EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0533

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 maart 2015.
Auto- ja Kuljetusalan Työntekijäliitto AKT ry tegen Öljytuote ry en Shell Aviation Finland Oy.
Verzoek van de Työtuomioistuin om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 2008/104/EG – Uitzendarbeid – Artikel 4, lid 1 – Verboden of beperkingen op de inzet van uitzendkrachten – Rechtvaardigingsgronden – Redenen van algemeen belang – Verplichting tot heronderzoek – Omvang.
Zaak C-533/13.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:173

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

17 maart 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 2008/104/EG — Uitzendarbeid — Artikel 4, lid 1 — Verboden of beperkingen op de inzet van uitzendkrachten — Rechtvaardigingsgronden — Redenen van algemeen belang — Verplichting tot heronderzoek — Omvang”

In zaak C‑533/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de työtuomioistuin (Finland) bij beslissing van 4 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 9 oktober 2013, in de procedure

Auto- ja Kuljetusalan Työntekijäliitto AKT ry

tegen

Öljytuote ry,

Shell Aviation Finland Oy,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen, A. Ó Caoimh (rapporteur), C. Vajda en S. Rodin, kamerpresidenten, E. Juhász, A. Borg Barthet, J. Malenovský, E. Levits, C. G. Fernlund, J. L. da Cruz Vilaça en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 september 2014,

gelet op de opmerkingen van:

Auto- ja Kuljetusalan Työntekijäliitto AKT ry, vertegenwoordigd door A. Viljander en J. Hellsten, asianajajat,

Öljytuote ry en Shell Aviation Finland Oy, vertegenwoordigd door A. Kriikkula en M. Kärkkäinen, asianajajat,

de Finse regering, vertegenwoordigd door J. S. Heliskoski als gemachtigde,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,

de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en R. Coesme als gemachtigden,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door K. Szíjjártó en M. Z. Fehér als gemachtigden,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk en C. Hagerman als gemachtigden,

de Noorse regering, vertegenwoordigd door I. Thue en D. Tønseth als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Enegren en I. Koskinen als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 november 2014,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (PB L 327, blz. 9).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Auto- ja Kuljetusalan Työntekijäliitto AKT ry (hierna: „AKT”), een werknemersvakbond, enerzijds, en Öljytuote ry, een werkgeversorganisatie, en Shell Aviation Finland Oy (hierna: „SAF”), een onderneming die lid is van die organisatie, anderzijds, over de inzet van uitzendkrachten door deze laatste.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3

Onder hoofdstuk I, „Algemene bepalingen”, van richtlijn 2008/104 bepaalt artikel 4 van deze richtlijn, met het opschrift „Heroverweging van verbodsbepalingen en beperkingen”, het volgende:

„1.   Beperkingen van en een verbod op de inzet van uitzendkrachten kunnen uitsluitend worden gerechtvaardigd met redenen van algemeen belang, die met name verband houden met de bescherming van de uitzendkrachten, de eisen ten aanzien van de gezondheid en veiligheid op het werk of de noodzaak de goede werking van de arbeidsmarkt te garanderen, en misbruik te voorkomen.

2.   Uiterlijk op 5 december 2011 heroverwegen de lidstaten, na de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten en praktijken te hebben geraadpleegd, de beperkingen van en een verbod op de inzet van uitzendarbeid om na te gaan of zij om de in lid 1 vermelde redenen nog steeds gerechtvaardigd zijn.

3.   Indien de beperkingen en verbodsbepalingen in collectieve arbeidsovereenkomsten zijn vervat, mag de in lid 2 bedoelde heroverweging worden verricht door de sociale partners die de betrokken overeenkomst hebben gesloten.

4.   De leden 1, 2 en 3 gelden onverminderd de nationale voorschriften inzake de registratie, afgifte van vergunningen, certificering, financiële waarborgen of het toezicht op uitzendbureaus.

5.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 5 december 2011 in kennis van de resultaten van de in de leden 2 en 3 bedoelde heroverweging.”

4

Ingevolge artikel 11, lid 1, van deze richtlijn dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om uiterlijk op 5 december 2011 aan deze richtlijn te voldoen, of er zorg voor te dragen dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige bepalingen in werking zouden doen treden.

Fins recht

5

Aan richtlijn 2008/104 is in Fins recht uitvoering gegeven door de vaststelling van een wet tot wijziging van de Työsopimuslaki (55/2001) (arbeidsovereenkomstenwet) en de Lähetyistä työntekijöistä annettu laki (1146/1999) (wet op de terbeschikkingstelling van werknemers).

