EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0029

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 maart 2014.
Global Trans Lodzhistik OOD tegen Nachalnik na Mitnitsa Stolichna.
Verzoeken van de Administrativen sad Sofia-grad om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Communautair douanewetboek – Artikelen 243 en 245 – Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Artikel 181 bis – Besluit waartegen beroep kan worden ingesteld – Ontvankelijkheid van een beroep in rechte wanneer niet eerst administratief beroep is ingesteld – Beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.
Gevoegde zaken C‑29/13 en C‑30/13.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:140

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

13 maart 2014 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Communautair douanewetboek — Artikelen 243 en 245 — Verordening (EEG) nr. 2454/93 — Artikel 181 bis — Voor beroep vatbaar besluit — Ontvankelijkheid van beroep in rechte wanneer niet eerst administratief beroep is ingesteld — Beginsel van eerbiediging van recht van verweer”

In de gevoegde zaken C‑29/13 en C‑30/13,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) bij beslissingen van 4 januari 2013, ingekomen bij het Hof op 21 januari 2013, in de procedures

Global Trans Lodzhistik OOD

tegen

Nachalnik na Mitnitsa Stolichna,

wijst HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits, S. Rodin en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Global Trans Lodzhistik OOD, vertegenwoordigd door M. Aydarova, advokat,

Nachalnik na Mitnitsa Stolichna, vertegenwoordigd door S. Zlatkov als gemachtigde,

de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door E. Petranova en D. Drambozova als gemachtigden,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. García-Valdecasas Dorrego als gemachtigde,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio, avvocato dello Stato,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Keppenne, S. Petrova en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 243 en 245 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1; hierna: „douanewetboek”), alsook van artikel 181 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2454/93”).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen Global Trans Lodzhistik OOD (hierna: „Global Trans Lodzhistik”) en de Nachalnik na Minitsa Stolichna (directeur van het douanekantoor te Sofia) betreffende het door deze onderneming ingestelde beroep tot nietigverklaring van twee besluiten tot herziening van de douanewaarde van door die onderneming ingevoerde goederen en tot vaststelling van een aanvullende heffing ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”).

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3

Artikel 4, punt 5, van het douanewetboek bepaalt:

„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:

[...]

5)

‚beschikking’: elke administratieve beslissing verband houdend met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft; hieronder vallen onder meer bindende inlichtingen in de zin van artikel 12.”

4

Artikel 6, lid 3, van dit wetboek preciseert:

„De schriftelijk genomen beschikkingen waarbij verzoeken niet worden ingewilligd of die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht, worden door de douaneautoriteiten met redenen omkleed. In deze beschikkingen dient melding te worden gemaakt van de mogelijkheid tot beroep als bedoeld in artikel 243.”

5

Artikel 243 van dat wetboek luidt als volgt:

„1.   Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.

[...]

2.   Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:

a)

in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de lidstaten aangewezen douaneautoriteit;

b)

in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn.”

6

Artikel 245 van datzelfde wetboek bepaalt:

„De bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden vastgesteld door de lidstaten.”

7

Artikel 181 bis van verordening nr. 2454/93 luidt:

„1.   De douaneautoriteiten behoeven de douanewaarde van ingevoerde goederen niet op basis van de methode van de transactiewaarde vast te stellen indien zij overeenkomstig de in lid 2 omschreven procedure, wegens gegronde twijfel, niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde met de in artikel 29 van het wetboek omschreven totale betaalde of te betalen prijs overeenkomt.

2.   Wanneer bij de douaneautoriteiten de in lid 1 bedoelde twijfel bestaat, kunnen zij overeenkomstig artikel 178, lid 4, om aanvullende informatie vragen. Indien deze twijfel blijft bestaan, stellen de douaneautoriteiten, alvorens een definitieve beslissing te nemen, de betrokkene, desgevraagd schriftelijk, in kennis van de redenen voor die twijfel en bieden zij hem een redelijke gelegenheid daarop te antwoorden. De definitieve beslissing en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk meegedeeld.”

