Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0536

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 13 mei 2015.
„Gazprom” OAO tegen Lietuvos Respublika.
Verzoek van de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Toepassingsgebied – Arbitrage – Daarvan uitgesloten – Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken – Bevel uitgevaardigd door een in een lidstaat gevestigd scheidsgerecht – Bevel ertoe strekkende dat de inleiding of de voortzetting van een procedure voor een gerecht van een andere lidstaat wordt verhinderd – Bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat om erkenning van de scheidsrechterlijke uitspraak te weigeren – Verdrag van New York.
Zaak C-536/13.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:316

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

13 mei 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Toepassingsgebied — Arbitrage — Daarvan uitgesloten — Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken — Bevel uitgevaardigd door een in een lidstaat gevestigd scheidsgerecht — Bevel ertoe strekkende dat de inleiding of de voortzetting van een procedure voor een gerecht van een andere lidstaat wordt verhinderd — Bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat om erkenning van de scheidsrechterlijke uitspraak te weigeren — Verdrag van New York”

In zaak C‑536/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) bij beslissing van 10 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 14 oktober 2013, in de procedure

„Gazprom” OAO

in tegenwoordigheid van:

Lietuvos Respublika,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen, A. Ó Caoimh en J.‑C. Bonichot, kamerpresidenten, E. Levits, M. Safjan (rapporteur), M. Berger, A. Prechal, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 september 2014,

gelet op de opmerkingen van:

„Gazprom” OAO, vertegenwoordigd door R. Audzevičius, advokatas,

de Litouwse regering, vertegenwoordigd door A. A. Petravičienė, A. Svinkūnaitė en D. Kriaučiūnas als gemachtigden, bijgestaan door V. Bernatonis en A. Šekštelo, advokatai,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Rubio González als gemachtigde,

de Franse regering, vertegenwoordigd door F.‑X. Bréchot, G. de Bergues en D. Colas als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Holt als gemachtigde, bijgestaan door B. Kennelly, barrister,

de Zwitserse Bondsstaat, vertegenwoordigd door M. Jametti, M. Schöll en D. Klingele als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en A. Steiblytė als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 december 2014,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat „Gazprom” OAO (hierna: „Gazprom”), een te Moskou (Rusland) gevestigde onderneming, heeft ingesteld tegen de weigering tot erkenning en tenuitvoerlegging in Litouwen van een scheidsrechterlijke uitspraak van 31 juli 2012.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3

Verordening nr. 44/2001 is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351, blz. 1), die van toepassing is per 10 januari 2015. In omstandigheden als die in het hoofdgeding is verordening nr. 44/2001 evenwel nog van toepassing.

4

Volgens punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 had deze tot doel om in het belang van de goede werking van de interne markt „[b]epalingen [vast te stellen] die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is”.

5

De punten 7 en 11 van de considerans van deze verordening luidden:

„(7)

Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden.

[...]

(11)

De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]”

6

Artikel 1, lid 1 en lid 2, onder d), van voormelde verordening, opgenomen in hoofdstuk I, „Toepassingsgebied”, bevatte de volgende bepalingen:

„1.   Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

[...]

d)

de arbitrage.”

7

Artikel 71, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidde:

„Deze verordening laat onverlet verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.”

Litouws recht

8

Hoofdstuk X van deel II van het tweede boek van het burgerlijk wetboek heeft als opschrift „Onderzoek naar de activiteiten van een rechtspersoon” en bestaat uit de artikelen 2.124 tot en met 2.131.

9

Artikel 2.124 van het burgerlijk wetboek bepaalt onder het opschrift „Inhoud van het onderzoek naar de activiteiten van een rechtspersoon”:

„De in artikel 2.125 [...] genoemde personen kunnen bij het gerecht een verzoek indienen tot aanwijzing van deskundigen die zullen onderzoeken of een rechtspersoon dan wel de bestuursorganen of bestuurders van die rechtspersoon op passende wijze hebben gehandeld, en het gerecht verzoeken de maatregelen van artikel 2.131 [...] toe te passen indien wordt vastgesteld dat niet passend is gehandeld [...]”.

10

Ingevolge artikel 2.125, lid 1, punt 1, van voormeld wetboek kan een dergelijk verzoek worden gedaan door een of meer aandeelhouders die minstens een tiende van de aandelen van de rechtspersoon in handen hebben.

