EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CC0245

Conclusie van advocaat-generaal P. Cruz Villalón van 2 juli 2015.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:442

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 2 juli 2015 ( 1 )

Zaak C‑245/14

Thomas Cook Belgium NV

tegen

Thurner Hotel GmbH

[verzoek van Handelsgericht Wien (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Europese betalingsbevelprocedure — Artikel 20, lid 2 — Heroverweging van het Europees betalingsbevel na het verstrijken van de verweertermijn — Verkeerde of onjuiste informatie — Onbevoegdheid van de rechterlijke instantie die het Europees betalingsbevel uitvaardigt — Begrip ‚uitzonderlijke omstandigheid’”

1. 

Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid zich in feite voor het eerst uit te spreken over het begrip „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006. ( 2 ) In het bijzonder gaat het om de vraag of, in het kader van de Europese betalingsbevelprocedure, de eventuele onbevoegdheid van de rechterlijke instantie die een Europees betalingsbevel uitvaardigt als gevolg van het mogelijke bestaan van een tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding dat niet is vermeld op het aanvraagformulier voor het betalingsbevel, een „uitzonderlijke omstandigheid” oplevert en derhalve heroverweging ervan rechtvaardigt, ook als de schuldenaar kennelijk de gelegenheid heeft gehad binnen de gestelde termijn verweer te voeren tegen dat bevel en dit heeft nagelaten.

I – Toepasselijke bepalingen

2.

Overweging 25 van verordening nr. 1896/2006 luidt:

„Na het verstrijken van de termijn voor indiening van een verweerschrift heeft de verweerder in bepaalde uitzonderlijke gevallen het recht om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken. Heroverweging in uitzonderingsgevallen houdt niet in dat de verweerder nogmaals de mogelijkheid krijgt verweer te voeren tegen de vordering. Tijdens de heroverwegingsprocedure mag de gegrondheid van de vordering niet verder worden getoetst dan de gronden die voortvloeien uit de door de verweerder aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden. De overige uitzonderlijke omstandigheden zouden onder meer de situatie kunnen omvatten dat het Europees betalingsbevel gebaseerd was op verkeerde informatie in het aanvraagformulier.”

3.

Artikel 16 van deze verordening, met als opschrift „Verweer tegen een Europees betalingsbevel”, bepaalt:

„1.   De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.

2.   Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3.   In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.

4.   Het verweerschrift wordt ingediend op papieren drager of via elk ander communicatiemiddel, inclusief langs elektronische weg, dat in de lidstaat van oorsprong wordt aanvaard en dat bij het gerecht van oorsprong beschikbaar is.

[...]”

4.

Artikel 20 van de genoemde verordening, met als opschrift „Heroverweging in uitzonderingsgevallen”, luidt:

„1.   De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

i) het betalingsbevel is op een van de in artikel 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht;

en

ii)

de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld, niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,

of

b)

de verweerder de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld,

mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.

2.   Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

3.   Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht.

Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.”

II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

5.

Verzoekster in het hoofdgeding, Thomas Cook Belgium NV (hierna: „Thomas Cook”), is een reisorganisator in Gent (België), die verschillende diensten in de toeristische sector aanbiedt. Op 3 september 2009 heeft Thomas Cook met Thurner Hotel GmbH (hierna: „Thurner Hotel”), een in Sölden (Oostenrijk) gevestigde onderneming naar Oostenrijks recht, een overeenkomst gesloten waarin de nieuwe samenwerkingsvoorwaarden voor het zomerseizoen 2010 waren vastgelegd. Aangezien Thomas Cook haar betalingsverplichtingen niet nakwam heeft Thurner Hotel – die conform de voorwaarden in de overeenkomst accommodatie in Sölden ter beschikking had gesteld – later het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (Oostenrijk) verzocht om een Europees betalingsbevel tegen de Belgische reisorganisator voor een bedrag van meer dan 15000 EUR. Als grond voor de bevoegdheid van dit gerecht voerde Thurner Hotel aan dat de plaats van uitvoering van de verbintenis in Oostenrijk lag.

6.

Op 26 juni 2013 is het Europees betalingsbevel rechtsgeldig aan Thomas Cook betekend. Zij heeft binnen de termijn van dertig dagen zoals vastgesteld in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, geen verweer aangetekend aangezien zij, volgens haar verklaringen, toen nog nasporingen deed in haar archieven om uit te zoeken of het betrokken betalingsbevel al dan niet gerechtvaardigd was.

