EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0132

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 13 maart 2014.
Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV Frankfurt am Main tegen ILME GmbH.
Verzoek van het Landgericht Köln om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Richtlijn 2006/95/EG – Begrip ‚elektrisch materiaal’ – CE-markering van overeenstemming – Behuizingen voor meerpolige connectoren.
Zaak C‑132/13.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:141

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

13 maart 2014 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van wetgevingen — Richtlijn 2006/95/EG — Begrip ‚elektrisch materiaal’ — CE-markering van overeenstemming — Behuizingen voor meerpolige connectoren”

In zaak C‑132/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Köln (Duitsland) bij beslissing van 12 maart 2013, ingekomen bij het Hof op 18 maart 2013, in de procedure

Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV Frankfurt am Main

tegen

ILME GmbH,

wijst HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, kamerpresident, E. Levits (rapporteur) en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 januari 2014,

gelet op de opmerkingen van:

Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs, vertegenwoordigd door H.‑J. Ruhl en M. Bohner, Rechtsanwälte,

ILME GmbH, vertegenwoordigd door U. Blumenröder, Rechtsanwalt,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Noll-Ehlers en G. Zavvos als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB L 374, blz. 10).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV Frankfurt am Main (vereniging ter bestrijding van de oneerlijke mededinging van Frankfurt am Main; hierna: „Zentrale”) en ILME GmbH over het aanbrengen van de CE-markering op behuizingen voor meerpolige connectoren voor industrieel gebruik.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 2006/95

3

Krachtens artikel 1 van richtlijn 2006/95 wordt onder „elektrisch materiaal” verstaan elektrisch materiaal bestemd voor een nominale wisselspanning tussen 50 V en 1000 V en een nominale gelijkspanning tussen 75 V en 1500 V.

4

Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat het elektrische materiaal slechts in de handel kan worden gebracht indien het, vervaardigd volgens de regels van goed vakmanschap op het gebied van de veiligheid die in de [Europese Unie] gelden, bij correcte installatie en degelijk onderhoud en bij gebruik overeenkomstig de bestemming, de veiligheid van mensen, huisdieren en goederen niet in gevaar brengt.”

5

Artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„Het elektrische materiaal moet, voordat het in de handel wordt gebracht, voorzien zijn van de in artikel 10 bedoelde CE-markering, waarbij wordt verklaard dat het voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de in bijlage IV beschreven overeenstemmingsbeoordelingsprocedure.”

6

Artikel 10, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt als volgt:

„De in bijlage III bedoelde CE-markering wordt door de fabrikant of zijn in de [Unie] gevestigde gevolmachtigde zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op het elektrische materiaal, of, indien dit niet mogelijk is, dan wel op de verpakking, de gebruiksaanwijzing of het garantiebewijs.”

7

Bijlage II bij richtlijn 2006/95 sluit bepaalde specifieke elektrische materialen en verschijnselen van de werkingssfeer van deze richtlijn uit.

8

Bijlage III beschrijft de aan te brengen CE-markering en de gegevens die de EG-verklaring van overeenstemming dient te bevatten.

9

Bijlage IV bij diezelfde richtlijn bepaalt hoe de interne fabricatiecontrole van de elektrische materialen dient te verlopen.

Verordening (EG) nr. 765/2008

10

Artikel 30, leden 3 en 4, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218, blz. 30), luidt als volgt:

„3.   Door de CE-markering aan te brengen of te laten aanbrengen, geeft de fabrikant aan dat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de conformiteit van het product met alle toepasselijke eisen die zijn vastgelegd in de desbetreffende [Unierechtelijke] harmonisatiewetgeving waarin het aanbrengen wordt voorgeschreven.

4.   De CE-markering is het enige merkteken dat bevestigt dat het product in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van de desbetreffende [Unierechtelijke] harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet.”

