EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CC0238

Conclusie van advocaat-generaal M. Wathelet van 2 juni 2016.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:389

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. WATHELET

van 2 juni 2016 ( 1 )

Zaak C‑238/15

Maria do Céu Bragança Linares Verruga,

Jacinto Manuel Sousa Verruga,

André Angelo Linares Verruga

tegen

Ministre de l’Enseignement supérieur et de la Recherche

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg (bestuursrechter in eerste aanleg, Groothertogdom Luxemburg)]

„Prejudiciële verwijzing — Vrij verkeer van personen — Gelijke behandeling — Sociale voordelen — Verordening (EU) nr. 492/2011 — Artikel 7, lid 2 — Studiefinanciering voor hoger onderwijs — Voorwaarde — Periode waarin ononderbroken beroepswerkzaamheden zijn verricht — Indirecte discriminatie — Rechtvaardigingsgronden”

I – Inleiding: inleidende opmerking over een paradox

1.

Over studiefinanciering voor hoger onderwijs en de voorwaarden voor toekenning daarvan bestaat al veel rechtspraak. In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing staat dit onderwerp opnieuw centraal.

2.

De prejudiciële vraag van het tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg (bestuursrechter in eerste aanleg, Groothertogdom Luxemburg) betreft namelijk de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat studiefinanciering voor hoger onderwijs aan niet in de betrokken lidstaat wonende studenten slechts wordt toegekend indien zij kinderen zijn van werknemers die op het tijdstip van het verzoek om studiefinanciering in deze lidstaat in loondienst of als zelfstandige hebben gewerkt gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaar.

3.

In een wereld waarin sprake is van toenemende competitie is scholing van jongeren een prioriteit voor de Europese Unie en de lidstaten. ( 2 ) Aangezien het heersende economische model zijn grenzen heeft bereikt, zijn budgettaire beperkingen een dagelijkse realiteit.

4.

Sinds het begin van het „project Europa” is vrijheid van verkeer één van de fundamentele vrijheden. Het belang ervan werd nog eens onderstreept door de instelling en de daaropvolgende ontwikkeling van een Europees burgerschap, waar studenten uiteraard rechten aan kunnen ontlenen.

5.

Deze vrijheid van verkeer staat heden ten dage ter discussie, staat onder druk. De regelingen met betrekking tot de toekenning van studiefinanciering voor hoger onderwijs zijn hier een nieuw voorbeeld van. Tussen enerzijds het consequent vasthouden aan een hoge mate van gelijkheid met een mogelijke verlaging van de bijdragen voor individuele begunstigden als gevolg, en anderzijds de uitholling van die gelijkheid doordat kan worden gekozen voor handhaving van substantiële bijdragen waardoor een kleinere groep burgers gebruik kan maken van vorming en opleiding, wat zijn de eisen die het Unierecht vandaag stelt?

6.

Dit is in feite de vraag waar het om gaat.

II – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

1. Verordening (EU) nr. 492/2011

7.

Het verzoek van de verwijzende rechter om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( 3 ), zoals gewijzigd door richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ( 4 ).

8.

Deze verordening is echter per 15 juni 2011 ingetrokken en vervangen door verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. ( 5 )

9.

Volgens artikel 41, tweede alinea, van laatstgenoemde verordening gelden verwijzingen naar verordening nr. 1612/68 als verwijzingen naar verordening nr. 492/2011. Ik wil er in het bijzonder op wijzen dat de leden 1 en 2 van artikel 7 niet zijn gewijzigd. Ik zal derhalve uitsluitend verwijzen naar verordening nr. 492/2011.

10.

Artikel 7 van deze verordening luidt als volgt:

„1.   Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

2.   Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.

[…]”

2. Richtlijn 2004/38

11.

Artikel 24 van richtlijn 2004/38 bepaalt:

„1.   Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.

2.   In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.”

B – Luxemburgs recht

12.

De wet van 22 juni 2000 betreffende financiële overheidssteun voor hoger onderwijs is gewijzigd bij de wet van 26 juli 2010 (Mémorial A 2010, blz. 2040) (hierna: „wet van 22 juni 2000”). Artikel 2 van de wet van 22 juni 2000 bepaalde het volgende:

„Begunstigden van de financiële steun

Voor financiële overheidssteun voor hoger onderwijs komen in aanmerking de studenten die zijn toegelaten tot het hoger onderwijs en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

Luxemburgs staatsburger of familielid van een Luxemburgs staatsburger zijn en gedomicilieerd zijn in het Groothertogdom Luxemburg, of

b)

staatsburger zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) of] van de Zwitserse Bondsstaat en overeenkomstig hoofdstuk 2 van de gewijzigde wet van 29 augustus 2008 betreffende het vrije verkeer van personen en de immigratie, in het Groothertogdom Luxemburg wonen als werknemer, als zelfstandige, als persoon die deze status heeft behouden of als gezinslid van een persoon uit een van deze categorieën, ofwel een permanent verblijfsrecht hebben verkregen […]

[…]”

13.

Naar aanleiding van het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), is bij artikel 1, punt 1, van de wet van 19 juli 2013 (Mémorial A 2013, blz. 3214) een artikel 2bis ingelast in de wet van 22 juni 2000, dat als volgt luidt:

„Een niet in het Groothertogdom Luxemburg wonende student kan eveneens studiefinanciering voor hoger onderwijs ontvangen, mits hij het kind is van een in Luxemburg werkzame werknemer of zelfstandige die staatsburger is van Luxemburg, de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat en die op het tijdstip waarop de student om studiefinanciering voor hoger onderwijs verzoekt ten minste vijf jaar ononderbroken in Luxemburg in loondienst of als zelfstandige heeft gewerkt. De tewerkstelling in Luxemburg moet ten minste gelijk zijn aan de helft van de normale arbeidstijd die van toepassing is in de onderneming krachtens de toepasselijke wet of – in voorkomend geval – de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. De zelfstandige moet overeenkomstig artikel 1, punt 4, van de Code de la sécurité sociale (wetboek sociale zekerheid) gedurende vijf jaar voorafgaand aan het verzoek om studiefinanciering voor hoger onderwijs ononderbroken verplicht verzekerd zijn geweest in het Groothertogdom Luxemburg.”

