EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CC0294

Conclusie van advocaat-generaal M. Wathelet van 26 mei 2016.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:367

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. WATHELET

van 26 mei 2016 ( *1 )

Zaak C‑294/15

Edyta Mikołajczyk

tegen

Marie Louise Czarnecka,

Stefan Czarnecki

[verzoek van de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikel 1, lid 1, onder a) — Materiële werkingssfeer — Verzoek om nietigverklaring van een huwelijk, ingediend door een derde na het overlijden van een van de echtgenoten — Artikel 3, lid 1 — Bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de verblijfplaats van de verzoeker om kennis te nemen van een dergelijk verzoek”

I – Inleiding

1.

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), en lid 3, en van artikel 3 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 ( *2 ) (hierna: „verordening nr. 2201/2003”).

2.

Dit verzoek ziet in het bijzonder op de toepasselijkheid van deze verordening op procedures tot nietigverklaring van een huwelijk, ingediend door een derde na het overlijden van een van de echtgenoten.

II – Toepasselijke bepalingen

3.

Overweging 8 van verordening nr. 2201/2003 vermeldt dat „[w]at betreft beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, mag deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen”.

4.

In artikel 1, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003 wordt de werkingssfeer van deze verordening als volgt omschreven:

„1.   Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

a)

echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;

[...]

3.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;

b)

beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;

c)

de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;

d)

de handlichting;

e)

onderhoudsverplichtingen;

f)

trusts en erfopvolging;

g)

maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.”

5.

Artikel 3 van deze verordening, met het opschrift „Algemene bevoegdheid”, bepaalt:

„1.   Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a)

op het grondgebied waarvan:

de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‚domicile’ (woonplaats) heeft;

b)

waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‚domicile’ (woonplaats) hebben.

2.   In deze verordening heeft ‚woonplaats’ dezelfde betekenis als volgens het recht van het Verenigd Koninkrijk of Ierland.”

III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

6.

De feiten van de onderhavige zaak zijn nogal ongewoon en gaan meerdere decennia terug in de tijd.

7.

Op 20 november 2012 heeft Edyta Mikołajczyk beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechter Warschau, Polen) tot nietigverklaring van het op 4 juli 1956 voor het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand van het 16e arrondissement van Parijs (Frankrijk) gesloten huwelijk tussen Stefan Czarnecki en Marie Louise Czarnecka (geboren Cuenin). Zij heeft aangevoerd dat zij testamentair erfgename is van de eerste echtgenote van Czarnecki, Zdzisława Czarnecka, die op 15 juni 1999 is overleden.

8.

Volgens Mikołajczyk is het huwelijk tussen Czarnecki en Zdzisława Czarnecka, dat op 13 juli 1937 voor het hoofd van het bureau van de burgerlijke stand te Poznań (Polen) is gesloten, nooit ontbonden, zodat het daarna gesloten huwelijk tussen Czarnecki en Marie Louise Czarnecka een bigame relatie was.

9.

Dit beroep tot nietigverklaring is ingesteld tegen Czarnecki en Marie Louise Czarnecka. Gegeven het feit dat Czarnecki op 3 maart 1971 is overleden, is een vertegenwoordiger aangewezen om hem in deze procedure te vertegenwoordigen. Deze sluit zich aan bij het standpunt van Marie Louise Czarnecka.

10.

Marie Louise Czarnecka heeft de bevoegdheid van de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechter Warschau) betwist en gevorderd, het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren. Ten gronde heeft zij gevorderd het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren.

11.

Bij beschikking van 9 september 2013 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechter Warschau) de exceptie van onbevoegdheid verworpen. Geen van de partijen heeft beroep ingesteld tegen deze beschikking.

12.

Bij vonnis van 13 februari 2014 heeft dit gerecht, na vaststelling dat het huwelijk tussen Czarnecki en Zdzisława Czarnecka bij op 29 mei 1940 door de Poolse rechterlijke instanties uitgesproken echtscheiding was ontbonden, het beroep tot nietigverklaring van het huwelijk ongegrond verklaard.

13.

Mikołajczyk heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen).

14.

Bij het onderzoek van dit hoger beroep ontstond bij dit gerecht twijfel over de internationale bevoegdheid van de Poolse rechterlijke instanties om ingevolge de artikelen 1 en 3 van verordening nr. 2201/2003 kennis te nemen van het hoofdgeding. De Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau) heeft derhalve besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:

„1)

Vallen procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die zijn ingeleid na het overlijden van een van de echtgenoten binnen de werkingssfeer van [verordening nr. 2201/2003]?

