EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CJ0010

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 september 2015.
J.B.G.T. Miljoen e.a. tegen Staatssecretaris van Financiën.
Verzoeken van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Directe belastingen – Artikelen 63 VWEU en 65 VWEU – Vrij verkeer van kapitaal – Heffing van belasting op portfoliodividenden – Bronheffing – Beperking – Definitieve belastingdruk – Factoren ter vergelijking van de belastingdruk voor ingezeten belastingplichtigen en voor niet-ingezeten belastingplichtigen – Vergelijkbaarheid – Inaanmerkingneming van de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting – Verdragen ter vermijding van dubbele belasting – Neutralisering van de beperking door een verdrag.
Gevoegde zaken C-10/14, C-14/14 en C-17/14.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:608

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

17 september 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Directe belastingen — Artikelen 63 VWEU en 65 VWEU — Vrij verkeer van kapitaal — Belastingheffing op portfoliodividenden — Bronheffing — Beperking — Definitieve belastingdruk — Factoren ter vergelijking van de belastingdruk voor ingezeten belastingplichtigen en voor niet-ingezeten belastingplichtigen — Vergelijkbaarheid — Inaanmerkingneming van de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting — Verdragen ter vermijding van dubbele belasting — Neutralisering van de beperking door een verdrag”

In de gevoegde zaken C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arresten van 20 december 2013, ingekomen bij het Hof op 13 januari 2014, 15 januari 2014 en 16 januari 2014, in de procedures

J. B. G. T. Miljoen (C‑10/14),

X (C‑14/14),

Société Générale SA (C‑17/14)

tegen

Staatssecretaris van Financiën,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Ó Caoimh (rapporteur), waarnemend president van de Derde kamer, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, C. Toader, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 maart 2015,

gelet op de opmerkingen van:

Miljoen, vertegenwoordigd door E. Nijkeuter,

X, vertegenwoordigd door N. de Haan, G. Th. K. Meussen en S. N. Baum‑Sillé, advocaten,

Société Générale SA, vertegenwoordigd door M. Sanders en A. C. Breuer, advocaten,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman, M. Gijzen en M. de Ree als gemachtigden, bijgestaan door I. Siemonsma en H. Guiljam,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en K. Petersen als gemachtigden,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, N. Otte Widgren, K. Sparrman, L. Swedenborg, E. Karlsson en F. Sjöval als gemachtigden,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Beeko als gemachtigde, bijgestaan door S. Ford, barrister,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en A. Cordewener als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 juni 2015,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 63 VWEU.

2

Die verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen Miljoen, X en Société Générale SA (hierna: „Société Générale”) enerzijds en de Staatssecretaris van Financiën anderzijds, over de bronheffing die door deze laatste is ingehouden op aan verzoekers in de hoofdgedingen uitgekeerde dividenden van Nederlandse oorsprong.

Toepasselijke bepalingen

Nederlands recht

Wet op de dividendbelasting

3

Artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965, in de versie van toepassing op de hoofdgedingen, bepaalt:

„1.   Onder de naam ‚dividendbelasting’ wordt een directe belasting geheven van degenen, die – rechtstreeks of door middel van certificaten – gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, en winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.

2.   Voor de toepassing van deze wet worden bewijzen van deelgerechtigdheid in fondsen voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en worden de fondsen gelijkgesteld met vennootschappen.

[...]”

4

Ingevolge artikel 5 van de Wet op de dividendbelasting bedraagt deze belasting 15 % van de opbrengst.

5

Artikel 10, lid 1, van dezelfde wet bevat de volgende bepaling:

„Aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting [...]”

Wet inkomstenbelasting 2001

6

De Wet inkomstenbelasting 2001, in de versie die van toepassing is op de feiten in de hoofdgedingen (hierna: „Wet IB 2001”), omschrijft het stelsel van de belasting naar de inkomsten van natuurlijke personen.

7

Artikel 2.13 van deze wet stelt het tarief voor de belasting op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, dat onder de categorie valt die „box 3” wordt genoemd, op 30 %.

8

Volgens artikel 5.1 van voormelde wet wordt het „belastbaar inkomen uit sparen en beleggen” gevormd door „het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek”.

9

Volgens artikel 5.2 van deze wet wordt het rendement uit sparen en beleggen forfaitair gesteld op 4 % van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar, voor zover dat gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

10

In artikel 5.3, lid 1, van de Wet IB 2001 wordt de „rendementsgrondslag” omschreven als „de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden”. Artikel 5.3, lid 2, van de Wet IB 2001 omschrijft „bezittingen” als:

„a.

onroerende zaken;

b.

rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;

c.

roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen;

d.

rechten op roerende zaken;

e.

rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en

f.

overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer.”

11

Volgens artikel 5.3, lid 3, van de Wet IB 2001 zijn „[s]chulden [...] verplichtingen met waarde in het economische verkeer”.

12

Artikel 5.5 van de Wet IB 2001, met het opschrift „Heffingvrij vermogen”, bepaalt in lid 1 dat het heffingvrije vermogen 20014 EUR bedraagt. In de leden 2 tot en met 4 van dat artikel wordt deze regel aangepast voor een belastingplichtige met een partner.

13

Artikel 5.19, van de Wet IB 2001, betreffende de waardering van bezittingen en schulden, bepaalt in lid 1 dat bezittingen en schulden in aanmerking worden genomen voor de waarde in het economische verkeer.

14

Artikel 7.1 van de Wet IB 2001 bevat de volgende bepaling:

„Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:

[...]

b.

belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en

[...]”

15

Artikel 9.2 van de Wet IB 2001, betreffende de voorheffingen, bepaalt in lid 1 dat voor ingezeten belastingplichtigen de geheven dividendbelasting een voorheffing is. Volgens lid 8 van dat artikel wordt voor buitenlandse belastingplichtigen „als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen”.

Wet op de vennootschapsbelasting

16

Volgens artikel 17, lid 3, onder a), van de Wet op de vennootschapsbelasting, in de versie die van toepassing is op de feiten in de hoofdgedingen, is het Nederlandse inkomen het gezamenlijke bedrag van de belastbare winst uit een in Nederland gedreven onderneming, zijnde het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming).

17

Artikel 25 van diezelfde wet bevat de volgende bepalingen:

„1.   Als voorheffingen worden aangewezen de geheven dividendbelasting, uitgezonderd de belasting die op de voet van artikel 12, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 is geheven, en naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting, behoudens voor zover deze belastingen zijn geheven naar opbrengsten of prijzen die geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van het jaar.

2.   In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat:

a.

de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en

b.

deze natuurlijk persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.

3.   Voor de toepassing van het tweede lid:

a.

kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een gereglementeerde effectenbeurs die gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie;

b.

wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen.