14.

De wet van 22 juni 2000, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2013, is echter spoedig ingetrokken bij de wet van 24 juli 2014 betreffende financiële overheidssteun voor hoger onderwijs (Mémorial A 2014, blz. 2188).

15.

Voortaan bepaalt artikel 3 van laatstgenoemde wet het volgende:

„Voor financiële overheidssteun voor hoger onderwijs komen in aanmerking de studenten en leerlingen als bedoeld in artikel 2, hierna aangeduid als ‚de student’, en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

[…]

(5)

voor studenten die niet gedomicilieerd zijn in het Groothertogdom Luxemburg:

a)

werknemer en Luxemburgs staatsburger zijn of staatsburger van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, die op het tijdstip van het verzoek om studiefinanciering voor hoger onderwijs in loondienst of als zelfstandige werkt in het Groothertogdom Luxemburg, of

b)

kind zijn van een werknemer die Luxemburgs staatsburger is of staatsburger van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat en die op het tijdstip waarop de student om studiefinanciering voor hoger onderwijs verzoekt in loondienst of als zelfstandige werkt in het Groothertogdom Luxemburg, op voorwaarde dat deze werknemer in het onderhoud van de student blijft voorzien en dat hij op het tijdstip waarop de student om studiefinanciering voor hoger onderwijs verzoekt ten minste vijf jaar in het Groothertogdom Luxemburg in loondienst of als zelfstandige heeft gewerkt gedurende een referentieperiode van zeven jaar, met terugwerkende kracht gerekend vanaf de datum van het verzoek om studiefinanciering voor hoger onderwijs, of dat, in afwijking daarvan, degene die de status van werknemer heeft aan bovengenoemd criterium van vijf uit zeven jaar voldeed op het moment waarop hij zijn werkzaamheden staakte.”

III – Feiten van het hoofdgeding

16.

André Angelo Linares Verruga woont met zijn ouders Maria do Céu Bragança Linares Verruga en Jacinto Manuel Sousa Verruga in Longwy (Frankrijk).

17.

Bragança Linares Verruga werkt in loondienst in het Groothertogdom Luxemburg sinds 15 mei 2004, met een enkele onderbreking van 1 november 2011 tot en met 15 januari 2012. Sousa Verruga werkte in loondienst in deze lidstaat van 1 april 2004 tot en met 30 september 2011 en van 4 december 2013 tot en met 6 januari 2014. Sinds 1 februari 2014 werkt hij aldaar als zelfstandige.

18.

Linares Verruga, die als student is ingeschreven aan de universiteit van Luik (België), heeft de Luxemburgse staat verzocht om toekenning van studiefinanciering voor hoger onderwijs voor het wintersemester van het studiejaar 2013/2014.

19.

Bij beschikking van 28 november 2013 heeft de minister dit verzoek om studiefinanciering afgewezen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2bis van de wet van 22 juni 2000, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2013.

20.

Op 23 december 2013 hebben Linares Verruga en zijn ouders (hierna: „familie Verruga”) bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Bij beschikking van 14 januari 2014 heeft de minister dit bezwaar afgewezen.

21.

Linares Verruga heeft de Luxemburgse staat eveneens verzocht om toekenning van studiefinanciering voor hoger onderwijs voor het zomersemester van het studiejaar 2013/2014. Bij beschikking van 24 maart 2014 heeft de minister dit verzoek om studiefinanciering afgewezen om dezelfde redenen als genoemd in zijn beschikking van 28 november 2013.

22.

Op 15 april 2014 heeft de familie Verruga beroep ingesteld bij het tribunal administratif van het Groothertogdom Luxemburg, strekkende tot herziening dan wel nietigverklaring van de beschikkingen van de minister van 28 november 2013, 14 januari 2014 en 24 maart 2014. Dit beroep is ontvankelijk verklaard voor zover het de nietigverklaring van deze beschikkingen betreft.

23.

In deze procedure heeft de familie Verruga primair aangevoerd dat studiefinanciering voor hoger onderwijs een gezinsbijslag is in de zin van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels ( 6 ), zoals gewijzigd door verordening (EU) nr. 1244/2010 van de Commissie van 9 december 2010 ( 7 ), waarop iedere werknemer recht heeft. Subsidiair heeft de familie Verruga aangevoerd dat deze studiefinanciering een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, zodat op de toekenning daarvan het in deze bepaling genoemde beginsel van gelijke behandeling van toepassing is.

IV – Verzoek om een prejudiciële beslissing en procedure voor het Hof

24.

Zich baserend op het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), is het tribunal administratif van het Groothertogdom Luxemburg van oordeel dat, aangezien de door een lidstaat aan kinderen van werknemers toegekende studiefinanciering voor een migrerende werknemer een sociaal voordeel vormt in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, deze bepaling van toepassing is op het hoofdgeding.

25.

In dit kader vraagt de verwijzende rechter zich af of de in artikel 2bis van de wet van 22 juni 2000, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2013, gestelde voorwaarde, op grond waarvan een niet in het Groothertogdom Luxemburg wonende student voor studiefinanciering voor hoger onderwijs in aanmerking kan komen indien hij het kind is van een werknemer of zelfstandige die staatsburger is van Luxemburg of van de Europese Unie en die op het tijdstip van het verzoek om studiefinanciering ten minste vijf jaar ononderbroken in Luxemburg in loondienst of als zelfstandige heeft gewerkt, niet disproportioneel is.

26.

Bij beslissing van 20 mei 2015, ingekomen bij het Hof op 22 mei 2015, heeft het tribunal administratif van het Groothertogdom Luxemburg derhalve besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof krachtens artikel 267 VWEU te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

27.

Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de familie Verruga, de Luxemburgse en de Deense regering alsmede de Europese Commissie. Bovendien hebben allen mondelinge opmerkingen gemaakt ter terechtzitting van 14 april 2016. De Noorse regering, die geen schriftelijke opmerkingen had ingediend, heeft tijdens deze terechtzitting eveneens haar standpunt uiteengezet.

