Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0225

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 april 2014.
Stad Ottignies-Louvain-la-Neuve e.a. tegen Waals Gewest.
Verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Milieu – Afvalstoffen – Richtlijn 75/442/EEG – Artikel 7, lid 1 – Beheersplan – Locaties en installaties geschikt voor verwijdering van afvalstoffen – Begrip ,afvalbeheersplan’ – Richtlijn 1999/31/EG – Artikelen 8 en 14 – Stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of die op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik zijn.
Zaak C‑225/13.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:245

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

9 april 2014 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Milieu — Afvalstoffen — Richtlijn 75/442/EEG — Artikel 7, lid 1 — Beheersplan — Locaties en installaties geschikt voor verwijdering van afvalstoffen — Begrip ‚afvalbeheersplan’ — Richtlijn 1999/31/EG — Artikelen 8 en 14 — Stortplaatsen waarvoor vergunning is verleend of die op tijdstip van omzetting van deze richtlijn reeds in gebruik zijn”

In zaak C‑225/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij arrest van 22 april 2013, ingekomen bij het Hof op 29 april 2013, in de procedure

Stad Ottignies-Louvain-la-Neuve,

Michel Tillieut,

Willy Gregoire,

Marc Lacroix,

tegen

Waals Gewest,

in tegenwoordigheid van:

Shanks SA,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de stad Ottignies-Louvain-la-Neuve, M. Tillieut, W. Gregoire en M. Lacroix, vertegenwoordigd door J. Sambon, avocat,

Shanks SA, vertegenwoordigd door F. Haumont, avocat,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne als gemachtigde, bijgestaan door É. Orban de Xivry, avocat,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, P. Oliver en A. Sipos als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996 (PB L 135, blz. 32; hierna: „richtlijn 75/442”), en van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197, blz. 30).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de stad Ottignies-Louvain-la-Neuve, Tillieut, Gregoire en Lacroix enerzijds en het Waalse Gewest anderzijds over de door Shanks SA aangevraagde vergunning om een terrein voor de verwijdering van afvalstoffen te exploiteren en daar aanpassingen aan te doen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442 bepaalt:

„Om de in de artikelen 3, 4 en 5 vermelde doelstellingen te verwezenlijken dienen de in artikel 6 bedoelde instanties zo spoedig mogelijk een of meer plannen voor het beheer van afvalstoffen op te stellen. Deze plannen betreffen met name:

soort, hoeveelheid en oorsprong van nuttig toe te passen of te verwijderen afvalstoffen;

algemene technische voorschriften;

alle speciale bepalingen voor bijzondere afvalstoffen;

de locaties of installaties die geschikt zijn voor de verwijdering.

[...]”

4

Punt 18 van de considerans van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/97/EU van de Raad van 5 december 2011 (PB L 328, blz. 49; hierna: „richtlijn 1999/31”), luidt als volgt:

„Overwegende dat vanwege de bijzondere kenmerken van de verwijderingsmethode die het storten vormt, een specifieke vergunningsprocedure voor alle stortplaatsklassen moet worden ingevoerd overeenkomstig de reeds in richtlijn [75/442] vastgestelde algemene voorschriften voor vergunningen [...]”.

5

Punt 26 van de considerans van richtlijn 1999/31 is in de volgende bewoordingen gesteld:

„Overwegende dat de voorwaarden voor de toekomstige exploitatie van bestaande stortplaatsen moeten worden vastgesteld teneinde binnen een bepaalde termijn de maatregelen te treffen die nodig zijn om die stortplaatsen op basis van specifieke aanpassingsplannen met deze richtlijn in overeenstemming te brengen”.

6

Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Algemene doelstelling van de richtlijn” en bepaalt in lid 1:

„Teneinde te voldoen aan de voorschriften van richtlijn [75/442], inzonderheid de artikelen 3 en 4, heeft deze richtlijn ten doel middels strenge operationele en technische voorschriften inzake afvalstoffen en stortplaatsen te voorzien in maatregelen, procedures en richtsnoeren om negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu […] te voorkomen of zoveel mogelijk te verminderen.”

