EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CC0004

Conclusie van advocaat-generaal Wathelet van 10 april 2014.
Agentur für Arbeit Krefeld - Familienkasse tegen Susanne Fassbender-Firman.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesfinanzhof - Duitsland.
Sociale zekerheid - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Gezinsbijslagen - Regels bij cumulatie van rechten op gezinsbijslagen.
Zaak C-4/13.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:262

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. WATHELET

van 10 april 2014 ( 1 )

Zaak C‑4/13

Agentur für Arbeit Krefeld – Familienkasse

tegen

Susanne Fassbender-Firman

[verzoek van het Bundesfinanzhof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Sociale zekerheid — Verordening (EEG) nr. 1408/71 — Artikel 76, lid 2 — Gezinsbijslagen — Anticumulatievoorschriften — Geen aanvraag voor gezinsbijslagen in lidstaat waar gezin woont — Mogelijkheid tot schorsing van bijslagen”

I – Inleiding

1.

Het onderhavige verzoek van het Bundesfinanzhof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing, ter griffie van het Hof ingediend op 2 januari 2013, betreft de uitlegging van artikel 76, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers, zelfstandigen en hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 ( 2 ), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 ( 3 ) (hierna: „verordening nr. 1408/71”).

2.

Dit verzoek werd ingediend in het kader van een geding tussen de Agentur für Arbeit Krefeld – Familienkasse (Arbeidsbureau Krefeld – Kas voor gezinsbijslagen; hierna: „Familienkasse”) en Susanne Fassbender-Firman over de intrekking met terugwerkende kracht tot juli 2006 van de haar toegekende gezinsbijslagen en de terugvordering van de haar in het tijdvak juli 2006 tot en met maart 2007 (hierna: „litigieuze tijdvak”) uitgekeerde gezinsbijslagen.

3.

S. Fassbender-Firman en haar echtgenoot hebben zowel in Duitsland als in België recht op gezinsbijslagen voor hun zoon. Om een ongerechtvaardigde cumulatie van die bijslagen te voorkomen is het Koninkrijk België, de lidstaat waar het gezin woont, krachtens artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 prioritair bevoegd tot uitbetaling daarvan. In het litigieuze tijdvak ontving Fassbender-Firman echter gezinsbijslagen in Duitsland, terwijl haar echtgenoot in België geen gezinsbijslagen aanvroeg en ook niet ontving.

4.

De verwijzende rechter wil van het Hof vooral een antwoord op de vraag of, nu in de lidstaat waar het gezin woont (het Koninkrijk België) geen aanvraag voor gezinsbijslagen is ingediend, het bevoegde orgaan van de andere lidstaat (de Bondsrepubliek Duitsland) krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 over een discretionaire bevoegdheid tot schorsing van de in Duitsland betaalde bijslagen beschikt ter hoogte van het bedrag waarin de Belgische wetgeving voorziet en, indien dat het geval is, onder welke voorwaarden.

II – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

5.

Artikel 1, sub u, van verordening nr. 1408/71 bepaalde:

„i.

worden onder ‚gezinsbijslagen’ verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, [...];

ii.

wordt onder ‚kinderbijslag’ verstaan de periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend.”

6.

Verordening nr. 1408/71 is ingevolge haar artikel 4, lid 1, sub h, van toepassing op alle wettelijke socialezekerheidsregelingen met betrekking tot gezinsbijslagen.

7.

Artikel 73 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Werknemers in loondienst of zelfstandigen wier gezinsleden in een andere lidstaat dan de bevoegde staat wonen”, bepaalde:

„Onder voorbehoud van het bepaalde in bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden.”

8.

Artikel 76 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Prioriteitsregels bij cumulatie van rechten op gezinsbijslagen krachtens de wetgeving van de bevoegde staat en krachtens de wetgeving van de lidstaat waar de gezinsleden wonen” luidde in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding:

„1.   Wanneer gezinsbijslagen in hetzelfde tijdvak, voor hetzelfde gezinslid en wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit worden toegekend krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan van de gezinsleden wonen, wordt het recht op de gezinsbijslagen die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat, in voorkomend geval uit hoofde van de artikelen 73 of 74, verschuldigd zijn geschorst ten belope van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerstgenoemde lidstaat is vastgesteld.