Bulgaars recht

8

Artikel 211a van de douanewet (Zakon za mitnitsite, DV nr. 15, van 6 februari 1998; hierna: „ZM”) bepaalt:

„De besluiten tot gedwongen invordering van schuldvorderingen van de overheid zijn individuele bestuursbesluiten die binnen de gestelde termijnen dienen te worden uitgebracht door de directeur van de douane in het geografisch ressort waarbinnen de niet voldane schuld is ontstaan; deze besluiten stellen de invorderbaarheid vast van douaneschulden en van andere schuldvorderingen van de overheid.”

9

Volgens artikel 211f van de ZM kan tegen een besluit tot gedwongen invordering, binnen een termijn van 14 dagen van de mededeling ervan, beroep worden ingesteld bij de directeur van de douane.

10

Artikel 220, lid 1, van de ZM bepaalt:

„Iedereen kan tegen de besluiten van de douaneautoriteiten die tot hem gericht zijn, beroep instellen volgens de regeling die is vastgesteld in het wetboek bestuursprocesrecht.”

11

Artikel 148 het wetboek bestuursprocesrecht (Administrativnoprotsesualen kodeks, DV nr. 30 van 11 april 2006) preciseert:

„Tegen elke bestuurshandeling kan beroep in rechte worden ingesteld, ook wanneer niet van de mogelijkheid gebruik is gemaakt om de handeling administratief te bestrijden, met uitzondering van de uitdrukkelijk in het onderhavige wetboek of in een bijzondere wet genoemde gevallen.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

12

Op 15 september 2010 (zaak C‑30/10) respectievelijk 23 september 2010 (zaak C‑29/13) heeft Global Trans Lodzhistik twee douaneaangiften ingediend voor goederen die uit Turkije waren ingevoerd onder het douanestelsel voor uitslag tot verbruik en in het vrije verkeer brengen van deze goederen.

13

De Bulgaarse douaneautoriteiten zijn overeenkomstig artikel 68 van het douanewetboek overgegaan tot de controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten en tot het onderzoek van de goederen. Omdat twijfel bestond over de vraag of de aangegeven waarde overeenkwam met de daadwerkelijk betaalde of te betalen prijs, hebben deze douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 178, lid 4, en 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 monsters van de goederen genomen en Global Trans Lodzhistik om aanvullende informatie verzocht. Global Trans Lozhistik heeft op 15 september 2010 (zaak C‑30/13) en 23 september 2010 (zaak C‑29/13) geantwoord dat zij niet in staat was om de gevraagde informatie te verstrekken en zij heeft erop gewezen dat de internationale verkoopovereenkomst in een uitgestelde betaling van de goederen voorzag.

14

Bij besluiten nr. 9600‑0561/01.10.2010 (zaak C‑29/13) en nr. 9600‑541/24.09.2010 (zaak C‑30/13) heeft de Nachalnik na Minitsa Stolichna voor een gedeelte van de goederen een nieuwe douanewaarde vastgesteld, volgens een berekening overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub b, van het douanewetboek. Op basis van deze nieuwe berekening van de douanewaarde zijn bij deze besluiten aanvullende belastingheffingen opgelegd van 3083,38 Bulgaarse leva (BGN) en 2 192,13 BGN, uit hoofde van extra te betalen btw (hierna: „betrokken besluiten”).

15

In de betrokken besluiten werd er uitdrukkelijk op gewezen dat het bedrag van de douaneschuld aan Global Trans Lodzhistik werd meegedeeld overeenkomstig artikel 221 van het douanewetboek.

16

Global Tranz Lodzhistik is tegen de betrokken besluiten rechtstreeks opgekomen bij de verwijzende rechter, de Administrativen sad Sofia-grad (administratieve bestuursrechtbank te Sofia), zonder dat zij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om eerst administratief beroep bij de Nachalnik na Minitsa Stolichna in te stellen. Global Tranz Lodzhistik heeft aangevoerd dat de douanewaarde niet juist was bepaald en dat procedurefouten waren gemaakt, aangezien het haar bij artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 verleende recht om te worden gehoord en om opmerkingen in te dienen vóórdat de definitieve beslissing werd vastgesteld, niet was geëerbiedigd.

