Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CN0005

Zaak C-5/14: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 7 januari 2014 — Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH/Hauptzollamt Osnabrück

OJ C 85, 22.3.2014, p. 16–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

22.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 85/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) op 7 januari 2014 — Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH/Hauptzollamt Osnabrück

(Zaak C-5/14)

2014/C 85/29

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Hamburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt Osnabrück

Prejudiciële vragen

1)

Kan een rechter van een lidstaat op grond van artikel 267, tweede zin, juncto eerste zin, sub (b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het Hof van Justitie van de Europese Unie ook dan verzoeken uitspraak te doen over vragen betreffende de uitlegging van Unierecht die hem in verband met de rechtmatigheid van een nationale wet zijn voorgelegd, als deze rechter niet alleen twijfelt aan de overeenstemming van die wet met het Unierecht, maar bovendien tot de overtuiging is gekomen dat die nationale wet in strijd is met de nationale grondwet en hij deze kwestie daarom in een parallelle zaak reeds heeft voorgelegd aan het Bundesverfassungsgericht (federaal constitutioneel hof), dat krachtens het nationale recht bij uitsluiting bevoegd is de grondwettigheid van wetten te toetsen maar nog geen uitspraak in die zaak heeft gedaan?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2)

Staan de ter harmonisatie van accijnzen en voor energieproducten en elektriciteit in de Unie vastgestelde richtlijnen 2008/118/EG (1) en 2003/96/EG (2) in de weg aan de invoering van een nationale belasting op de voor de bedrijfsmatige productie van elektriciteit gebruikte splijtstoffen? Is het in dit verband relevant, dat kan worden verwacht dat de nationale belasting via de elektriciteitsprijs op de verbruiker wordt afgewenteld, en zo ja, wat dient onder afwenteling te worden verstaan?

3)

Kan een onderneming zich tegen een belasting die een lidstaat op het gebruik van splijtstoffen voor de bedrijfsmatige productie van elektriciteit heft teneinde daarmee inkomsten te verkrijgen, verzetten met het argument dat de heffing van die belasting een met het Unierecht strijdige steunmaatregel in de zin van artikel 107 VWEU is?

Indien bovenstaande vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het Duitse Kernbrennstoffsteuergesetz (wet op de splijtstofbelasting), dat, met het doel inkomsten te verkrijgen, een belasting oplegt aan uitsluitend ondernemingen die met gebruikmaking van splijtstoffen bedrijfsmatig elektriciteit produceren, een steunmaatregel van de staat als bedoeld in artikel 107 VWEU? Welke omstandigheden moeten in aanmerking worden genomen bij de toetsing of andere ondernemingen, die niet op dezelfde wijze worden belast, in een vergelijkbare feitelijke en juridische positie verkeren?

4)

Is de heffing van de Duitse splijtstofbelasting in strijd met de regelingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EGA-Verdrag)?


(1)  Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12).

(2)  Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51).


Top