4.   De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen, wordt als voorheffing aangewezen van de kredietinstelling, bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, indien die instelling een bedrag ter grootte van die dividendbelasting overmaakt naar de geblokkeerde rekening van degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen. De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen, wordt als voorheffing aangewezen van de beheerder van de beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, indien die beheerder een bedrag ter grootte van die dividendbelasting aanwendt ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling ten behoeve van degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen.”

Algemene wet inzake rijksbelastingen

18

Artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in de versie van toepassing op de feiten in de hoofdgedingen, bepaalt dat de voorheffingen kunnen worden verrekend met de belasting op het verzamelinkomen. Indien deze laatste ontoereikend is om de aan de bron ingehouden dividendbelasting te verrekenen, vindt teruggaaf van dividendbelasting plaats.

Belgisch-Nederlands verdrag

19

Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Luxemburg op 5 juni 2001 (hierna: „Belgisch-Nederlands verdrag”), bepaalt in artikel 10:

„1.   Dividenden betaald door een vennootschap die inwoner is van een verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende Staat waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan:

[...]

b)

15 percent van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen. [...]”

20

Artikel 23 van voormeld verdrag, met het opschrift „Wijze waarop dubbele belasting wordt vermeden”, bevat in lid 1, onder b), de volgende bepaling:

„Onder voorbehoud van de bepalingen van de Belgische wetgeving betreffende de verrekening van in het buitenland betaalde belastingen met de Belgische belasting wordt, indien een inwoner van België inkomsten verkrijgt die deel uitmaken van zijn samengetelde inkomen dat aan de Belgische belasting is onderworpen en bestaan uit dividenden die niet van Belgische belasting zijn vrijgesteld ingevolge subparagraaf c hierna, uit interest of uit royalty’s als zijn bedoeld in artikel 12, paragraaf 5, de op die inkomsten geheven Nederlandse belasting in mindering gebracht van de Belgische belasting op die inkomsten.”

Frans-Nederlands Verdrag

21

De Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Parijs op 16 maart 1973 (hierna: „Frans-Nederlands verdrag”), bevat het volgende artikel 10:

„Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.

Deze dividenden mogen echter in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet overschrijden:

[...]

b)

15 percent van het brutobedrag van de dividenden [...]”

22

Artikel 24 van hetzelfde verdrag draagt het opschrift „Bepaling tot vermijding van dubbele belasting”. Artikel 24, B, onder b), bepaalt het volgende:

„Met betrekking tot de in [artikel 10] bedoelde inkomsten, die overeenkomstig de bepalingen van [dat artikel] aan de Nederlandse belasting onderworpen zijn geweest, verleent Frankrijk aan personen die inwoner zijn van Frankrijk en die zodanige inkomsten genieten, een verrekening tot een bedrag dat gelijk is aan de Nederlandse belasting.

Deze verrekening, die het bedrag van de over de desbetreffende inkomsten in Frankrijk geheven belasting niet te boven mag gaan, vindt plaats met de in artikel 2, derde lid, letter b, bedoelde belastingen, in de grondslagen waarvan die inkomsten zijn begrepen.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑10/14

23

J. B. G. T. Miljoen, een Nederlands onderdaan met woonplaats in België, hield aandelen in drie Nederlandse beursfondsen.

24

In het jaar 2007 zijn aan Miljoen over die aandelen dividenden voor een bedrag van 4852 EUR uitgekeerd, waarop 15 % dividendbelasting voor een bedrag van 729 EUR is ingehouden.

25

In zijn aangiftebiljet in de inkomstenbelasting voor het jaar 2007 in Nederland heeft Miljoen aangifte gedaan naar een verzamelinkomen van nihil en heeft hij daarbij geen met de inkomstenbelasting te verrekenen dividendbelasting opgenomen.

26

De Nederlandse belastingdienst heeft een aanslag inkomstenbelasting overeenkomstig deze aangifte opgelegd. Miljoen heeft bij die dienst bezwaar gemaakt tegen die aanslagen en verzocht om teruggaaf van dividendbelasting voor een bedrag van 438 EUR, en daartoe aangevoerd dat hij als niet-ingezeten belastingplichtige een ingevolge artikel 63 VWEU verboden discriminerende behandeling had ondergaan. Dat bezwaar had geen succes, waarop de belastingdienst bedoelde aanslag heeft gehandhaafd.

27

Miljoen heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda, waarbij meer in het bijzonder de vraag aan de orde was of het door hem ingeroepen verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen een met de vrijheid van kapitaalverkeer strijdige belemmering in de zin van artikel 63 VWEU vormde. Die rechterlijke instantie was van oordeel dat in de bij haar aanhangige zaak van een belemmering geen sprake was, waarop Miljoen beroep in cassatie heeft ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Zaak C‑14/14

28

X, Nederlands onderdaan met woonplaats in België, hield 2 van de 95 certificaten van aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap A Holding BV, wat overeenkwam met 2,1 % van het maatschappelijk kapitaal. In het jaar 2007 zijn haar voor haar deelneming dividenden voor een totaalbedrag van 107372 EUR uitgekeerd. Op dat bedrag is 16105,80 EUR dividendbelasting ingehouden.

29

Als Belgisch ingezetene is X in België in de personenbelasting tegen een tarief van 25 % van het nettobedrag van de dividenden aangeslagen voor een bedrag van 22816 EUR. In het kader van die belastingheffing heeft zij echter gedeeltelijke aftrek van de in Nederland afgedragen dividendbelasting kunnen verkrijgen. Blijkens het dossier is haar uit dien hoofde een bedrag van 4026 EUR gerestitueerd.

30

X heeft bij de Nederlandse belastingdienst tegen de inhouding van dividendbelasting bezwaar gemaakt onder aanvoering dat zij als niet-ingezeten belastingplichtige een discriminerende behandeling onderging. De belastingdienst heeft dat bezwaar bij uitspraak van 29 maart 2010 verworpen.

31

X heeft tegen bedoelde uitspraak beroepen ingesteld bij de Rechtbank te Breda. Die rechterlijke instantie heeft de beroepen deels gegrond verklaard. X en de Staatsecretaris van Financiën hebben hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, dat de beslissing van de Rechtbank te Breda deels heeft bevestigd. Daarop hebben zowel X als de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Zaak C‑17/14

32

Société Générale is een in Frankrijk gevestigde vennootschap. Zij heeft in de jaren 2000 tot en met 2008 in het kader van het door haar eveneens in Frankrijk uitgeoefende effectenbedrijf aandelenpakketten van minder dan 5 % in Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen gehouden. Aan Société Générale zijn in die jaren dividenden uitgekeerd nadat daarop door de Nederlandse belastingdienst 15 % dividendbelasting aan de bron was ingehouden.