V – Analyse

A – Ontwikkeling van de rechtspraak: is het vrije verkeer van „werknemers ” een utopie geworden?

1. Onderscheid tussen „werkenden” en „niet-werkenden”

28.

Het vrije verkeer van werknemers is vastgelegd in artikel 45 VWEU. Deze vrijheid houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. ( 8 )

29.

Het begrip „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU wordt door het Hof steeds op dezelfde wijze gedefinieerd. Als werknemer moet worden beschouwd „eenieder die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Volgens deze rechtspraak is het kenmerk van de arbeidsverhouding, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning”. ( 9 )

30.

Volgens het Hof vormt artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 slechts „de bijzondere uitdrukking van het non-discriminatiebeginsel van artikel 45, lid 2, VWEU op het specifieke gebied van de sociale voordelen” ( 10 ) en is het ook van toepassing op grensarbeiders.

31.

Een tegenovergestelde interpretatie zou namelijk in strijd zijn met de bewoordingen van verordening nr. 492/2011 aangezien overweging 5 van deze verordening uitdrukkelijk aangeeft dat het recht van vrij verkeer „zonder onderscheid [moet] worden toegekend aan ‚permanente’ werknemers, seizoenarbeiders, grensarbeiders of werknemers die arbeid in dienstverlening verrichten” ( 11 ), en artikel 7 van deze verordening zonder voorbehoud verwijst naar „de werknemer die onderdaan is van een lidstaat” ( 12 ).

32.

Het Hof heeft daaruit afgeleid dat een lidstaat „de toekenning van een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening [nr. 492/2011] niet afhankelijk mag stellen van de voorwaarde, dat de uitkeringsgerechtigde op het grondgebied van die staat woont”. ( 13 )

33.

Het toekennen van een sociaal voordeel op voorwaarde dat gedurende een minimumperiode beroepswerkzaamheden zijn verricht, heeft het Hof ook expliciet afgewezen op grond van de „gemeenschapsrechtelijke” betekenis van het begrip „werknemer”. Volgens deze rechtspraak, onder meer met betrekking tot steun voor levensonderhoud en opleiding met het oog op voortzetting van een universitaire studie, mogen de lidstaten „de toekenning van de in artikel 7, lid 2, [van] verordening [nr. 492/2011] voorziene sociale voordelen niet eenzijdig afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de begunstigde gedurende een bepaalde periode beroepswerkzaamheden heeft verricht”. ( 14 )

34.

Tegelijkertijd heeft zich rechtspraak ontwikkeld specifiek betrekking hebbend op onderdanen van lidstaten die gebruik maakten van hun vrijheid van verkeer zonder economisch actief te zijn. Het Hof heeft met name in de arresten van 11 juli 2002, D’Hoop (C‑224/98, EU:C:2002:432) en 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, EU:C:2005:169) erkend dat staten mogen eisen dat er aantoonbaar sprake is van een zekere mate van integratie in de samenleving van het gastland voordat zij de betrokken persoon sociale voordelen toekennen. ( 15 ) Deze verbondenheid kon worden aangetoond door het bestaan van een (eerdere) reële band met de arbeidsmarkt van het gastland of door gedurende een bepaalde periode woonachtig te zijn geweest in deze staat.

35.

Er was dus een duidelijk en nauw omschreven onderscheid tussen economisch actieve Unieburgers en anderen. De eerste groep had al vanaf de eerste werkdag in het gastland recht op volledige gelijkheid van behandeling met de nationale onderdanen. Op de tweede groep daarentegen was een meer genuanceerde benadering van het begrip gelijkheid van toepassing, namelijk een die gebaseerd was op de duur van het verblijf in het gastland en de daadwerkelijke integratie in de samenleving van deze staat. ( 16 )

2. Voorwaarde van voldoende integratie voor werknemers

36.

In 2007 heeft het Hof echter een einde aan dit duidelijke onderscheid gemaakt door in zijn rechtspraak met betrekking tot werknemers de begrippen voldoende integratie of reële band met het gastland te introduceren. ( 17 )

37.

Onder verwijzing naar de toepasselijkheid van artikel 7 van verordening nr. 492/2011 op grensarbeiders ( 18 ) heeft het Hof erkend dat lidstaten de toekenning van een sociaal voordeel afhankelijk mogen stellen van het bestaan van voldoende verbondenheid met de betrokken lidstaat. ( 19 ) Zo heeft het beslist dat wanneer een niet-ingezeten werknemer in het gastland niet een beroepswerkzaamheid van voldoende gewicht uitoefent, dit een „geoorloofde reden kan zijn hem het sociale voordeel […] te weigeren”. ( 20 )

38.

Een en ander wordt verduidelijkt in het arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346). In dit arrest heeft het Hof de lidstaten er namelijk op gewezen dat „[o]fschoon de mogelijkheid die het Hof voor de lidstaten inruimt om, onder het voorbehoud van de naleving van bepaalde voorwaarden, van de onderdanen van andere lidstaten een zeker niveau van integratie in hun samenlevingen te verlangen om voor sociale voordelen in aanmerking te komen, zoals financiële steun ter zake van onderwijs, niet beperkt is tot situaties waarin de betrokken steunaanvragers economisch niet-actieve burgers zijn, is het stellen van een woonplaatsvereiste […] om de vereiste integratie aan te tonen, in beginsel ongeschikt wanneer het migrerende werknemers en grensarbeiders betreft”. ( 21 )

39.

Wat de laatstgenoemden betreft „is het feit dat zij tot de arbeidsmarkt van een lidstaat zijn toegetreden, in beginsel voldoende integratie in de samenleving van die lidstaat op grond waarvan zij daar het voordeel van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van nationale werknemers op het gebied van sociale voordelen kunnen genieten”. ( 22 )

3. Noodzaak om de voorwaarde van voldoende integratie voor werknemers restrictief uit te leggen

40.

Dit historische overzicht van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 leidt onvermijdelijk tot een restrictieve opvatting van de mogelijkheid om de toekenning van een sociaal voordeel aan een migrerende werknemer of een grensarbeider afhankelijk te stellen van het bewijs dat hij voldoende is geïntegreerd in de samenleving van het gastland.

