EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0226

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 juni 2015.
Stefan Fahnenbrock e.a. tegen Hellenische Republik.
Verzoek van het Landgericht Wiesbaden en het Landgericht Kiel om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening (EG) nr. 1393/2007 – Artikel 1, lid 1 – Begrip ‚burgerlijke of handelszaak’ – Aansprakelijkheid van de staat voor ‚acta iure imperii’.
Gevoegde zaken C-226/13, C-245/13, C-247/13 en C-578/13.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:383

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

11 juni 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken — Verordening (EG) nr. 1393/2007 — Artikel 1, lid 1 — Begrip ‚burgerlijke of handelszaak’ — Aansprakelijkheid van de staat voor ‚acta iure imperii’”

In de gevoegde zaken C‑226/13, C‑245/13, C‑247/13 en C‑578/13,

betreffende vier verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, waarvan er drie zijn ingediend door het Landgericht Wiesbaden (Duitsland), bij beslissingen van 16 en 18 april 2013, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 29 april 2013, 2 mei 2013 en 3 mei 2013, en één door het Landgericht Kiel (Duitsland), bij beslissing van 25 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 15 november 2013, in de procedures

Stefan Fahnenbrock (C‑226/13),

Holger Priestoph (C‑245/13),

Matteo Antonio Priestoph (C‑245/13),

Pia Antonia Priestoph (C‑245/13),

Rudolf Reznicek (C‑247/13),

Hans-Jürgen Kickler (C‑578/13),

Walther Wöhlk (C‑578/13),

Zahnärztekammer Schleswig-Holstein Versorgungswerk (C‑578/13)

tegen

Hellenische Republik,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin, E. Levits, M. Berger en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 oktober 2014,

gelet op de opmerkingen van:

S. Fahnenbrock, H. Priestoph, M. A. Priestoph, P. A. Priestoph, en R. Reznicek, vertegenwoordigd door F. Braun, Rechtsanwalt,

H.‑J. Kickler, W. Wöhlk en de Zahnärztekammer Schleswig-Holstein Versorgungswerk, vertegenwoordigd door O. Hoepner, Rechtsanwalt,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door D. Kalogiros, S. Charitaki, A. Karageorgou, S. Lekkou, M. Skorila en E. Panopoulou als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers en A.‑M. Rouchaud-Joët als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 2014,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB L 324, blz. 79).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van vier gedingen tussen, respectievelijk, S. Fahnenbrock (C‑226/313), H. Priestoph, M. A. Priestoph, P. A. Priestoph (C‑245/13), R. Reznicek (C‑247/13), H.‑J. Kickler, W. Wöhlk en de Zahnärztekammer Schleswig-Holstein Versorgungswerk (C‑578/13), enerzijds, en de Hellenische Republik (Griekse Staat), anderzijds, inzake vorderingen strekkende tot hetzij verkrijging van een vergoeding wegens het niet eerbiedigen van bezits- en eigendomsrechten, hetzij nakoming van de vervallen oorspronkelijke obligaties, hetzij verkrijging van een schadevergoeding.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 2, 6, 7 en 10 van verordening nr. 1393/2007 luiden als volgt:

„(2)

Het is voor de goede werking van de interne markt nodig de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen.

[...]

(6)

Met het oog op de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken is het nodig dat de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken tussen de door de lidstaten aangewezen plaatselijke instanties rechtstreeks en op snelle wijze geschiedt [...]

(7)

De verzending kan met het oog op de snelheid ervan langs elke passende weg geschieden, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan inzake de leesbaarheid en de betrouwbaarheid van het ontvangen stuk. [...]

[...]

(10)

De mogelijkheid de betekening of kennisgeving van stukken te weigeren, moet tot buitengewone gevallen worden beperkt, teneinde de doeltreffendheid van de verordening te waarborgen.”

4

Artikel 1, lid 1, van deze verordening omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt:

„Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. Deze verordening is met name niet van toepassing in fiscale, douane- en/of administratieve zaken of in het geval van aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van het overheidsgezag (‚acta iure imperii’).”