11

De in artikel 2.131 van hetzelfde wetboek bedoelde maatregelen behelzen onder meer vernietiging van door de bestuursorganen van de rechtspersoon genomen besluiten, ontslag of tijdelijke schorsing van de bestuurders van de rechtspersoon, en de mogelijkheid om de rechtspersoon te gelasten, bepaalde handelingen te verrichten of niet te verrichten.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12

Blijkens de verwijzingsbeslissing en het dossier waarover het Hof beschikt, waren ten tijde van de feiten in het hoofdgeding de voornaamste aandeelhouders van „Lietuvos dujos” AB (hierna: „Lietuvos dujos”) de vennootschap naar Duits recht E.ON Ruhrgas International GmbH, houdster van 38,91 % van het maatschappelijk kapitaal, Gazprom, houdster van 37,1 % van dat kapitaal, en de Litouwse Staat, die 17,7 % in handen had.

13

Op 24 maart 2004 heeft Gazprom een aandeelhoudersovereenkomst (hierna: „aandeelhoudersovereenkomst”) gesloten met E.ON Ruhrgas International GmbH en het State Property Fund (fonds voor staatseigendommen), handelend voor rekening van de Lietuvos Respublika, waarvoor later het Lietuvos Respublikos energetikos ministerija (ministerie van Energie van de Republiek Litouwen; hierna: „ministerija”) in de plaats is getreden. Die overeenkomst bevatte in artikel 7.14 een arbitragebeding op grond waarvan „alle vorderingen, geschillen of bezwaren verband houdend met deze overeenkomst dan wel met de schending, de geldigheid, de gevolgen of de beëindiging ervan, definitief zullen worden beslecht door arbitrage”.

14

Op 25 maart 2011 heeft de Lietuvos Respublika, vertegenwoordigd door het ministerija, bij de Vilniaus apygardos teismas (regionaal gerecht van Vilnius) een verzoekschrift ingediend ertoe strekkende dat een onderzoek naar de activiteiten van een rechtspersoon zou worden ingesteld.

15

Dat verzoekschrift betrof Lietuvos dujos, de heer Valentukevičius, directeur-generaal van die maatschappij, en de heren Golubev en Seleznev, Russische onderdanen en directieleden van voormelde maatschappij, benoemd door Gazprom. In bedoeld verzoekschrift verzocht het ministerija voorts dat zo voormeld onderzoek mocht aantonen dat de activiteiten van de maatschappij of genoemde personen onregelmatigheden vertoonden, bepaalde correctieve maatregelen als bedoeld in artikel 2.131 van het burgerlijk wetboek zouden worden opgelegd.

16

Van oordeel dat dat beroep in strijd was met het in artikel 7.14 van de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen arbitragebeding, heeft Gazprom op 29 augustus 2011 een tegen het ministerija gericht arbitrageverzoek ingediend bij het arbitrage-instituut van de kamer van koophandel van Stockholm.

17

Voor het door het arbitrage-instituut van de kamer van koophandel van Stockholm gevormde scheidsgerecht heeft Gazprom onder meer gevorderd dat het ministerija zou worden gelast, het onderzoek in de bij de Vilniaus apygardos teismas aanhangige zaak te beëindigen.

18

In een uitspraak van 31 juli 2012 heeft voormeld scheidsgerecht vastgesteld dat het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen arbitragebeding gedeeltelijk was geschonden en heeft het het ministerija onder meer gelast, bepaalde van de verzoeken die het tot die rechterlijke instantie had gericht in te trekken of te verminderen (hierna: „scheidsrechterlijke uitspraak van 31 juli 2012”).

19

In een beschikking van 3 september 2012 heeft de Vilniaus apygardos teismas een onderzoek naar de activiteiten van Lietuvos dujos gelast. Ook heeft hij vastgesteld dat een verzoek om een onderzoek naar de activiteiten van een rechtspersoon tot zijn bevoegdheid behoorde en naar Litouws recht niet aan de beslissing van een scheidsgerecht kon worden onderworpen.

20

Lietuvos dujos en Valentukevičius, Golubev en Seleznev zijn tegen die beslissing in hoger beroep gegaan bij de Lietuvos apeliacinis teismas (hof van beroep van Litouwen). Gazprom heeft in het kader van een andere procedure bij datzelfde gerecht een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging in Litouwen van de scheidsrechterlijke uitspraak van 31 juli 2012 ingediend.

21

In een eerste beslissing, van 17 december 2012, heeft de Lietuvos apeliacinis teismas dit laatste verzoek afgewezen. Deze rechterlijke instantie heeft overwogen dat het scheidsgerecht dat die scheidsrechterlijke beslissing had gegeven, zich niet kon uitspreken over een vraag die reeds voor de Vilniaus apygardos teismas aan de orde was gesteld en bij deze rechterlijke instantie in behandeling was, en dat het scheidsgerecht, door zich over die vraag uit te spreken, artikel V, lid 2, onder a), van het Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te New York op 10 juni 1958 (Recueil des traités des Nations unies, deel 330, blz. 3; hierna: „verdrag van New York”), had overtreden.