2)

Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Vallen procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk ook binnen de werkingssfeer van [verordening nr. 2201/2003] wanneer zij door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid?

3)

Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan in procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid, de bevoegdheid van het gerecht worden gebaseerd op de in artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van [verordening nr. 2201/2003] genoemde bevoegdheidsgronden?”

IV – Procedure bij het Hof

15.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij het Hof ingediend op 17 juni 2015.

16.

Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Poolse en de Italiaanse regering, alsmede door de Europese Commissie. Noch partijen in het hoofdgeding, noch interveniënten in de procedure voor het Hof hebben om een pleitzitting verzocht. Het Hof achtte zich voldoende voorgelicht om uitspraak te doen zonder pleitzitting.

V – Analyse

A – Eerste prejudiciële vraag

17.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of verordening nr. 2201/2003 van toepassing is op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die zijn ingeleid na het overlijden van een van de echtgenoten.

18.

Nu de verwijzende rechter in zijn verwijzingsuitspraak grotendeels de door de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechter Warschau) vastgestelde feiten overneemt, waaronder het feit dat het huwelijk tussen Czarnecki en Zdzisława Czarnecka in 1940 door echtscheiding is ontbonden ( *3 ), komt het mij op het eerste gezicht voor dat het beroep dat tot de onderhavige prejudiciële verwijzing heeft geleid, waarschijnlijk ongegrond is.

19.

Deze vraag ten gronde kan echter niet worden behandeld zonder eerst de vraag te beantwoorden of de Poolse rechterlijke instanties internationale bevoegdheid hebben om kennis te nemen van het hoofdgeding. Deze rechtsvraag is nu net het voorwerp van de onderhavige prejudiciële procedure.

20.

Volgens de verwijzende rechter is het feit dat ingevolge artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003, deze verordening van toepassing is op burgerlijke zaken betreffende de nietigverklaring van het huwelijk, op zichzelf niet bepalend.

21.

De verwijzende rechter herinnert eraan dat verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen ( *4 ) bij deze verordening is ingetrokken. Verordening nr. 1347/2000 had als grondslag „het verdrag, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken” ( *5 ).

22.

Ondanks het feit dat de bepalingen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn, in grote mate overeenkomen met de bepalingen uit dit verdrag, dat ook geen enkele categorie van procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk van zijn werkingssfeer uitsloot, heeft de verwijzende rechter verwezen naar punt 27 van het toelichtend verslag over dat verdrag dat door de Raad op28 mei 1998 is goedgekeurd en is opgesteld door hoogleraar Borrás ( *6 ). Ingevolge dit punt „moeten [er] criteria worden opgesteld voor de bevoegdheid in huwelijkszaken, zonder dat men in de situatie geraakt waarin de geldigheid van een huwelijk in het kader van een vordering tot nietigverklaring moet worden onderzocht wanneer een van de echtgenoten of zelfs beide echtgenoten zijn overleden, omdat een dergelijke situatie buiten het toepassingsgebied van het verdrag valt. Meestal betreft het prejudiciële vragen in verband met erfopvolging. Dit wordt geregeld door de desbetreffende internationale instrumenten [...] of het interne recht van de staat, indien dat mogelijk is.” ( *7 )

23.

Volgens de Poolse en de Italiaanse regering vallen procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk na het overlijden van een van de echtgenoten niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003, omdat de huwelijksband waartegen een dergelijke procedure zich richt als gevolg van het overlijden van een van de echtgenoten op het moment waarop deze procedure wordt ingeleid, niet meer bestaat.

24.

Volgens deze regeringen heeft, wanneer een huwelijk is geëindigd, de procedure ter zake van de nietigverklaring van dat huwelijk niet meer in hoofdzaak betrekking op vragen ten aanzien van de staat van de natuurlijke personen maar, zoals in casu, op de vermogensrechten in het kader van een erfopvolgingszaak.

25.

Ter staving van hun standpunt beroepen de Poolse en de Italiaanse regering zich eveneens op punt 27 van het toelichtend verslag van hoogleraar Borrás.

26.