41.

De door de Uniewetgever vastgestelde bepalingen die zijn gebaseerd op artikel 45 VWEU, ondersteunen deze zienswijze.

42.

In de eerste plaats is het beginsel van non-discriminatie bij de toekenning van sociale voordelen tussen migrerende werknemers of grensarbeiders en nationale werknemers neergelegd in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011.

43.

Bijgevolg is deze bepaling overeenkomstig artikel 288, tweede alinea, VWEU, verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten. Deze hebben derhalve, in beginsel, geen enkele speelruimte bij de uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011. ( 23 )

44.

Voorts volgt uit artikel 24 van richtlijn 2004/38 dat er een onderscheid bestaat tussen migrerende werknemers en hun gezinsleden enerzijds en Unieburgers die om steun verzoeken zonder economisch actief te zijn anderzijds.

45.

Want „[h]oewel lid 1 van deze laatste bepaling luidt dat iedere burger van de Unie die op het grondgebied van een gastland verblijft ‚binnen het toepassingsgebied van het Verdrag’ dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland geniet, is in lid 2 ervan nader bepaald dat een lidstaat, wanneer het gaat om andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden, de toekenning van steun voor levensonderhoud in de vorm van een studiebeurs of -lening kan beperken voor studenten die geen duurzaam verblijfsrecht hebben verworven”. ( 24 )

B – Prejudiciële vraag

46.

Zoals ik heb aangegeven in het overzicht van het juridisch kader, is de Luxemburgse wetgeving betreffende financiële steun van de staat voor hoger onderwijs naar aanleiding van het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), tweemaal gewijzigd. Dit arrest kan derhalve niet buiten beschouwing worden gelaten bij de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter.

1. Ontwikkeling van de Luxemburgse wetgeving betreffende financiële steun van de staat voor hoger onderwijs

47.

Volgens de wet van 22 juni 2000 was voor de toekenning van financiële steun van de staat voor hoger onderwijs vereist dat de student zijn woon- of verblijfplaats had op Luxemburgs grondgebied.

48.

Naar aanleiding van het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), heeft de wet van 19 juli 2013 de wet van 22 juni 2000 zodanig gewijzigd dat ook de student die niet in Luxemburg woont recht heeft op studiefinanciering indien „hij het kind is van een in Luxemburg werkzame werknemer of zelfstandige die staatsburger is van Luxemburg [of] de Europese Unie […] en die op het tijdstip waarop de student om studiefinanciering voor hoger onderwijs verzoekt ten minste vijf jaar ononderbroken in Luxemburg in loondienst of als zelfstandige heeft gewerkt”. ( 25 )

49.

Deze wet is echter spoedig ingetrokken bij de wet van 24 juli 2014, die bepaalt dat de voorwaarde ten aanzien van de werkzaamheden van de ouder van de student die geen ingezetene is, aldus moet worden begrepen dat de ouder „op het tijdstip waarop de student om studiefinanciering voor hoger onderwijs verzoekt ten minste vijf jaar […] heeft gewerkt gedurende een referentieperiode van zeven jaar, met terugwerkende kracht gerekend vanaf de datum van het verzoek om studiefinanciering voor hoger onderwijs”. ( 26 )

2. Arrest Giersch e.a.

50.

Verscheidene overwegingen van het Hof uit het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411) zijn nog steeds relevant na de wijziging van de wettelijke regeling in de loop van het jaar 2013.

51.

In de eerste plaats „[vormt] de studiefinanciering die door een lidstaat wordt toegekend aan de kinderen van werknemers, voor een migrerende werknemer [die in het onderhoud van het kind blijft voorzien] een sociaal voordeel in de zin [van] artikel 7, lid 2, […] van verordening [nr. 492/2011]”. ( 27 )

52.

In de tweede plaats zijn de gezinsleden van een migrerende werknemer de indirecte begunstigden van de gelijkheid van behandeling die deze werknemer bij artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 wordt toegekend. „Daar de toekenning van studiefinanciering aan een kind van een migrerende werknemer voor de migrerende werknemer een sociaal voordeel oplevert, kan het kind zich zelf op deze bepaling beroepen om studiefinanciering te verkrijgen, indien deze krachtens het nationale recht direct aan de student wordt toegekend.” ( 28 )

53.

In de derde plaats dreigt het vereiste van het hebben van woonplaats op Luxemburgs grondgebied, dat werd gesteld door de maatregel die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), hoofdzakelijk ten nadele van onderdanen van andere lidstaten dan het gastland te werken, aangezien niet-ingezetenen in de meeste gevallen buitenlanders zijn. ( 29 )„De ongelijke behandeling die voortvloeit uit het opleggen van een woonplaatsvereiste aan studenten die kinderen van grensarbeiders zijn, is dus een indirecte discriminatie, die behoudens objectieve rechtvaardiging in beginsel verboden is.” ( 30 ) De ongelijke behandeling is slechts gerechtvaardigd, wanneer zij geschikt is om de verwezenlijking van een legitieme doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken. ( 31 )

54.

In de vierde plaats „streeft een lidstaat met een actie die tot doel heeft een hoog opleidingsniveau van haar ingezeten bevolking te waarborgen en de ontwikkeling van haar economie te bevorderen een legitiem doel na dat een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit kan rechtvaardigen”. ( 32 )

3. Bestaan van een mogelijke ongelijke behandeling die objectief gerechtvaardigd is

a) Bestaan van een ongelijke behandeling

55.

Volgens artikel 2bis van de wet van 22 juni 2000, zoals gewijzigd bij de wet van 19 juli 2013, kan „een niet in het Groothertogdom Luxemburg wonende student […] eveneens studiefinanciering voor hoger onderwijs ontvangen, mits hij het kind is van een in Luxemburg werkzame werknemer of zelfstandige die staatsburger is van Luxemburg of de Europese Unie […] en die op het tijdstip waarop de student om studiefinanciering voor hoger onderwijs verzoekt ten minste vijf jaar ononderbroken in Luxemburg in loondienst of als zelfstandige heeft gewerkt”. ( 33 )

56.