22

Bovendien heeft de Lietuvos apeliacinis teismas erop gewezen dat voormeld scheidsgerecht bij de scheidsrechterlijke uitspraak van 31 juli 2012, waarvan de erkenning en de tenuitvoerlegging werden gevorderd, niet alleen de bevoegdheid tot handelen van het ministerija voor een Litouws gerecht met het oog op de instelling van een onderzoek naar de activiteiten van een rechtspersoon heeft beperkt, maar ook aan dat nationale gerecht het recht heeft ontzegd om over zijn eigen bevoegdheid te beslissen. Daarmee heeft dat scheidsgerecht de staatssoevereiniteit van de Republiek Litouwen geschonden, in strijd met de Litouwse en de internationale openbare orde. Volgens de Lietuvos apeliacinis teismas was de weigering om de uitspraak te erkennen tevens gerechtvaardigd op grond van artikel V, lid 2, onder b), van voormeld verdrag.

23

In een tweede beslissing, van 21 februari 2013, heeft de Lietuvos apeliacinis teismas het hoger beroep van Lietuvos dujos en Valentukevičius, Golubev en Seleznev tegen de beslissing van de Vilniaus apygardos teismas van 3 september 2012 om een onderzoek naar de activiteiten van Lietuvos dujos in te stellen, verworpen. Tevens heeft hij de bevoegdheid van de Litouwse gerechten om deze zaak te onderzoeken, bevestigd.

24

Tegen de twee beslissingen van de Lietuvos apeliacinis teismas van 17 december 2012 en 21 februari 2013 is beroep in cassatie ingesteld bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechterlijke instantie van Litouwen). Deze heeft bij beslissing van 20 november 2013 besloten, de behandeling van het beroep tegen de tweede van voormelde beslissingen te schorsen hangende de beslissing op het beroep betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak van 31 juli 2012.

25

De verwijzende rechterlijke instantie vraagt zich af, gelet op de rechtspraak van het Hof en artikel 71 van verordening nr. 44/2001, of de erkenning en de tenuitvoerlegging van genoemde scheidsrechterlijke uitspraak, die zij als „anti-suit injunction” kwalificeert, kunnen worden geweigerd op grond dat na die erkenning en die tenuitvoerlegging een Litouws gerecht slechts beperkt bevoegd zou zijn zich uit te spreken over zijn eigen bevoegdheid om te beslissen op een verzoek om instelling van een onderzoek naar de activiteit van een rechtspersoon.

26

Daarop heeft de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Indien een scheidsgerecht een ‚anti-suit injunction’ uitvaardigt waarbij het een partij verbiedt om bepaalde vorderingen in te stellen bij een gerecht van een lidstaat dat volgens de bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 bevoegd is om kennis te nemen van de burgerlijke zaak ten gronde, mag de rechter van de lidstaat dan weigeren een dergelijke scheidsrechterlijke uitspraak te erkennen omdat deze het recht van de rechter beperkt om zelf te bepalen of hij volgens de bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 bevoegd is om kennis te nemen van de zaak?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt dit dan ook indien de door het scheidsgerecht uitgevaardigde ‚anti-suit injunction’ een procespartij verplicht haar vorderingen in een in een andere lidstaat aanhangige zaak te beperken, en de rechter van die lidstaat volgens de bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 bevoegd is om kennis te nemen van die zaak?

3)

Kan een nationale rechter, teneinde de voorrang van het Unierecht en de doeltreffendheid van verordening nr. 44/2001 te waarborgen, weigeren een scheidsrechterlijke uitspraak te erkennen indien deze het recht van de nationale rechter beperkt om over zijn eigen rechtsmacht en bevoegdheden te beslissen in een zaak die onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 valt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

27

Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst het verwijzende gerecht in hoofdzaak te vernemen of verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een gerecht van een lidstaat een scheidsrechterlijke uitspraak die een partij verbiedt bepaalde vorderingen bij een gerecht van die lidstaat in te dienen, erkent en ten uitvoer legt of weigert te erkennen en ten uitvoer te leggen.

28

Allereerst zij erop gewezen dat voormelde verordening in artikel 1, lid 2, onder d), arbitrage uitsluit van haar toepassingsgebied.

29

Om te bepalen of een geding onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 valt, moet alleen het voorwerp van dat geding in aanmerking worden genomen (arrest Rich, C‑190/89, EU:C:1991:319, punt 26).