Net als de Commissie ben ik daarentegen van mening dat verordening nr. 2201/2003 van toepassing is op elke procedure ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk, zelfs na het overlijden van een van de echtgenoten, en ongeacht het feit dat deze procedure mogelijkerwijs verband houdt met een geschil dat, zoals in het hoofdgeding, betrekking heeft op een erfopvolging.

27.

Anders dan de Italiaanse regering aanvoert, betekent het feit dat een procedure, zoals in het hoofdgeding aan de orde, de nietigverklaring beoogt van een huwelijk dat reeds door het overlijden van een van de echtgenoten is ontbonden, niet dat deze procedure niet meer binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 valt. Terwijl het overlijden tot gevolg heeft dat het huwelijk ex nunc wordt ontbonden, ziet de procedure tot nietigverklaring op de ongeldigverklaring ervan ex tunc. Er kan dus een belang bestaan bij de nietigverklaring van een huwelijk, zelfs nadat dat huwelijk door het overlijden van een van de echtgenoten reeds was ontbonden.

28.

Zoals de Commissie bovendien benadrukt laten de bewoordingen van artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 geen ruimte voor twijfel over de toepasselijkheid van die verordening op een procedure ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk als aan de orde in het hoofdgeding. Deze bepaling bepaalt op ondubbelzinnige wijze, zonder voorbehoud en zonder aanvullende voorwaarde, dat „[d]eze verordening [...] van toepassing [is] op [...] de nietigverklaring van het huwelijk [...]”. Bovendien worden procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk in geval van overlijden van een van de echtgenoten niet genoemd in de lijst van onderwerpen die bij lid 3 van dit artikel uitdrukkelijk van de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 zijn uitgesloten.

29.

Wat betreft de argumenten die worden ontleend aan punt 27 van het toelichtend verslag van hoogleraar Borrás, wijs ik erop dat het verdrag waaraan dit verslag als bijlage is gehecht niet alleen nooit in werking is getreden, maar dat, zoals de Commissie eveneens aanvoert, hoogleraar Borrás daarnaast geen enkele toelichting geeft om deze uitsluiting te rechtvaardigen.

30.

Sterker nog, zoals de Commissie opmerkt, heeft verordening nr. 2201/2003 tot doel om de Unieburgers een hoge mate van voorspelbaarheid en juridische duidelijkheid te bieden ten aanzien van de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken met een internationaal karakter. Wanneer procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk van de werkingssfeer zouden worden uitgesloten in geval van overlijden van een van de echtgenoten, dan zou dit in strijd zijn met de geest en doelen van deze verordening.

31.

Ten slotte vermeldt overweging 8 van deze verordening dat „[w]at betreft beslissingen betreffende [...] nietigverklaring van het huwelijk, [...] deze verordening uitsluitend van toepassing [mag] zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen”.

32.

Anders dan de Poolse en de Italiaanse regering stellen, betekent deze overweging niet dat verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing is op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk na het overlijden van een of beide echtgenoten. Integendeel, volgens deze overweging is deze verordening voor dergelijke procedures slechts van toepassing op de kwestie van de ontbinding van de huwelijksband en niet op de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk, zoals een erfopvolging, die overigens ingevolge artikel 1, lid 3, onder f), uitdrukkelijk van de werkingssfeer van deze verordening is uitgesloten.

33.

Verordening nr. 2201/2003 kan dientengevolge als grondslag dienen voor de bevoegdheid van een gerecht om in casu uitspraak te doen over de geldigheid van het door Czarnecki en Marie-Louise Czarnecka gesloten huwelijk. Deze verordening is echter niet van toepassing op kwesties die verband houden met de erfopvolging van Czarnecki en van zijn eerste echtgenote, Zdzisława Czarnecka, van wie Mikołajczyk stelt testamentair erfgename te zijn.

34.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden dat procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die zijn ingeleid na het overlijden van een van de echtgenoten, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 vallen.

B – Tweede prejudiciële vraag

35.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk ook binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 vallen wanneer zij door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid.

36.

In dit kader merkt de verwijzende rechter op dat het toelichtend verslag van hoogleraar Borrás niet ingaat op de mogelijke uitsluiting van procedures ter zake van de nietigverklaring die door een andere persoon dan een van de echtgenoten is ingeleid. De verwijzende rechter verwijst ook naar de ambiguïteit in de rechtsleer. Sommigen zijn namelijk van mening zijn dat impliciet uit artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 volgt dat procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die door derden zijn ingeleid, van de werkingssfeer worden uitgesloten. Anderen daarentegen zijn van mening dat niet kan worden uitgesloten dat deze verordening van toepassing is op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die zijn ingeleid door het openbaar ministerie of door derden die een juridisch belang kunnen aantonen, waarbij in deze gevallen echter alleen artikel 3, lid 1, onder a), eerste tot en met vierde streepje, en artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening kunnen worden toegepast.