7

Artikel 8 van de richtlijn, „Vergunningsvoorwaarden”, bepaalt:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a)

de bevoegde autoriteit geen stortplaatsvergunning verleent, tenzij te haren genoege is aangetoond dat:

i)

onverminderd artikel 3, leden 3 en 4, het stortplaatsproject voldoet aan alle desbetreffende eisen van deze richtlijn, met inbegrip van de bijlagen,

[...]

b)

het stortplaatsproject verenigbaar is met het toepasselijke afvalbeheersplan of de toepasselijke afvalbeheersplannen, als bedoeld in artikel 7 van richtlijn [75/442];

[...]”

8

Artikel 14 van de richtlijn, „Bestaande stortplaatsen”, luidt:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of die op het tijdstip van de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht reeds in gebruik zijn, niet wordt voortgezet tenzij zo spoedig mogelijk, doch ten laatste binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, de onderstaande maatregelen zijn getroffen:

a)

binnen één jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum legt de exploitant van een stortplaats de bevoegde autoriteit ter goedkeuring een door hem opgesteld aanpassingsplan voor met de in artikel 8 bedoelde gegevens alsmede de corrigerende maatregelen die hij nodig acht om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;

b)

na de presentatie van het aanpassingsplan beslissen de bevoegde autoriteiten op basis van dat aanpassingsplan en deze richtlijn definitief of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om stortplaatsen waarvoor niet overeenkomstig artikel 8 een vergunning tot voortzetting van de exploitatie is verleend zo spoedig mogelijk te sluiten overeenkomstig artikel 7, sub g, en artikel 13;

c)

op basis van het goedgekeurde aanpassingsplan voor de stortplaats geeft de bevoegde autoriteit toestemming voor de noodzakelijke werkzaamheden en bepaalt zij een overgangsperiode voor de uitvoering van het plan. Elke bestaande stortplaats moeten binnen acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1;

[...]”

9

Artikel 18 van richtlijn 1999/31 heeft als opschrift „Implementatie” en bepaalt in de eerste alinea van lid 1:

„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding ervan te voldoen. Zij stellen de [Europese] Commissie daarvan onverwijld in kennis.”

10

Punt 1 van bijlage I bij deze richtlijn luidt als volgt:

„Plaats

1.1.

Bij de inrichting van een stortplaats moet rekening worden gehouden met voorschriften betreffende:

a)

de afstand tussen de grens van het terrein enerzijds en woon‑ en recreatiegebieden, waterwegen, watermassa’s en andere landbouw‑ en stadsgebieden anderzijds;

b)

de aanwezigheid van grondwater, kustwater of natuurbeschermingsgebieden in de omgeving;

c)

de geologische en hydrogeologische gesteldheid van het gebied;

d)

het gevaar van overstromingen, verzakkingen, aardverschuivingen of lawines op het terrein;

e)

de bescherming van het natuurlijke of culturele erfgoed in de omgeving.

1.2.

Er kan alleen toestemming voor een stortplaats worden verleend als blijkt dat de eigenschappen van de stortplaats met betrekking tot bovengenoemde voorschriften, of de te treffen corrigerende maatregelen, geen ernstig gevaar voor het milieu opleveren.”

11

Artikel 2 van richtlijn 2001/42 bepaalt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

‚plannen en programma’s’: plannen en programma’s, met inbegrip van die welke door de Gemeenschap worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan,

die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en

die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven;

[...]”

12

Artikel 13 van die richtlijn luidt:

„1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen.

[...]

3.   De in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichting is van toepassing op plannen en programma’s waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in lid 1 vermelde tijdstip. […]

[…]”

Belgisch recht

13

Het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen (Belgisch Staatsblad van 2 augustus 1996, blz. 20685), zoals laatstelijk gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 16 oktober 2003 (Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2003, blz. 51644; hierna: „decreet van 1996”), bevat een artikel 24, waarvan de paragrafen 1 en 2 luiden:

„§ 1.   De regering maakt een plan voor afvalstoffenbeheer op overeenkomstig de artikelen 11 [tot en met] 16 van het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling. Het plan is een deelprogramma in de zin van dit decreet. Het kan een planning voorzien per type van afvalstoffen of per activiteitensector.