5

Artikel 3 van voornoemde verordening luidt:

„Elke lidstaat wijst een centrale instantie aan die tot taak heeft:

a)

de verzendende instanties informatie te verschaffen;

b)

oplossingen te zoeken voor de problemen die zich bij de verzending van stukken ter betekening of kennisgeving kunnen voordoen;

c)

in buitengewone omstandigheden, op verzoek van een verzendende instantie, aan de bevoegde ontvangende instantie een aanvraag voor betekening of kennisgeving te doen toekomen.

Een federale staat, een staat waarin verschillende rechtsstelsels gelden of een staat met autonome territoriale structuren kan meer dan een centrale instantie aanwijzen.”

6

Artikel 4, lid 1, van diezelfde verordening bepaalt:

„De op grond van artikel 2 aangewezen instanties zenden elkaar de gerechtelijke stukken zo spoedig mogelijk rechtstreeks toe.”

7

Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1393/2007 bepaalt:

„Indien de aanvraag voor betekening of kennisgeving duidelijk buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt of indien de betekening of kennisgeving niet mogelijk is omdat niet aan de vormvoorschriften is voldaan, worden de aanvraag en de toegezonden stukken na ontvangst aan de verzendende instantie teruggezonden, samen met het bericht van teruggave, overeenkomstig het modelformulier in bijlage I.”

Grieks recht

8

Wet nr. 4050/2012, van 23 februari 2012, met als opschrift „Regels inzake de wijziging van door de Griekse Staat uitgegeven of gewaarborgde effecten, met toestemming van de obligatiehouders” (FEK A’ 36/23.2.2012), bepaalt de modaliteiten van de herstructurering van de obligaties van de Griekse Staat. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat deze wet in wezen voorziet in de voorlegging van een herstructureringsaanbod aan de houders van bepaalde door de Griekse Staat uitgegeven of gewaarborgde obligaties en in de invoeging van een herstructureringsbeding, ook bekend onder de naam „CAC” („collective action clause”), op basis waarvan de oorspronkelijke emissievoorwaarden kunnen worden gewijzigd door middel van bij gekwalificeerde meerderheid van het nog uitstaande kapitaal vastgestelde besluiten, die ook gelden voor de minderheid.

9

Volgens artikel 1, lid 4, van voornoemde wet is voor de wijziging van de betrokken effecten een quorum vereist van 50 % van het totaal van het uitstaande kapitaal van de betrokken obligaties en de toestemming van een gekwalificeerde meerderheid die ten minste twee derde van het deelnemend kapitaal vertegenwoordigt.

10

Artikel 1, lid 9, van voornoemde wet voorziet in een herstructureringsclausule, die bepaalt dat het door de obligatiehouders te nemen besluit om het door de Griekse Staat voorgelegde herstructureringsaanbod te aanvaarden of te weigeren, erga omnes geldt, bindend is voor alle betrokken obligatiehouders en elke hiermee strijdige algemene of bijzondere wet, administratieve beslissing en overeenkomst ter zijde schuift.

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

11

Verzoekers in het hoofdgeding, allen woonachtig in Duitsland, hebben obligaties verworven van de Hellenische Republik, die zijn gedeponeerd op hun door banken beheerde effectenrekeningen.

12

Na de vaststelling van wet nr. 4050/2012, heeft de Hellenische Republik in februari 2012 verzoekers in het hoofdgeding een aanbod tot omwisseling van obligaties gedaan, dat met name voorzag in een omwisseling van Griekse staatsobligaties tegen nieuwe staatsobligaties met een veel lagere nominale waarde. Teneinde deze omwisseling werkzaam te maken, dienden de particuliere schuldeisers hier uitdrukkelijk mee in te stemmen.

13

Hoewel geen van de verzoekers in het hoofdgeding een dergelijke instemming heeft verleend, is de Hellenische Republik desalniettemin in maart 2012 tot de voorgestelde omwisseling overgegaan en heeft hij ondanks de klachten van deze verzoekers, laatstgenoemden niet terug in het bezit gesteld van de op hun effectenrekeningen gedeponeerde effecten. Inmiddels waren de in zaak C‑578/13 aan de orde zijnde obligaties vervallen.

14

In deze omstandigheden hebben verzoekers in het hoofdgeding bij de verwijzende rechters beroepen ingesteld tegen de Hellenische Republik, strekkende tot hetzij verkrijging van een vergoeding wegens het niet eerbiedigen van bezits- en eigendomsrechten, hetzij nakoming van de vervallen oorspronkelijke obligaties, hetzij verkrijging van een schadevergoeding.