17

De verwijzende rechter heeft beide beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

18

In zijn twee beschikkingen van niet-ontvankelijkheid heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat het voorafgaande administratieve beroep verplicht was, aangezien artikel 243 van het douanewetboek in een beroepsprocedure in twee fasen voorziet. Bijgevolg heeft zij de twee zaken terugverwezen naar de Nachalnik na Minitsa Stolichna.

19

De Varhoven administrativen sad (hoogste administratieve hof) heeft die twee beschikkingen van de verwijzende rechter nietig verklaard en beide zaken naar hem terugverwezen, op grond dat artikel 243, lid 2, van het douanewetboek in dit concrete geval niet van toepassing was.

20

Onder verwijzing naar nationale rechtspraak volgens welke de betrokken besluiten niet als definitieve beslissingen kunnen worden beschouwd, maar zij deel uitmaken van de procedure waarbij de bestuurshandeling tot gedwongen inning van overheidsvorderingen wordt vastgesteld, heeft de verwijzende rechter de beroepen tegen die besluiten opnieuw niet-ontvankelijk verklaard en deze laatste als voorbereidende handelingen gekwalificeerd, aangezien hij die besluiten als „mededelingen” in de zin van artikel 221 van het douanewetboek beschouwde.

21

De Varhoven administrativen sad heeft deze twee beschikkingen van niet-ontvankelijkheid van de verwijzende rechter nietig verklaard op grond dat bij de betrokken besluiten een nieuwe douanewaarde is vastgesteld en zij dus beslissingen in de zin van artikel 4, punt 5, van het douanewetboek vormen waartegen overeenkomstig artikel 243, lid 1, van dit wetboek beroep in rechte kan worden ingesteld. De Varhoven administrativen sad heeft tevens aangegeven dat de door de verwijzende rechter aangehaalde rechtspraak enkel kan worden toegepast ingeval de betrokken handeling een mededeling in de zin van artikel 206 van de ZM vormt, die deel uitmaakt van de procedure tot vaststelling van het besluit waarbij inning van openbare schuldvorderingen wordt gelast.

22

De verwijzende rechter, naar wie beide zaken door de Varhoven administrativen sad opnieuw zijn terugverwezen, heeft twijfels over de juiste strekking van de artikelen 243 en 245 van het douanewetboek. Volgens hem vloeit uit de bewoordingen van artikel 243 van het douanewetboek immers niet duidelijk voort dat de ingestelde beroepen niet-ontvankelijk zijn en dat eerst administratief beroep moet worden ingesteld. Het antwoord op de vraag of een handeling in het kader van een procedure tot vaststelling en invordering van een douaneschuld vatbaar is voor beroep, valt volgens hem onder de procesautonomie die artikel 245 van dit wetboek de lidstaten laat.

23

Volgens de verwijzende rechter moet dienaangaande worden verduidelijkt of de betrokken besluiten als definitieve beslissingen in de zin van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 moeten worden beschouwd, zodat zij handelingen vormen waartegen volgens het recht van de Unie beroep kan worden ingesteld, dan wel of deze besluiten onder het nationale recht vallende handelingen zijn die als „maatregelen” in de zin van artikel 232, lid 1, sub a, van het douanewetboek moeten worden aangemerkt.

24

In die omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Staat artikel 243, lid 1, van het [douanewetboek], wanneer het wordt uitgelegd in samenhang met artikel 245 van [dit wetboek] en met de beginselen van het recht van verweer en het kracht van gewijsde, een nationale regeling zoals die van de artikelen 220 en 211a van de [ZM] toe, op basis waarvan beroep kan worden ingesteld tegen verschillende besluiten van een douaneautoriteit waarbij een extra douaneschuld is vastgesteld om deze later in te vorderen, ook wanneer in de omstandigheden van het hoofdgeding een definitieve beslissing in de zin van artikel 181 bis, lid 2, van [verordening nr. 2454/93] zou kunnen worden genomen om deze douaneschuld vast te stellen?

2)

Moet artikel 243, lid 2, van het [douanewetboek] over het recht om beroep in te stellen aldus worden uitgelegd dat het niet bepaalt dat een definitieve beslissing in de zin van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 eerst administratief moet worden bestreden alvorens beroep in rechte kan worden ingesteld?