6

Volgens de aan het Hof verstrekte gegevens bevat de nationale wetgeving geen verbodsbepalingen of beperkende bepalingen voor uitzendarbeid zoals die bedoeld in artikel 4, lid 1, van voormelde richtlijn. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van voormelde wetten vermeldt in dit verband dat „de lidstaten op grond van richtlijn [2008/104] de verboden en beperkingen ter zake van uitzendarbeid in heroverweging dienen te nemen. Het betreft hier een eenmalige administratieve eis, die de lidstaten verplicht alle verboden en beperkingen op uitzendarbeid in heroverweging te nemen en aan de Commissie verslag over het resultaat uit te brengen vóór het verstrijken van de termijn voor tenuitvoerlegging van [die] richtlijn. [...] De verplichting tot heroverweging bedoeld in artikel 4 van [genoemde] richtlijn verlangt van de lidstaten geen wetswijziging, ook indien niet iedere beperking of ieder verbod op uitzendarbeid kan worden gerechtvaardigd op de gronden vermeld in artikel 4, lid 1.”

7

Na de ingevolge die bepaling uit te voeren heroverweging te hebben verricht heeft de Finse regering op 29 november 2011 het resultaat daarvan aan de Commissie meegedeeld.

8

De algemene arbeidsovereenkomst die op 4 juni 1997 is gesloten tussen de Teollisuuden ja Työnantajain Keskusliitto (TT, centraal verbond van industrie en economie), thans de Elinkeinoelämän keskusliitto (EK, centraal economisch verbond), en de Suomen Ammattiliittojen Keskusjärjestö (SAK, Finse centrale vakbond), legt onder meer de voorwaarden waaronder externe arbeidskrachten kunnen worden ingezet vast.

9

Clausule 8.3 van deze overeenkomst luidt:

„Ondernemingen mogen uitzendkrachten alleen inzetten om arbeidspieken op te vangen of voor tijdelijke of naar hun aard beperkte taken, die wegens spoedeisendheid, beperkte duur, beroepsbekwaamheid, gebruik van speciaal gereedschap of andere soortgelijke redenen niet door eigen werknemers kunnen worden uitgevoerd.

Het inlenen van externe arbeidskrachten door ondernemingen is ongeoorloofd wanneer uitzendkrachten langdurig worden ingezet voor de normale bedrijfsactiviteit, naast de vaste werknemers van het bedrijf, en daarbij onder dezelfde leiding werken.

[...]”

10

Clausule 29, lid 1, van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de tankwagen- en olieproductenbranche (hierna: „toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst”), die is ondertekend door Öljytuote ry en AKT, bevat een bepaling waarvan de strekking analoog is aan die van voormelde clausule 8.3.

11

Ingevolge artikel 7 van de työehtosopimuslaki (436/1946) (wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten) staat op overtreding van een collectieve arbeidsovereenkomst door een onderneming die uitzendkrachten inzet een geldboete van 29500 EUR.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12

SAF is een onderneming die brandstof levert op meerdere luchthavens in Finland. Haar werknemers hebben tot taak, de vliegtuigen van brandstof te voorzien, een kwaliteitscontrole uit te voeren en andere taken te verrichten om de vliegtuigen op die luchthavens bij te staan.

13

Krachtens een overeenkomst die in de loop van 2010 was gesloten met het uitzendbureau Ametro Oy zou SAF door dat bureau uitgezonden krachten inzetten ter vervanging van werknemers met ziekteverlof of om te grote werklast op te vangen. Vóór 2010 maakte SAF daartoe gebruik van de diensten van een ander uitzendbureau.

14

Met haar beroep bij de työtuomioistuin (arbeidsrechtbank) vordert AKT veroordeling van Öljytuote ry en SAF tot betaling van de in artikel 7 van de wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten bedoelde geldboete wegens schending van artikel 29, lid 1, van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. AKT betoogt dat SAF sinds 2008 voortdurend zonder onderbreking uitzendkrachten inzet voor het verrichten van taken die volledig gelijk zijn aan die van haar eigen werknemers, hetgeen neerkomt op ongeoorloofd gebruik van uitzendkrachten in de zin van deze laatste bepaling. De uitzendkrachten zouden immers worden ingezet voor de normale werkzaamheden van de onderneming, naast de vaste arbeidskrachten van deze laatste, en werkzaam zijn onder dezelfde directie, ofschoon zij niet over bijzondere beroepsbekwaamheden beschikken. Bovendien vertegenwoordigen de uitzendkrachten een aanzienlijk aandeel qua aantal gewerkte jaren per werknemer.