Hoewel deze voorwaarde zonder onderscheid van toepassing is op Luxemburgse onderdanen en op onderdanen van andere lidstaten, evenals de regeling die aan de orde is in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), is er niettemin sprake van een onderscheid op basis van de woonplaats.

57.

De nationale wettelijke regeling zoals die van toepassing is in de zaak in het hoofdgeding, stelt de toekenning van studiefinanciering voor hoger onderwijs aan studenten die niet op Luxemburgs grondgebied wonen afhankelijk van de voorwaarde dat zij kind zijn van werknemers die op het tijdstip van het verzoek om studiefinanciering voor hoger onderwijs ten minste vijf jaar ononderbroken in Luxemburg in loondienst of als zelfstandige hebben gewerkt.

58.

Deze voorwaarde geldt niet voor studenten die op Luxemburgs grondgebied wonen, gezien de doelstelling van deze lidstaat om het aandeel ingezetenen met een hogeronderwijsdiploma te vergroten.

59.

Het lijkt mij duidelijk dat een dergelijk onderscheid hoofdzakelijk ten nadele van onderdanen van andere lidstaten werkt, aangezien, zoals het hof heeft vastgesteld in het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 44), niet-ingezetenen in de meeste gevallen buitenlanders zijn. Zodoende is er mijns inziens sprake van een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit die alleen geoorloofd is in het geval van een objectieve rechtvaardiging.

b) Bestaan van een legitieme doelstelling

60.

In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Luxemburgse regering dat de doelstelling die met de nieuwe Luxemburgse regeling wordt nagestreefd, dezelfde is als de „sociale” doelstelling die was aangevoerd ter rechtvaardiging van de wettelijke regeling die van toepassing was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411).

61.

Op deze verklaring lijkt niets af te dingen. Uit de toelichting bij het wetsontwerp nr. 6585 ( 34 ), dat ten grondslag ligt aan de wet van 19 juli 2013, blijkt immers dat de wijziging van de regeling van de studiefinanciering voor hoger onderwijs van de Luxemburgse staat uitsluitend bedoeld was om „consequenties te verbinden” aan het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a.(C‑20/12, EU:C:2013:411).

62.

Deze doelstelling, die erin bestaat het aandeel ingezetenen met een hogeronderwijsdiploma in Luxemburg fors te verhogen ( 35 ), is door het Hof aanvaard als doelstelling van algemeen belang, die op het niveau van de Unie is erkend ( 36 ).

63.

Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat een lidstaat met een actie die tot doel heeft een hoog opleidingsniveau van haar ingezeten bevolking te waarborgen en de ontwikkeling van haar economie te bevorderen een legitiem doel nastreeft dat een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit kan rechtvaardigen. ( 37 )

64.

In deze omstandigheden ben ik van mening dat noch de met de litigieuze regeling nagestreefde doelstelling noch het legitieme karakter ervan opnieuw ter discussie hoeft te worden gesteld.

c) Geschiktheid van de voorwaarde dat gedurende een minimumperiode ononderbroken arbeid is verricht

65.

Het lijkt mij zinvol er nogmaals op te wijzen dat migrerende werknemers en grensarbeiders, wanneer zij tot de arbeidsmarkt van een lidstaat zijn toegetreden, in beginsel voldoende in de samenleving van die lidstaat zijn geïntegreerd, zodat zij daar het voordeel van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van nationale werknemers en ingezeten werknemers op het gebied van sociale voordelen kunnen genieten. ( 38 )

66.

De integratie is onder meer het gevolg van het feit dat migrerende werknemers, met de fiscale en sociale bijdragen die zij in het gastland betalen uit hoofde van de arbeid in loondienst die zij daar verrichten, bijdragen aan de financiering van de sociale regelingen in die staat. Zij moeten derhalve onder dezelfde voorwaarden van die regelingen kunnen genieten als de nationale werknemers. ( 39 )

67.

Het Hof heeft weliswaar bepaalde gronden aanvaard als rechtvaardiging voor regelingen die onderscheid maken tussen ingezetenen en niet-ingezetenen die in de betrokken lidstaat beroepswerkzaamheden uitoefenen, al naargelang de mate van integratie in de samenleving van die staat of hun verbondenheid daarmee. ( 40 )

68.

Zoals gezegd, sta ik echter terughoudend tegenover die ontwikkeling van de rechtspraak. ( 41 ) Immers, „[w]at migrerende werknemers en grensarbeiders betreft, is het feit dat zij tot de arbeidsmarkt van een lidstaat zijn toegetreden, in beginsel voldoende integratie in de samenleving van die lidstaat op grond waarvan zij daar het voordeel van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van nationale werknemers op het gebied van sociale voordelen kunnen genieten”. ( 42 ) De verplichting om een bijzondere mate van integratie van deze personen aan te tonen, is dus een uitzondering op de regel en moet om die reden restrictief worden toegepast.

69.

Er bestaat als het ware een vermoeden van integratie van de migrerende werknemer of grensarbeider in de lidstaat waarin hij werkt en waar hij belasting en sociale lasten betaalt die bijdragen aan de financiering van de sociale regelingen van die staat. ( 43 )

70.

Hoewel ik dus „aanvaard dat kan worden aangenomen dat de kans op vestiging in Luxemburg en op integratie in de Luxemburgse arbeidsmarkt na het hoger onderwijs, zelfs bij in het buitenland gevolgd onderwijs, groter is bij studenten die op het ogenblik dat zij hun hoger onderwijs aanvangen in Luxemburg wonen, dan bij niet-ingezeten studenten” ( 44 ), heb ik meer moeite met de invloed die de duur van de periode waarin een van de ouders van de student op het grondgebied van het gastland heeft gewerkt, in dit opzicht kan hebben.

71.

In zijn vroege rechtspraak heeft het Hof overigens uitdrukkelijk de mogelijkheid verworpen om de toekenning van een sociaal voordeel afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de begunstigde gedurende een minimumperiode beroepswerkzaamheden had verricht. ( 45 )

72.