3)

Moet artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 in de omstandigheden van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat wanneer de in deze bepaling neergelegde procedure niet is gevolgd wat het recht om te worden gehoord en het recht om bezwaar te maken betreft, het besluit van de douaneautoriteit dat in strijd met deze voorschriften is genomen, geen definitieve beslissing in de zin van deze bepaling is, maar slechts een onderdeel van de procedure aan het einde waarvan de definitieve beslissing wordt vastgesteld? Indien dat niet het geval is, moet deze bepaling in de omstandigheden van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat rechtstreeks rechterlijk toezicht kan worden uitgeoefend op het besluit dat met voormelde proceduregebreken is vastgesteld en de rechter uitspraak ten gronde moet doen over het tegen dat besluit ingestelde beroep?

4)

Moet artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 in de omstandigheden van het hoofdgeding en gelet op het legaliteitsbeginsel aldus worden uitgelegd dat wanneer de in deze bepaling neergelegde procedure niet is gevolgd wat het recht om te worden gehoord en het recht om bezwaar te maken betreft, het besluit van de douaneautoriteit dat in strijd met deze voorschriften is genomen, nietig is omdat een wezenlijke procedurefout is gemaakt, die gelijkstaat met een schending van een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-naleving ongeacht de concrete gevolgen van de schending tot nietigheid van de rechtshandeling leidt, zodat de rechter uitspraak moet doen over een daartegen ingesteld beroep zonder dat hij de zaak kan terugverwijzen naar de bestuursinstantie om de procedure rechtmatig te beëindigen?”

25

Bij beschikking van de president van het Hof van 8 maart 2013 zijn de zaken C‑29/13 en C‑30/13 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

26

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter enerzijds in wezen te vernemen of een besluit, zoals dit welk aan de orde is in het hoofdgeding, dat strekt tot herziening – overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub b, van het douanewetboek – van de douanewaarde van goederen, met daaruit voortvloeiend een mededeling aan de aangever van een aanvullende btw-schuld, een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 243 van het douanewetboek vormt. Anderzijds vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 245 van dit wetboek, gelet op de beginselen van het recht van verweer en het kracht van gewijsde, zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling zoals die in het hoofdgeding, die in twee afzonderlijke beroepsprocedures voorziet om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen.

27

Wat om te beginnen de vraag betreft of een besluit, zoals dit welk aan de orde is in het hoofdgeding, een aanvechtbare handeling vormt in de zin van artikel 243 van het douanewetboek, volgt uit artikel 243, lid 1, juncto artikel 4, punt 5, van dit wetboek dat iedere persoon het recht heeft om beroep in te stellen tegen elke beschikking van de douaneautoriteiten die betrekking heeft op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raakt.

28

Geconstateerd moet worden dat de betrokken besluiten door de Nachalnik na Minitsa Stolichna zijn vastgesteld en een wijziging betreffen, krachtens artikel 30, lid 2, sub b, van het douanewetboek, van de douanewaarde van goederen zoals die aanvankelijk door Global Trans Lodzhistik was aangegeven, waardoor een aanvullende btw-heffing is vastgesteld en meegedeeld.

29

De betrokken besluiten hebben bijgevolg betrekking op de toepassing van de douanewetgeving en sorteren voor Global Trans Lodzhistik rechtstreekse juridische gevolgen, aangezien zij jegens deze onderneming een btw-schuld ten behoeve van de Bulgaarse Staat in het leven roepen.

30

Bovendien volgt uit artikel 6, lid 3, van het douanewetboek dat in beschikkingen die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht, melding moet worden gemaakt van de mogelijkheid tot beroep als bedoeld in artikel 243 van dit wetboek.

31

Hieruit volgt dat de betrokken besluiten voor beroep vatbare handelingen zijn waartegen beroep kan worden ingesteld in de zin van artikel 243 van het douanewetboek.

32

Wat vervolgens de vraag betreft of artikel 245 van dit wetboek, gelet op de beginselen van het recht van verweer en kracht van gewijsde, zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling – zoals de ZM – die in twee afzonderlijke beroepsprocedures voorziet om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, moet eraan worden herinnerd dat de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure volgens artikel 245 van dit wetboek worden vastgesteld door de lidstaten.

