EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CJ0178

Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 30 juni 2016.
Alicja Sobczyszyn tegen Szkoła Podstawowa w Rzeplinie.
Verzoek van de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia we Wrocławiu X Wydział Pracy i Ubezpieczeń Społecznych om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon – Onderwijzend personeel – Verlof tot herstel van de gezondheid – Jaarlijkse vakantie die samenvalt met verlof tot herstel van de gezondheid – Recht om de jaarlijkse vakantie in een andere periode op te nemen.
Zaak C-178/15.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:502

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

30 juni 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Organisatie van de arbeidstijd — Richtlijn 2003/88/EG — Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon — Onderwijzend personeel — Verlof tot herstel van de gezondheid — Jaarlijkse vakantie die samenvalt met verlof tot herstel van de gezondheid — Recht om jaarlijkse vakantie in een andere periode op te nemen”

In zaak C‑178/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia we Wrocławiu X Wydział Pracy i Ubezpieczeń Społecznych (arrondissementsrechtbank Wrocław-Centrum, afdeling X voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken, Polen) bij beslissing van 1 april 2015, ingekomen bij het Hof op 20 april 2015, in de procedure

Alicja Sobczyszyn

tegen

Szkoła Podstawowa w Rzeplinie,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, E. Levits (rapporteur) en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herbout-Borczak en M. van Beek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Sobczyszyn en haar werkgever, de Szkoła Podstawowa w Rzeplinie (basisschool te Rzeplin, Polen), over het verzoek van Sobczyszyn om gebruik te maken van haar recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon met betrekking tot een jaar waarin zij verlof tot herstel van de gezondheid heeft opgenomen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 1 van richtlijn 2003/88, met als opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.   Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

de minimale [...] jaarlijkse vakantie [...]

[...]”.

4

Artikel 7 van deze richtlijn, met als opschrift „Jaarlijkse vakantie”, luidt als volgt:

„1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

2.   De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”

5

Artikel 17 van richtlijn 2003/88 bepaalt dat de lidstaten van enkele bepalingen van deze richtlijn kunnen afwijken. Van artikel 7 van de richtlijn mag niet worden afgeweken.

Pools recht

6

De vastgestelde versie van de Ustawa – Karta Nauczyciela (wet houdende het handvest voor het onderwijzend personeel) van 26 januari 1982 (Dz. U. van 2014, nr. 191, volgnummer 1198; hierna: „handvest voor het onderwijzend personeel”) is een wet die specifiek de rechten en plichten van het onderwijzend personeel regelt. Het bij de wet van 26 juni 1974 vastgestelde Kodeks Pracy (arbeidswetboek) (Dz. U. van 1974, nr. 24, volgnummer 141), zoals gewijzigd, geldt voor leraren slechts subsidiair.

7

Artikel 64 van het handvest voor het onderwijzend personeel bepaalt:

„1.   Leraren die werkzaam zijn op scholen waar bij de organisatie van het werk sprake is van een zomervakantie en een wintervakantie hebben recht op een vakantie waarvan de duur overeenkomt met die jaarlijkse vakantie, welke vakantie dan wordt opgenomen.

[...]

3.   Leraren die werkzaam zijn op scholen zonder schoolvakanties hebben recht op 35 werkdagen vakantie in de periode die in de jaarlijkse vakantieplanning is vastgelegd.

[...]

5a.   Leraren die werkzaam zijn op scholen zonder schoolvakanties hebben bij het aangaan of het beëindigen van een arbeidsverhouding tijdens het kalenderjaar, wat jaarlijkse vakantie betreft, recht op een aantal vakantiedagen dat in verhouding staat tot de gewerkte periode, en wel in overeenstemming met bijzondere bepalingen.”

8

Artikel 73 van het handvest bepaalt:

„1.   De directeur van de instelling kent leraren die een voltijd dienstverband voor onbepaalde tijd hebben en ten minste zeven jaar werkzaam zijn in de instelling, verlof tot herstel van de gezondheid toe om een door een arts aanbevolen therapie te volgen voor een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar [...].

[...]

5.   Gedurende het verlof tot herstel van de gezondheid behoudt de leraar het recht op zijn basismaandloon met toelagen op basis van het aantal dienstjaren en het recht op andere werknemersuitkeringen, waaronder de in artikel 54 genoemde sociale uitkeringen.