Bijgevolg sluit ik mij aan bij het standpunt van de Commissie dat de voorwaarde van voldoende integratie van een van de ouders van de student in de arbeidsmarkt van het gastland geen verband houdt met de nagestreefde doelstelling, te weten het aandeel ingezetenen in het Groothertogdom Luxemburg met een hogeronderwijsdiploma fors verhogen. ( 46 )

73.

Echter, de voorwaarde dat een van de ouders van de student gedurende een bepaalde periode op het grondgebied van het gastland heeft gewerkt, lijkt door het Hof zelf te zijn gesuggereerd, ook al was dat bij wijze van voorbeeld. In zijn onderzoek naar de noodzakelijkheid van het woonplaatsvereiste dat van toepassing was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), heeft het Hof namelijk zelf overwogen dat een voldoende nauwe band van de student met het Groothertogdom Luxemburg waaruit kan worden afgeleid dat er een redelijke waarschijnlijkheid bestaat dat de begunstigden van de steun naar Luxemburg zullen terugkeren om zich daar te vestigen en zich ter beschikking van de arbeidsmarkt van die lidstaat te stellen, ook zou kunnen volgen „uit de omstandigheid dat de student alleen of met zijn ouders in een lidstaat woont die aan het Groothertogdom Luxemburg grenst en dat zijn ouders sinds geruime tijd in Luxemburg werken en in de nabijheid van die lidstaat wonen”. ( 47 )

74.

Deze benadering wijkt af van de benadering die het Hof gewoonlijk volgt met betrekking tot de mobiliteit van studenten. Had het Hof in het arrest van 25 oktober 2012, Prete (C‑367/11, EU:C:2012:668), niet terecht geoordeeld dat het betoog van de Belgische regering moest worden afgewezen volgens hetwelk het voor een persoon die dicht bij de grens woont van de lidstaat waar hij onderwijs heeft gevolgd, meer voor de hand zou liggen toe te treden tot de arbeidsmarkt van die lidstaat, waarmee hij een band heeft? ( 48 ) Het is immers juist dat „de kennis die een student tijdens zijn opleiding verwerft, hem over het algemeen niet op een bepaalde geografische arbeidsmarkt voorbereidt”. ( 49 )

75.

De realiteit waar studenten mee te maken hebben, sluit mijns inzien meer aan bij deze constatering. Gelet op deze constatering en de voorgaande overwegingen ben ik derhalve van mening dat de voorwaarde dat de ouder van de student gedurende een minimumperiode ononderbroken arbeid heeft verricht, niet geschikt is ter verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling.

76.

Ik moet echter toegeven dat het Hof de jure en de facto heeft aanvaard dat indien de ouders sinds geruime tijd een baan hebben in de lidstaat waar de steun is aangevraagd, dit geschikt kan zijn om aan te tonen dat er sprake is van een werkelijke band met de samenleving of de arbeidsmarkt van die lidstaat.

77.

Aangenomen dat het Hof met deze analyse instemt, zal ik subsidiair de noodzakelijkheid onderzoeken van de voorwaarde dat gedurende een minimumperiode ononderbroken arbeid is verricht.

d) Noodzakelijkheid van de voorwaarde dat gedurende een minimumperiode ononderbroken arbeid is verricht

78.

Het Unierecht vereist dat de voorwaarde dat er op het tijdstip van het verzoek om studiefinanciering gedurende een minimumperiode ononderbroken arbeid is verricht, niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstelling te bereiken.

79.

Nadere beschouwing van de situatie die ten grondslag ligt aan het hoofdgeding biedt verheldering. Het recht op studiefinanciering is Linares Verruga geweigerd hoewel zijn ouders beide in Luxemburg hebben gewerkt gedurende een ononderbroken periode van meer dan vijf jaar, met slechts een paar korte onderbrekingen tijdens de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek om studiefinanciering.

80.

De mogelijkheid om bij de toekenning van sociale voordelen aan migrerende werknemers en grensarbeiders af te wijken van de strikte toepassing van het gelijkheidsbeginsel, zoals die onder meer blijkt uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, is noodzakelijkerwijs beperkt en kan slechts restrictief uitgelegd worden.

81.

Een bepaling zoals in de wettelijke regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, die de toekenning van studiefinanciering voor hoger onderwijs in het algemeen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat ten minste gedurende vijf jaar ononderbroken arbeid is verricht, zonder de bevoegde autoriteiten een beoordelingsmarge te laten bij de beoordeling van de situatie van de aanvrager, gaat mijns inziens verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstelling om het aandeel ingezetenen met een hogeronderwijsdiploma te verhogen teneinde de ontwikkeling van de nationale economie te bevorderen. ( 50 )

82.

Een dergelijke bepaling is naar mijn mening te algemeen en te exclusief in de zin van de vaste rechtspraak van het Hof. „Hierdoor wordt een te groot gewicht toegekend aan een factor die niet noodzakelijk een juiste weergave is van de mate waarin er een echte en daadwerkelijke band bestaat tussen de aanvrager van de […]uitkeringen en de geografische arbeidsmarkt, met uitsluiting van elke andere representatieve factor.” ( 51 ) Dit gaat dus verder dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling.

83.

De analogie met artikel 16, lid 1, van richtlijn 2004/38 waar de Luxemburgse regering zich op beroept, lijkt mij niet tot een andere beoordeling te kunnen leiden. Weliswaar verwijst het Hof zelf naar deze bepaling in punt 80 van het arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411), maar het gaat hier slechts om het voorbeeld van een verblijfsvoorwaarde die het Hof noemt als mogelijkheid om te vermijden „dat ‚studiebeurstoerisme’ ontstaat”. ( 52 ) Bovendien is deze voorwaarde, zoals het Hof zelf al aangeeft, aan de orde „in een andere context”. ( 53 )

84.

Artikel 16 van richtlijn 2004/38 vereist namelijk een minimumperiode van ononderbroken verblijf teneinde een duurzaam verblijfsrecht te kunnen toekennen aan personen die duurzaam in het gastland verblijven. Een dergelijke overweging is per definitie niet van toepassing op de situatie van grensarbeiders.

85.