33

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het bij gebreke van een regeling van de Unie op het betrokken gebied een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie onder meer arresten van 30 juni 2011, Meilicke e.a., C-262/09, Jurispr. blz. I-5669, punt 55, en 18 oktober 2012, Pelati, C‑603/10, punt 23).

34

Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof met betrekking tot de zaken in het hoofdgeding over geen enkele aanwijzing beschikt die twijfel kan doen ontstaan over de vraag of een regeling als die in het hoofdgeding dit beginsel eerbiedigt.

35

Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, blijkt enerzijds uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de schuldenaar van overheidsvorderingen overeenkomstig artikel 220, lid 1, van de ZM, juncto artikel 148 van het wetboek bestuursprocesrecht, beroep in rechte kan instellen tegen een besluit van de douaneautoriteiten, ook wanneer niet van de mogelijkheid gebruik is gemaakt om administratief bezwaar tegen die handeling in te dienen, tenzij het wetboek bestuursprocesrecht of een bijzondere wet anders bepaalt.

36

Anderzijds heeft de schuldenaar van overheidsvorderingen overeenkomstig artikel 211f van de ZM ook de mogelijkheid om bij de directeur van douane tegen een krachtens artikel 211a van deze wet vastgesteld besluit tot gedwongen invordering op te komen, binnen een termijn van 14 dagen vanaf de mededeling van dit besluit.

37

Bijgevolg kan de schuldenaar van een overheidsvordering zijn recht van verweer in twee verschillende fasen van de douaneprocedure doen gelden. Dat sprake is van twee beroepsmogelijkheden om de handelingen van de douaneautoriteiten te betwisten, maakt de toepassing van het recht van de Unie niet onmogelijk of uiterst moeilijk.

38

Wat voorts de eerbiediging van het beginsel van gezag van gewijsde betreft, zij eraan herinnerd dat bij de vaststelling van de nadere bepalingen tot uitvoering van dit beginsel ook het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht moeten worden genomen (zie in die zin arrest van 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub, C-2/08, Jurispr. blz. I-7501, punt 24).

39

Ten eerste is in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaken het gelijkwaardigheidsbeginsel nageleefd, aangezien beide in de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest genoemde beroepsmogelijkheden kunnen worden gebruikt los van de vraag of het voorwerp van het geschil uit het recht van de Unie of uit het nationale recht voortvloeit. Ten tweede is ook de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel gewaarborgd, aangezien de twee beroepen betrekking hebben op twee administratieve handelingen die op twee verschillende tijdstippen van de douaneprocedure zijn vastgesteld en die van elkaar verschillen wat hun voorwerp en hun rechtsgrondslag betreft.

40

Gelet op een en ander moet de eerste vraag enerzijds aldus worden beantwoord dat een besluit, zoals dit welk aan de orde is in het hoofdgeding, dat strekt tot herziening – overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub b, van het douanewetboek – van de douanewaarde van goederen, met daaruit voortvloeiend een mededeling aan de aangever van een aanvullende btw-schuld, een voor beroep vatbare handeling vormt in de zin van artikel 243 van het douanewetboek. Anderzijds verzet artikel 245 van dit wetboek, gelet op de beginselen van het recht van verweer en kracht van gewijsde, zich niet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals die in het hoofdgeding, die in twee afzonderlijke beroepsprocedures voorziet om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, wanneer deze regeling noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel schendt.

Tweede vraag

41

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een beroep in rechte tegen besluiten die op grond van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 zijn vastgesteld, volgens artikel 243 van het douanewetboek enkel ontvankelijk is indien eerst gebruik is gemaakt van het administratieve beroep dat tegen die besluiten kan worden ingesteld.

42

Artikel 243, lid 2, van het douanewetboek bepaalt dat in een eerste fase bezwaar kan worden gemaakt bij de douaneautoriteit, en in een tweede fase beroep kan worden ingesteld bij een onafhankelijke instantie die een rechterlijke instantie kan zijn.