6.   Uiterlijk twee weken vóór het einde van het verlof tot herstel van de gezondheid ontvangt de leraar van de directeur van de school een uitnodiging voor een controleonderzoek, zodat kan worden vastgesteld dat niets zich tegen het uitoefenen van zijn functie verzet.

[...]

8.   Leraren kunnen niet eerder dan één jaar na het einde van het vorige verlof tot herstel van de gezondheid opnieuw verlof tot herstel van de gezondheid genieten. De totale duur van het verlof tot herstel van de gezondheid bedraagt over de hele loopbaan maximaal drie jaar.

[...]

10.   De aan het ziekenfonds verbonden arts die de leraar behandelt, bepaalt of voor de aanbevolen therapie verlof tot herstel van de gezondheid dient te worden verleend. Tegen de in de eerste zin bedoelde beslissing kan worden opgekomen bij de beroepsinstantie als bedoeld in de op grond van lid 11 vastgestelde bepalingen, volgens de daarin voorgeschreven procedure.

[...]”

9

Artikel 14 van het arbeidswetboek is opgenomen in hoofdstuk II van dat wetboek, dat als opschrift draagt „Grondbeginselen van het arbeidsrecht”. Dit artikel luidt als volgt:

„Werknemers hebben recht op rust in overeenstemming met de regels voor de werktijden, vrije dagen en jaarlijkse vakantie.”

10

Artikel 152, lid 1, van dat wetboek luidt als volgt:

„Werknemers hebben recht op een aaneengesloten periode jaarlijkse betaalde vakantie, hierna ‚vakantie’ te noemen.”

11

Artikel 165 van het arbeidswetboek luidt:

„Indien de werknemer op het aangegeven moment het verlof niet kan opnemen om redenen die zijn afwezigheid van het werk rechtvaardigen, met name wegens:

1)

tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte;

2)

quarantaine in verband met een besmettelijke ziekte;

3)

oproep tot militaire oefeningen of trainingen voor een periode van maximaal drie maanden;

4)

moederschapsverlof,

is de werkgever verplicht het verlof uit te stellen tot een latere periode.”

12

Artikel 166 van het arbeidswetboek luidt:

„Indien vakantiedagen niet zijn opgenomen wegens:

1)

tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte;

2)

quarantaine in verband met een besmettelijke ziekte;

3)

deelname aan militaire oefeningen of trainingen voor een periode van maximaal drie maanden;

4)

moederschapsverlof,

is de werkgever verplicht de vakantiedagen toe te kennen op een later tijdstip.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

13

Sinds 2008 is Sobczyszyn lerares aan de onderwijsinstelling Szkoła Podstawowa w Rzeplinie (basisschool te Rzeplin), haar werkgever.

14

Op 1 januari 2011 had Sobczyszyn op grond van artikel 64, lid 3, van het handvest voor onderwijzend personeel recht op 35 vakantiedagen. In de periode van 28 maart 2011 tot en met 18 november 2011 was zij met verlof tot herstel van de gezondheid om een door een arts aanbevolen therapie te volgen, welk verlof haar door haar werkgever was verleend overeenkomstig artikel 73 van dat handvest.

15

Op 27 april 2012 verzocht Sobczyszyn haar werkgever haar de in 2011 opgebouwde vakantiedagen toe te kennen die zij wegens haar verlof tot herstel van de gezondheid niet had kunnen opnemen. Dit werd geweigerd omdat in de vakantieplanning voor 2011 was vastgelegd dat zij vakantie zou nemen van 1 tot en met 31 juli 2011, zodat haar aanspraak op vakantiedagen voor 2011 was opgegaan in het verlof tot herstel van de gezondheid dat zij toen genoot.

16

De verwijzende rechter, tot wie Sobczyszyn zich heeft gewend, vraagt zich af of de nationale bepalingen met betrekking tot het recht op jaarlijkse vakantie van onderwijzend personeel zich verdragen met artikel 7 van richtlijn 2003/88. Volgens deze rechter heeft het Hof nog niet de gelegenheid gehad om zich uit te laten over de uitlegging van die Unierechtelijke bepaling in een geval waarin jaarlijkse vakantie samenvalt met verlof tot herstel van de gezondheid als bedoeld naar Pools recht.