2.   Indien in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen geen verzoek tot uitkering wordt ingediend, kan de bevoegde instelling van de andere lidstaat lid 1 toepassen alsof in de eerstgenoemde lidstaat wel bijslagen zijn uitgekeerd.”

B – Duitse rechtskader in het litigieuze tijdvak

9.

§ 65 van de wet op de inkomstenbelasting (Einkommensteuergesetz; hierna: „EStG”), getiteld „Overige uitkeringen voor kinderen”, bepaalde:

„1.   Er worden geen gezinsbijslagen uitgekeerd voor een kind dat op een van de volgende uitkeringen recht heeft of zou hebben indien daartoe een aanvraag zou worden ingediend:

1)

uitkeringen voor kinderen uit hoofde van de wettelijke ongevallenverzekering of toelagen voor kinderen uit hoofde van wettelijke arbeidsongeschiktheids- of ouderdomsverzekeringen;

2)

buitenlandse uitkeringen voor kinderen die met gezinsbijslagen of met een van de in punt 1 vermelde uitkeringen vergelijkbaar zijn;

[...]”

10.

§ 4 van de wet op de kinderbijslag (Bundeskindergeldgesetz; hierna: „BKGG”), getiteld „Overige uitkeringen voor kinderen”, luidt:

„Er worden geen gezinsbijslagen toegekend voor een kind dat op een van de volgende uitkeringen recht heeft of zou hebben indien daartoe een aanvraag zou worden ingediend:

1)

uitkeringen voor kinderen uit hoofde van de wettelijke ongevallenverzekering of toelagen voor kinderen uit hoofde van wettelijke arbeidsongeschiktheids- of ouderdomsverzekeringen;

2)

buiten Duitsland toegekende uitkeringen voor kinderen die met gezinsbijslagen of met een van de in punt 1 vermelde uitkeringen vergelijkbaar zijn;

[...]”

III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11.

Fassbender-Firman, van Duitse nationaliteit, en haar echtgenoot, van Belgische nationaliteit, hebben een zoon die werd geboren in 1995. Fassbender-Firman werkt in Duitsland en is daar verplicht verzekerd voor sociale zekerheid. Haar echtgenoot is aanvankelijk werkloos, maar in november 2006 gaat hij voor een Belgisch uitzendbureau werken. Het gezin woont eerst in Duitsland, maar verhuist in juni 2006 naar België waar het sedertdien woont. Fassbender-Firman blijft Duitse gezinsbijslagen ontvangen, terwijl haar echtgenoot in België geen gezinsbijslagen aanvraagt en die ook niet ontvangt.

12.

Wanneer de Familienkasse verneemt dat het gezin naar België is verhuisd trekt zij de toegekende gezinsbijslagen in met terugwerkende kracht tot juli 2006 en vordert de over het gehele litigieuze tijdvak uitgekeerde gezinsbijslagen terug. De Familienkasse is van mening dat, hoewel Fassbender-Firman in het litigieuze tijdvak krachtens de Duitse regelgeving recht had op gezinsbijslagen, het gezin ook recht had op Belgische gezinsbijslagen voor een bedrag van, volgens de Familienkasse, 77,05 EUR per maand voor het tijdvak juli tot en met september 2006 en 78,59 EUR per maand voor het tijdvak oktober 2006 tot en met maart 2007. De Familienkasse vindt dat de Duitse gezinsbijslagen krachtens de artikelen 76 tot en met 79 van verordening nr. 1408/71 moeten worden geschorst ter hoogte van de Belgische gezinsbijslagen en dat zij zelf alleen nog het verschil tussen de in Duitsland en België verschuldigd geachte bedragen hoeft uit te keren. Volgens de Familienkasse is het voor de toepassing van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 irrelevant dat er in België geen gezinsbijslagen zijn aangevraagd, aangezien deze bepaling juist beoogt te voorkomen dat het stelsel van toekenning van bevoegdheden van verordening nr. 1408/71 wordt omzeild doordat een verzekerde verzuimt een aanvraag voor gezinsbijslagen in te dienen.