De verwijzing naar artikel 24 van de richtlijn 2004/38 is nauwelijks passender. Integendeel, zoals ik in het voorgaande heb aangeven, biedt artikel 24, lid 2, van deze richtlijn uitdrukkelijk de mogelijkheid om van het beginsel van gelijke behandeling af te wijken ten behoeve van andere personen dan werknemers, zelfstandigen, personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

VI – Conclusie

86.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg (bestuursrechter in eerste aanleg van het Groothertogdom Luxemburg) te beantwoorden als volgt:


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) Zie in dit opzicht mededeling van de Commissie en conclusies van de Raad van de Europese Unie, aangehaald door advocaat-generaal Mengozzi in zijn conclusie in de zaak Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:70, punten 4244).

( 3 ) PB 1968, L 257, blz. 2.

( 4 ) PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35.

( 5 ) PB 2011, L 141, blz. 1.

( 6 ) PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1.

( 7 ) PB 2010, L 338, blz. 35.

( 8 ) Hoewel de litigieuze wettelijke bepalingen zowel betrekking hebben op werkenden in loondienst als op werkenden die niet in loondienst zijn, richt het verzoek om een prejudiciële beslissing zich op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011. Tijdens de mondelinge behandeling is daarom alleen de situatie van de „werkenden in loondienst” aan de orde geweest. De redenering die ik zal ontwikkelen kan echter ook, mutatis mutandis, toegepast worden op de situatie van werkenden die niet in loondienst zijn. Het beginsel van gelijke behandeling van nationale werknemers en onderdanen van andere lidstaten (in het bijzonder wat betreft de toekenning van sociale voordelen) is immers ook van toepassing op degenen die werkzaamheden verrichten anders dan in loondienst (zie in die zin arrest van 14 januari 1988, Commissie/Italië, 63/86, EU:C:1988:9, punten 1216). Zie tevens Barnard, C., The Substantive Law of the EU. The Four Freedoms, 4e druk, Oxford University Press, 2013, blz. 313.

( 9 ) Zie arrest van 7 september 2004, Trojani (C‑456/02, EU:C:2004:488, punt 15). De voorwaarde van reële en daadwerkelijke arbeid en het uitvloeisel daarvan, de uitsluiting van werkzaamheden die louter marginaal en bijkomstig zijn, maken al heel lang deel uit van de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arrest van 23 maart 1982, Levin, 53/81, EU:C:1982:105, punt 17).

( 10 ) Zie arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 35). Zie ook arrest van 11 september 2007, Hendrix (C‑287/05, EU:C:2007:494, punt 53).

( 11 ) Cursivering van mij.

( 12 ) Zie in die zin met betrekking tot verordening nr. 1612/68 (waarvan de vierde overweging gelijk is aan overweging 5 van verordening nr. 492/2011), arresten van 27 november 1997, Meints (C‑57/96, EU:C:1997:564, punt 50) en 8 juni 1999, Meeusen (C‑337/97, EU:C:1999:284, punt 21).

( 13 ) Zie arrest van 27 november 1997, Meints (C‑57/96, EU:C:1997:564, punt 51en punt 3 van het dictum). Zie ook arrest van 8 juni 1999, Meeusen (C‑337/97, EU:C:1999:284, punt 21en punt 2 van het dictum).

( 14 ) Zie arrest van 21 juni 1988, Lair (39/86, EU:C:1988:322, punt 42). Zie ook arrest van 6 juni 1985, Frascogna (157/84, EU:C:1985:243, punt 25), dat drie jaar eerder is gewezen naar aanleiding van een verzoek om een bijzondere ouderdomstoelage.

( 15 ) Zie in dit opzicht Pataut, E., „La détermination du lien d’intégration des citoyens européens”, RTD Eur., 2012, blz. 623 e.v.

( 16 ) Zie in die zin Barnard, C., „Case C‑209/03, R (on the application of Danny Bidar) v. London Borough of Ealing, Secretary of State for Education and Skills, judgment of the Court (Grand Chamber) 15 march 2005, not yet reported”, CML Rev., 42, 2005, blz. 1465‑1489, in het bijzonder blz. 1488.

( 17 ) Zie in die zin O’Leary, S., „The curious case of frontier workers and study finance: Giersch”, CML Rev., 51, 2014, blz. 601‑622, in het bijzonder blz. 609. Zie ook opmerking van Martin, D. die naar aanleiding van het arrest van 18 juli 2007, Hartmann (C‑212/05, EU:C:2007:437), schrijft: „Not only the acceptance of a social policy cause of justification in the field of free movement is a reversal of a consistent case-law” [Martin, D., „Comments on Jia v. Migrationsverket (Case C‑1/05 of 9 January 2007), Hartmann v. Freistaat Bayern (Case C‑213/05 of 18 July 2007) and Hendrix v. Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Case C‑287/05 of 11 September 2007)”, European Journal of Migration and Law, 9, 2007, blz. 457‑471, in het bijzonder blz. 467; cursivering van mij].

( 18 ) Zie in die zin arresten van 18 juli 2007, Hartmann (C‑212/05, EU:C:2007:437, punt 24), van 18 juli 2007, Geven (C‑213/05, EU:C:2007:438, punt 15), van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 33) en van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 37).

( 19 ) Zie in die zin Cavallini, J., „Subordonner l’octroi d’une allocation à une condition de résidence peut caractériser une discrimination indirecte”, JCP/La Semaine Juridique – Édition sociale, nr. 40, 2007, blz. 32‑34.

( 20 ) Arresten van 18 juli 2007, Hartmann (C‑212/05, EU:C:2007:437, punt 36) en van 18 juli 2007, Geven (C‑213/05, EU:C:2007:438, punt 26).

( 21 ) Arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 63). Cursivering van mij. De nationale wet die in deze zaak aan de orde was, stelde de financiering van hoger onderwijs dat buiten de betrokken lidstaat wordt gevolgd, afhankelijk van de voorwaarde dat de student ten minste drie jaren rechtmatig verblijf op het grondgebied van deze staat had in de zes jaren voorafgaand aan zijn inschrijving.

( 22 ) Arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 65).