15

In het kader van de procedure van betekening van deze beroepen aan de Hellenische Republik, als verwerende partij, is de vraag gerezen of deze beroepen betrekking hadden op een burgerlijke of handelszaak, in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, dan wel op een handeling of omissie van de staat bij de uitoefening van overheidsgezag.

16

In de gedingen in de zaken C‑226/13 en C‑247/13 heeft het Landgericht Wiesbaden het Bundesamt für Justiz met name verzocht om betekening van de betrokken beroepen aan verweerder overeenkomstig de in verordening nr. 1393/2007 voorziene procedure. Het Bundesamt für Justiz heeft in het kader van dit verzoek twijfel geuit omtrent de mogelijkheid deze beroepen als burgerlijke of handelszaken te kwalificeren. Daarom heeft het geweigerd de beroepen te betekenen en heeft het van het Landgericht Wiesbaden geëist dat dit eerst vaststelt of de betrokken gedingen burgerlijke of handelszaken betreffen.

17

In het in zaak C‑245/13 aan de orde zijnde geding heeft het Landgericht Wiesbaden zijn twijfels eveneens gebaseerd op de beoordeling van het Bundesamt für Justiz in vergelijkbare gevallen.

18

In zaak C‑578/13 verzocht het Landgericht Kiel, dat van mening was dat verordening nr. 1393/2007 niet van toepassing was in deze zaak, het Bundesministerium für Justiz (federaal ministerie van Justitie) het beroep via diplomatieke weg te betekenen. Het Bundesministerium willigde het verzoek om betekening echter niet in en heeft het, onder verwijzing naar de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑226/13, C‑245/13 en C‑247/13, geretourneerd.

19

De twee verwijzende rechters willen bijgevolg vernemen of de hoofdgedingen burgerlijke of handelszaken zijn, in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1393/2007. Volgens hen hangt het antwoord op deze vraag af van de kwalificatie van de voor hen aanhangige gedingen. In casu hebben verzoekers in het hoofdgeding, enerzijds, op het burgerlijk recht gebaseerde vorderingen ingediend die in wezen strekken tot hetzij verkrijging van een vergoeding wegens het niet eerbiedigen van bezits- en eigendomsrechten, hetzij nakoming van de vervallen oorspronkelijke obligaties, hetzij verkrijging van een schadevergoeding. Anderzijds waren de contractuele voorwaarden voor de emissie van de Griekse staatsobligaties gewijzigd door de vaststelling van wet nr. 4050/2012, hetgeen de indruk zou kunnen wekken dat deze staat heeft gehandeld in de uitoefening van overheidsgezag.

20

In deze omstandigheden heeft het Landgericht Wiesbaden, in de zaken C‑226/13, C‑245/13 en C‑247/13 beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende, in alle drie de zaken in dezelfde bewoordingen geformuleerde prejudiciële vraag te stellen:

„Moet artikel 1 van verordening [nr. 1393/2007] aldus worden uitgelegd dat een rechtsvordering waarmee de verkrijger van obligaties – die door verweerster waren uitgegeven, werden bewaard op de effectenrekeningen van de verzoeker bij [zijn bank] en waarvoor de verkrijger het door verweerster eind februari 2012 voorgelegde aanbod tot omwisseling van die obligaties niet heeft aanvaard – aanspraak maakt op schadevergoeding ter hoogte van het verschil in waarde als gevolg van de in maart 2012 desalniettemin uitgevoerde en voor hem economisch nadelige omwisseling van zijn obligaties, dient te worden aangemerkt als een ‚burgerlijke of handelszaak’ in de zin van de verordening?”

21

Het Landgericht Kiel heeft in zaak C‑578/13 eveneens beslist de behandeling te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 1 van verordening [nr. 1393/2007] aldus worden uitgelegd dat een rechtsvordering waarmee de verkrijger van door verweerster uitgegeven staatsobligaties aanspraak maakt op nakoming en schadevergoeding door verweerster, dient te worden aangemerkt als een „burgerlijke of handelszaak” in de zin van artikel 1, lid 1, eerste volzin, van deze verordening, wanneer de verkrijger het door [wet nr. 4050/2012] mogelijk gemaakte omwisselingsaanbod dat verweerster eind februari 2012 heeft voorgelegd, niet heeft aanvaard?

