EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CN0158

Zaak C-158/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 4 april 2014 — A e.a., andere partij: Minister van Buitenlandse Zaken

OJ C 194, 24.6.2014, p. 15–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 194/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 4 april 2014 — A e.a., andere partij: Minister van Buitenlandse Zaken

(Zaak C-158/14)

2014/C 194/19

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: A, B, C, D

Andere partij: Minister van Buitenlandse Zaken

Prejudiciële vragen

1)

Zouden de appellanten in de onderhavige procedure, mede gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (1), zonder twijfel ontvankelijk zijn geweest in een op eigen naam op grond van artikel 263 van het VWEU ingesteld beroep bij het Gerecht tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening 610/2010 (2), voor zover daarbij de LTTE [Liberation Tigers of Tamil Eelam] is geplaatst op de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001? (3)

2)

a.

Kunnen handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht, mede gelet op punt 11 van de preambule van kaderbesluit 2002/475/JBZ (4), terroristische misdrijven zijn in de zin van dat kaderbesluit?

b.

Kunnen handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht, indien het antwoord op vraag 2) a. bevestigend luidt, terroristische daden zijn in de zin van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB (5) en verordening 2580/2001?

3)

Zijn de handelingen die ten grondslag zijn gelegd aan uitvoeringsverordening 610/2010, voor zover daarbij de LTTE op de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001, is geplaatst, handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht?

4)

Is, mede gelet op het antwoord op vraag 1), 2) a., 2) b. en 3, uitvoeringsverordening 610/2010, voor zover daarbij de LTTE op de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001, is geplaatst, ongeldig?

5)

Indien het antwoord op vraag 4) bevestigend luidt, geldt deze ongeldigheid dan ook voor de eerdere en latere besluiten van de Raad tot actualisering van de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening 2580/2001, voor zover daarbij de LTTE op die lijst is geplaatst?


(1)  PB 2000, C 364, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad van 12 juli 2010 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1285/2009 (PB L 178, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 344, blz. 70).

(4)  Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB L 164, blz. 3).

(5)  Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344, blz. 93).


Top