15

Verweersters in het hoofdgeding zijn daarentegen van oordeel dat er gegronde redenen zijn voor de inzet van uitzendkrachten, daar die voornamelijk plaatsvindt ter vervanging van werknemers tijdens vakantie- en ziekteperiodes. Zij merken voorts op dat artikel 29, lid 1, van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst niet strookt met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104. Die bepaling heeft immers geen betrekking op de bescherming van de uitzendkracht noch op de gezondheid en de veiligheid op het werk van deze laatste. Evenmin waarborgt zij het soepel functioneren van de arbeidsmarkt en zij vormt geen belemmering voor misbruik. Voor het overige bevat de bepaling verboden en beperkingen die de werkgever de mogelijkheid ontnemen, voor zijn werkzaamheden de beste aanwervingsvorm te kiezen, en beperkt zij de mogelijkheid voor de uitzendbureaus om hun diensten aan ondernemingen aan te bieden. Ofschoon genoemde richtlijn dit niet uitdrukkelijk bepaalt, zou de nationale rechter de verboden en beperkingen inzake uitzendarbeid die indruisen tegen de doelstellingen van de richtlijn buiten toepassing moeten laten.

16

De työtuomioistuin is van oordeel dat het Hof de omvang van de in artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 vastgelegde verplichting zou moeten preciseren alvorens hij in deze zaak uitspraak kan doen.

17

In dit verband is de verwijzende rechterlijke instantie van oordeel dat zeker niet kan worden uitgesloten dat die bepaling, gelezen in samenhang met de in de overige leden van hetzelfde artikel bedoelde verplichting tot heroverweging, niet meer dan een eenvoudige administratieve verplichting oplegt om één heroverweging te verrichten. Uit de bewoordingen van de bepaling zou echter veeleer blijken dat zij in de weg staat aan verboden of beperkingen inzake uitzendarbeid, tenzij die gerechtvaardigd zijn om de erin vermelde redenen van algemeen belang. Als zelfstandige bepaling legt artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 de lidstaten dus de verplichting op ervoor te zorgen dat dergelijke verboden of beperkingen in hun rechtsorde niet bestaan.

18

Volgens die rechterlijke instantie zou de verwezenlijking van het in artikel 2 van genoemde richtlijn genoemde doel, namelijk de erkenning van uitzendbureaus als werkgever, daarbij rekening houdend met de noodzaak om een geschikt kader te creëren voor de gebruikmaking van uitzendwerk teneinde bij te dragen tot de schepping van werkgelegenheid en de ontwikkeling van flexibele arbeidsvormen, een dode letter kunnen blijven indien artikel 4, lid 1, van genoemde richtlijn die betekenis niet had. Bovendien moet volgens die rechterlijke instantie richtlijn 2008/104 overeenkomstig punt 22 van de considerans ervan worden gelezen in samenhang met de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU, betreffende het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging. De beperkingen die zijn opgenomen in artikel 29, lid 1, van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, die betrekking hebben op de beschikbaarstelling van uitzendkrachten zowel door een in Finland gevestigde onderneming als door een onderneming in een andere lidstaat, lijken tegen die bepalingen in te druisen.

19

Indien deze laatste uitlegging werd gevolgd, zou nog moeten worden onderzocht of artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 in de weg staat aan die regel van nationaal recht. In voorkomend geval zou dan moeten worden onderzocht in hoeverre – bij ontbreken van iedere maatregel van intern recht tot uitvoering van die bepaling van de richtlijn – een particulier tegenover een andere particulier de onverenigbaarheid van die regel van nationaal recht met die bepaling zou kunnen inroepen.

20

Daarop heeft de työtuomioistuin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 aldus worden uitgelegd dat de nationale instanties en rechters de duurzaam geldende verplichting wordt opgelegd om met de hun ter beschikking staande middelen te garanderen dat geen nationale bepalingen of bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst gelden of worden toegepast, die in strijd zijn met een bepaling van de richtlijn?

2)

Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de inzet van uitzendkrachten alleen geoorloofd is in de vermelde gevallen, zoals het opvangen van arbeidspieken of voor taken die niet door eigen werknemers van een onderneming kunnen worden verricht? Kan de langdurige inzet van uitzendkrachten naast eigen werknemers van een onderneming voor de gewone bedrijfswerkzaamheid als verboden inzet van uitzendkrachten worden aangemerkt?

3)

Wanneer de nationale regeling als strijdig met richtlijn 2008/104 wordt beschouwd, welke middelen staan de rechter dan ter beschikking om de doelstellingen van de richtlijn te bereiken in het geval van een door particulieren na te leven collectieve arbeidsovereenkomst?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

21

Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteiten van de lidstaten, de nationale rechterlijke instanties daaronder begrepen, de verplichting oplegt, iedere bepaling van nationaal recht waarin verboden of beperkingen voor de inzet de uitzendkrachten zijn opgenomen die niet gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang in de zin van voormeld artikel 4, lid 1, buiten toepassing te laten.

22

Volgens verweersters in het hoofdgeding en de Hongaarse regering volgt uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104, meer in het bijzonder de uitdrukking „kunnen uitsluitend worden gerechtvaardigd”, dat deze bepaling verboden of beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten verbiedt tenzij deze hun rechtvaardiging vinden in redenen van algemeen belang, waardoor zij ten gunste van die arbeidskrachten, de uitzendbureaus en de ondernemingen die uitzendkrachten inzetten duidelijk rechten creëert die voor de nationale autoriteiten en gerechten rechtstreeks kunnen worden ingeroepen.