Het plan bevat o.a.:

een beschrijving van het type, de hoeveelheid en de herkomst van de afvalstoffen, de modaliteiten voor het beheer van de jaarlijks voortgebrachte en overgebrachte afvalstoffen, van de thans geëxploiteerde installaties en van de gebruikte sites;

[...]

Het plan bevat gegevens […] over de voorzienbare gevolgen voor het milieu.

§ 2.   De regering maakt, aan de hand van de in de artikelen 25 en 26 bedoelde procedure, een plan op met de centra voor technische ingraving. Dat plan bevat de sites die gebruikt zouden kunnen worden voor de vestiging en de exploitatie van centra voor technische ingraving, met uitzondering van de centra voor technische ingraving die uitsluitend bestemd zijn voor [...] afvalproducenten.

Er kan geen machtiging worden verleend voor andere centra voor technische ingraving dan de centra die uitsluitend bestemd zijn voor (oorspronkelijke) afvalproducenten, behalve de centra vermeld in het plan waarvan sprake in [deze] paragraaf.”

14

Artikel 25, § 2, eerste lid, van het decreet van 1996 bepaalt:

„Het plan-ontwerp voor centra voor technische ingraving wordt aan een milieueffectenonderzoek onderworpen. [...]”

15

De Waalse regering is overeenkomstig paragraaf 1 respectievelijk paragraaf 2 van artikel 24 van het decreet van 1996 overgegaan tot vaststelling van het Waalse afvalstoffenplan „Horizon 2010” op 15 januari 1998 (Belgisch Staatsblad van 21 april 1998, blz. 11806) en van het plan van de centra voor technische ingraving op 1 april 1999 (Belgisch Staatsblad van 13 juli 1999, blz. 26747). Het plan van de centra voor technische ingraving is op 13 juli 1999 in werking getreden.

16

Artikel 70 van het decreet van 1996 luidt:

„Zolang het in artikel 24, § 2, bedoelde plan voor centra voor technische ingraving niet in werking is getreden, kunnen de aanvragen om [vergunning] tot vestiging en exploitatie in de zin van artikel 11 en de aanvragen om (stedenbouwkundige vergunning) in de zin van artikel 41, § 1, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium die vóór de goedkeuring van dit decreet door [het Parlement] ontvankelijk zijn verklaard, aanleiding geven tot een (milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning) in de industrie‑, landbouw‑ en ontginningsgebieden, zoals bepaald in de artikelen 172, 176 en 182 van hetzelfde Wetboek.

In afwijking van artikel 24, § 2, kunnen de aanvragen betreffende andere centra voor technische ingraving dan die bestemd voor het uitsluitende gebruik van de oorspronkelijke afvalproducent, die al vergund zijn, vóór de inwerkingtreding van het in artikel 24, § 2, bedoelde plan van de centra voor technische ingraving bestonden of het voorwerp hebben uitgemaakt van een machtiging of vergunning overeenkomstig het eerste lid van [dit] artikel, ongeacht de datum van indiening van de aanvraag en al naargelang het geval aanleiding geven tot een milieuvergunning, een enige vergunning of een stedenbouwkundige vergunning in de gebieden van het gewestplan waar ze vroeger vergund waren om er op de percelen die het voorwerp uitmaken van bedoelde machtiging of vergunning, de verlenging van de exploitatie, de wijziging van de exploitatievoorwaarden, met inbegrip van de voorwaarden betreffende het toegelaten volume, of de wijziging van het bodemreliëf toe te laten, afgezien van wat eerder is toegelaten. Dit lid is slechts van toepassing op de vergunde centra voor technische ingraving waarvan sprake in titel VII, hoofdstuk 1, van het op 1 april 1999 goedgekeurde plan van de centra voor technische ingraving.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17

Het hoofdgeding betreft de vergunning tot exploitatie en inrichting van een centrum voor technische ingraving van ongevaarlijk huishoudelijk en bedrijfsafval. Het gaat om een centrum dat sinds 1958 te Mont-Saint-Guibert (België) wordt geëxploiteerd op een plaats die bekendstaat als „Trois burettes”.

18

Op 20 mei 2003 heeft de onderneming Page, thans Shanks SA, een verzoek om een „enige vergunning” ingediend om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten en diverse aanpassingen te doen aan het centrum voor technische ingraving.