13.

Het Finanzgericht waar Fassbender-Firman de zaak vervolgens aanhangig maakt oordeelt dat de beslissing van de Familienkasse om de toekenning van de gezinsbijslagen te herroepen en de uitgekeerde bedragen terug te vorderen onrechtmatig is, overwegende dat de Familienkasse de haar door artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 toegekende beoordelingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Het Finanzgericht vindt namelijk ( 4 ) dat het rechtsgevolg van de verrekening krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 van de – niet aangevraagde – Belgische gezinsbijslagen en de Duitse gezinsbijslagen, anders dan dat bij toepassing van artikel 76, lid 1, van diezelfde verordening het geval is, onder de beoordelingsbevoegdheid van de Familienkasse valt. Er is hier, anders gezegd, dus geen sprake van een gebonden bevoegdheid. Discretionaire beslissingen van overheidsorganen zijn volgens het Finanzgericht krachtens § 102, eerste volzin, van de Finanzgerichtsordnung, bovendien slechts beperkt toetsbaar.

14.

In het beroep in Revision dat de Familienkasse vervolgens bij de verwijzende rechter instelt tegen de beslissing van het Finanzgericht stelt zij dat artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 aan de overheid bij de beoordeling van de rechtsgevolgen van de aan haar voorgelegde feiten geen discretionaire bevoegdheid toekent in de zin van het Duitse fiscale en sociale recht. De basisregels waarmee cumulatieproblemen betreffende het recht op gezinsbijslagen kunnen worden opgelost zijn volgens haar te vinden in artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71.

15.

Daaruit volgt volgens de Familienkasse voor het hoofdgeding dat het recht op Duitse gezinsbijslagen wordt geschorst ter hoogte van het bedrag van de gezinsbijslagen waarop Fassbender-Firman aanspraak kan maken in de lidstaat waar zij woont en dat die schorsing, hoewel er in beginsel zeker een recht op gezinsbijslagen bestaat, automatisch moet plaatsvinden.

16.

Op die grond meent de Familienkasse dat het woord „kan” dat wordt gebruikt in artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet betekent dat er sprake is van een discretionaire bevoegdheid, maar dat het simpelweg betekent dat de lidstaat waarvan de uitkering is geschorst alleen nog dat deel van de gezinsbijslagen dient toe te kennen dat voor zijn rekening komt, zelfs als er in de lidstaat waar het gezin woont geen gezinsbijslagen zijn aangevraagd.

17.

Fassbender-Firman is echter – net als het Finanzgericht – van mening dat de vermindering met het bedrag aan gezinsbijslagen waarin in het buitenland wordt voorzien voortkomt uit een beoordelingsbevoegdheid die de Familienkasse bezit krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71.

18.

Volgens de verwijzende rechter geeft artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 het bevoegde orgaan de mogelijkheid om bij het uitblijven van een verzoek tot uitkering in de lidstaat waar het gezin woont, te beslissen artikel 76, lid 1, van die verordening al dan niet toe te passen en derhalve de gezinsbijslagen al dan niet geheel of gedeeltelijk te schorsen. De verwijzende rechter is van mening dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 moet worden afgeleid dat er in deze bepaling sprake is van een bijzondere regel die van toepassing is juist in het geval dat een verzoek tot uitkering in de lidstaat waar het gezin woont uitblijft. Door dit lid 2 aan artikel 76 van verordening nr. 1408/71 toe te voegen heeft de wetgever beoogd doelgericht te reageren op de eerdere rechtspraak van het Hof ( 5 ), volgens welke de gezinsbijslagen in de lidstaat waar wordt gewerkt niet moeten worden opgeschort als er in de lidstaat waar het gezin woont geen verzoek tot uitkering is in gediend.

19.