30

Wat het voorwerp van het hoofdgeding betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas een beroep aanhangig is gemaakt dat is gericht tegen de beslissing van de Lietuvos apeliacinis teismas waarbij deze weigert de scheidsrechterlijke uitspraak – door het verwijzende gerecht aangeduid als „anti-suit injunction” – waarbij een scheidsgerecht het ministerija heeft gelast bepaalde vorderingen die het voor de Litouwse gerechten aanhangig had gemaakt in te trekken of te verminderen, te erkennen en ten uitvoer te leggen. Tegelijkertijd is bij het verwijzende gerecht ook een beroep aanhangig dat is gericht tegen een beslissing van de Lietuvos apeliacinis teismas houdende bevestiging van de beslissing van de Vilniaus apygardos teismas om een onderzoek naar de activiteiten van Lietuvos dujos in te stellen, die naar zijn oordeel onder het begrip burgerlijke zaken in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 valt.

31

Volgens het verwijzende gerecht kan een scheidsrechterlijke uitspraak die een partij verbiedt bepaalde vorderingen bij een nationaal gerecht in te dienen, afbreuk doen aan het nuttig effect van verordening nr. 44/2001 doordat zij de uitoefening door een dergelijk gerecht van zijn bevoegdheid om zelf te beslissen of het bevoegd is een onder het toepassingsgebied van genoemde verordening vallende zaak te onderzoeken, zou kunnen beperken.

32

In dit verband zij in herinnering gebracht dat het Hof in het arrest Allianz en Generali Assicurazioni Generali (C‑185/07, EU:C:2009:69) heeft verklaard dat het onverenigbaar is met verordening nr. 44/2001 dat een gerecht van een lidstaat een bevel uitvaardigt waarbij het een partij wordt verboden een andere procedure dan een arbitrageprocedure in te leiden en de voor een – op grond van voormelde verordening bevoegd – gerecht van een andere lidstaat ingeleide procedure voort te zetten.

33

Een door een gerecht van een lidstaat uitgesproken bevel dat een partij bij een arbitrageprocedure verplicht een procedure voor een gerecht van een andere lidstaat niet voort te zetten, strookt immers niet met het in de rechtspraak van het Hof vastgelegde algemene beginsel dat ieder aangezocht gerecht zelf aan de hand van de toepasselijke regels bepaalt of het bevoegd is om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat verordening nr. 44/2001, afgezien van enkele beperkte uitzonderingen, niet toestaat dat de bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat wordt getoetst door een gerecht van een andere lidstaat. Die bevoegdheid wordt rechtstreeks bepaald door de regels die zijn vastgelegd in voormelde verordening, waaronder die betreffende haar toepassingsgebied. Een gerecht van een lidstaat is derhalve in geen geval beter in staat zich uit te spreken over de bevoegdheid van een gerecht van een andere lidstaat (zie arrest Allianz en Generali Assicurazioni Generali, C‑185/07, EU:C:2009:69, punt 29).

34

Het Hof heeft meer in het bijzonder overwogen dat wanneer een dergelijk bevel een gerecht van een lidstaat belemmert in de uitoefening van de bevoegdheden die voormelde verordening hem toekent, zulks indruist tegen het vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtssystemen en rechterlijke instanties en ertoe kan leiden dat de verzoeker die meent dat een arbitragebeding vervallen is, niet geldt of niet kan worden toegepast, de toegang wordt ontzegd tot het gerecht van de staat dat hij niettemin had aangezocht (zie in die zin arrest Allianz en Generali Assicurazioni Generali, C‑185/07, EU:C:2009:69, punten 30 en 31).

35

In de onderhavige zaak betreft de door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde vraag echter niet de verenigbaarheid met verordening nr. 44/2001 van een dergelijk bevel dat is uitgesproken door een gerecht van een lidstaat, maar de verenigbaarheid met die verordening van de eventuele erkenning en tenuitvoerlegging, door een gerecht van een lidstaat, van een scheidsrechterlijke uitspraak waarbij een bevel wordt uitgesproken op grond waarvan een partij bij een arbitrageprocedure de vorderingen die zijn ingediend in het kader van een procedure die voor een gerecht van diezelfde lidstaat aanhangig is, dient te verminderen.

36

Dienaangaande zij om te beginnen in herinnering gebracht dat, zoals in punt 28 van het onderhavige arrest is aangegeven, arbitrage niet valt onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001, die enkel van toepassing is op bevoegdheidsconflicten tussen gerechten van de lidstaten. Aangezien scheidsgerechten geen gerechten van de staat zijn, is in het hoofdgeding van een dergelijk conflict in de zin van genoemde verordening geen sprake.