19

Een vergunning is op 18 december 2003 afgegeven door het gemeentebestuur van Mont-Saint-Guibert en in enigszins gewijzigde vorm later door de Waalse regering bekrachtigd bij ministerieel besluit van 10 mei 2004, waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld bij de verwijzende rechter.

20

Ter ondersteuning van dat beroep stellen de verzoekende partijen in het hoofdgeding dat artikel 70, tweede lid, van het decreet van 1996, op grond waarvan de vergunning is afgegeven, niet in overeenstemming is met het Unierecht. Om te beginnen voeren zij aan dat dit artikel in strijd is met artikel 7 van richtlijn 75/442 doordat stortplaatsen mogen worden geëxploiteerd op plaatsen die niet worden genoemd in het afvalbeheersplan. De gekozen locaties vloeien dus niet voort uit milieunormen. Voorts betogen zij dat tevens sprake is van schending van artikel 8, sub b, van richtlijn 1999/31, op grond waarvan slechts een vergunning kan worden verleend voor een stortplaatsproject indien het project verenigbaar is met het afvalbeheersplan als bedoeld in artikel 7 van richtlijn 75/442. Ten slotte zijn zij van mening dat artikel 70, tweede lid, van het decreet van 1996 ernstig afbreuk kan doen aan de doelstellingen van richtlijn 2001/42, die vereist dat een milieubeoordeling van alle ontwikkelde plannen en programma’s voor afvalverwerking wordt gemaakt.

21

Daarop heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 7 van [richtlijn 75/442] zo worden uitgelegd dat dit toelaat dat een wettelijke bepaling die – in afwijking van de regel dat geen enkel centrum voor technische ingraving mag worden toegelaten buiten de locaties voorzien in het afvalbeheersplan – bepaalt dat vóór de inwerkingtreding van dit afvalbeheersplan goedgekeurde centra voor technische ingraving na deze inwerkingtreding nieuwe machtigingen kunnen verkrijgen voor de percelen die vóór de inwerkingtreding van het afvalbeheersplan werden goedgekeurd, als afvalbeheersplan wordt gekwalificeerd?

2)

Moet artikel 2, sub a, van [richtlijn 2001/42] zo worden uitgelegd dat een wettelijke bepaling die – in afwijking van de regel dat geen enkel centrum voor technische ingraving mag worden toegelaten buiten de plaatsen voorzien in het afvalbeheersplan [zoals vereist door artikel 7 van richtlijn 75/442] – bepaalt dat vóór de inwerkingtreding van dit afvalbeheersplan goedgekeurde centra voor technische ingraving na deze inwerkingtreding nieuwe machtigingen kunnen verkrijgen voor de percelen die vóór de inwerkingtreding van het afvalbeheersplan werden goedgekeurd, valt onder het begrip plan en programma?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, voldoet artikel 70, tweede lid, van het [decreet van 1996] aan de voorwaarden van de effectbeoordeling zoals voorgeschreven door [richtlijn 2001/42]?”

Antwoord van het Hof

Tweede en derde vraag

22

Met de tweede en de derde vraag, die eerst en gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/42 aldus moet worden uitgelegd dat als een plan of programma in de zin daarvan kan worden aangemerkt een nationale wettelijke bepaling als die in het hoofdgeding, waarin, in afwijking van de regel dat geen centra voor technische ingraving mogen worden vergund buiten de locaties die worden genoemd in het krachtens artikel 7 van richtlijn 75/442 vereiste afvalbeheersplan, is vastgelegd dat centra voor technische ingraving die vóór de inwerkingtreding van dat plan zijn vergund, na de inwerkingtreding nieuwe vergunningen kunnen krijgen voor dezelfde percelen. In voorkomend geval wenst de verwijzende rechter te vernemen of een dergelijk plan of programma voldoet aan de in richtlijn 2001/42 genoemde milieuvoorschriften.

23

Bij gebreke van aanwijzingen in het verwijzingsarrest dat de rechter bij wie het geding aanhangig is, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet uitgaan van de datum waarop hij uitspraak doet, dient evenwel te worden vastgesteld dat richtlijn 2001/42 niet van toepassing is op het hoofdgeding aangezien zowel de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vergunning van 18 december 2003 als het ministerieel besluit van 10 mei 2004 tot bekrachtiging daarvan, zijn vastgesteld vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn (zie naar analogie arrest Gemeente Braine-le-Château e.a., C‑53/02 en C‑217/02, EU:C:2004:205, punt 45).