Richtsnoeren inzake de toepassing van richtlijn 2006/95

11

In augustus 2007 heeft de Europese Commissie richtsnoeren inzake de toepassing van richtlijn 2006/95 (hierna: „richtsnoeren”) opgesteld.

12

In voetnoot 8 van de richtsnoeren staat het volgende te lezen:

„Het begrip ‚elektrisch materiaal’ wordt in de richtlijn niet omschreven en dient derhalve te worden begrepen overeenkomstig de internationaal erkende betekenis ervan. In het internationale elektrotechnische woordenboek van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) wordt het begrip elektrisch materiaal als volgt omschreven: ‚product dat wordt gebruikt voor het opwekken, omzetten, overbrengen, verdelen of aanwenden van elektrische energie, zoals machines, transformatoren, schakelapparatuur en bedieningsinrichtingen, meetinstrumenten, veiligheidsinrichtingen, kabels, elektrische consumptiegoederen.”

13

Punt 9 van de richtsnoeren bepaalt dat de basisbestanddelen van elektrisch materiaal binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/95 vallen voor zover hun veiligheid overeenkomstig deze richtlijn kan worden beoordeeld vóór hun inbouw in het elektrisch materiaal en op voorwaarde dat deze basisbestanddelen zelf onder de categorie „elektrisch materiaal” in de zin van deze richtlijn vallen.

14

In dit punt 9 wordt gepreciseerd dat de veiligheid van bepaalde elektrische onderdelen die zijn ontworpen om als basisbestanddelen in andere elektrische apparaten te worden ingebouwd, grotendeels afhangt van de wijze waarop deze onderdelen in het eindproduct worden verwerkt. Volgens voetnoot 13 van de richtsnoeren vallen onder deze categorie van elektrische onderdelen met name actieve bestanddelen zoals geïntegreerde schakelingen, transistors, dioden, gelijkrichters, triacs, GTO’s, IGBT’s en optische semigeleiders, passieve bestanddelen zoals condensatoren, spoelen, weerstanden en filters, en elektromechanische bestanddelen zoals verbindingsonderdelen, in apparaten verwerkte beveiligingsmechanismen, relais met verbindingen voor printplaten en microschakelaars.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15

ILME GmbH brengt in Duitsland meerpolige connectoren op de markt die in Italië door ILME SpA zijn gefabriceerd.

16

De klant kiest de bestanddelen van de connectoren naargelang zijn behoefte. Wanneer de verschillende bestanddelen zijn geleverd, worden zij door de klant zelf in elkaar gezet.

17

Op de behuizingen van de connectoren is de in bijlage III bij richtlijn 2006/95 bedoelde CE-markering aangebracht. De EG-verklaring van overeenstemming voor deze markering betreft echter niet de connectoren in deze behuizingen, maar slechts deze behuizingen zelf.

18

Volgens de Zentrale is de CE-markering niet gerechtvaardigd aangezien zij uitsluitend de behuizingen betreft en bijgevolg geen enkele garantie biedt inzake de veiligheid van de in elkaar gezette connectoren. Deze markering kan de consument misleiden en bijgevolg, in de omstandigheden van het hoofdgeding, de nationale verbodsbepalingen inzake oneerlijke concurrentie schenden.

19

Aangezien krachtens de nationale regeling tot uitvoering van richtlijn 2006/95 op elektrisch materiaal de CE-markering moet zijn aangebracht, rijst de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde behuizingen onder dit materiaal vallen.

20

Daar het Landgericht Köln, waarbij de Zentrale een stakingsvordering heeft ingesteld, van oordeel is dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van deze richtlijn, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dienen de artikelen 1, 8 en 10, alsmede de bijlagen II [tot en met] IV bij richtlijn [2006/95] aldus te worden uitgelegd dat behuizingen als bestanddeel van meerpolige connectoren voor industriële toepassing niet dienen te zijn voorzien van [de] CE-markering?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1 van richtlijn 2006/95 aldus moet worden uitgelegd dat de behuizingen van multipolaire connectoren voor industrieel gebruik, als aan de orde in het hoofdgeding, onder het begrip „elektrisch materiaal” in de zin van deze bepaling vallen en bijgevolg de CE-markering moeten dragen.