33

Voor de jaren 2000 tot en met 2007 heeft Société Générale de in Nederland ingehouden dividendbelasting volledig kunnen verrekenen met de Franse vennootschapsbelasting.

34

Aangezien Société Générale in het jaar 2008 verliezen heeft geleden, heeft zij de in dat jaar in Nederland ingehouden dividendbelasting niet kunnen verrekenen met de Franse vennootschapsbelasting. Société Générale is van oordeel dat het volle bedrag van de in Nederland ingehouden dividendbelasting aan haar moet worden gerestitueerd, daar in die lidstaat gevestigde vennootschappen het recht hebben de in dat land betaalde dividendbelasting in mindering te brengen op de vennootschapsbelasting, terwijl dat niet mogelijk is voor niet-ingezeten aandeelhouders. Société Générale meent dan ook een discriminerende behandeling als niet-ingezeten belastingplichtige te hebben ondergaan.

35

Wat betreft het verzoek om verrekening of teruggaaf van de voor de jaren 2007 en 2008 ingehouden dividendbelasting heeft de Rechtbank te Haarlem het door verzoekster in het hoofdgeding ingestelde beroep verworpen met de overweging dat, voor het jaar 2007, de Franse belastingdienst het bedrag van de Nederlandse dividendbelasting volledig heeft verrekend met de vennootschapsbelasting, en dat Société Générale voor het jaar 2008 niet heeft aangetoond dat de Nederlandse belasting zwaarder op de dividenden heeft gedrukt dan in een interne situatie het geval zou zijn geweest. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft eveneens geoordeeld dat de vergelijking tussen de fiscale situatie van een ingezeten belastingplichtige met die van een niet-ingezeten belastingplichtige zich enkel tot de dividendbelasting dient uit te strekken en dat niet was komen vast te staan dat Société Générale anders dan een ingezeten belastingplichtige aan de dividendbelasting was onderworpen. Daarop heeft Société Générale bij de verwijzende rechterlijke instantie beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam ingesteld.

Prejudiciële vragen

36

In de drie hoofdgedingen vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich af of de nationale wetgeving een verschil in behandeling voor de belastingheffing hanteert tussen niet-ingezeten aandeelhouders, natuurlijke personen of ondernemingen, die aan bronheffing onderworpen dividenden ontvangen, en ingezeten aandeelhouders, wier dividenden eveneens aan bronheffing zijn onderworpen maar die die heffing kunnen verrekenen met hun inkomsten- of vennootschapsbelasting, en of deze wetgeving de vrijheid van kapitaalverkeer belemmert.

37

Inzonderheid zet die rechterlijke instantie uiteen dat de dividendbelasting van ingezeten en van niet-ingezeten aandeelhouders wordt geheven tegen hetzelfde forfaitaire tarief. Voor deze laatsten vormt zij een definitieve belasting, terwijl in het geval van ingezeten aandeelhouders de dividendbelasting wordt verrekend met de inkomsten- of de vennootschapsbelasting. Om te kunnen beoordelen of de situatie van ingezetenen vergelijkbaar is met die van niet-ingezetenen is volgens bedoelde rechterlijke instantie de vraag of die verrekening in aanmerking moet worden genomen van essentieel belang.

38

De verwijzende rechterlijke instantie vraagt zich voorts af hoe de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting moet worden vastgesteld voor het geval die verrekening in de beschouwing moet worden betrokken.

39

Zo het Hof mocht oordelen dat bij de vergelijking van de situatie van de ingezeten aandeelhouder met die van de niet-ingezeten aandeelhouder de inkomstenbelasting in de beschouwing moet worden betrokken, vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich in de eerste plaats af van welk referentietijdvak bij die vergelijking moet worden uitgegaan. Een Nederlands ingezetene wordt voor de dividendbelasting immers forfaitair belast, ook voor de jaren waarin hij geen dividend ontvangt. Die rechterlijke instantie wenst dan ook te vernemen of de Nederlandse belastingdruk moet worden beoordeeld door de belastingheffing op alle dividenden uit de Nederlandse aandelen die aan een niet-ingezetene gedurende een referentietijdvak van een jaar of meer zijn uitgekeerd in aanmerking te nemen of door afzonderlijk, voor iedere Nederlandse onderneming die dividend uitkeert, de belastingen die zijn geheven over de tijdens dat referentietijdvak uitgekeerde dividenden in de beschouwing te betrekken. In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich in zaak C‑14/14 af of voor die vergelijking rekening moet worden gehouden met het voordeel van het heffingvrije vermogen dat ingezeten belastingplichtigen toevalt ingevolge artikel 5.5 Wet IB 2001. In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich in zaak C‑17/14 af of daartoe rekening moet worden gehouden met alle kosten die in economische zin verband houden met de aandelen waaruit het dividend voortvloeit of, zo nee, met een eventuele afboeking van meegekocht dividend of met een eventueel door het houden van de desbetreffende aandelen opgeroepen financieringslast.

40

Bovendien vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich in de zaken C‑14/14 en C‑17/14 af of de discriminerende behandeling als gevolg van een bronheffing kan worden geneutraliseerd door een verdrag ter vermijding van dubbele belasting, zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan de belasting in de woonstaat kan worden verlaagd door verrekening met die belasting van de aan de bron ingehouden belasting, dan wel de door de niet-ingezeten belastingplichtige verschuldigde belasting niet hoger kan zijn dan die welke door de ingezeten belastingplichtige verschuldigd is.

41

Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

in zaak C‑10/14:

„1)

Dient voor de toepassing van artikel 63 VWEU de vergelijking van een niet-ingezetene met een ingezetene in een geval als het onderhavige waarin op een dividenduitkering door de bronstaat dividendbelasting is ingehouden, zich mede uit te strekken tot de op de dividendinkomsten drukkende inkomstenbelasting, waarmee de dividendbelasting bij ingezetenen wordt verrekend?

2)

Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, dient bij de beoordeling of de effectieve belastingdruk voor een niet-ingezetene hoger is dan de belastingdruk voor een ingezetene, een vergelijking te worden gemaakt van de ten laste van de niet-ingezetene ingehouden Nederlandse dividendbelasting met de door een ingezetene verschuldigde Nederlandse inkomstenbelasting berekend over het forfaitaire inkomen dat in het jaar van ontvangst van de dividenden kan worden toegerekend aan het totale bezit aan beleggingsaandelen in Nederlandse vennootschappen, of noopt het recht van de Europese Unie ertoe dat een andere vergelijkingsmaatstaf in aanmerking wordt genomen?”

in zaak C 14/14:

„1)

Dient voor de toepassing van artikel 63 VWEU de vergelijking van een niet-ingezetene met een ingezetene in een geval als het onderhavige waarin op een dividenduitkering door de bronstaat dividendbelasting is ingehouden, zich mede uit te strekken tot de op de dividendinkomsten drukkende inkomstenbelasting, waarmee de dividendbelasting bij ingezetenen wordt verrekend?