7.

Op 25 september 2013 heeft Thomas Cook het Bezirksgericht für Handelssachen Wien verzocht om heroverweging van het Europees betalingsbevel overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006. Thomas Cook heeft in wezen betoogd dat dit bevel was uitgevaardigd door een onbevoegd gerecht, aangezien de algemene voorwaarden van de tussen partijen gesloten overeenkomst een forumkeuzebeding bevatten ten gunste van de rechterlijke instanties te Gent (België). Naar haar mening moest het, ten onrechte uitgevaardigde, Europees betalingsbevel nietig worden verklaard op grond van artikel 20, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 aangezien de onbevoegdheid van het gerecht dat het betalingsbevel heeft uitgevaardigd een grond oplevert voor heroverweging in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006.

8.

Bij beslissing van 28 oktober 2013 heeft het Bezirksgericht für Handelssachen Wien het door Thomas Cook ingediende verzoek om heroverweging van het Europees betalingsbevel afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft Thomas Cook binnen de gestelde termijn beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van haar beroep heeft zij overweging 25 van verordening nr. 1896/2006 aangevoerd, waarin de omstandigheid dat het verzoek om uitvaardiging van een Europees betalingsbevel is gebaseerd op verkeerde informatie op het aanvraagformulier uitdrukkelijk wordt aangemerkt als „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van artikel 20, lid 2, van deze verordening. Naar haar mening heeft het Bezirksgericht für Handelssachen Wien in de onderhavige zaak niet in aanmerking genomen dat op grond van de tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden niet de Oostenrijkse gerechten, maar de gerechten te Gent (België) bevoegd waren. Volgens Thomas Cook had genoemde rechterlijke instantie moeten hebben vastgesteld dat het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte was uitgevaardigd in de zin van artikel 20, lid 2, van deze verordening.

9.

Het Handelsgericht Wien heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet verordening nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure aldus worden uitgelegd dat de verwerende partij overeenkomstig artikel 20, lid 2, van deze verordening ook om rechterlijke heroverweging van het Europees betalingsbevel mag verzoeken wanneer dit betalingsbevel haar weliswaar rechtsgeldig is betekend maar het op basis van de op het aanvraagformulier verstrekte informatie betreffende de bevoegdheid door een onbevoegde rechter is uitgevaardigd?

2)

Voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is overeenkomstig overweging 25 van mededeling 2004/0055 van de Europese Commissie van 7 februari [2006] sprake van een uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, wanneer het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd op basis van op het aanvraagformulier verstrekte informatie die achteraf onjuist blijkt te zijn, in het bijzonder wanneer de bevoegdheid van het gerecht daarvan afhangt?”

10.

In deze zaak zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Thurner Hotel, de Oostenrijkse regering, de Portugese regering, de Europese Commissie en de Duitse regering. Thomas Cook heeft haar opmerkingen te laat ingediend, waardoor ze niet zijn toegelaten. Ter terechtzitting die op verzoek van Thomas Cook op 16 april 2015 heeft plaatsgevonden is alleen door de Commissie geïntervenieerd.

III – Samenvatting van de standpunten van partijen

11.

Thurner Hotel betwist in de eerste plaats de in het hoofdgeding door Thomas Cook aangevoerde stelling dat deze niet wist dat zij haar betalingsverplichtingen niet was nagekomen aangezien de betreffende facturen haar niet (of in elk geval niet binnen de gestelde termijn) waren toegezonden, waardoor zij – aldus Thomas Cook – niet tijdig verweer had kunnen voeren. In de tweede plaats betwist Thurner Hotel dat partijen de bevoegdheid van de gerechten te Gent zouden zijn overeengekomen. In haar verzoek om een Europees betalingsbevel stond in ieder geval duidelijk dat zij de bevoegdheid van de rechterlijke instantie waar zij dit verzoek indiende baseerde op de plaats van uitvoering van de verbintenissen uit overeenkomst (op grond van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 44/2001), zodat Thomas Cook binnen dertig dagen verweer had kunnen voeren.

12.