24

In die omstandigheden hoeven de tweede en de derde vraag van de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.

Eerste vraag

25

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442 aldus moet worden uitgelegd dat als een afvalbeheersplan in de zin daarvan kan worden aangemerkt een nationale wettelijke bepaling als die in het hoofdgeding, waarin, in afwijking van de regel dat geen centra voor technische ingraving mogen worden vergund buiten de locaties die worden genoemd in het krachtens dit artikel vereiste afvalbeheersplan, is vastgelegd dat centra voor technische ingraving die vóór de inwerkingtreding van dat plan zijn vergund, na de inwerkingtreding nieuwe vergunningen kunnen krijgen voor dezelfde percelen.

26

Om te beginnen moet erop worden gewezen dat uit de aan het Hof overgelegde stukken en de antwoorden van de belanghebbenden op de schriftelijke vraag die het Hof hun overeenkomstig artikel 61, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft gesteld, blijkt dat de standpunten omtrent de reikwijdte van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling aanzienlijk uiteenlopen, met name omtrent de vraag of op grond daarvan kan worden afgeweken van de ruimtelijke planning die voortvloeit uit het plan voor het beheer van de centra voor technische ingraving van de lidstaat, teneinde over te gaan tot verlenging van de vergunning voor de exploitatie van stortplaatsen waarvoor bij de inwerkingtreding van dat plan reeds een vergunning was verleend. Volgens een aantal bij het Hof ingediende opmerkingen is dat namelijk niet het geval omdat deze bepaling slechts betrekking heeft op bestaande stortplaatsen die als zodanig worden genoemd in dat plan.

27

Het staat dus aan de verwijzende rechter om in de bij hem aanhangige zaken bij de uitlegging van het nationale recht de precieze reikwijdte daarvan te bepalen.

28

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 7, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 75/442 de bevoegde instanties van de lidstaten zo spoedig mogelijk een of meer plannen voor het beheer van afvalstoffen dienen op te stellen om de in de artikelen 3 tot en met 5 van die richtlijn vermelde doelstellingen te verwezenlijken. Volgens hetzelfde lid betreffen deze plannen met name de soort, hoeveelheid en oorsprong van nuttig toe te passen of te verwijderen afvalstoffen, de algemene technische voorschriften, alle speciale bepalingen voor bijzondere afvalstoffen en de locaties of installaties die geschikt zijn voor de verwijdering.

29

Hieruit volgt dat een nationale wettelijke bepaling als die in het hoofdgeding, voor zover daarmee uitsluitend wordt beoogd vast te leggen dat, in afwijking van het gemene recht, voor de exploitatie van stortplaatsen waarvoor bij de inwerkingtreding van het afvalbeheersplan in de betrokken lidstaat reeds een vergunning is verleend, een vergunning kan worden afgegeven voor dezelfde percelen, ook al staan die percelen niet vermeld in dat plan, op zich niet kan worden aangemerkt als een samenhangend en gestructureerd systeem ter verwezenlijking van die aan een afvalbeheersplan in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442 ten grondslag liggende doelstellingen (zie in die zin arrest Commissie/Griekenland, C‑387/97, EU:C:2000:356, punt 76).

30

Evenwel blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het feit dat de verwijzende rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag slechts heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, er niet aan in de weg staat dat het Hof deze rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of deze al dan niet in zijn vragen worden genoemd. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in die zin met name arrest Texdata Software, C‑418/11, EU:C:2013:588, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31

Tegen die achtergrond dient ook te worden nagegaan of artikel 8 van richtlijn 1999/31, dat van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding, zich verzet tegen een nationale wettelijke bepaling als die welke door de verwijzende rechter is genoemd.

32

In dit verband moet erop worden gewezen dat uit artikel 8, sub a en b, van richtlijn 1999/31 blijkt dat een vergunning voor de exploitatie van een stortplaats slechts kan worden verleend indien het stortplaatsproject verenigbaar is met het afvalbeheersplan als bedoeld in artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442.