2)

Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, dient bij de beoordeling of de effectieve belastingdruk voor een niet-ingezetene hoger is dan de belastingdruk voor een ingezetene, een vergelijking te worden gemaakt van de ten laste van de niet-ingezetene ingehouden Nederlandse dividendbelasting met de door een ingezetene verschuldigde Nederlandse inkomstenbelasting berekend over het forfaitaire inkomen dat in het jaar van ontvangst van de dividenden kan worden toegerekend aan het totale bezit aan beleggingsaandelen in Nederlandse vennootschappen, of noopt het recht van de Europese Unie ertoe dat een andere vergelijkingsmaatstaf in aanmerking wordt genomen? Moet bij deze vergelijking ook het voor ingezetenen geldende heffingvrije vermogen in aanmerking worden genomen, en zo ja, in hoeverre (arrest Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662)?

3)

Is, indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, bij de beoordeling of een eventueel discriminerende bronheffing rechtsgeldig wordt geneutraliseerd op grond van een door de bronstaat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belastingen voldoende dat i) het desbetreffende belastingverdrag voorziet in een belastingvermindering in de woonstaat door middel van verrekening van de bronheffing en dat, hoewel deze mogelijkheid niet ongeclausuleerd is, ii) in het concrete geval de door de woonstaat verleende belastingvermindering, doordat slechts het netto ontvangen dividend wordt belast, voor volledige compensatie van het discriminerende deel van de bronheffing zorgt?”

in zaak C‑17/14:

„1)

Dient voor de toepassing van artikel 63 VWEU de vergelijking van een niet-ingezetene met een ingezetene in een geval waarin op een dividenduitkering door de bronstaat dividendbelasting is ingehouden zich mede uit te strekken tot de vennootschapsbelasting, waarmee de dividendbelasting bij ingezetenen wordt verrekend?

2)

a)

Dient, indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, bij de vergelijking rekening te worden gehouden met alle kosten die in economische zin verband houden met de aandelen waaruit het dividend voortvloeit?

b)

Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, dient dan wel rekening te worden gehouden met een eventuele afboeking van meegekocht dividend en met een eventueel door het houden van de desbetreffende aandelen opgeroepen financieringslast?

3)

Is, indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, bij de beoordeling of een eventueel discriminerende bronheffing rechtsgeldig wordt geneutraliseerd op grond van een door de bronstaat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belastingen voldoende dat i) in het desbetreffende belastingverdrag ter zake een voorziening is opgenomen, en dat, hoewel deze mogelijkheid niet ongeclausuleerd is, ii) deze in het concrete geval ertoe leidt dat de Nederlandse belastingdruk voor een niet-ingezetene niet hoger is dan die voor een ingezetene? Is, in geval van een tekortschietende compensatie in het jaar waarin de dividenden worden genoten, bij de beoordeling van de neutralisatie de mogelijkheid relevant dat een tekort kan worden voortgewenteld en de verrekening in latere jaren kan worden benut?”

42

Bij beschikking van de president van het Hof van 20 april 2010 zijn de zaken C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

43

Met haar vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of de artikelen 63 VWEU en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de wettelijke regeling van een lidstaat zoals aan de orde in de hoofdgedingen, op grond waarvan op dividenden die door een ingezeten vennootschap zowel aan ingezeten belastingplichtigen als aan niet-ingezeten belastingplichtigen worden uitgekeerd een bronheffing moet worden ingehouden, waarbij enkel voor ingezeten belastingplichtigen is voorzien in een mechanisme van aftrek of teruggaaf van die inhouding, terwijl deze voor niet-ingezeten belastingplichtigen, natuurlijke personen en vennootschappen, een definitieve belasting vormt.

Het bestaan van een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU

44

Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., C‑338/11–C‑347/11, EU:C:2012:286, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

Voor de vraag of een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die in het hoofdgeding het kapitaalverkeer beperkt moet worden opgemerkt dat op grond van die regeling zowel de aan een niet-ingezeten belastingplichtige als de aan een ingezeten belastingplichtige uitgekeerde dividenden aan een bronheffing van 15 % zijn onderworpen. In het geval van de niet-ingezeten belastingplichtige die dividenden ontvangt is die heffing echter definitief, terwijl bij de ingezeten belastingplichtige die dividenden ontvangt, of het nu gaat om een natuurlijke persoon of een vennootschap, sprake is van een voorheffing op de inkomstenbelasting respectievelijk een voorheffing op de vennootschapsbelasting.

46

Met betrekking tot de dividenden die worden uitgekeerd aan een in Nederland woonachtige natuurlijke persoon volgt immers uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt dat de bronheffing een voorheffing is op de inkomstenbelasting box 3, waarvan het tarief op 30 % ligt en waarvoor de belastbare grondslag wordt gevormd door het forfaitaire rendement van 4 % van het gemiddelde van de waarde van de aandelen verminderd met de waarde van de schulden aan het begin en aan het einde van het betrokken kalenderjaar. Uit die gegevens blijkt ook dat een ingezetene restitutie van de bronheffing kan krijgen, hetzij door de voorheffing in mindering te brengen op de inkomstenbelasting, hetzij door teruggaaf van die bronheffing te verkrijgen wanneer het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting lager is dan die heffing.

47

Met betrekking tot de dividenden die worden uitgekeerd aan een in Nederland gevestigde vennootschap blijkt uit bedoelde gegevens dat deze over de dividenden na aftrek van de kosten wordt belast tegen een tarief van 25,5 % voor de hoogste belastingschijf. In dat geval kan de vennootschap overeenkomstig artikel 25 van de Wet op de vennootschapsbelasting de als voorheffing ingehouden dividendbelasting verrekenen met de in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting. Wanneer het bedrag van deze laatste belasting ontoereikend is om het bedrag van de dividendbelasting ermee te kunnen verrekenen kan de vennootschap teruggaaf van deze laatste belasting krijgen. Wanneer daarentegen de aandeelhoudende vennootschap een niet-ingezeten vennootschap is, is de als voorheffing ingehouden dividendbelasting definitief.

48

Voor de beoordeling of een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die in de hoofdgedingen verenigbaar is met artikel 63 VWEU, is het aan de verwijzende rechterlijke instantie, die als enige de feiten in de bij haar aanhangige zaken kan kennen, na te gaan of voor de betrokken dividenden de toepassing op verzoekers in de hoofdgedingen van de in de nationale wettelijke regeling voorziene bronheffing van 15 % ertoe leidt dat voor die verzoekers uiteindelijk in Nederland de belastingdruk zwaarder is dan voor ingezetenen voor dezelfde dividenden.

