Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CN0441

Zaak C-441/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Højesteret (Denemarken) op 24 september 2014 — DI, als lasthebber van Ajos A/S/Nalatenschap van Karsten Eigil Rasmussen

OJ C 421, 24.11.2014, p. 24–25 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

24.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 421/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Højesteret (Denemarken) op 24 september 2014 — DI, als lasthebber van Ajos A/S/Nalatenschap van Karsten Eigil Rasmussen

(Zaak C-441/14)

2014/C 421/34

Procestaal: Deens

Verwijzende rechter

Højesteret

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DI [Dansk Industri], als lasthebber van Ajos A/S

Verwerende partij: Nalatenschap van Karsten Eigil Rasmussen

Prejudiciële vragen

1)

Omvat het algemene Unierechtelijke verbod van discriminatie op grond van leeftijd het verbod van een regeling als de Deense regeling volgens welke werknemers geen recht op de vertrekvergoeding hebben wanneer zij recht hebben op een door de werkgever betaald ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling waartoe zij voor het bereiken van hun vijftigste levensjaar zijn toegetreden, en wanneer deze regeling geldt ongeacht of de werknemers ervoor opteren op de arbeidsmarkt te blijven dan wel met pensioen te gaan?

2)

Is het met het Unierecht verenigbaar dat Deense rechterlijke instanties in een zaak tussen een werknemer en een particuliere werkgever over de betaling van een vertrekvergoeding die de werkgever volgens het nationale recht, zoals dat in de eerste vraag is beschreven, niet hoeft te betalen — wanneer dit onverenigbaar is met algemene Unierechtelijke verbod van discriminatie op grond van leeftijd — dat verbod en de rechtstreekse werking ervan afwegen tegen het rechtszekerheidsbeginsel en het daarmee samenhangende beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en op grond van een dergelijke afweging tot de slotsom komen dat het verbod van discriminatie op grond van leeftijd moet wijken voor het rechtszekerheidsbeginsel, zodat de werkgever overeenkomstig het nationale recht de vertrekvergoeding niet hoeft te betalen? Is het voor de mogelijkheid van een dergelijke afweging van belang dat de werknemer, in bepaalde omstandigheden, van de staat vergoeding kan vorderen wegens de onverenigbaarheid van de Deense wettelijke regeling met het Unierecht?


Top