2)

Heeft een rechtsvordering die in wezen is gebaseerd op de ongeldigheid of nietigheid van [wet nr. 4050/2012], betrekking op de aansprakelijkheid van een staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van overheidsgezag in de zin van artikel 1, lid 1, tweede volzin, van [verordening nr. 1393/2007]?”

22

Bij beschikking van de president van het Hof van 5 juni 2013 zijn de zaken C‑226/13, C‑245/13 en C‑247/13 voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd. Bij beschikking van 10 december 2013 is zaak C‑578/13 bij deze zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

23

Volgens de Europese Commissie zijn de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑226/13, C‑245/13, C‑247/13 niet-ontvankelijk. Aangezien deze verzoeken de vermeende betrokken overheidshandeling niet preciseren en daarnaast onjuistheden bevatten met betrekking tot het litigieuze omwisselingsaanbod, geven zij immers geen voldoende en correcte uiteenzetting van de feitelijke context van de hoofdgedingen.

24

Bovendien heeft de verwijzende rechter, zelfs indien ervan uit zou worden gegaan dat deze in casu moet worden aangemerkt als een rechterlijke instantie waarbij een geding aanhangig is gemaakt in de zin van artikel 267 VWEU, enkel een vraag aan het Hof gesteld omdat het Bundesamt für Justiz als „centrale instantie” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1393/2007 heeft geweigerd de klachten van verzoekers in het hoofdgeding door te geven aan de Griekse autoriteiten en aan de verwijzende rechter heeft verzocht om zich vooraf en definitief uit te spreken over de aard van de betrokken vorderingen. Aangezien een dergelijke centrale instantie niet bevoegd is zich te verzetten tegen een van een bevoegde nationale rechterlijke instantie afkomstig verzoek tot doorgifte, is de gestelde vraag niet relevant voor de beslechting van de in deze zaken aan de orde zijnde gedingen.

25

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Derhalve kan het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het probleem hypothetisch is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest Rohm Semiconductor, C‑666/13, EU:C:2014:2388, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

In casu kan er – om te beginnen – mee worden volstaan vast te stellen dat uit de verwijzingsbeslissingen duidelijk blijkt dat de in de hoofdgedingen gestelde overheidshandeling bestaat in een eenzijdige wijziging met terugwerkende kracht van de voorwaarden die gelden voor obligaties die zijn uitgegeven door de Hellenische Republik, welke wijziging mogelijk werd gemaakt door wet nr. 4050/2012.

27

Wat vervolgens de gestelde onjuistheden betreft in de uiteenzetting van de inhoud van het door de Hellenische Republik voorgelegde omwisselingsaanbod, kan worden volstaan met eraan te herinneren dat het niet aan het Hof staat, doch aan de nationale rechter, om de aan het geding ten grondslag liggende feiten vast te stellen en daaruit de conclusies te trekken voor de door hem te geven beslissing (arrest Traum, C‑492/13, EU:C:2014:2267, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

Bovendien is niet duidelijk dat de opheffing van de in de zaken C‑226/13, C‑245/13 en C‑247/13 door de verwijzende rechter geuite twijfel omtrent de vraag of de bij hem aanhangige gedingen al dan niet kwalificeren als burgerlijke of handelszaken, niet van belang is voor de beslechting van deze gedingen. De toepasselijkheid van verordening nr. 1393/2007 en het verdere verloop van de procedures voor de verwijzende rechter met het oog op de door hem te waarborgen betekening, hangen er namelijk juist van af of deze twijfels worden opgeheven.

29

De omstandigheid dat de verwijzende rechter deze twijfels heeft geuit op grond van handelingen van het Bundesamt für Justiz die volgens de Commissie in strijd zijn met de bovengenoemde verordening, kan op zichzelf het vermoeden van relevantie dat rust op de door die rechterlijke instantie gestelde vragen, niet in twijfel trekken.