49

In dat verband vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich af, welke factoren zij in de beschouwing moet betrekken om de respectieve belastingdruk voor ingezetenen en niet-ingezetenen in de bronlidstaat van de dividenden te vergelijken, en zij maakt daartoe onderscheid tussen de last die rust op belastingplichtige natuurlijke personen (zaken C‑10/14 en C‑14/14) en die welke op vennootschappen rust (zaak C‑17/14).

Factoren die in aanmerking moeten worden genomen om de belastingdruk voor ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen te vergelijken met die voor niet-ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen

50

In de zaken C‑10/14 en C‑14/14 vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich allereerst af of voor de vergelijking van de definitieve belastingdruk voor ingezeten belastingplichtigen met die voor niet-ingezeten belastingplichtigen een referentietijdvak van een jaar of langer moet worden gehanteerd. Vervolgens vraagt die rechterlijke instantie zich af of de gedurende dat tijdvak ontvangen dividenden als geheel in de beschouwing moeten worden betrokken, voor alle aandelen die de belanghebbende in Nederlandse vennootschappen houdt, of afzonderlijk per Nederlandse vennootschap die ze heeft uitgekeerd. Tot slot vraagt die rechterlijke instantie zich in zaak C‑14/14 af of het heffingvrije vermogen in de beschouwing moet worden betrokken.

51

Wat in de eerste plaats de duur van het referentietijdvak voor de vergelijking van de definitieve belastingdruk voor ingezeten en voor niet-ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen betreft moet worden vastgesteld dat voor de eersten het voor de belastingheffing in aanmerking komende tijdvak overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet IB 2001 het kalenderjaar is. Voor de vergelijking moet dus dit tijdvak als uitgangspunt worden genomen.

52

Aangaande in de tweede plaats de inaanmerkingneming als geheel of afzonderlijk van de gedurende bedoeld tijdvak ontvangen dividenden voor de vergelijking van de definitieve belastingdruk voor ingezeten en voor niet-ingezeten belastingplichtigen, blijkt uit het aan het Hof voorgelegde dossier dat de belasting van natuurlijke personen wordt geheven op basis van een forfaitair rendement van alle aandelen in Nederlandse vennootschappen. Voor de vergelijking van bedoelde belastingdruk moeten die aandelen dan ook als geheel in de beschouwing worden betrokken.

53

Met betrekking tot de vraag, in de derde plaats, of daartoe het heffingvrije vermogen in aanmerking moet worden genomen, geldt op grond van de in zaak C‑14/14 toepasselijke wetgeving dat het rendement, dat ingevolge artikel 5.2 van de Wet IB 2001 forfaitair wordt vastgesteld, slechts in de beschouwing moet worden betrokken voor zover het meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen, dat 20014 EUR bedraagt. In dit verband moet worden opgemerkt dat een vrijstelling, zoals in de hoofdgedingen, die een aan alle ingezeten belastingplichtigen toegekend voordeel vormt, los van hun persoonlijke situatie, geen aan de persoonlijke situatie van de belastingplichtige gekoppeld individueel voordeel vormt. Zoals de advocaat-generaal in punt 83 van zijn conclusie opmerkt, moet met een dergelijke vrijstelling, aangezien de heffingsgrondslag voor de door ingezeten belastingplichtigen ontvangen inkomsten erdoor wordt gewijzigd, rekening worden gehouden voor de vergelijking van de definitieve belastingdruk voor ingezeten belastingplichtigen en voor niet-ingezeten belastingplichtigen.

54

Uit het voorgaande volgt dat in omstandigheden zoals in de hoofdgedingen de belastingdruk voor ingezeten en die voor niet-ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen, voor wat betreft de belasting op inkomsten uit aandelen in Nederlandse vennootschappen, moet worden beoordeeld, over een kalenderjaar, met inaanmerkingneming van de dividenden als geheel, rekening houdend met het in de nationale wetgeving voorziene heffingvrije vermogen.

Factoren die in aanmerking moeten worden genomen om de belastingdruk voor ingezeten vennootschappen te vergelijken met die voor niet-ingezeten vennootschappen

55

In zaak C‑17/14 wenst de verwijzende rechterlijke instantie voor de vergelijking van de belastingdruk voor ingezeten en voor niet-ingezeten vennootschappen te vernemen of rekening moet worden gehouden met alle kosten die in economische zin verband houden met de aandelen waaruit het dividend voortvloeit en, zo niet, of op de belastbare inkomsten in mindering moet worden gebracht hetzij het in de aankoopprijs van de aandelen meegekocht dividend hetzij de eventueel door het houden van de desbetreffende aandelen opgeroepen financieringslast.

56

Société Générale betoogt dat in geval van afdekking van een financieel risico („hedging”) niet alleen de rechtstreeks aan de dividenden toerekenbare kosten in aanmerking moeten worden genomen, maar ook negatieve koers- en transactieresultaten die betrekking hebben op andere aandelenbelangen en posities dan die waaruit de dividenden voortkomen, maar daarmee wel verband houden.

57

In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat met betrekking tot uitgaven, zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, ingezetenen en niet-ingezetenen van deze lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren, zodat een regeling van deze staat die bij de belastingheffing aan niet-ingezetenen geen aftrek van dergelijke uitgaven toestaat terwijl die regeling dit daarentegen wel toestaat aan ingezetenen, in het nadeel kan werken van hoofdzakelijk staatsburgers van andere lidstaten en dus indirecte discriminatie op grond van nationaliteit in het leven roept (arrest Schröder, C‑450/09, EU:C:2011:198, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58

Meer in het bijzonder is in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden van een dergelijk verband slechts sprake indien die kosten, ook al kunnen zij in voorkomend geval rechtstreeks verband houden met een bij een waardepapiertransactie betaald bedrag, rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van die inkomsten (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, C‑600/10, EU:C:2012:737, punt 20).

59

Bijgevolg moeten kosten die rechtstreeks verband houden met de inning als zodanig van de dividenden, voor de vergelijking van de belastingdruk voor de vennootschappen in de beschouwing worden betrokken.

60

Bij de kosten die de verwijzende rechterlijke instantie in haar prejudiciële vraag in zaak C‑17/14 bedoelt is van een dergelijk verband geen sprake. Met betrekking tot de aftrek van de dividenden die in de aankoopprijs van aandelen besloten liggen volgt immers uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze aftrek bedoeld is om de reële aankoopprijs van de aandelen te bepalen. Deze aftrek hangt dus niet samen met kosten die rechtstreeks verband houden met de inning als zodanig van de dividenden uit die aandelen. Voorts hebben de door de verwijzende rechterlijke instantie eveneens vermelde financieringskosten betrekking op het houden van aandelen op zich, zodat zij evenmin rechtstreeks verband houden met de inning als zodanig van de betrokken dividenden.