Thurner Hotel is van mening dat de betrokken bepaling (artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006) strikt moet worden uitgelegd. De mogelijkheid om op grond van deze bepaling excepties op te werpen die binnen de gestelde verweertermijn hadden kunnen (en moeten) worden aangevoerd is volgens haar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

13.

Ook de Oostenrijkse regering pleit voor een strikte uitlegging van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, op grond waarvan een omstandigheid die de schuldenaar reeds in zijn verweer had kunnen aanvoeren, niet kan worden aangemerkt als „uitzonderlijke omstandigheid”. De Duitse regering is dezelfde mening toegedaan. Volgens de Oostenrijkse regering zouden uitsluitend Europese betalingsbevelen die op frauduleuze wijze zijn verkregen of kennelijk onrechtmatig zijn, moeten worden heroverwogen in de zin van artikel 20, lid 2, van deze verordening.

14.

De Portugese regering stelt dat artikel 20, lid 2, van genoemde verordening een verzoek om heroverweging van het Europees betalingsbevel na het verstrijken van de verweertermijn in twee gevallen toestaat: ten eerste, indien het betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend gelet op de voorschriften van de verordening, in die zin dat bij de toekenning van het betalingsbevel niet is voldaan aan de in de verordening vastgestelde vereisten van rechtsgeldige uitvaardiging; en ten tweede, indien zich andere uitzonderlijke omstandigheden voordoen. De Portugese regering is van mening dat de verweertermijn van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 ten doel heeft dat de rechtmatigheid of de rechtsgeldigheid van de ten uitvoer te leggen vordering kan worden betwist indien het Europees betalingsbevel voldoet aan de in de verordening vastgestelde rechtsgeldigheidsvereisten. De in artikel 20, lid 2, van deze verordening voorziene heroverweging daarentegen strekt ertoe de tenuitvoerlegging van in strijd met de verordening uitgevaardigde betalingsbevelen te beletten. Volgens de Portugese regering vormt de uitvaardiging van een betalingsbevel door een onbevoegde rechter een schending van een fundamenteel rechtsgeldigheidsvereiste en moet deze kunnen worden betwist binnen een langere termijn dan is vastgesteld in artikel 16.

15.

De Commissie stelt voor de eerste prejudiciële vraag aldus bevestigend te beantwoorden dat, indien het bevel daadwerkelijk is uitgevaardigd door een internationaal onbevoegde rechterlijke instantie, het betalingsbevel ten onrechte is uitgevaardigd, gelet op de vereisten van verordening nr. 1896/2006, waardoor kan worden verzocht om heroverweging in de zin van artikel 20, lid 2, van genoemde verordening. De tweede prejudiciële vraag moet worden beantwoord aan de hand van het criterium of het betalingsbevel „kennelijk” ten onrechte is uitgevaardigd. In het geval van internationale rechterlijke bevoegdheid is het meestal niet „kennelijk” duidelijk of de instantie die het betalingsbevel uitvaardigt al dan niet bevoegd is. Volgens de Commissie zou het in strijd zijn met het doel van de verordening om de rechterlijke instantie te verplichten in alle gevallen uitputtend te onderzoeken of zij al dan niet bevoegd is om het betalingsbevel uit te vaardigen.

16.

De Commissie stelt voor de draagwijdte van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 te beperken in lijn met het bepaalde in verordening nr. 1215/2012 ( 3 ), zodat het Europees betalingsbevel na het verstrijken van de verweertermijn alleen kan worden betwist indien een inbreuk is gemaakt op internationale forumkeuzebepalingen die in het bijzonder zijn bedoeld om de zwakkere partij in een rechtsverhouding te beschermen of in de gevallen voorzien in artikel 24 van verordening nr. 1215/2012 (exclusieve bevoegdheid), waarnaar wordt verwezen in artikel 45, lid 1, onder e), ii), van deze verordening. De eventuele schending van een forumkeuzebeding zoals ten grondslag lijkt te liggen aan deze zaak valt onder geen van deze gevallen, zodat niet kan worden gesteld dat het betalingsbevel „kennelijk” ten onrechte is uitgevaardigd.

17.

Volgens de Commissie moet dus nog worden vastgesteld of er sprake is van „andere uitzonderlijke omstandigheden” in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006. De Commissie stelt voor dit begrip restrictief uit te leggen, en te beperken tot gevallen van opzettelijk misbruik van de betalingsbevelprocedure, iets wat per geval moet worden aangetoond. ( 4 )

18.