37.

De Poolse en de Italiaanse regering delen de mening dat verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing is op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk wanneer zij door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid. Ter onderbouwing van haar standpunt voert de Poolse regering aan dat meerdere van de in artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening genoemde bevoegdheidsgronden naar de gewone – gemeenschappelijke of afzonderlijke – verblijfplaats van de echtgenoten verwijzen, om daarmee aan te tonen dat alleen de echtgenoten partij kunnen zijn bij een procedure ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk.

38.

Net als de Commissie bepleit ik een uitlegging die getrouw is aan de bewoordingen van de artikelen 1 en 3 van verordening nr. 2201/2003 die de toepasselijkheid van deze verordening op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk niet afhankelijk stellen van de identiteit van de verzoekende partij.

39.

Bovendien is het weliswaar juist dat huwelijkszaken een persoonlijk karakter hebben, doch zijn er gevallen, zoals in het hoofdgeding, waarin een derde een belang kan hebben bij een dergelijke procedure en er is geen reden om hem te beletten dit belang te doen gelden, nu dit belang niet op basis van verordening nr. 2201/2003, maar op basis van de toepasselijke nationale wetgeving wordt beoordeeld.

40.

Het feit dat sommige in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 genoemde bevoegdheidsgronden naar de gewone verblijfplaats van de echtgenoten verwijzen, heeft geen invloed op de beantwoording van de tweede vraag, omdat het feit dat het gerecht van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten internationale bevoegdheid heeft ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk, niet uitsluit dat een derde aldaar een juridische procedure kan inleiden overeenkomstig deze verordening.

41.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de tweede vraag aldus te beantwoorden dat procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk ook binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003 vallen, wanneer zij door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid.

C – Derde prejudiciële vraag

42.

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of in procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid, de bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat kan worden gebaseerd op de in artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 genoemde bevoegdheidsgronden.

43.

Volgens de verwijzende rechter kan de toepassing van deze bepalingen tot gevolg hebben dat de bevoegdheid van de Poolse gerechten om de geldigheid van een in Frankrijk gesloten huwelijk te onderzoeken, wordt vastgesteld op de enkele grond dat de verblijfplaats van de verzoeker, die niet een van beide echtgenoten is, in casu Mikołajczyk, in Polen ligt, terwijl deze plaats op geen enkele wijze samenhangt met de verblijfplaats van de echtgenoten.

44.

Volgens de Italiaanse regering moeten de criteria in artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003, voor zover zij bij de bepaling van het bevoegde gerecht de gewone verblijfplaats van de verzoeker als criterium hanteren, worden geacht slechts te verwijzen naar de verzoeker die tevens de echtgenoot is.

45.

In dit verband baseert de Italiaanse regering zich op punt 32 van het toelichtend verslag van hoogleraar Borrás, waaruit volgt dat de keuze voor andere bevoegdheidscriteria dan de gewone verblijfplaats van de echtgenoten is ingegeven door het streven van een aantal lidstaten om de toegang tot de rechter niet bijzonder moeilijk te maken voor echtgenoten die vanwege de echtelijke crisis zijn teruggegaan naar het land waar zij vóór het huwelijk woonden.

46.

De Commissie is net als de Italiaanse regering van mening dat het in strijd zou zijn met het doel van verordening nr. 2201/2003 om een letterlijke uitlegging van de betrokken bepalingen te geven op basis waarvan de Poolse gerechten zich internationaal bevoegd zouden kunnen verklaren om uitspraak te doen over een door een derde ingestelde procedure ter zake van de nietigverklaring van een in Frankrijk voltrokken huwelijk. Volgens de Commissie is het ondenkbaar dat de Uniewetgever heeft gewild dat de term „verzoeker” in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een huwelijk ook op derden kan zien, indien deze ingevolge het nationale recht procesbevoegdheid hebben. De bevoegdheidsregels die door deze verordening zijn vastgesteld zien er volgens de Commissie op om de belangen van de echtgenoten te beschermen en niet de belangen van derden die een dergelijke procedure kunnen inleiden. Indien die derden het recht hebben om een dergelijk beroep in te stellen, zijn zij gebonden aan de bevoegdheidsregels die ten gunste van de echtgenoten zijn vastgesteld.