De verwijzende rechter wijst er niettemin op dat, volgens de Duitse rechtsopvatting, het gebruik van het woord „kan” in een wet of een besluit niet noodzakelijkerwijs betekent dat aan de overheid een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend. Dit woord wordt eenvoudigweg gebruikt als synoniem van „is bevoegd om” of „mag”. Als artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 het bevoegde orgaan de mogelijkheid toekent om artikel 76, lid 1, van die verordening al dan niet toe te passen bij het uitblijven van een verzoek tot uitkering in de lidstaat waar het gezin woont, moet worden vastgesteld op welke overwegingen het orgaan zijn beslissing moet baseren. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat als artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 het bevoegde orgaan een beoordelingsbevoegdheid toekent, ten slotte de vraag rijst hoe ver het toezicht van de rechter daarop reikt.

20.

Het Bundesfinanzhof heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Moet artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat wanneer in de lidstaat waar het gezin woont geen uitkering is aangevraagd het bevoegde orgaan van de lidstaat waar wordt gewerkt vrij is om artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 al dan niet toe te passen?

2)

Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: op welke gronden kan het voor gezinsbijslagen bevoegde orgaan van de lidstaat waar wordt gewerkt artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 toepassen alsof in de lidstaat waar het gezin woont uitkeringen zijn toegekend?

3)

Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: in hoeverre is de discretionaire beslissing van het bevoegde orgaan aan rechterlijk toezicht onderworpen?”

IV – Procesverloop

21.

De Helleense Republiek en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Het Hof heeft een schriftelijke vraag gesteld aan de Bondsrepubliek Duitsland waar deze binnen de gestelde termijn op heeft gereageerd.

22.

Een zitting stond gepland op 5 maart 2014. Naast de Commissie, die was uitgenodigd om antwoord te geven op een aan haar gestelde vraag, waren ook de partijen en de betrokkenen uitgenodigd om zich uit te spreken over de door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen voorgestelde antwoorden op de prejudiciële vragen. Dit in de hoop dat de zitting door de aanwezigheid van met name de partijen in het hoofdgeding en de Bondsrepubliek Duitsland punten van overweging zou opleveren die niet naar voren waren gebracht in de schriftelijke opmerkingen.

23.

Omdat alleen de Commissie had laten weten aan de zitting deel te willen nemen werd deze echter afgelast en werd de vraag die haar ter mondelinge beantwoording was gesteld omgezet in een vraag ter schriftelijke beantwoording. Het antwoord op die vraag werd door het Hof ontvangen op 10 maart 2014.

V – Analyse

A – Argumentatie

1. De eerste prejudiciële vraag

24.

De Helleense Republiek is van mening dat artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet aldus moet worden uitgelegd dat wanneer in de lidstaat waar het gezin woont geen verzoek tot uitkering is ingediend, het aan het bevoegde orgaan van de lidstaat waar wordt gewerkt vrij staat om artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 al dan niet toe te passen. Volgens vaste rechtspraak en bij het ontbreken van harmonisatie op Unieniveau mag iedere lidstaat zelf bij wet de voorwaarden voor het toekennen van socialezekerheidsuitkeringen vaststellen, alsmede de hoogte en de duur daarvan. ( 6 )

25.

Daarom vindt de Helleense Republiek dat, hoewel artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet, ipso jure, het verbod tot cumulatie van gezinsbijslagen uitbreidt tot situaties waarin geen aanvraag is ingediend in de lidstaat waar het gezin woont, niets in deze bepaling de lidstaat waar wordt gewerkt verbiedt om deze kwestie rechtstreeks te regelen door bij wet een keuze te maken voor de ene, dan wel de andere oplossing.

26.

Uit de tekst van verordening nr. 1408/71 en in het bijzonder uit het gebruik van het woord „kan” blijkt volgens de Commissie dat er in artikel 76, lid 2, van deze verordening sprake is van een machtiging van de lidstaten. Het feit dat de uitleg en toepassing van artikel 76 van verordening nr. 1408/71 het mogelijk maken meerdere „criteria” in overweging te nemen pleit daar volgens haar voor. De Commissie constateert dat de Uniewetgever ook, zowel in artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 als in artikel 10 van verordening (EEG) nr. 547/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74, blz. 1), in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97, bepalingen over gezinsbijslagen heeft opgenomen die aan de betrokken organen geen enkele keuze laten. Het gebruik van het woord „kan” in artikel 76 van verordening nr. 1408/71 moet dan, a contrario, noodzakelijkerwijs betekenen dat het voorziene rechtsgevolg niet automatisch is.