22

Allereerst moet in herinnering worden gebracht dat de CE-markering alleen mag worden aangebracht op producten waarvoor die aanbrenging specifiek door de harmonisatiewetgeving van de Unie is voorzien, en niet op enig ander product. Elke andere zienswijze zou er immers toe leiden dat verwarringsgevaar ontstaat met betrekking tot de betekenis van deze markering (arrest van 21 oktober 2010, Latchways en Eurosafe Solutions, C-185/08, Jurispr. blz. I-9989, punt 63).

23

Dienaangaande bepaalt artikel 8, lid 1, van richtlijn 2006/95 dat de CE-markering op elektrisch materiaal moet worden aangebracht.

24

Vastgesteld moet echter worden dat deze richtlijn het begrip „elektrisch materiaal” niet definieert. Artikel 1 van deze richtlijn geeft de spanningsgrenzen aan waarbinnen gebruik van dit materiaal is bedoeld, terwijl bijlage II bij diezelfde richtlijn de soorten materiaal en specifieke verschijnselen vermeldt die van de werkingssfeer van richtlijn 2006/95 zijn uitgesloten.

25

In voetnoot 8 van de richtsnoeren leidt de Commissie uit dit ontbreken van een definitie af dat het begrip „elektrisch materiaal” moet worden begrepen overeenkomstig de internationaal erkende betekenis ervan.

26

In deze voetnoot wordt in het bijzonder verwezen naar de definitie in het internationale elektrotechnische woordenboek van de IEC, waarin elektrisch materiaal wordt omschreven als een „product dat wordt gebruikt voor het opwekken, omzetten, overbrengen, verdelen of aanwenden van elektrische energie”.

27

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde behuizingen, doordat zij de buitenmantel vormen van multipolaire connectoren voor industrieel gebruik, bestanddelen van deze connectoren vormen. In dit verband vervullen de behuizingen een wezenlijke functie, namelijk door aarding de fysieke en elektrische isolatie tussen verschillende kabels onderling en met de omgeving verzekeren.

28

Wegens deze kenmerken vallen de behuizingen in het hoofdgeding onder het begrip „elektrisch materiaal” in de zin van richtlijn 2006/95. Zij hebben immers beslist niet enkel een esthetische functie en beschermen niet enkel hun inhoud, maar verzekeren tevens dat elektrische elementen veilig met elkaar in contact kunnen worden gebracht en dragen aldus bij tot het transport van elektrische energie.

29

Bijgevolg moet op deze behuizingen, indien zij voldoen aan de door deze richtlijn opgelegde veiligheidsnormen, de CE-markering worden aangebracht.

30

De verwijzende rechter kwalificeert deze behuizingen echter als bestanddelen van elektrische apparaten, namelijk van de multipolaire connectoren voor industrieel gebruik.

31

De Zentrale is van mening dat de betrokken behuizingen, als bestanddeel, pas op hun overeenstemming met de veiligheidseisen kunnen worden gecontroleerd nadat de multipolaire connectoren volledig in elkaar zijn gezet.

32

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat krachtens artikel 30, leden 3 en 4, van verordening nr. 765/2008, de fabrikant door het aanbrengen van de CE-markering – die de enige markering is waardoor wordt bevestigd dat het product voldoet aan de toepasselijke eisen van de desbetreffende harmonisatieregeling van de Unie die in het aanbrengen van deze markering voorziet – aangeeft dat hij ervoor instaat dat het product aan deze eisen voldoet.

33

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/95 brengt in wezen in herinnering dat enkel elektrisch materiaal dat de veiligheid van mensen en goederen niet in gevaar brengt, in de handel mag worden gebracht.