30

Tot slot zij eraan herinnerd dat voor zover de Commissie lijkt te betwijfelen of er bij de nationale, in de uitoefening van haar rechterlijke taak beslissende, rechterlijke instantie een geding aanhangig is, het begrip „wijzen van haar vonnis”, in de zin van artikel 267, tweede alinea, VWEU ruim moet worden uitgelegd, teneinde te voorkomen dat tal van procedurekwesties niet-ontvankelijk worden geacht en door het Hof niet kunnen worden uitgelegd. Dat begrip moet derhalve aldus worden begrepen dat het betrekking heeft op de gehele procedure die leidt tot het vonnis van de verwijzende rechter, zodat het Hof in staat is uitspraak te doen over de uitlegging van de Unierechtelijke procedurevoorschriften die de verwijzende rechter dient toe te passen om zijn vonnis te wijzen (zie naar analogie arrest Weryński, C‑283/09, EU:C:2011:85, punten 41 en 42).

31

De in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzoeken hebben betrekking op de modaliteiten van de betekening van gedinginleidende stukken aan de verwerende partij. De omstandigheid dat deze verzoeken zelfs nog vóór de contradictoire fase werden gedaan, is derhalve inherent aan de vragen waarvan zij de oplossing beogen.

32

Uit het voorgaande volgt dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn.

Ten gronde

33

Met hun vragen, die samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „burgerlijke of handelszaak”, in de zin van deze bepaling, ziet op rechtsvorderingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die door particuliere houders van staatsobligaties zijn ingesteld tegen de uitgevende staat en strekken tot verkrijging van een vergoeding wegens het niet eerbiedigen van bezits- en eigendomsrechten, tot nakoming van de vervallen oorspronkelijke obligaties, en tot verkrijging van een schadevergoeding.

34

Om deze vragen te beantwoorden, moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat het Hof met betrekking tot het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag (hierna: „Verdrag van Brussel”), na te hebben vastgesteld dat artikel 1 van het Verdrag van Brussel de werkingssfeer daarvan beperkt tot „burgerlijke en handelszaken”, zonder evenwel de inhoud en de draagwijdte van dit begrip vast te leggen, heeft geoordeeld dat dit begrip moet worden aangemerkt als een autonoom begrip, dat moet worden uitgelegd aan de hand van het doel en het systeem van het Verdrag van Brussel alsook aan de hand van de algemene beginselen die voortvloeien uit de nationale rechtsordes (arrest Lechouritou e.a., C‑292/05, EU:C:2007:102, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

Voorts heeft het Hof ook geoordeeld dat het begrip „burgerlijke en handelszaken”, aangezien artikel 1 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) de werkingssfeer daarvan beperkt tot „burgerlijke en handelszaken”, zonder evenwel de inhoud en de draagwijdte van dit begrip vast te leggen, moet worden aangemerkt als een autonoom begrip, dat dient te worden uitgelegd aan de hand van het doel en het systeem van het Verdrag van Brussel alsook aan de hand van de algemene beginselen die voortvloeien uit de nationale rechtsordes (arrest flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑302/13, EU:C:2014:2319, punt 24).

36

Ten slotte is het Hof op grond van de omstandigheid dat artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2116/2004 van de Raad van 2 december 2004 (PB L 367, blz. 1) de werkingssfeer van deze verordening in beginsel begrenst tot „burgerlijke zaken”, zonder evenwel de inhoud en de draagwijdte van dit begrip vast te leggen, tot de conclusie gekomen dat dit begrip autonoom moet worden uitgelegd (zie arrest C‑435/06, EU:C:2007:714, punten 38 en 46).

37

Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verordening nr. 1393/2007 moet worden vastgesteld dat artikel 1, lid 1, daarvan enerzijds eveneens bepaalt dat deze verordening van toepassing is in burgerlijke en handelszaken, en hier bovendien aan toevoegt dat zij met name niet ziet op de aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van het overheidsgezag („acta iure imperii”).

38

Anderzijds legt deze verordening niet de inhoud en reikwijdte van het begrip „burgerlijke of handelszaak”, noch die van de „acta iure imperii” vast.

39

In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het begrip „burgerlijke of handelszaak” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 eveneens moet worden aangemerkt als een autonoom begrip, en dat bij de uitlegging van dit begrip met name rekening moet worden gehouden met de doelstellingen en systematiek van deze verordening.