43

Zoals het Hof in het arrest van 11 januari 2001, Kofisa Italia (C-1/99, Jurispr. blz. I-207, punt 36), reeds voor recht heeft verklaard, blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling niet dat het beroep bij de douaneautoriteit een verplichte fase is vóórdat beroep bij een onafhankelijke instantie kan worden ingesteld.

44

In dat arrest heeft het Hof eveneens gepreciseerd dat artikel 243 van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het aan het nationale recht staat te bepalen of de economische subjecten eerst bij de douaneautoriteit beroep moeten instellen, dan wel of zij de zaak onmiddellijk bij de rechterlijke instantie aanhangig mogen maken (arrest Kofisa Italia, reeds aangehaald, punt 43).

45

Bijgevolg moet de tweede vraag aldus worden beantwoord dat artikel 243 van verordening nr. 2913/92 voor de ontvankelijkheid van een beroep in rechte dat tegen krachtens artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 vastgestelde besluiten wordt ingesteld, niet als voorwaarde stelt dat eerst gebruik is gemaakt van de administratieve beroepen die tegen deze besluiten kunnen worden ingesteld.

Derde vraag

46

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 aldus dient te worden uitgelegd dat een krachtens dit artikel vastgesteld besluit als een definitieve beslissing kan worden beschouwd wanneer voorbij is gegaan aan het recht van de belanghebbende om te worden gehoord en om te antwoorden, en of dit proceduregebrek de betrokkene in dat geval het recht verleent om rechtstreeks beroep tegen dit besluit in te stellen bij een onafhankelijke rechterlijke instantie.

47

Artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 bepaalt dat wanneer bij de douaneautoriteiten twijfel blijft bestaan betreffende de aangegeven waarde, zij de betrokkene, alvorens een definitieve beslissing te nemen, in kennis moeten stellen van de redenen voor die twijfel en zij hem een redelijke gelegenheid moeten bieden om daarop te antwoorden. De definitieve beslissing en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk meegedeeld.

48

Stellig legt dit artikel de douaneautoriteiten de verplichting op om, alvorens een definitieve beslissing te nemen, de betrokkene in kennis te stellen van de redenen voor die twijfel en hem een redelijke gelegenheid te bieden om zich te verantwoorden, maar dit neemt niet weg dat de niet-nakoming van deze verplichting door de douaneautoriteiten geen invloed kan hebben op het definitieve karakter van het besluit en evenmin op de kwalificatie van de op grond van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 vastgestelde handeling als een beslissing. Deze door de douaneautoriteiten vastgestelde handeling sorteert immers hoe dan ook rechtsgevolgen voor de adressaat ervan, aangezien daarbij een nieuwe douanewaarde is vastgesteld, en vormt aldus een beslissing in de zin van artikel 4, punt 5, van het douanewetboek.

49

De schending van het recht van de betrokkene om te worden gehoord leidt daarentegen tot een onrechtmatígheid van die beslissing waartegen kan worden opgekomen met een rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechterlijke instantie, zoals uit punt 45 van het onderhavige arrest blijkt.

50

Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 aldus dient te worden uitgelegd dat een krachtens dit artikel vastgesteld besluit als een definitieve beslissing moet worden beschouwd waartegen rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechterlijke instantie kan worden ingesteld, zelfs indien bij de vaststelling van dit besluit het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om opmerkingen te maken, niet in acht is genomen.

Vierde vraag

51

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de niet-eerbiediging van het in artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 voorziene recht van de betrokkene om te worden gehoord en om opmerkingen te maken, waardoor het op grond van dat artikel vastgestelde besluit nietig is, ertoe leidt dat de rechter bij wie beroep tegen dit besluit is ingesteld, verplicht is om dat beroep af te doen zonder dat hij de zaak kan terugverwijzen naar de bestuursinstantie.

Ontvankelijkheid

52

De Nachalnik na Minitsa Stolichna is van mening dat de vraag betreffende de eventuele nietigheid van de betrokken besluiten louter hypothetisch is, aangezien de geschillen in het hoofdgeding niet ten gronde zijn onderzocht. Volgens hem is deze vraag dan ook niet-ontvankelijk.