61

Uit een en ander volgt dat, zo de verwijzende rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat in de hoofdgedingen de toepassing van een bronheffing van 15 % op de dividenden van niet-ingezeten belastingplichtigen ertoe leidt dat op die belastingplichtigen in Nederland een zwaardere definitieve belastingdruk rust dan op ingezeten belastingplichtigen voor dezelfde dividenden, een dergelijk verschil in fiscale behandeling van belastingplichtigen op grond van hun woonplaats niet-ingezeten belastingplichtigen kan doen besluiten om niet in vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn te investeren en dus een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer vormt, die in beginsel ingevolge artikel 63 VWEU verboden is.

Rechtvaardiging voor de beperking van het vrije kapitaalverkeer uit hoofde van artikel 65 VWEU

62

Volgens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU „[doet] [h]et bepaalde in artikel 63 [...] niets af aan het recht van de lidstaten [...] de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd”.

63

Deze bepaling, waarmee wordt afgeweken van het fundamentele beginsel van het vrije kapitaalverkeer, moet eng worden uitgelegd. Bijgevolg kan zij niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die tussen belastingplichtigen een onderscheid maakt naargelang van hun woonplaats of van de lidstaat waar zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU. De in artikel 65, lid 1, onder a), VWEU vastgestelde afwijking wordt immers zelf beperkt door lid 3 van dat artikel, dat bepaalt dat de in lid 1 bedoelde nationale bepalingen „geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]” (zie in die zin arrest Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64

Bijgevolg moet een onderscheid worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden discriminaties. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een nationale belastingregeling als die in de hoofdgedingen slechts verenigbaar met de verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer worden geacht indien het verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang (zie arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., C‑338/11-C‑347/11, EU:C:2012:286, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties

65

Om de vergelijkbaarheid van de situaties te kunnen beoordelen vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich af of enkel de aan de bron ingehouden dividendbelasting in aanmerking moet worden genomen of mede de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting waarmee, voor ingezeten belastingplichtigen, de dividendbelasting wordt verrekend.

66

De Nederlandse en de Zweedse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk merken op dat voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting de belastingheffing op dividenden van een niet-ingezetene objectief verschilt van die van ingezetenen, aangezien de ingezeten belastingplichtige over al zijn inkomsten wordt belast, terwijl een niet-ingezetene, in de bronlidstaat van de dividenden, enkel wordt belast voor de inkomsten uit in die staat uitgekeerde dividenden.

67

Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet‑ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (zie in die zin arresten Denkavit Internationaal en Denkavit France, C‑170/05, EU:C:2006:783, punt 35; Commissie/Italië, C‑540/07, EU:C:2009:717, punt 52; Commissie/Spanje, C‑487/08, EU:C:2010:310, punt 51; Commissie/Duitsland, C‑284/09, EU:C:2011:670, punt 56, en beschikking Tate & Lyle Investments, C‑384/11, EU:C:2012:463, punt 31).

68

Alleen al de uitoefening door deze staat van zijn heffingsbevoegdheid brengt immers, los van enige belasting in een andere lidstaat, een risico van meervoudige belastingheffing of economische dubbele belasting mee. In een dergelijk geval dient de lidstaat van vestiging van de uitkerende vennootschap ervoor te zorgen dat niet-ingezeten belastingplichtigen voor het in zijn nationale recht voorziene mechanisme ter voorkoming of vermindering van meervoudige belastingheffing of economische dubbele belasting, een behandeling ondergaan die vergelijkbaar is met die van ingezeten belastingplichtigen opdat zij niet worden geconfronteerd met een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer (zie in die zin beschikking Tate & Lyle Investments, C‑384/11, EU:C:2012:463, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69

In de hoofdgedingen moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden ervoor heeft gekozen, zijn heffingsbevoegdheid uit te oefenen op dividenden die door ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd aan belastingplichtigen die ingezetene van andere lidstaten zijn. Niet-ingezeten belastingplichtigen die die dividenden ontvangen bevinden zich dus voor het risico van meervoudige belasting van door de ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden in een situatie die vergelijkbaar is met die van ingezeten belastingplichtigen (zie naar analogie arresten Commissie/Spanje, C‑487/08, EU:C:2010:310, punt 53, en Commissie/Duitsland, C‑284/09, EU:C:2011:670, punt 58, en beschikking Tate & Lyle Investments, C‑384/11, EU:C:2012:463, punt 33).

70

Het argument dat de regeringen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend ontlenen aan het arrest Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), dat het verschil in behandeling van ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen slechts het verschil in situaties waarin die belastingplichtigen zich bevinden weergeeft aangezien de eerste belastingplichtigen de dividendbelasting kunnen verrekenen met een andere belasting, terwijl die dividendbelasting voor de tweede belastingplichtigen definitief is, moet worden verworpen. In de omstandigheden van de zaak waarin dat arrest is gewezen heeft het Hof aanvaardbaar geacht dat de ontvangers van kapitaalinkomsten aan verschillende heffingstechnieken onderworpen waren naargelang zij ingezetene of niet-ingezetene waren, daar dat verschil in behandeling situaties betrof die niet objectief vergelijkbaar waren (zie in die zin arrest Truck Center, C‑282/07, EU:C:2008:762, punt 41). Daar dat verschil in behandeling bovendien niet noodzakelijkerwijs een voordeel meebracht voor ingezeten ontvangers, vormde zij volgens het Hof geen beperking van de vrijheid van vestiging (zie in die zin arrest Truck Center, C‑282/07, EU:C:2008:762, punten 49 en 50).

71

Vastgesteld moet echter worden, in de eerste plaats, dat in de hoofdgedingen de beweerde beperking niet voortvloeit uit een verschil tussen de heffingstechniek voor ingezeten belastingplichtigen en die voor niet-ingezeten belastingplichtigen, maar het gevolg is van een aan ingezeten belastingplichtigen toegekend voordeel dat zich niet uitstrekt tot niet-ingezeten belastingplichtigen.

72

In de tweede plaats werd in de zaak waarin het arrest Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762) is gewezen, de betrokken roerende voorheffing alleen geïnd op aan niet-ingezeten vennootschappen betaalde rente. In de hoofdgedingen onderwerpt de toepasselijke wetgeving zowel ingezeten belastingplichtigen als niet-ingezeten belastingplichtigen aan dezelfde wijze van heffing van dividendbelasting, te weten een bronheffing.