17

Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla Wrocławia-Śródmieścia we Wrocławiu X Wydział Pracy i Ubezpieczeń Społecznych (arrondissementsrechtbank Wrocław-Centrum, afdeling X voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dient artikel 7 van richtlijn 2003/88, volgens hetwelk de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie, aldus te worden uitgelegd dat een leraar die verlof tot herstel van de gezondheid, waarin is voorzien bij het handvest voor het onderwijzend personeel, heeft opgenomen, in het jaar waarin hij het verlof tot herstel van de gezondheid heeft opgenomen ook het recht op jaarlijkse vakantie op grond van de algemene arbeidsrechtelijke bepalingen verkrijgt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

18

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of handelwijze als in het hoofdgeding, waarbij aan een werknemer die tijdens de jaarlijkse vakantie die is vastgelegd in de vakantieplanning van de organisatie waar hij werkt, met verlof tot herstel van de gezondheid is, welk verlof overeenkomstig het nationale recht is verleend, na afloop van dat verlof kan worden geweigerd om zijn betaalde jaarlijkse vakantie op een later tijdstip op te nemen.

19

In dit verband moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat, zoals reeds blijkt uit de formulering van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88, een bepaling waarvan ingevolge deze richtlijn niet kan worden afgeweken, alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon wordt toegekend van ten minste vier weken. Dit recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in richtlijn 2003/88 (arrest van 10 september 2009, Vicente Pereda, C‑277/08, EU:C:2009:542, punt 18en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20

In de tweede plaats is het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon als beginsel van sociaal recht van de Unie niet alleen bijzonder belangrijk, maar is het tevens uitdrukkelijk neergelegd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaraan artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde toekent als aan de Verdragen (arresten van 22 november 2011, KHS, C‑214/10, EU:C:2011:761, punt 37, en 3 mei 2012, Neidel, C‑337/10, EU:C:2012:263, punt 40).

21

In de derde plaats mag het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet restrictief worden uitgelegd (zie arrest van 22 april 2010, Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, C‑486/08, EU:C:2010:215, punt 29).

22

Verder heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 in beginsel niet in de weg staat aan een nationale regeling die voorwaarden voor de uitoefening van het uitdrukkelijk bij deze richtlijn verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon stelt, zelfs met inbegrip van het verlies van dit recht aan het einde van een referentieperiode, mits de werknemer wiens recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verloren gaat, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit recht gebruik te maken (arrest van 10 september 2009, Vicente Pereda, C‑277/08, EU:C:2009:542, punt 19en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

Uit de rechtspraak van het Hof blijkt ook dat het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is om de werknemer in staat te stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken (zie arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 25).

24

Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat bij het samenvallen van jaarlijkse vakantie en ziekteverlof artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of gebruiken volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vervalt aan het einde van de referentieperiode en/of van een naar nationaal recht vastgestelde overdrachtsperiode, wanneer de werknemer met ziekteverlof is geweest tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan en dus niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit recht gebruik te maken (zie met name arresten van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 49, en 10 september 2009, Vicente Pereda, C‑277/08, EU:C:2009:542, punt 19).

25

Het Hof heeft immers verklaard dat het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, namelijk de werknemer in staat stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken, verschilt van het doel van het recht op ziekteverlof, namelijk de werknemer in staat stellen te herstellen van een ziekte (zie in die zin arrest van 21 juni 2012, ANGED, C‑78/11, EU:C:2012:372, punt 19en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

In het licht van die uiteenlopende doelen van de twee soorten verlof is het Hof tot het oordeel gekomen dat een werknemer die met ziekteverlof is tijdens een van tevoren vastgestelde jaarlijkse vakantieperiode, het recht heeft om, op zijn verzoek en teneinde daadwerkelijk van zijn recht op jaarlijkse vakantie gebruik te kunnen maken, deze vakantie op te nemen in een andere periode dan die welke samenvalt met de periode van ziekteverlof (zie arresten van 10 september 2009, Vicente Pereda, C‑277/08, EU:C:2009:542, punt 22, en 21 juni 2012, ANGED, C‑78/11, EU:C:2012:372, punt 20).

27

Deze overwegingen, die zonder meer ook gelden in een situatie als die in het hoofdgeding waarin verlof tot herstel van de gezondheid samenvalt met een van tevoren vastgelegde jaarlijkse vakantieperiode, vormen de achtergrond waartegen moet worden nagegaan of, met inachtneming van de mogelijkerwijs verschillende doelen van de twee aan de orde zijnde soorten verlof, het samenvallen daarvan kan voorkomen dat de door de werknemer opgebouwde vakantiedagen op een later tijdstip worden opgenomen.