De Duitse regering is van mening dat niet elk op het aanvraagformulier verstrekt onjuist of verkeerd gegeven de mogelijkheid mag bieden om het betalingsbevel te betwisten met een beroep op artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006. Heroverweging van het Europees betalingsbevel is alleen gerechtvaardigd wanneer na afweging van de belangen van beide partijen de tenuitvoerlegging ervan onverdraaglijk („unerträglich”) voor een van hen zou zijn. De Duitse regering verwijst voorts naar de beschikking Novontech-Zala ( 5 ), betreffende artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, waarin het Hof in verband met de verweertermijn van dertig dagen heeft geoordeeld dat „een situatie waarin de overschrijding van die termijn, [...], te wijten is aan een gebrek aan toewijding van de vertegenwoordiger van de verweerder, [...] gemakkelijk had kunnen worden vermeden, [en dus] geen buitengewone omstandigheden en geen uitzonderingsgeval in de zin van [lid 1, onder b), en lid 2 van artikel 20] [kan] opleveren”. Naar het oordeel van de Duitse regering kan deze redenering ook worden toegepast om iets niet als „uitzonderlijke omstandigheid” aan te merken als degene die zich hierop beroept deze omstandigheid gemakkelijk had kunnen voorkomen. Daarnaast zou het in strijd zijn met de doelstellingen van verordening nr. 1896/2006 (in het bijzonder snelheid en kostenbesparing) om heroverweging toe te staan van een Europees betalingsbevel waartegen binnen de gestelde termijn verweer had kunnen worden ingesteld (welk verweer bovendien niet behoeft te worden gemotiveerd volgens artikel 16, lid 3, van deze verordening).

19.

Volgens de Duitse regering is het feit dat de aanvrager van het Europees betalingsbevel en de wederpartij het niet eens zijn over de internationale rechterlijke bevoegdheid geenszins iets „uitzonderlijks”, en in deze zaak had Thomas Cook de onbevoegdheid van de rechter die het bevel heeft uitgevaardigd zonder problemen kunnen inroepen door verweer aan te tekenen. Tot slot is de Duitse regering van mening dat, al zou de rechterlijke instantie die uiteindelijk het betalingsbevel heeft uitgevaardigd niet internationaal bevoegd zijn, het hoe dan ook gaat om een onpartijdige en onafhankelijke instantie van een lidstaat wier beslissing de belangen van Thomas Cook niet hoeft te hebben genegeerd of geschaad.

IV – Analyse

A – Inleidende opmerkingen

20.

De verwijzende rechter stelt het Hof twee prejudiciële vragen. Met de eerste vraag wenst hij te vernemen of op grond van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 kan worden verzocht om heroverweging van een Europees betalingsbevel dat is uitgevaardigd door een onbevoegd gerecht op basis van de informatie over de bevoegdheid op het aanvraagformulier; met de tweede vraag (die alleen wordt voorgelegd voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord) beoogt hij te vernemen of het feit dat het betalingsbevel wordt uitgevaardigd op grond van informatie betreffende de bevoegdheid die later onjuist blijkt te zijn een „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van genoemde bepaling vormt.

21.

Mijn inziens kunnen, zoals de Duitse regering in haar opmerkingen stelt, beide vragen worden samengevoegd tot één vraag, die als volgt zou luiden:

„Moet artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 in samenhang met overweging 25 ervan aldus worden uitgelegd dat het feit dat een Europees betalingsbevel is uitgevaardigd op grond van informatie op het aanvraagformulier die later onjuist blijkt te zijn, een ‚uitzonderlijke omstandigheid’ oplevert waardoor de verweerder aan wie dit betalingsbevel rechtsgeldig is betekend of ter kennis gebracht kan verzoeken om rechterlijke heroverweging van dit betalingsbevel, in het bijzonder als die informatie bepalend is voor de bevoegdheid van het gerecht?”

B – Beoordeling

22.

Artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, met als opschrift „Heroverweging in uitzonderingsgevallen”, bepaalt dat „[n]a het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, [...] de verweerder tevens het recht [heeft] om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden”, welke omstandigheden, volgens overweging 25 van deze verordening, waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen door de verwijzende rechter ( 6 ), de situatie zouden kunnen omvatten dat „het Europees betalingsbevel gebaseerd was op verkeerde informatie in het aanvraagformulier”.