53

In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend de zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie arrest van 5 maart 2009, Apis-Hristovich, C-545/07, Jurispr. blz. I-1627, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54

Derhalve is het Hof, wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het recht van de Unie, in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arrest Apis-Hristovich, reeds aangehaald, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55

In casu dient het Hof de verwijzende rechter aanwijzingen te verstrekken betreffende de uitlegging van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, teneinde hem in staat te stellen op basis van het recht van de Unie te beoordelen welke gevolgen hij dient te verbinden aan de nietigverklaring van een besluit omdat het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer is geschonden.

56

Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.

Ten gronde

57

Benadrukt moet worden dat de naleving van het recht van verweer een algemeen beginsel van het recht van de Unie vormt dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen (arrest van 18 december 2008, Sopropé, C-349/07, Jurispr. blz. I-10369, punt 36). Dit beginsel, dat in artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 uitdrukkelijk in herinnering is gebracht, vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de gegevens waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (arrest Sopropé, reeds aangehaald, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58

Uit de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier blijkt allereerst dat de Nachalnik na Minitsa Stolichna aan Global Trans Lodzhistik niet de mogelijkheid heeft geboden om te worden gehoord en om opmerkingen te maken voordat de betrokken besluiten zijn vastgesteld. Bijgevolg kunnen deze besluiten nietig worden verklaard.

59

Vervolgens moet worden vastgesteld dat het douanewetboek geen bepalingen bevat betreffende de gevolgen van de nietigverklaring die voortvloeit uit het feit dat een „definitieve beslissing”, in de zin van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, schending oplevert van het beginsel van eerbiediging van het recht van verweer.

60

In die omstandigheden staat het, gelet op de procesautonomie die artikel 245 van het douanewetboek de lidstaten laat, aan de nationale rechter om die gevolgen te bepalen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het concrete geval en mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren of ondernemingen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties en zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten van verweer in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

61

Uit een en ander volgt dat de vierde vraag aldus moet worden beantwoord dat, ingeval het in artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 voorziene recht van de betrokkene om te worden gehoord en om bezwaar te maken, niet is nageleefd, het aan de nationale rechter staat om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en tegen de achtergrond van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel, te bepalen of hij, wanneer het met schending van het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer vastgestelde besluit op die grond nietig moet worden verklaard, verplicht is om het tegen dat besluit ingestelde beroep af te doen dan wel of hij kan overwegen om de zaak terug te verwijzen naar de bevoegde bestuursinstantie.

Kosten

62

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Een besluit, zoals dit welk aan de orde is in het hoofdgeding, dat strekt tot herziening – overeenkomstig artikel 30, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 – van de douanewaarde van goederen, met daaruit voortvloeiend een mededeling aan de aangever van een aanvullende btw-schuld, vormt enerzijds een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 243 van verordening nr. 2913/92. Anderzijds verzet artikel 245 van verordening nr. 2913/92, gelet op de beginselen van het recht van verweer en kracht van gewijsde, zich niet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals die in het hoofdgeding, die in twee afzonderlijke beroepsprocedures voorziet om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, wanneer deze regeling noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel schendt.

 

2)

Artikel 243 van verordening nr. 2913/92 stelt voor de ontvankelijkheid van een beroep in rechte dat wordt ingesteld tegen besluiten die zijn vastgesteld krachtens artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, niet als voorwaarde dat eerst gebruik is gemaakt van de administratieve beroepen die tegen deze besluiten kunnen worden ingesteld.

 

3)

Artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, dient aldus te worden uitgelegd dat een krachtens dit artikel vastgesteld besluit als een definitieve beslissing moet worden beschouwd waartegen rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechterlijke instantie kan worden ingesteld, zelfs indien bij de vaststelling van dit besluit het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om opmerkingen te maken, niet in acht is genomen.

 

4)

Ingeval het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om bezwaar te maken, waarin artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, voorziet, niet is nageleefd, staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en tegen de achtergrond van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel, te bepalen of hij, wanneer het met schending van het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer vastgestelde besluit op die grond nietig moet worden verklaard, verplicht is om het tegen dat besluit ingestelde beroep af te doen dan wel of hij kan overwegen om de zaak terug te verwijzen naar de bevoegde bestuursinstantie.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Top