23

Opgemerkt moet worden dat uit de bewoordingen van deze bepaling inderdaad volgt dat nationale regelingen die verboden of beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten bevatten hun rechtvaardiging moeten vinden in redenen van algemeen belang, die met name verband houden met de bescherming van de uitzendkrachten, de eisen ten aanzien van de gezondheid en veiligheid op het werk, of de noodzaak de goede werking van de arbeidsmarkt te garanderen en misbruik te voorkomen.

24

Om echter de precieze draagwijdte van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 te bepalen is een globale lezing van genoemd artikel 4, rekening houdend met de context van de bepaling, noodzakelijk.

25

In dit verband moet worden opgemerkt dat bedoeld artikel 4, met het opschrift „Heroverweging van verbodsbepalingen en beperkingen”, staat in het hoofdstuk algemene bepalingen van richtlijn 2008/104.

26

Zo moesten de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners, of deze laatste, wanneer de beperkingen en verbodsbepalingen betreffende de inzet van uitzendkrachten waren opgenomen in door hen gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten, ingevolge de leden 2 en 3 van artikel 4 van richtlijn 2008/104 uiterlijk op 5 december 2011 die verboden of beperkingen heroverwegen „om na te gaan of zij om de in lid 1 vermelde redenen nog steeds gerechtvaardigd [waren]”.

27

Voorts dienden de lidstaten ingevolge lid 5 van voormeld artikel 4 de Commissie uiterlijk op dezelfde datum in kennis te stellen van het resultaat van die heroverweging.

28

Uit een en ander volgt dus dat lid 1 van voormeld artikel 4, gelezen in samenhang met de overige leden van dit artikel, enkel is gericht tot de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die hun nationale regelgeving in heroverweging dienen te nemen om na te gaan of de verboden of beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten nog steeds gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang, en de Commissie van de resultaten van die heroverweging in kennis dienen te stellen. Dergelijke verplichtingen kunnen niet door de nationale rechterlijke instanties worden vervuld.

29

Afhankelijk van het resultaat van die heroverweging, die moest zijn afgerond op een datum die overeenstemt met de datum waarop de in artikel 11, lid 1, van richtlijn 2008/104 genoemde termijn voor tenuitvoerlegging van deze richtlijn verstreek, kon de situatie ontstaan waarin de lidstaten, die volledig moeten voldoen aan de verplichtingen die ingevolge artikel 4, lid 1, van deze richtlijn op hen rusten, hun nationale regelgeving op het gebied van uitzendarbeid moesten wijzigen.

30

Dat neemt echter niet weg dat de lidstaten daartoe ofwel de verboden of beperkingen die niet kunnen worden gerechtvaardigd krachtens die bepaling kunnen afschaffen ofwel die verboden of beperkingen kunnen aanpassen zodat zij in voorkomend geval krachtens die bepaling kunnen worden gerechtvaardigd.

31

Hieruit volgt dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104, in de context ervan beschouwd, aldus moet worden begrepen dat het het kader afbakent waarbinnen de regelgeving van de lidstaten op het gebied van verboden en beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten tot stand moet komen, en niet in die zin dat het tot de vaststelling van een bepaalde regeling ter zake verplicht.

32

Op de eerste vraag moet dan ook worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104 aldus moet worden uitgelegd:

dat het enkel is gericht tot de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die hun nationale regelgeving in heroverweging dienen te nemen om na te gaan of de eventuele verboden en beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten gerechtvaardigd zijn, en bijgevolg

dat het de nationale rechterlijke instanties niet verplicht, iedere bepaling van nationaal recht waarin verboden of beperkingen voor de inzet de uitzendkrachten zijn opgenomen die niet gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang in de zin van voormeld artikel 4, lid 1, buiten toepassing te laten.

33

In deze omstandigheden hoeft op de tweede en de derde vraag niet te worden geantwoord.

Kosten

34

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid moet aldus worden uitgelegd:

 

dat het enkel is gericht tot de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die hun nationale regelgeving in heroverweging dienen te nemen om na te gaan of de eventuele verboden en beperkingen ter zake van de inzet van uitzendkrachten gerechtvaardigd zijn, en bijgevolg,

 

dat het de nationale rechterlijke instanties niet verplicht, iedere bepaling van nationaal recht waarin verboden of beperkingen voor de inzet de uitzendkrachten zijn opgenomen die niet gerechtvaardigd zijn om redenen van algemeen belang in de zin van voormeld artikel 4, lid 1, buiten toepassing te laten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Fins.

Top