23.

Zowel het vereiste van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 dat het Europees betalingsbevel „kennelijk ten onrechte is toegekend” als de aanwijzing in overweging 25 dat „heroverweging in uitzonderingsgevallen [...] niet in[houdt] dat de verweerder nogmaals de mogelijkheid krijgt verweer te voeren tegen de vordering”, ondersteunt mijns inziens de stelling dat het rechtsmiddel „heroverweging in uitzonderlijke omstandigheden” strikt moet worden toegepast. In beginsel ben ik het dan ook eens met de Duitse regering dat niet alle op het aanvraagformulier verstrekte verkeerde of onjuiste informatie een rechtvaardiging kan zijn voor heroverweging van het Europees betalingsbevel op grond van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006.

24.

Tegen een ruimhartige toepassing van een rechtsmiddel dat uitsluitend is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen verzet zich ook de opzet van de Europese betalingsbevelprocedure, die de schuldenaar in de regel een eenmalige mogelijkheid biedt om te reageren op de vordering van de schuldeiser – het verweer van artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 – maar, juist daarom, is onderworpen aan heel weinig vormvereisten (het verweer dient schriftelijk te worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen) en geen materiële vereisten (het hoeft niet te worden gemotiveerd). ( 7 )

25.

Derhalve ben ik van mening dat artikel 20, lid 2, in samenhang met overweging 25 van genoemde verordening, strikt dient te worden uitgelegd. Hiermee zijn alle interveniënten die opmerkingen hebben ingediend het eens, met uitzondering van de Portugese regering.

26.

In omstandigheden als de onderhavige wil dat zeggen dat, ten aanzien van door de verzoeker op het aanvraagformulier ingediende informatie, heroverweging niet zou moeten openstaan wanneer de schuldenaar (in het bijzonder, indien het zoals hier een beroepsbeoefenaar betreft) reeds bij het bestuderen van het rechtsgeldig betekende of ter kennis gebrachte Europees betalingsbevel had kunnen vaststellen dat de informatie waarop het aangezochte gerecht zich had gebaseerd (namelijk de door de verzoeker verstrekte informatie) onnauwkeurig, onjuist of verkeerd was. Met andere woorden, ik ben het eens met Thurner Hotel en de Oostenrijkse regering dat verkeerde of onjuiste informatie waartegen de schuldenaar al door middel van verweer had kunnen reageren, niet kan worden aangemerkt als „uitzonderlijke omstandigheid” waarmee heroverweging van het betalingsbevel kan worden gerechtvaardigd. Kortom, ik ben van mening dat de in overweging 25 van verordening nr. 1896/2006 bedoelde „verkeerde informatie” beperkt moet blijven tot die informatie waarvan het verkeerde of onjuiste karakter pas achteraf, na het verstrijken van de termijn van artikel 16, lid 2, van de genoemde verordening aan het licht komt of door de schuldenaar kan worden vastgesteld, hetgeen door de nationale rechter in elk afzonderlijk geval moet worden beoordeeld.

27.

Mijn voorlopige conclusie luidt dan ook dat als „uitzonderlijke omstandigheid” op grond waarvan de schuldenaar kan verzoeken om heroverweging van het Europees betalingsbevel overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, uitsluitend het feit kan worden aangemerkt dat dit betalingsbevel is gebaseerd op informatie op het aanvraagformulier die pas achteraf, na het verstrijken van de verweertermijn, verkeerd of onjuist blijkt te zijn, iets wat per geval moet worden aangetoond door de schuldenaar. Met andere woorden, indien het betalingsbevel is gebaseerd op informatie op het aanvraagformulier waarvan het verkeerde of onjuiste karakter binnen de in artikel 16, lid 2, van genoemde verordening gestelde verweertermijn door de schuldenaar had kunnen worden vastgesteld, hetgeen de nationale rechter moet bepalen, is geen sprake van een „uitzonderlijke omstandigheid” die heroverweging rechtvaardigt.

28.

Om de redenen die ik hierna uiteen zal zetten leidt ook het feit dat juist de bevoegdheid van de aangezochte rechter afhangt van de verkeerde of onjuiste informatie op het aanvraagformulier – dat is de situatie waarnaar met name het Handelsgericht Wien verwijst – mijns inziens niet tot een andere conclusie.