40

Wat de door verordening nr. 1393/2007 nagestreefde doelstelling betreft, volgt uit overweging 2 daarvan dat deze verordening beoogt de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken te verbeteren en te versnellen, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen. Deze doelstelling wordt ook in herinnering gebracht in de overwegingen 6 en 7 van deze verordening, die met name betrekking hebben op de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures en op de verzending van deze stukken. Verder bepaalt artikel 4, lid 1, van diezelfde verordening dat gerechtelijke stukken zo spoedig mogelijk moeten worden toegezonden.

41

Binnen deze context wordt er in overweging 10 van verordening nr. 1393/2007 op gewezen dat „[d]e mogelijkheid de betekening of kennisgeving van stukken te weigeren [...] tot buitengewone gevallen [moet] worden beperkt”. Derhalve worden het verzoek om betekening of kennisgeving de aanvraag en de toegezonden stukken overeenkomstig artikel 6, lid 3, van deze verordening aan de verzendende instantie teruggezonden, indien de kennisgeving „duidelijk buiten het toepassingsgebied [valt]” van deze verordening.

42

Zoals de Commissie evenwel terecht heeft opgemerkt, kan het maken van een onderscheid tussen gedingen die vallen onder de burgerlijke of handelszaken en gedingen die daar niet onder vallen, voor zover zij, bijvoorbeeld, betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van het overheidsgezag, ingewikkeld blijken te zijn.

43

In dergelijke gevallen wordt over deze vraag met het oog op de toepasselijkheid van andere verordeningen of overeenkomsten – zoals die welke worden genoemd in de punten 34 tot en met 36 van het onderhavige arrest – normaal gesproken pas beslist nadat alle partijen in het geding in staat zijn gesteld zich hierover uit te spreken, zodat de geadieerde rechter beschikt over alle informatie die hij nodig heeft voor zijn beslissing.

44

Iets anders geldt evenwel met betrekking tot de vraag of een gedinginleidend stuk betrekking heeft op een burgerlijke of handelszaak in de zin van verordening nr. 1393/2007.

45

Deze vraag moet namelijk noodzakelijkerwijs worden beantwoord vóór de betekening van dit stuk aan de andere partijen in het geding – niet zijnde de verzoeker – aangezien de modaliteiten van betekening van dit stuk juist afhangen van het antwoord op deze vraag.

46

In deze omstandigheden, en rekening houdend met de door verordening nr. 1393/2007 nagestreefde doelstellingen van snelheid bij de betekening van juridische stukken, dient de betrokken rechterlijke instantie zich te beperken tot een eerste onderzoek van de – noodzakelijkerwijs onvolledige – informatie waarover zij beschikt, teneinde vast te stellen of de aan haar voorgelegde klacht een burgerlijke of handelszaak is, dan wel behoort tot een gebied dat overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan niet onder deze verordening valt, waarbij de uitkomst van dit onderzoek vanzelfsprekend niet vooruit kan lopen op de latere beslissingen die de geadieerde rechter dient te geven inzake met name zijn eigen bevoegdheid en de gegrondheid van de betrokken zaak.

47

Een dergelijke uitlegging van deze bepaling kan niet alleen het nuttig effect van verordening nr. 1393/2007 waarborgen, maar wordt ook bevestigd door de opzet van deze verordening.

48

Afgezien van het geval waarin de betekening of kennisgeving van een gerechtelijk stuk niet mogelijk is omdat niet aan de vormvoorschriften van verordening nr. 1393/2007 is voldaan, is de ontvangende instantie enkel wanneer het verzoek tot betekening of kennisgeving duidelijk niet valt binnen de werkingssfeer van deze verordening, ingevolge artikel 6, lid 3, van deze verordening verplicht om dit verzoek aan de verzendende instantie terug te zenden.

49

Voor de vaststelling dat verordening nr. 1393/2007 van toepassing is, is het derhalve voldoende dat de geadieerde rechter tot de conclusie komt dat niet duidelijk blijkt dat de bij hem ingediende vordering geen burgerlijke of handelszaak is.

50

Met betrekking tot de vraag of verordening nr. 1393/2007 van toepassing is op vorderingen als die in het hoofdgeding, moet worden vastgesteld dat uit de tekst zelf van artikel 1, lid 1, van voornoemde verordening volgt, dat bepaalde gedingen waarin een overheidsinstantie en een particulier tegenover elkaar staan, weliswaar binnen de werkingssfeer van deze verordening kunnen vallen, doch dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt.