73

In omstandigheden zoals die in de hoofdgedingen kan het verschil in behandeling tussen ingezeten belastingplichtigen die aan de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting zijn onderworpen en niet-ingezeten belastingplichtigen die een bronheffing op dividenden ondergaan, dus geen rechtvaardiging vinden in een voor de toepassing van artikel 65, lid 1, onder a), VWEU relevant verschil in situatie. Voor de toepassing van die bepaling volstaat het immers niet om alleen de dividendbelasting als zodanig in de beschouwing te betrekken, maar moet de analyse zich uitstrekken tot de algehele belasting die drukt op de inkomsten van natuurlijke personen of de winst van vennootschappen uit het houden van aandelen in in Nederland gevestigde vennootschappen.

74

Hieruit volgt dat wanneer een lidstaat dividendbelasting aan de bron inhoudt op dividenden die worden uitgekeerd door in die lidstaat gevestigde vennootschappen, bij de vergelijking van de fiscale behandeling van een niet-ingezeten belastingplichtige en die van een ingezeten belastingplichtige in aanmerking moeten worden genomen, enerzijds de door de niet-ingezeten belastingplichtige verschuldigde dividendbelasting en anderzijds de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die verschuldigd is door de ingezeten belastingplichtige en waarvan de heffingsgrondslag de inkomsten uit de aandelen waarvan die dividenden afkomstig zijn omvat.

Rechtvaardiging ontleend aan de toepassing van een verdrag ter vermijding van dubbele belasting

75

Met zijn derde vraag in de zaken C‑14/14 en C‑17/14 wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of de eventuele belemmering van het vrije kapitaalverkeer kan worden gerechtvaardigd doordat zij wordt geneutraliseerd door een voorschrift van de woonlidstaat van de belastingplichtige of door een door die staat en de bronlidstaat van de dividenden gesloten bilateraal verdrag ter vermijding van dubbele belasting. In zaak C‑17/14 vraagt de verwijzende rechterlijke instantie voorts, ter beoordeling of de gevolgen van bedoelde belemmering worden geneutraliseerd door een dergelijk verdrag, of ingeval het nadeel voor een niet-ingezetene niet kan worden verrekend in het jaar waarin de dividenden worden genoten, de verrekening in latere jaren kan worden benut.

76

Er zij aan herinnerd dat de lidstaten bij gebreke van Unierechtelijke unificatie- of harmonisatiemaatregelen bevoegd blijven om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun belastingbevoegdheid vast te stellen teneinde onder meer dubbele belasting af te schaffen, en dat het behoud van deze verdeling een door het Hof erkende rechtmatige doelstelling vormt (zie onder meer arrest Nordea Bank Danmark, C‑48/13, EU:C:2014:2087, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77

Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, kan een lidstaat zich niet beroepen op het bestaan van een voordeel dat unilateraal wordt verleend door een andere lidstaat, teneinde te ontsnappen aan de ingevolge het Verdrag op hem rustende verplichtingen (arrest Amurta, C‑379/05, EU:C:2007:655, punt 78).

78

Aan de andere kant valt niet uit te sluiten dat een lidstaat erin slaagt de eerbiediging van zijn uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren door met een andere lidstaat een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting te sluiten (arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, EU:C:2006:773, punt 71; Amurta, C‑379/05, EU:C:2007:655, punt 79, en Commissie/Spanje, C‑487/08, EU:C:2010:310, punt 58).

79

Daartoe is het noodzakelijk dat door de toepassing van een dergelijk verdrag de gevolgen van het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling worden gecompenseerd. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen dividenden die worden uitgekeerd aan in andere lidstaten gevestigde vennootschappen, en dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen, pas verdwijnt wanneer de op grond van de nationale wettelijke regeling geheven bronbelasting met de in de andere lidstaat geheven belasting kan worden verrekend ten belope van het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling (zie arrest Commissie/Spanje, C‑487/08, EU:C:2010:310, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80

Volgens de rechtspraak van het Hof moet, om het doel van neutralisatie te bereiken, de toepassing van de aftrekmethode het mogelijk maken om de door de bronlidstaat van de dividenden geheven dividendbelasting volledig in mindering te brengen op de belasting die verschuldigd is in de lidstaat waar de dividendontvangende belastingplichtige woont of gevestigd is, zodat indien die dividenden uiteindelijk zwaarder worden belast dan dividenden die worden uitgekeerd aan in de bronlidstaat wonende of gevestigde belastingplichtigen, deze zwaardere belastingdruk niet langer is toe te rekenen aan deze laatste staat, maar aan de woonstaat of vestigingsstaat van de dividendontvangende belastingplichtige die zijn belastingbevoegdheid heeft uitgeoefend (zie in die zin arrest Commissie/Spanje, C‑487/08, EU:C:2010:310, punt 60).

81

Aangaande de situatie zoals die zich in zaak C‑14/14 voordoet als gevolg van de toepassing van het Nederlands-Belgische verdrag staat in casu vast dat ingevolge artikel 23, lid 1, van dat verdrag de verrekening van in Nederland afgedragen belasting een aangelegenheid van de Belgische autoriteiten is en plaatsvindt naar Belgisch recht.

82

Aangezien die verrekening unilateraal wordt toegekend door het Koninkrijk België, kan het Koninkrijk der Nederlanden volgens de in punt 77 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak datzelfde verdrag niet inroepen ten betoge dat het de betrokken beperking heeft geneutraliseerd.

83

Bovendien blijkt uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt dat volgens de Belgische wetgeving de in het buitenland afgedragen belasting als kosten op de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting in mindering mag worden gebracht voordat een belastingtarief van 25 % wordt toegepast op het nettobedrag van de dividenden die de in België gevestigde belastingplichtige heeft ontvangen, maar die aftrek heft de gevolgen van een eventuele belemmering van het vrije kapitaalverkeer in de bronlidstaat van de dividenden niet volledig op. In dit verband heeft X in zaak C‑14/14 ter terechtzitting voor het Hof betoogd dat het bedrag van de door haar ontvangen compensatie overeenkomt met ongeveer een vierde van de dividendbelasting die zij in Nederland heeft afgedragen.

84

Bijgevolg moet worden geconstateerd dat in omstandigheden zoals die in zaak C‑14/14 de beweerde belemmering van het vrije kapitaalverkeer niet kan worden geacht door de gevolgen van het Nederlands-Belgische verdrag te worden gerechtvaardigd.

85

Aangaande de situatie zoals die zich in zaak C‑17/14 voordoet als gevolg van de toepassing van het Nederlands-Franse verdrag, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de aangevoerde belemmering geheel is geneutraliseerd door de volledige verrekening in Frankrijk van de dividendbelasting voor de belastingjaren 2000 tot en met 2007. Hieruit volgt dat de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vragen enkel betrekking hebben op de fiscale behandeling van de dividendbelasting die in Nederland door Société Générale voor het jaar 2008 is afgedragen.