( 23 ) Zie in die zin Martin, D., „Comments on Jia v. Migrationsverket (Case C‑1/05 of 9 January 2007), Hartmann v. Freistaat Bayern (Case C‑213/05 of 18 July 2007) and Hendrix v. Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Case C‑287/05 of 11 September 2007)”, European Journal of Migration and Law, 9, 2007, blz. 457‑471, in het bijzonder blz. 467.

( 24 ) Arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 64). Cursivering van mij.

( 25 ) Artikel 2bis van de wet van 22 juni 2000, ingelast bij artikel 1, punt 1, van de wet van 19 juli 2013.

( 26 ) Artikel 3 van de wet van 24 juli 2014 betreffende steun van de staat voor hoger onderwijs. Deze wet is niet aan de orde in de onderhavige zaak.

( 27 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 39).

( 28 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 29 ) Zie in die zin arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 44).

( 30 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 46).

( 31 ) Zie in die zin arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 32 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 56).

( 33 ) Cursivering van mij.

( 34 ) Wetsontwerp nr. 6585 ter wijziging van de wet van 22 juni 2000 betreffende financiële overheidssteun voor hoger onderwijs (document 6585 van 5 juli 2013, blz. 2, beschikbaar op de website van de Kamer van Afgevaardigden van het Groothertogdom Luxemburg: http://www.chd.lu/wps/portal/public/RoleEtendu?action=doDocpaDetails&id=6585#).

( 35 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 48).

( 36 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 53).

( 37 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 56en dictum).

( 38 ) Zie in die zin arresten van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 65) en van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 63).

( 39 ) Zie in die zin arresten van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 66) en van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 63).

( 40 ) Zie in dit opzicht de analyse in deel A van de onderhavige conclusie.

( 41 ) Zie punt 40 van de onderhavige conclusie.

( 42 ) Arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346, punt 65). Cursivering van mij.

( 43 ) Zie in die zin O’Leary, S., „The curious case of frontier workers and study finance: Giersch”, CML Rev., 51, 2014, blz. 601‑622, in het bijzonder blz. 610.

( 44 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 67).

( 45 ) Zie in die zin arresten van 21 juni 1988, Lair (39/86, EU:C:1988:322, punt 42) en van 6 juni 1985, Frascogna (157/84, EU:C:1985:243, punt 25).

( 46 ) Zie schriftelijke opmerkingen van de Commissie (punt 44). De twee voorbeelden die de Commissie hieromtrent gaf tijdens de terechtzitting van 14 april 2016, zijn heel verhelderend. Volgens de litigieuze wettelijke regeling zou een Litouws kind van wie de vader met dezelfde nationaliteit pas een maand in Luxemburg woont en werkt, in beginsel recht hebben op studiefinanciering voor hoger onderwijs. Het kind daarentegen waarvan de vader een Belgische grensarbeider is, die meer dan vijftien jaar in Luxemburg werkt maar met een onderbreking tijdens de laatste vijf jaar, zou geen recht hebben op de genoemde steun zelfs als het kind zijn hele schoolopleiding daar zou hebben gevolgd. De voorwaarde dat gedurende een ononderbroken periode beroepswerkzaamheden zijn verricht, is evenzeer van toepassing op het kind van een Belgische grensarbeider dat altijd bij zijn andere ouder op Cyprus heeft gewoond – en dus duidelijk niet de bedoeling heeft om zich na zijn studie in Luxemburg te vestigen – als op het kind van een Belgische grensarbeider dat met die ouder in België woont en zijn hele schoolopleiding in Luxemburg heeft gevolgd.

( 47 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 78). De erkenning van deze rechtvaardigingsgrond blijkt ook uit het dictum van dit arrest, dat bepaalt dat „[h]oewel de doelstelling die bestaat in het verhogen van het aantal ingezetenen met een diploma van hoger onderwijs teneinde de ontwikkeling van de economie van die lidstaat te bevorderen, een legitieme doelstelling is die een dergelijk verschil in behandeling kan rechtvaardigen en hoewel een woonplaatsvereiste als dat van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling, geschikt is om die doelstelling te verwezenlijken, gaat een dergelijk vereiste evenwel verder dan noodzakelijk is om de daardoor nagestreefde doelstelling te bereiken, aangezien het belet dat rekening wordt gehouden met andere factoren die representatief kunnen zijn voor de mate waarin er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van die financiële steun en de samenleving of de arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat, zoals het feit dat een van zijn ouders, die in het onderhoud van de student blijft voorzien, een grensarbeider is die een duurzame baan heeft in die lidstaat en er reeds sinds geruime tijd werkt” (cursivering van mij).

( 48 ) Punt 45 van dit arrest.

( 49 ) Arrest van 25 oktober 2012, Prete (C‑367/11, EU:C:2012:668, punt 45). Zie ook arrest van 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, EU:C:2005:169, punt 58).

( 50 ) Dienaangaande ben ik van mening dat de wijziging die is aangebracht bij de wet van 24 juli 2014 betreffende financiële steun van de staat voor hoger onderwijs, op grond waarvan de periode van vijf gewerkte jaren voortaan wordt berekend over een referentieperiode van zeven jaar, nog steeds niet voldoet aan het evenredigheidsvereiste. In het arrest van 14 juni 2012, Commissie/Nederland (C‑542/09, EU:C:2012:346), heeft het Hof immers geoordeeld dat de Nederlandse wettelijke bepaling in strijd was met het Unierecht. De nationale wet die aan de orde was in deze zaak was zelfs minder streng dan de Luxemburgse, aangezien deze wet de financiering voor buiten Nederland gevolgd hoger onderwijs afhankelijk stelde van de voorwaarde dat de student ten minste drie jaren rechtmatig verblijf in Nederland had gehad in de zes jaren voorafgaand aan zijn inschrijving.

( 51 ) Arrest van 11 juli 2002, D’Hoop (C‑224/98, EU:C:2002:432, punt 39). Zie ook in die zin arrest van 18 juli 2013, Prinz en Seeberger (C‑523/11 en C‑585/11, EU:C:2013:524, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 52 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 80).

( 53 ) Arrest van 20 juni 2013, Giersch e.a. (C‑20/12, EU:C:2013:411, punt 80).

Top