34

Aldus mag de CE-markering niet worden aangebracht op een bestanddeel van elektrisch materiaal waarvan de veiligheid in hoofdzaak afhangt van de wijze waarop dit bestanddeel in een afgewerkt elektrisch apparaat is ingebouwd. Aangezien in dergelijke omstandigheden de kwaliteit van dit bestanddeel niets zegt over de veiligheid van het elektrische apparaat waarin dit bestanddeel is ingebouwd, kan het aanbrengen van de CE-markering op dit bestanddeel de gebruiker van dit apparaat immers misleiden. Voorts is het mogelijk dat dit bestanddeel en het elektrisch apparaat waarin het betrokken bestanddeel wordt ingebouwd, van welke beide de overeenstemming met de veiligheidseisen vooraf was vastgesteld, door deze inbouw niet langer aan deze veiligheidseisen voldoen.

35

In dit verband moet in de eerste plaats worden benadrukt dat het aanbrengen van de CE-markering is gerechtvaardigd indien het elektrisch materiaal, als bestanddeel dat in een elektrisch apparaat wordt ingebouwd, eigen kenmerken heeft die op hun overeenstemming met de veiligheidseisen kunnen worden gecontroleerd.

36

In het hoofdgeding staat het aan de verwijzende rechter om te verifiëren of, met name gelet op de omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde behuizingen het mogelijk maken om via een aardingsmechanisme kabels ten opzichte van elkaar en connectoren ten opzichte van de omgeving te isoleren, deze behuizingen, op zich en ongeacht of zij in ander elektrisch materiaal worden ingebouwd, daadwerkelijk op hun overeenstemming met de veiligheidseisen kunnen worden onderzocht.

37

Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing, aangaande het risico dat de gebruikers door de markering op deze behuizingen kunnen worden misleid, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde connectoren in onderdelen worden geleverd, zodat de gebruiker deze zelf in elkaar moet zetten. Bijgevolg kan de markering van een behuizing niet aldus worden opgevat dat zij de volledige connector betreft.

38

In de tweede plaats moet in herinnering worden gebracht dat krachtens artikel 2 van richtlijn 2006/95 de beoordeling of elektrisch materiaal aan de veiligheidseisen voldoet, wordt verricht bij een correcte installatie en degelijk onderhoud en bij gebruik overeenkomstig de bestemming van dat materiaal.

39

Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde behuizingen voldoen aan de veiligheidseisen waarop zij zijn gecontroleerd en hun correcte inbouw in multipolaire connectoren overeenkomstig hun bestemming voorts niet tot gevolg heeft dat zij niet langer aan deze eisen voldoen, doet hun gebruik als bestanddeel van een elektrisch apparaat niet af aan hun kwalificatie als „elektrisch materiaal”.

40

Gelet op een en ander moet op de door de verwijzende rechter gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 1 van richtlijn 2006/95 aldus moet worden uitgelegd dat de behuizingen van multipolaire connectoren voor industrieel gebruik als aan de orde in het hoofdgeding onder het begrip „elektrisch materiaal” in de zin van deze bepaling vallen, zodat daarop de CE-markering moet worden aangebracht, voor zover hun correcte inbouw overeenkomstig hun bestemming in geen geval ertoe kan leiden dat zij niet langer voldoen aan de veiligheidseisen waarop zij zijn gecontroleerd.

Kosten

41

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 1 van richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen moet aldus worden uitgelegd dat de behuizingen van multipolaire connectoren voor industrieel gebruik als aan de orde in het hoofdgeding onder het begrip „elektrisch materiaal” in de zin van deze bepaling vallen, zodat daarop de CE-markering moet worden aangebracht, voor zover hun correcte inbouw overeenkomstig hun bestemming in geen geval ertoe kan leiden dat zij niet langer voldoen aan de veiligheidseisen waarop zij zijn gecontroleerd.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top