29.

Zoals bepaald in overweging 16 van verordening nr. 1896/2006 „[toetst] het gerecht [...] het verzoek [om een Europees betalingsbevel], met inbegrip van de bevoegdheid [...], op basis van de informatie in het aanvraagformulier”, en behoeft deze toetsing niet door een rechter te worden uitgevoerd. ( 8 ) Op grond van artikel 8 van verordening nr. 1896/2006 moet op basis van het betreffende formulier door het aangezochte gerecht onder meer worden getoetst of het vereiste van de internationale rechterlijke bevoegdheid (artikel 6 van deze verordening) is vervuld. In die zin stelt degene die het verzoek om een Europees betalingsbevel behandelt alleen vast of de door de aanvrager op standaardformulier A van bijlage I bij verordening nr. 1896/2006, bij de gronden voor de bevoegdheid van de rechterlijke instantie, vermelde code (er is keuze uit dertien codes) aannemelijk is in het kader van verordening nr. 44/2001 ( 9 ), waarnaar artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 betreffende de rechterlijke bevoegdheid verwijst. ( 10 )

30.

Anderzijds kan de schuldenaar bij de betekening of kennisgeving van het Europees betalingsbevel via standaardformulier E in bijlage V bij verordening nr. 1896/2006 niet alleen kennisnemen van het feit dat hij binnen dertig dagen verweer kan voeren en welke de gevolgen zijn als hij dit niet doet, maar is bovendien onder c) van dit formulier duidelijk aangegeven: „dit bevel is uitsluitend op basis van de door de eiser verstrekte informatie uitgevaardigd, en is niet door het gerecht geverifieerd”.

31.

Aangezien het betalingsbevel volgens de verwijzende rechter rechtsgeldig is betekend aan Thomas Cook, moet in casu derhalve worden aangenomen dat zij vanaf de betekening (het tijdstip waarop de verweertermijn ingaat) wist dat dit betalingsbevel uitsluitend op basis van de door Thurner Hotel verstrekte informatie op standaardformulier A van bijlage I bij verordening nr. 1896/2006 was uitgevaardigd. Ofschoon uit het dossier niet blijkt of Thomas Cook daadwerkelijk een afschrift van dit formulier A heeft ontvangen, had deze Belgische onderneming er dus van uit kunnen gaan dat Thurner Hotel in haar verzoek geen melding had gemaakt van het bestaan van een tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding (aangezien het bevel afkomstig was van een Oostenrijks gerecht en niet van een rechter te Gent), en dat degene die het onderzoek had verricht op basis van de informatie op het formulier in beginsel niet noodzakelijkerwijs op de hoogte hoefde te zijn van het bestaan van genoemd beding. ( 11 )

32.

In dat opzicht ben ik voorts van mening, aangezien artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de regel een stilzwijgende aanwijzing van de bevoegde rechter toestaat wanneer de verweerder voor een andere dan de aanvankelijk door partijen overeengekomen rechter verschijnt ( 12 ), dat het feit dat de aanvraagster van een Europees betalingsbevel – in afwachting van de reactie van de schuldenaar – als grond voor de bevoegdheid van het Oostenrijkse gerecht de plaats van uitvoering van de verbintenis aanwijst (artikel 5, lid 1, van verordening nr. 44/2001), niet zonder meer als „verkeerde informatie” in de zin van genoemde overweging 25 kan worden bestempeld. ( 13 ) Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in verband met de gelijkwaardige bepalingen van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Executieverdrag”) ( 14 ), „kunnen aan de algemene strekking of de doelstellingen van het Executieverdrag geen gronden worden ontleend voor de opvatting, dat partijen bij een bevoegdheidsbeding in de zin van artikel 17 [artikel 23 van verordening nr. 44/2001] hun geschil niet vrijwillig zouden kunnen voorleggen aan een ander dan het in dat beding bedoelde gerecht”. ( 15 )

33.

