de inbreukmakende handeling en de geleden schade hoeft aan te tonen – betaling te vorderen van een bedrag ter hoogte van tweemaal of, in het geval van een verwijtbare inbreuk, driemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien toestemming was verleend om het betrokken werk te gebruiken.

19

Vooraf dient erop te worden gewezen dat na de vaststelling van de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak de aan de orde zijnde nationale bepaling, te weten artikel 79, lid 1, punt 3, onder b), van de auteurswet, ten dele ongrondwettelijk werd verklaard bij arrest van 23 juni 2015 van de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen), voor zover deze bepaling de rechthebbende wiens aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten zijn geschonden, de mogelijk bood om bij een verwijtbare inbreuk de betaling te vorderen van een bedrag ter hoogte van driemaal de passende vergoeding. Aangezien de uitspraak van de Trybunał Konstytucyjny terugwerkende kracht heeft, is de prejudiciële vraag, voor zover zij betrekking heeft op een ongrondwettelijk verklaarde regeling, hypothetisch geworden en derhalve niet-ontvankelijk.

20

Aangezien de verwijzende rechter zijn prejudiciële vraag niettemin heeft gehandhaafd, moet deze vraag derhalve in die zin worden opgevat dat wordt beoogd vast te stellen of artikel 13 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om betaling te vorderen van een bedrag ter hoogte van tweemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien toestemming was verleend om het betrokken werk te gebruiken (hierna: „hypothetische royalty’s”).

21

Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat richtlijn 2004/48, zoals blijkt uit overweging 3 ervan, een doeltreffende toepassing van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom in de Europese Unie beoogt. Aldus bepaalt artikel 3, lid 2, van deze richtlijn met name dat de door de lidstaten vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn.

22

In overweging 10 van richtlijn 2004/48 wordt in deze context weliswaar verwezen naar de doelstelling, een hoog, gelijkwaardig en „homogeen” niveau van bescherming van de intellectuele eigendom in de interne markt te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat deze richtlijn, zoals blijkt uit artikel 2, lid 1, ervan, van toepassing is onverminderd de middelen die met name in de nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden. In dit verband blijkt ondubbelzinnig uit overweging 7 van deze richtlijn dat het gehanteerde begrip „middel” algemeen van aard is en tevens de berekening van schadevergoeding omvat.

23

Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, legt richtlijn 2004/48 bijgevolg een minimumnorm inzake de eerbiediging van de intellectuele-eigendomsrechten vast en belet zij de lidstaten niet, maatregelen met ruimere bescherming te treffen (zie arrest van 9 juni 2016, Hansson, C‑481/14, EU:C:2016:419, punten 36 en 40).

24

Verder dient overeenkomstig de overwegingen 5 en 6 alsmede artikel 2, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/48 bij de uitlegging van de bepalingen van deze richtlijn rekening te worden gehouden met de verplichtingen die voor de lidstaten voortvloeien uit de internationale verdragen, zoals de TRIPs-overeenkomst, de Berner Conventie en het Verdrag van Rome, die van toepassing kunnen zijn op het hoofdgeding. Zowel artikel 1 van de TRIPs-overeenkomst als artikel 19 van de Berner Conventie en artikel 2 van het Verdrag van Rome bieden de verdragsluitende staten de mogelijkheid, de houders van de betrokken rechten een uitgebreidere bescherming te verlenen dan die welke is voorzien in deze respectieve verdragen.

25

Derhalve moet artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2004/48 aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de rechthebbende wiens aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten zijn geschonden, van de inbreukmaker vergoeding van de geleden schade kan vorderen door betaling van een bedrag ter hoogte van tweemaal de hypothetische royalty’s.

26

Aan deze uitlegging kan niet worden afgedaan door het feit, ten eerste, dat een vergoeding die wordt berekend op basis van het dubbele van de hypothetische royalty’s, niet strikt evenredig is aan de door de benadeelde partij daadwerkelijk geleden schade. Dit kenmerk is immers inherent aan elke forfaitaire vergoeding, net als die waarin artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2004/48 uitdrukkelijk voorziet.

27

Ten tweede kan evenmin worden afgedaan aan die uitlegging door het feit dat richtlijn 2004/48, zoals blijkt uit overweging 26 ervan, niet beoogt een verplichting in te voeren om te voorzien in een niet-compensatoire schadevergoeding.