51

Om deze vraag te beantwoorden, moet dus worden nagegaan of de rechtsverhouding tussen verzoekers in het hoofdgeding en de Hellenische Republik duidelijk daardoor wordt gekenmerkt dat deze uitdrukking geeft aan overheidsbevoegdheid – van de zijde van de staat die debiteur is –, in die zin dat bevoegdheden worden uitgeoefend die buiten het bestek van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen (arresten Préservatrice foncière TIARD, C‑266/01, EU:C:2003:282, punt 30, en Lechouritou e.a., C‑292/05, EU:C:2007:102, punt 34).

52

Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat een publiekrechtelijk nationaal dan wel internationaal orgaan, dat belast is met de invordering van bijdragen die een particulier verschuldigd is wegens het gebruik van de installaties en diensten daarvan, krachtens overheidsbevoegdheid handelt, in het bijzonder wanneer dat gebruik verplicht en exclusief is en de hoogte van de bijdragen, de berekeningswijzen en de inningsprocedures eenzijdig aan de gebruikers worden opgelegd (arresten LTU, 29/76, EU:C:1976:137, punt 4, en Lechouritou e.a., C‑292/05, EU:C:2007:102, punt 32).

53

De uitgifte van obligaties veronderstelt evenwel niet noodzakelijkerwijs de uitoefening van bevoegdheden die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat een privaatrechtelijke rechtspersoon om zichzelf te financieren een beroep doet op de markt, met name door de uitgifte van obligaties.

54

Bovendien is, wat de hoofdgedingen betreft, uit het dossier niet duidelijk gebleken dat de financiële voorwaarden van de betrokken effecten eenzijdig door de Hellenische Republik waren vastgesteld, en niet op marktvoorwaarden die de handel in en rentabiliteit van deze financiële instrumenten beheersen.

55

Het is juist dat wet nr. 4050/2012 is uitgevaardigd in het kader van het beheer van de openbare financiën en met name in het kader van de herstructurering van de staatsschuld, teneinde een zware financiële crisis te boven te komen, en dat deze wet daartoe in de betrokken overeenkomsten de mogelijkheid van een omwisseling van effecten heeft ingevoerd.

56

In dit verband zij er evenwel op gewezen dat, enerzijds, de omstandigheid dat deze mogelijkheid door een wet is ingevoerd, op zich niet doorslaggevend is om te concluderen dat de staat zijn overheidsbevoegdheid heeft uitgeoefend.

57

Anderzijds blijkt ook niet duidelijk dat de invoering van wet nr. 4050/2012 de financiële voorwaarden van de betrokken effecten rechtstreeks en onmiddellijk heeft gewijzigd en daarmee de door verzoekers gestelde schade heeft veroorzaakt. Deze wijzigingen moesten immers gevolg geven aan een besluit van een meerderheid van aandeelhouders op basis van de door deze wet in de overeenkomsten ingevoerde omwisselingsclausule, hetgeen overigens de bedoeling van de Hellenische Republik bevestigt om het beheer van de leningen binnen een civielrechtelijk regelingskader te handhaven.

58

Uit een en ander volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat de hoofdgedingen duidelijk geen burgerlijke of handelszaken zijn in de zin van verordening nr. 1393/2007, zodat deze verordening op deze gedingen van toepassing is.

59

Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat rechtsvorderingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die door particuliere houders van staatsobligaties zijn ingesteld tegen de uitgevende staat en strekken tot verkrijging van een vergoeding wegens het niet eerbiedigen van bezits- en eigendomsrechten, tot nakoming van de vervallen oorspronkelijke obligaties, en tot verkrijging van een schadevergoeding, binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, voor zover niet blijkt dat zij duidelijk geen burgerlijke of handelszaken zijn.

Kosten

60

Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat rechtsvorderingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die door particuliere houders van staatsobligaties zijn ingesteld tegen de uitgevende staat en strekken tot verkrijging van een vergoeding wegens het niet eerbiedigen van bezits- en eigendomsrechten, tot nakoming van de vervallen oorspronkelijke obligaties, en tot verkrijging van een schadevergoeding, binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, voor zover niet blijkt dat zij duidelijk geen burgerlijke of handelszaken zijn.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top