33

Krachtens artikel 14 van richtlijn 1999/31 geldt er echter een afwijkende overgangsregeling voor stortplaatsen „waarvoor een vergunning is verleend of die op het tijdstip van de omzetting [daarvan] in nationaal recht reeds in gebruik zijn”, welke omzetting uiterlijk op 16 juli 2001 moest plaatsvinden.

34

Uit die overgangsregeling volgt namelijk dat slechts sprake kan zijn van voortzetting van de exploitatie van die stortplaatsen als zij ten laatste binnen acht jaar na 16 juli 2001 voldoen aan de nieuwe milieuvoorschriften van artikel 8 van richtlijn 1999/31, met uitzondering van de voorschriften van bijlage I, punt 1, bij deze richtlijn. Die uitzondering heeft echter juist betrekking op de voorschriften betreffende de locatie van de stortplaats.

35

Op grond van artikel 14 van richtlijn 1999/31 kan de exploitatie van een stortplaats waarvoor een vergunning is verleend of die ten tijde van de omzetting van die richtlijn door de lidstaat reeds in gebruik is, dus worden voortgezet en kan dus sprake zijn van nieuwe vergunningen, een en ander indien is voldaan aan de andere in artikel 14 opgenomen voorwaarden, ook al staat de stortplaats niet vermeld op de lijst van plaatsen die in het overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442 vastgestelde afvalbeheersplan worden genoemd.

36

Derhalve verzet artikel 8 van richtlijn 1999/31 zich niet tegen een nationale wettelijke bepaling als die in het hoofdgeding, welke haar rechtsgrondslag kan vinden in artikel 14 van die richtlijn en van toepassing kan zijn op stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of die op de datum van omzetting van de richtlijn reeds in gebruik zijn, mits is voldaan aan de andere in artikel 14 genoemde voorwaarden, hetgeen ter beoordeling staat van de verwijzende rechter.

37

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442 aldus moet worden uitgelegd dat niet als een afvalbeheersplan in de zin daarvan kan worden aangemerkt een nationale wettelijke bepaling als die in het hoofdgeding, waarin, in afwijking van de regel dat geen centra voor technische ingraving mogen worden vergund buiten de locaties die worden genoemd in het krachtens dit artikel vereiste afvalbeheersplan, is vastgelegd dat centra voor technische ingraving die vóór de inwerkingtreding van dat plan zijn vergund, na de inwerkingtreding nieuwe vergunningen kunnen krijgen voor dezelfde percelen. Artikel 8 van richtlijn 1999/31 verzet zich evenwel niet tegen een dergelijke nationale wettelijke bepaling, die haar rechtsgrondslag kan vinden in artikel 14 van die richtlijn en van toepassing kan zijn op stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of stortplaatsen die op de datum van omzetting van de richtlijn reeds in gebruik zijn, mits is voldaan aan de andere in artikel 14 genoemde voorwaarden, hetgeen ter beoordeling staat van de verwijzende rechter.

Kosten

38

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996, moet aldus worden uitgelegd dat niet als een afvalbeheersplan in de zin van deze bepaling, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350, kan worden aangemerkt een nationale wettelijke bepaling als die in het hoofdgeding, waarin, in afwijking van de regel dat geen centra voor technische ingraving mogen worden vergund buiten de locaties die worden genoemd in het krachtens dit artikel vereiste afvalbeheersplan, is vastgelegd dat centra voor technische ingraving die vóór de inwerkingtreding van dat plan zijn vergund, na de inwerkingtreding nieuwe vergunningen kunnen krijgen voor dezelfde percelen.

 

Artikel 8 van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/97/EU van de Raad van 5 december 2011, verzet zich evenwel niet tegen een dergelijke nationale wettelijke bepaling, die haar rechtsgrondslag kan vinden in artikel 14 van die richtlijn en van toepassing kan zijn op stortplaatsen waarvoor een vergunning is verleend of stortplaatsen die op de datum van omzetting van de richtlijn reeds in gebruik zijn, mits is voldaan aan de andere in artikel 14 genoemde voorwaarden, hetgeen ter beoordeling staat van de verwijzende rechter.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top