Er moet ook rekening mee worden gehouden dat het loutere feit dat partijen in de algemene voorwaarden van hun overeenkomst een dergelijk beding hebben opgenomen niet betekent dat dit geldig is in de zin van artikel 23 van genoemde verordening. ( 16 ) Om de formele geldigheid ervan in geval van een geschil tussen de partijen te beoordelen zou de aangezochte rechter een grondiger onderzoek moeten verrichten dan op grond van artikel 8 van verordening nr. 1896/2006 nodig is, ook al heeft hij via het aanvraagformulier voor het Europees betalingsbevel kennis kunnen nemen van het bestaan van een dergelijk geding. Derhalve ben ik van mening dat de aanvrager van een Europees betalingsbevel die twijfelt aan de geldigheid of de werking van het forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden van een overeenkomst, niet gehouden is hiernaar te verwijzen op het aanvraagformulier, aangezien deze aspecten in geen geval aan de orde zullen kunnen komen binnen de context van de Europese betalingsbevelprocedure.

34.

Daarom ben ik van mening dat, in deze omstandigheden, alleen kan worden aangemerkt als „uitzonderlijke omstandigheid” waardoor de schuldenaar kan verzoeken om heroverweging van het Europees betalingsbevel op grond van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, het feit dat dit verzoek is gebaseerd op informatie op het aanvraagformulier die pas achteraf, na het verstrijken van de verweertermijn, verkeerd of onjuist blijkt te zijn, zelfs wanneer die informatie bepalend is voor de bevoegdheid van het gerecht, in het bijzonder, wanneer de verzoeker geen melding heeft gemaakt van een beweerdelijk tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding.

35.

Dientengevolge ben ik van mening dat op de prejudiciële vraag van het Handelsgericht Wien moet worden geantwoord dat, in de omstandigheden van het onderhavige geval, artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, in samenhang met overweging 25 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het loutere feit dat een Europees betalingsbevel is uitgevaardigd op grond van verkeerde of onjuiste informatie op het aanvraagformulier, zelfs als die informatie bepalend is voor de bevoegdheid van het gerecht – in het bijzonder wanneer de verzoeker heeft nagelaten een beweerdelijk tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding te vermelden –, geen „uitzonderlijke omstandigheid” oplevert waardoor de verweerder aan wie het betalingsbevel rechtsgeldig is betekend of ter kennis gebracht kan verzoeken om rechterlijke heroverweging van dit betalingsbevel, behalve wanneer de schuldenaar de nationale rechter kan aantonen dat hij pas achteraf, na het verstrijken van de verweertermijn van artikel 16, lid 2, van de verordening, kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de informatie op het aanvraagformulier verkeerd of onjuist was.

V – Conclusie

36.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Handelsgericht Wien te beantwoorden als volgt:


( 1 )   Oorspronkelijke taal: Spaans.

( 2 )   Verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1). In debeschikking Novontech-Zala, C‑324/12, EU:C:2013:205, heeft het Hof reeds vastgesteld dat het feit dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel niet in acht is genomen vanwege een fout van de vertegenwoordiger van de verweerder, geen heroverweging van dat betalingsbevel kan rechtvaardigen aangezien een dergelijke niet-inachtneming geen uitzonderingsgeval in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 oplevert. In het arrest eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C‑119/13 en C‑120/13, EU:C:2014:2144, heeft het Hof geoordeeld dat de procedure van artikel 20 van de genoemde verordening niet van toepassing is wanneer een Europees betalingsbevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13‑15 van deze verordening is betekend of ter kennis gebracht.

( 3 )   Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351, blz. 1).

( 4 )   Naar haar mening kan van deze omstandigheid geen sprake zijn in de onderhavige zaak, waarin Thurner Hotel de internationale rechterlijke bevoegdheid van het Bezirksgericht für Handelssachen Wien heeft gebaseerd op de plaats van uitvoering van de verbintenissen uit overeenkomst, overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 44/2001.

( 5 )   C‑324/12, EU:C:2013:205, punt 21.

( 6 )   In de tweede prejudiciële vraag verwijst het Handelsgericht Wien naar „overweging 25 van mededeling 2004/0055 van de Europese Commissie van 7 februari [2006]”. Ik neem aan dat wordt verwezen naar het gewijzigde voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2006, tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure [COM(2006) 57 definitief], waarbij overweging 25 van de thans geldende verordening is ingevoerd.