37

Aangaande vervolgens het beginsel dat de lidstaten elkaars rechtssystemen en rechterlijke instanties vertrouwen, dat tot uiting komt in de harmonisatie van de regels voor de bevoegdheid van de gerechten op basis van het in verordening nr. 44/2001 vastgelegde systeem, moet worden opgemerkt dat aangezien in het hoofdgeding het bevel is uitgesproken door een scheidsgerecht, geen sprake kan zijn van schending van dat beginsel doordat een gerecht van een lidstaat zich inmengt in de bevoegdheid van een gerecht van een andere lidstaat.

38

Evenzo kan in die omstandigheden het door een scheidsgerecht aan een partij opgelegd verbod, voor een gerecht van een lidstaat bepaalde vorderingen in te dienen, die partij de in punt 34 van het onderhavige arrest bedoelde gerechtelijke bescherming niet ontzeggen, daar in het kader van de procedure van erkenning en tenuitvoerlegging van een dergelijke scheidsrechterlijke uitspraak in de eerste plaats die partij zich tegen die erkenning en die tenuitvoerlegging zou kunnen verzetten en in de tweede plaats het aangezochte gerecht op basis van het toepasselijke nationale procesrecht en het toepasselijke internationale recht zou moeten bepalen of die uitspraak al dan niet moet worden erkend en ten uitvoer moet worden gelegd.

39

In genoemde omstandigheden kan dan ook noch bedoelde scheidsrechterlijke uitspraak noch de beslissing waarbij, in voorkomend geval, het gerecht van een lidstaat deze erkent, het aan verordening nr. 44/2001 ten grondslag liggende wederzijds vertrouwen tussen de gerechten van de verschillende lidstaten aantasten.

40

Tot slot kan, anders dan het bevel dat aan de orde was in de zaak waarin het arrest Allianz en Generali Assicurazioni Generali (C‑185/07, EU:C:2009:69, punt 20) is gewezen, de niet-eerbiediging van de scheidsrechterlijke uitspraak van 31 juli 2012 door het ministerija in het kader van de procedure strekkende tot het instellen van een onderzoek naar de activiteiten van een rechtspersoon er niet toe leiden dat tegen die rechtspersoon sancties worden uitgesproken door een gerecht van een andere lidstaat. De rechtsgevolgen van een scheidsrechterlijke uitspraak zoals die in het hoofdgeding zijn bijgevolg niet dezelfde als die van het bevel in de zaak waarin genoemd arrest is gewezen.

41

De procedure voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke beslissing zoals die in het hoofdgeding valt mitsdien onder het nationale en het internationale recht dat van toepassing is in de lidstaat waar die erkenning en die tenuitvoerlegging worden gevraagd, en niet onder verordening nr. 44/2001.

42

In de omstandigheden van het hoofdgeding zou dus de eventuele beperking van het recht van een gerecht van een lidstaat waarbij een parallel geding aanhangig is, zich over zijn eigen bevoegdheid uit te spreken, uitsluitend het gevolg kunnen zijn van de erkenning en de tenuitvoerlegging door een gerecht van diezelfde lidstaat van een scheidsrechterlijke uitspraak – zoals die in het hoofdgeding – op basis van het procesrecht van die lidstaat en, in voorkomend geval, het verdrag van New York, die deze van voormelde verordening uitgesloten materie beheersen.

43

Daar het verdrag van New York een van het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 uitgesloten materie beheerst, regelt het inzonderheid niet een „bijzonder onderwerp” in de zin van artikel 71, lid 1, van die verordening. Artikel 71 van voormelde verordening geldt immers enkel voor de verhouding tussen die verordening en de verdragen betreffende de bijzondere onderwerpen die onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 vallen (zie in die zin arrest TNT Express Nederland, C‑533/08, EU:C:2010:243, punten 48 en 51).

44

Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een gerecht van een lidstaat een scheidsrechterlijke uitspraak die een partij verbiedt bepaalde vorderingen bij een gerecht van die lidstaat in te dienen, erkent en ten uitvoer legt of weigert te erkennen en ten uitvoer te leggen, daar die verordening niet geldt voor de erkenning en de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een door een scheidsgerecht in een andere lidstaat gedane scheidsrechterlijke uitspraak.

Kosten

45

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een gerecht van een lidstaat een scheidsrechterlijke uitspraak die een partij verbiedt bepaalde vorderingen bij een gerecht van die lidstaat in te dienen, erkent en ten uitvoer legt of weigert te erkennen en ten uitvoer te leggen, daar die verordening niet geldt voor de erkenning en de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een door een scheidsgerecht in een andere lidstaat gedane scheidsrechterlijke uitspraak.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Litouws.

Top