27.

De Commissie is echter van oordeel dat het recht van verplicht verzekerden op gezinsbijslagen niet onderworpen kan zijn aan een beoordelingsbevoegdheid van de overheid, maar dat dat recht op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze moet zijn vastgelegd in de wetgeving van de lidstaten. Zij vindt dat een discretionaire beslissing immers niet mogelijk is bij gebrek aan oriëntatiecriteria voor de overheid. Het is niet wenselijk, noch denkbaar, dat de in het perspectief van de gezinspolitiek belangrijke kwestie van de gezinsondersteuning zou worden overgelaten aan de beoordelingsbevoegdheid van de overheid.

28.

De Commissie wijst er in dit verband op dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een uitkering kan worden aangemerkt als een socialezekerheidsuitkering voor zover zij de rechthebbenden zonder enige discretionaire en individuele beoordeling van persoonlijke behoeften wordt toegekend op basis van een wettelijk omschreven situatie en zij tevens verband houdt met een van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk opgesomde risico’s. Als de uitkering zelf in wetgeving moet worden vastgelegd geldt dat eveneens voor een eventuele verlaging daarvan en die verlaging kan dus niet afhankelijk kan zijn van een beoordelingsbevoegdheid van het orgaan van de lidstaat.

29.

De Commissie stelt in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Hof vast dat zij niet over precieze informatie beschikt over de bedoelingen die de Uniewetgever had bij het opnemen van artikel 76, lid 2, in verordening nr. 1408/71. Het voorstel tot wijziging van verordening nr. 1408/71 [COM(88) 27 def.] dat zij op 5 februari 1988 bij de Raad van de Europese Unie heeft ingediend bevatte niet de wijziging van dat artikel 76 die later door de Raad werd vastgesteld. De Commissie veronderstelt dat de Raad met die wijziging heeft beoogd te reageren op de vaste rechtspraak van het Hof en in het bijzonder op de arresten Salzano (EU:C:1984:343); Ferraioli (EU:C:1986:168), en Kracht (EU:C:1990:279). De Commissie heeft de vraag van het Hof over de bedoeling van de wetgever om aan het bevoegde orgaan al dan niet de mogelijkheid te bieden om artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 rechtstreeks toe te passen onbeantwoord gelaten en heeft zich voornamelijk beperkt tot het herhalen van haar opmerkingen over de tweede prejudiciële vraag. Zij voegde daaraan toe dat een verplichte voorrangsregel die een beoordeling van geval tot geval zou uitsluiten een disproportionele beperking zou betekenen van het beginsel van het vrije verkeer van werknemers.

2. De tweede prejudiciële vraag

30.

De Commissie, die als enige schriftelijke opmerkingen over deze vraag heeft ingediend, is van oordeel dat het bevoegde orgaan, alvorens zijn betalingen te schorsen of deze zoals in dit geval te limiteren tot het bedrag van het verschil tussen zijn hogere uitkering en de lagere uitkering in de lidstaat waar het gezin woont, zich ervan dient te vergewissen dat aan vier voorwaarden is voldaan. Allereerst moet het de ouders, en in het bijzonder de ouder die onder zijn bevoegdheid valt, informeren dat die laatste recht heeft op gezinsbijslagen in de lidstaat waar het gezin woont. Ten tweede moet het zich ervan vergewissen dat het recht op gezinsbijslagen in de lidstaat waar het gezin woont ten minste in beginsel bestaat. Ten derde moet het de ouders die op dat recht aanspraak kunnen maken voldoende tijd geven om het verzoek tot uitkering ervan in te dienen en aan alle noodzakelijke formaliteiten te voldoen, dit alles volgens de regels van de lidstaat waar het gezin woont. Ten vierde moet het exact op de hoogte zijn van de voorwaarden voor toekenning van het recht en de hoogte daarvan in de lidstaat waar het gezin woont, want bij het ontbreken van deze informatie is het onmogelijk om het verschil tussen de twee bedragen op een juiste manier te berekenen. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan en de aanvraag in de lidstaat waar het gezin woont alsnog uitblijft mag het bevoegde orgaan gebruikmaken van de hem in artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 toegekende bevoegdheid. Volgens de Commissie zouden alle voorgaande voorwaarden idealiter moeten zijn opgenomen in de wetgeving van de bevoegde lidstaat.