86

In dit verband volgt uit artikel 24, B, onder b), eerste alinea, van dat verdrag dat met betrekking tot de dividenden waarover de Nederlandse belasting is geheven, de Franse Republiek aan ingezeten belastingplichtigen die zodanige inkomsten genieten een verrekening tot een bedrag dat gelijk is aan de Nederlandse belasting verleent. Omdat de tweede alinea van voormelde bepaling voorschrijft dat die verrekening het bedrag van de over de desbetreffende inkomsten in Frankrijk geheven belasting niet te boven mag gaan, is het mogelijk dat niet het volle bedrag van de in Nederland afgedragen dividendbelasting wordt geneutraliseerd, hetgeen niet beantwoordt aan de vereisten die voortvloeien uit de in punt 79 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof. Het is echter aan de verwijzende rechter, na te gaan of dat in de thans aan de orde zijnde zaak het geval is.

87

Uit een en ander volgt dat, in omstandigheden zoals aan de orde in zaak C‑17/14 en behoudens de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, de beweerde belemmering van het vrije kapitaalverkeer niet kan worden geacht door de gevolgen van het Nederlands-Franse verdrag te worden gerechtvaardigd.

88

Wat tot slot de vraag betreft of, wanneer de in de bronlidstaat van de dividenden ingehouden dividendbelasting in de woonlidstaat van de belastingplichtige niet volledig kan worden verrekend voor het jaar waarover die dividenden zijn ontvangen, de mogelijkheid om die verrekening in volgende jaren uit te voeren de gevolgen van een belemmering kan neutraliseren, moet worden geconstateerd dat de verwijzende rechterlijke instantie in haar verzoek om een prejudiciële beslissing verklaart dat voor de feitelijke instanties niet is onderzocht of het verrekeningsrecht van Société Générale in Frankrijk voor de voor het jaar 2008 afgedragen Nederlandse belasting is voortgewenteld en kon worden benut. In die omstandigheden moet deze vraag worden aangemerkt als hypothetisch en is zij dus niet-ontvankelijk (arrest Pohotovosť, C‑470/12, EU:C:2014:101, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89

Voor het overige zij in herinnering gebracht dat ingeval met een verdrag ter vermijding van dubbele belasting de gevolgen van de betrokken belemmering van het vrije kapitaalverkeer niet kunnen worden geneutraliseerd, die belemmering in voorkomend geval nog kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang (zie onder meer beschikking Tate & Lyle Investments, C‑384/11, EU:C:2012:463, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Opgemerkt zij echter dat in de hoofdgedingen noch de verwijzende rechterlijke instantie noch de Nederlandse regering dergelijke redenen vermelden.

90

Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 63 VWEU en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan op dividenden die door een ingezeten vennootschap zowel aan ingezeten belastingplichtigen als aan niet-ingezeten belastingplichtigen worden uitgekeerd een bronheffing moet worden ingehouden, waarbij enkel voor ingezeten belastingplichtigen is voorzien in een mechanisme van aftrek of teruggaaf van die inhouding, terwijl deze voor niet-ingezeten belastingplichtigen, natuurlijke personen en vennootschappen, een definitieve belasting vormt, voor zover – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie, dit in de hoofdgedingen te verifiëren – de definitieve belastingdruk die in verband met die dividenden in die staat op niet-ingezeten belastingplichtigen komt te rusten zwaarder is dan die voor ingezeten belastingplichtigen. Om die belastingdruk te bepalen zal de verwijzende rechterlijke instantie in de zaken C‑10/14 en C‑14/14 de belastingheffing van ingezetenen met betrekking tot alle aandelen in Nederlandse vennootschappen in de loop van het kalenderjaar alsook het heffingvrije vermogen op grond van de nationale wetgeving in de beschouwing betrekken, en in zaak C‑17/14 de kosten die rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden.

Ingeval een belemmering van het kapitaalverkeer komt vast te staan, kan deze worden gerechtvaardigd door de gevolgen van een bilateraal verdrag ter vermijding van dubbele belasting, gesloten tussen de woonlidstaat en de bronlidstaat van de dividenden, mits het verschil in behandeling voor de belastingheffing op dividenden tussen belastingplichtigen die ingezetene van die laatste staat zijn en belastingplichtigen die ingezetene van andere lidstaten zijn, verdwijnt. In omstandigheden als die in de zaken C‑14/14 en C‑17/14 kan, behoudens de door de verwijzende rechterlijk instantie te verrichten verificaties, de belemmering van het vrije kapitaalverkeer indien zij komt vast te staan niet gerechtvaardigd worden geacht.

Kosten

91

Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

De artikelen 63 VWEU en 65 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan op dividenden die door een ingezeten vennootschap zowel aan ingezeten belastingplichtigen als aan niet-ingezeten belastingplichtigen worden uitgekeerd een bronheffing moet worden ingehouden, waarbij enkel voor ingezeten belastingplichtigen is voorzien in een mechanisme van aftrek of teruggaaf van die inhouding, terwijl deze voor niet-ingezeten belastingplichtigen, natuurlijke personen en vennootschappen, een definitieve belasting vormt, voor zover – het is aan de verwijzende rechterlijke instanties, dit in de hoofdgedingen te verifiëren – de definitieve belastingdruk die in verband met die dividenden in die staat op niet-ingezeten belastingplichtigen komt te rusten zwaarder is dan die voor ingezeten belastingplichtigen. Om die belastingdruk te bepalen zal de verwijzende rechterlijke instantie in de zaken C‑10/14 en C‑14/14 de belastingheffing van ingezetenen met betrekking tot alle aandelen in Nederlandse vennootschappen in de loop van het kalenderjaar alsook het heffingvrije vermogen op grond van de nationale wetgeving in de beschouwing moeten betrekken, en in zaak C‑17/14 de kosten die rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden.

 

Ingeval een belemmering van het kapitaalverkeer komt vast te staan, kan deze worden gerechtvaardigd door de gevolgen van een bilateraal verdrag ter vermijding van dubbele belasting, gesloten tussen de woonlidstaat en de bronlidstaat van de dividenden, mits het verschil in behandeling voor de belastingheffing op dividenden tussen belastingplichtigen die ingezetene van die laatste staat zijn en belastingplichtigen die ingezetene van andere lidstaten zijn, verdwijnt. In omstandigheden als die in de zaken C‑14/14 en C‑17/14 kan, behoudens de door de verwijzende rechterlijk instantie te verrichten verificaties, de belemmering van het vrije kapitaalverkeer indien zij komt vast te staan niet gerechtvaardigd worden geacht.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top