47.

Ik ben het eens met het standpunt en de argumenten van de Italiaanse regering en de Commissie.

48.

Ten eerste zij er bovendien aan herinnerd dat het Hof in punt 48 van het arrest van 16 juli 2009, Hadadi (C‑168/08, EU:C:2009:474), reeds heeft overwogen dat „artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 2201/2003 [voorziet] in verschillende aanknopingspunten voor de bevoegdheid, waartussen geen hiërarchie is aangebracht. Alle in dit artikel 3, lid 1, opgesomde objectieve criteria zijn alternatieve criteria.”

49.

Het Hof heeft in punt 49 van dat arrest dan ook overwogen dat „het bij verordening nr. 2201/2003 ingevoerde stelsel van verdeling van bevoegdheden ter zake van ontbinding van de huwelijksband niet beoogt uit te sluiten dat meer dan één rechter bevoegd is. Er is integendeel uitdrukkelijk voorzien in het naast elkaar bestaan van meerdere bevoegde rechters, zonder dat daartussen een hiërarchie bestaat.”

50.

Uit deze passages volgt dat een derde die nietigverklaring van een huwelijk vordert, onder de in artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening opgesomde plaatsen vrij het forum kan kiezen waar hij zijn procedure wil inleiden.

51.

Hoewel het derde, het vijfde en het zesde streepje van deze bepaling op algemene wijze naar de normale verblijfplaats van de verweerder of de verzoeker verwijzen, heeft het Hof in punt 50 van het arrest van 16 juli 2009, Hadadi (C‑168/08, EU:C:2009:474), geoordeeld dat „[t]erwijl de in artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening opgesomde criteria in meerdere opzichten zijn gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de echtgenoten, is het criterium van artikel 3, lid 1, onder b), dat van ‚de nationaliteit’ [van beide echtgenoten] of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, [...] hun ‚domicile’ (woonplaats)”. ( *8 )

52.

Uit het gecursiveerde fragment volgt duidelijk dat volgens het Hof alle bevoegdheidsgronden die in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 zijn opgesomd, gebaseerd zijn op de gewone verblijfplaats van een of beide echtgenoten.

53.

Dat is volgens mij de reden waarom het vijfde streepje van artikel 3, lid 1, onder a), niet beperkt blijft tot de vaststelling dat het gerecht van de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevoegd is, maar hieraan toevoegt dat de verzoeker daar ten minste één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek moet hebben verbleven. Hetzelfde geldt voor het zesde streepje van deze bepaling volgens hetwelk de verzoeker sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek in deze plaats moet hebben verbleven en onderdaan moet zijn van de betrokken lidstaat.

54.

Waarom zou de Uniewetgever deze kwalificaties ten aanzien van de „verzoeker” hebben toegevoegd, als het niet om een van de echtgenoten zou gaan?

55.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de derde vraag aldus te beantwoorden dat artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing is op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid.

VI – Conclusie

56.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau) te beantwoorden als volgt:

„1)

Procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die zijn ingeleid na het overlijden van een van de echtgenoten, vallen binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2116/2004 van de Raad van 2 december 2004.

2)

Procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk vallen ook binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2201/2003, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2116/2004, wanneer zij door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid.

3)

Artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2116/2004, is niet van toepassing op procedures ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk die door een andere persoon dan een van de echtgenoten zijn ingeleid.”


( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( *2 ) PB 2003, L 338, blz. 1. In deze conclusie verwijs ik naar de versie van verordening nr. 2201/2003 zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2116/2004 van de Raad van 2 december 2004 (PB 2004, L 367, blz. 1).

( *3 ) Dit impliceert dat het tweede, in 1956 gesloten huwelijk van Stefan Czarnecki met Marie Louise Czarnecka geen bigame relatie was.

( *4 ) PB 2000, L 160, blz. 19.

( *5 ) PB 1998, C 221, blz. 1.

( *6 ) PB 1998, C 221, blz. 27; hierna: „toelichtend verslag van hoogleraar Borrás”.

( *7 ) Momenteel worden de vragen die zien op de bevoegdheid in het geval van erfopvolging geregeld door verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).

( *8 ) Cursivering van mij.

Top