28

In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat het weliswaar uiteindelijk aan de nationale rechter staat, die als enige bevoegd is om de nationale wettelijke regeling uit te leggen, om uit te maken of het doel van verlof tot herstel van de gezondheid verschilt van het doel van jaarlijkse vakantie met behoud van loon in de zin van artikel 7 van richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof, maar dat het Hof, dat de nationale rechter een antwoord moet geven dat nuttig is voor de beslechting van het bij deze rechter aanhangige geding, hem daartoe aanwijzingen kan verstrekken op basis van alle door de nationale rechter overgelegde gegevens en met name op basis van de motivering van de verwijzingsbeslissing.

29

Wat betreft het doel van het recht op verlof tot herstel van de gezondheid als bedoeld in het Poolse recht, moet erop worden gewezen dat volgens artikel 73, lid 1, van het handvest voor het onderwijzend personeel dat verlof wordt toegekend „om een door een arts aanbevolen therapie te volgen” voor een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar. Blijkens artikel 73, lid 10, bepaalt de aan het ziekenfonds verbonden arts die de leraar behandelt „of voor de aanbevolen therapie verlof tot herstel van de gezondheid dient te worden verleend”. Verder is in artikel 73, lid 6, van dat handvest bepaald dat bij de leraar twee weken vóór het einde van dat verlof een controleonderzoek plaatsvindt, zodat kan worden vastgesteld dat niets zich tegen het uitoefenen van zijn functie verzet.

30

Zoals de verwijzende rechter zelf heeft aangegeven in het verzoek om een prejudiciële beslissing, maken de in het voorgaande punt van het onderhavige arrest genoemde factoren het aannemelijk dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verlof tot herstel van de gezondheid is gericht op de verbetering van de gezondheid van de werknemers aan wie dit verlof wordt aanbevolen, en, anders dan de jaarlijkse betaalde vakantie als bedoeld in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88, niet ten doel heeft dat die werknemers over een periode van ontspanning en vrije tijd beschikken, aangezien zij een door een arts aanbevolen therapie moeten volgen.

31

In het licht van die aanwijzingen en alle aspecten die op nationaal niveau gemoeid zijn met het toekennen van het recht op verlof tot herstel van de gezondheid, staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of het doel van dat recht verschilt van het doel van het in artikel 7 van richtlijn 2003/88 omschreven recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, zoals uitgelegd door het Hof.

32

Als de verwijzende rechter tot het oordeel komt dat de beoogde doelen verschillen, moet de nationale regeling voorzien in de verplichting voor de werkgever om de betrokken werknemer een andere, door die werknemer voorgestelde periode van jaarlijkse vakantie toe te kennen, die in voorkomend geval verenigbaar is met dwingende redenen die samenhangen met de belangen van de werkgever, zonder bij voorbaat uit te sluiten dat die periode buiten de referentieperiode voor de jaarlijkse vakantie in kwestie ligt (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Vicente Pereda, C‑277/08, EU:C:2009:542, punten 22 en 23).

33

Volgens de rechtspraak van het Hof doet het positieve effect van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer zich immers weliswaar ten volle gevoelen wanneer deze vakantie in het daartoe voorziene jaar, te weten het lopende jaar, wordt genomen, maar boet deze rusttijd niet aan belang in wanneer hij in een volgende periode wordt genomen (zie arresten van 6 april 2006, Federatie Nederlandse Vakbeweging, C‑124/05, EU:C:2006:244, punt 30, en 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 30).

34

Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of handelwijze als in het hoofdgeding, waarbij aan een werknemer die tijdens de jaarlijkse vakantie die is vastgelegd in de vakantieplanning van de organisatie waar hij werkt, met verlof tot herstel van de gezondheid is, welk verlof overeenkomstig het nationale recht is verleend, na afloop van dat verlof kan worden geweigerd om zijn betaalde jaarlijkse vakantie op een later tijdstip op te nemen, mits het doel van het recht op verlof tot herstel van de gezondheid verschilt van dat van het recht op jaarlijkse vakantie, hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat.

Kosten

35

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of handelwijze als in het hoofdgeding, waarbij aan een werknemer die tijdens de jaarlijkse vakantie die is vastgelegd in de vakantieplanning van de organisatie waar hij werkt, met verlof tot herstel van de gezondheid is, welk verlof overeenkomstig het nationale recht is verleend, na afloop van dat verlof kan worden geweigerd om zijn betaalde jaarlijkse vakantie op een later tijdstip op te nemen, mits het doel van het recht op verlof tot herstel van de gezondheid verschilt van dat van het recht op jaarlijkse vakantie, hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Pools.

Top