28

Anders dan de verwijzende rechter lijkt te stellen, kan het feit dat richtlijn 2004/48 voor de lidstaten geen verplichting inhoudt om te voorzien in een zogenaamde „niet-compensatoire” schadevergoeding, immers niet worden uitgelegd als een verbod om een dergelijke maatregel in te voeren.

29

Verder, en zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of de invoering van een zogenaamde „niet-compensatoire” schadevergoeding in strijd zou zijn met artikel 13 van richtlijn 2004/48, blijkt niet dat de in het hoofdgeding toepasselijke bepaling een verplichting tot betaling van dergelijke schadevergoeding inhoudt.

30

Zo dient erop te worden gewezen dat de loutere betaling van de hypothetische royalty’s in het geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht niet kan waarborgen dat de volledige daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed, aangezien de betaling van die royalty’s als zodanig niet verzekert dat de in overweging 26 van richtlijn 2004/48 aangehaalde kosten voor onderzoek en opsporing van mogelijke inbreukmakende handelingen worden terugbetaald, en evenmin dat eventuele morele schade wordt vergoed (zie, wat dit laatste aspect betreft, arrest van 17 maart 2016, Liffers, C‑99/15, EU:C:2016:173, punt 26), of nog dat rente over de verschuldigde bedragen wordt betaald. OTK heeft immers ter terechtzitting bevestigd dat de betaling van een bedrag ter hoogte van tweemaal de hypothetische royalty’s in de praktijk neerkomt op een vergoeding waarvan het bedrag lager is dan wat de rechthebbende zou kunnen vorderen op grond van de „algemene beginselen” in de zin van artikel 79, lid 1, punt 3, onder a), van de auteurswet.

31

Niet uitgesloten kan worden dat in uitzonderlijke gevallen de vergoeding van schade die wordt berekend op basis van het dubbele van de hypothetische royalty’s, zo duidelijk en aanzienlijk de daadwerkelijk geleden schade overstijgt dat een vordering in die zin een door artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 verboden rechtsmisbruik zou kunnen uitmaken. Evenwel blijkt uit de ter terechtzitting door de Poolse regering geformuleerde opmerkingen dat volgens de in het hoofdgeding toepasselijke regeling de Poolse rechter in een dergelijk geval niet gebonden is door de vordering van de benadeelde partij.

32

Wat ten derde het argument betreft dat de benadeelde partij, voor zover zij de schadevergoeding mag berekenen op basis van het dubbele van de hypothetische royalty’s, het causale verband tussen de inbreukmakende handeling en de geleden schade niet meer hoeft aan te tonen, dient ten slotte te worden vastgesteld dat dit argument berust op een te strikte uitlegging van het begrip „causaal verband”, volgens welke de benadeelde partij niet alleen een causaal verband tussen die handeling en de geleden schade moet aantonen, maar ook tussen die handeling en het exacte bedrag van de schade. Een dergelijke uitlegging is evenwel onverenigbaar met het concept zelf van een forfaitaire vaststelling van schadevergoeding, en dus met artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2004/48, dat een dergelijk type van schadeloosstelling toestaat.

33

Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 13 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de houder van een intellectuele-eigendomsrecht waarop inbreuk is gemaakt, van de inbreukmaker hetzij vergoeding van de door hem geleden schade kan verlangen rekening houdend met alle passende aspecten van het concrete geval, hetzij – zonder dat hij de feitelijke schade hoeft aan te tonen – betaling kan vorderen van een bedrag ter hoogte van tweemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien toestemming was verleend om het betrokken werk te gebruiken.

Kosten

34

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 13 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de houder van een intellectuele-eigendomsrecht waarop inbreuk is gemaakt, van de inbreukmaker hetzij vergoeding van de door hem geleden schade kan verlangen rekening houdend met alle passende aspecten van het concrete geval, hetzij – zonder dat hij de feitelijke schade hoeft aan te tonen – betaling kan vorderen van een bedrag ter hoogte van tweemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien toestemming was verleend om het betrokken werk te gebruiken.

 

ondertekeningen


( 1 ) Procestaal: Pools.

Top