( 7 )   Volgens artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 heeft het verweer in beginsel tot gevolg dat de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht wordt voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong. In het kader van die procedure kan bijvoorbeeld de internationale rechterlijke bevoegdheid aan de orde worden gesteld, voor wat betreft de onderhavige zaak in het bijzonder de geldigheid en de werking van een tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding.

( 8 )   Ingevolge artikel 8 van verordening nr. 1896/2006 kan dit onderzoek zelfs via een geautomatiseerde procedure worden uitgevoerd.

( 9 )   In concreto bepaalt artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006, voor zover relevant in de onderhavige zaak (waarbij geen consument betrokken is), dat „voor de toepassing van deze verordening [...] de rechterlijke bevoegdheid [wordt] bepaald volgens de ter zake geldende regels van het Gemeenschapsrecht, en met name verordening (EG) nr. 44/2001”. Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), is sinds 10 januari 2015 vervangen door verordening nr. 1215/2012, die op het tijdstip waarop de feiten van de onderhavige zaak plaatsvonden niet van toepassing was.

( 10 )   In de woorden van Kormann, „aannemelijkheid kan alleen worden getoetst aan de hand van een vergelijking met de gegevens van de hoofdvordering” (J.M. Kormann, Das neue Europäische Mahnverfahren im Vergleich zu den Mahnverfahren in Deutschland und Österreich, Jena, Jenaer Wissenschaftliche Verlagsgesellschaft, 2007, blz. 96).

( 11 )   Er moet rekening mee worden gehouden dat, volgens artikel 7, lid 2, onder e), van verordening nr. 1896/2006, de aanvrager van een Europees betalingsbevel in deze fase alleen een beschrijving van het bewijs tot staving van de schuldvordering hoeft te overleggen, zodat het meer dan waarschijnlijk is dat, op het moment waarop het in genoemd artikel 8 bedoelde onderzoek wordt verricht, het aangezochte gerecht niet eens beschikt over de tussen partijen gesloten overeenkomst.

( 12 )   Artikel 24 van deze verordening staat toe dat, ook al zijn partijen een forumkeuzebeding overeengekomen, verzoeker zijn vordering kan instellen bij een andere dan de overeengekomen rechter en verweerder de bevoegdheid van die rechter stilzwijgend kan aanvaarden door voor hem te verschijnen, waardoor het eventueel eerder door hen overeengekomen forumkeuzebeding vervalt (behalve in gevallen van exclusieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 22 van verordening nr. 44/2001). In die zin heeft het Hof, specifiek in verband met de Europese betalingsbevelprocedure, reeds geoordeeld dat „verzet tegen een Europees betalingsbevel waarbij de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong niet wordt betwist, niet kan worden beschouwd als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001”, zelfs indien verweerder in het kader van zijn verzet middelen ten gronde heeft aangevoerd (arrest Goldbet Sportwetten, C‑144/12, EU:C:2013:393). Zie tevens, meer in het algemeen met betrekking tot artikel 24, arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punten 34e.v.

( 13 )   Ook in aanmerking genomen dat Thurner Hotel het bestaan van het door Thomas Cook genoemde forumkeuzebeding betwist (zie de punten 2 en 3 van de opmerkingen van Thurner Hotel).

( 14 )   PB 1972, L 299, blz. 32, zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag.

( 15 )   Arrest Elefanten Schuh, 150/80, EU:C:1981:148, punt 10. Zie tevens arrest ČPP Vienna Insurance Group, C‑111/09, EU:C:2010:290, punten 21e.v. Er zij hier tevens aan herinnerd dat artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet weigert een beslissing te erkennen die is gegeven zonder dat een overeengekomen forumkeuzebeding in acht is genomen, zoals bedoeld in artikel 23 van deze verordening. Alleen beslissingen die zijn gegeven in strijd met het bepaalde in de afdelingen 3 (bevoegdheid in verzekeringszaken), 4 (bevoegdheid voor door consument gesloten overeenkomsten) en 6 (exclusieve bevoegdheid) van hoofdstuk II van deze verordening, of in het geval van artikel 72 ervan, worden niet erkend.

( 16 )   Zie dienaangaande P. Mankowski, „Artikel 23 Brüssel I-VO”, in T. Rauscher (uitg.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht – EuZPR / EuIPR, München, Sellier, 2006, blz. 411 e.v., in het bijzonder punten 16 e.v.

Top