3. De derde prejudiciële vraag

31.

Niemand heeft opmerkingen ingediend over deze vraag.

B – Beoordeling

1. Inleidende opmerkingen over de toepasselijke wetgeving

32.

De vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op de uitlegging van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 ( 7 ) en meer in het bijzonder op de vraag of deze bepaling aan het bevoegde orgaan een discretionaire bevoegdheid toekent om het anticumulatievoorschrift van artikel 76, lid 1, van deze verordening toe te passen bij het uitblijven van een aanvraag voor gezinsbijslagen in de lidstaat waar het gezin woont.

33.

Opgemerkt moet worden dat verordening nr. 1408/71 is vervangen door verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1), die in werking is getreden op 1 mei 2010, en dat verordening nr. 1408/71 sinds laatstgenoemde datum niet meer van kracht is. Maar omdat de feiten van het hoofdgeding dateren van vóór de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 883/2004 blijft verordening nr. 1408/71 ratione temporis van toepassing op dit geding. Ik wijs er tevens op dat, gezien het feit dat lid 2 van artikel 76 van verordening nr. 1408/71 niet is opgenomen in verordening nr. 883/2004, de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging een zeer beperkte betekenis heeft voor de toekomst.

34.

De voorrangsregels bij cumulatie van gezinsbijslagen zijn momenteel opgenomen in artikel 68 van verordening nr. 883/2004 waarvan lid 2 met name bepaalt dat bij een cumulatie van rechten de gezinsbijslagen worden uitgekeerd overeenkomstig de wetgeving die als prioritair is aangemerkt, dat de verschuldigde gezinsbijslagen uit hoofde van de andere betrokken wetgeving(en) worden geschorst ter hoogte van het bedrag waarin de eerste wetgeving voorziet, en dat het deel ervan dat dit bedrag overschrijdt wordt uitbetaald in de vorm van een aanvullende uitkering. Artikel 68, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt dat als een aanvraag voor gezinsbijslagen wordt ingediend bij het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving wel van toepassing is maar niet als prioritair is aangemerkt, dit orgaan het verzoek onverwijld toezendt aan het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving prioritair van toepassing is, de betrokkene daarvan in kennis stelt, en in voorkomende gevallen de in genoemd lid 2 bedoelde aanvulling uitbetaalt. Bovendien neemt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving prioritair van toepassing is de aanvraag in behandeling alsof die aanvraag rechtstreeks bij dat orgaan was ingediend. Daarbij wordt de datum waarop de aanvraag bij het eerste orgaan is ingediend beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij het prioritaire orgaan is ingediend.

35.

Alvorens te antwoorden op de door de verwijzende rechter gestelde vragen denk ik dat het nuttig is om de op het hoofdgeding van toepassing zijnde relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71 in herinnering te roepen.

2. Toepasselijke bepalingen in deze zaak

36.

Krachtens artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 is op degene die, zoals Fassbender-Firman, op het grondgebied van een lidstaat (in dit geval de Bondsrepubliek Duitsland) werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die lidstaat van toepassing, zelfs als die persoon woont op het grondgebied van een andere lidstaat ( 8 ) (in dit geval het Koninkrijk België). De Duitse socialezekerheidswetgeving was derhalve op Fassbender-Firman van toepassing. Volgens artikel 73 van verordening nr. 1408/71 heeft de werknemer op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste lidstaat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze lidstaat woonden. ( 9 ) Hieruit volgt dat Fassbender-Firman in het litigieuze tijdvak recht had op Duitse gezinsbijslagen voor haar zoon.

37.

Bovendien voldeed de echtgenoot van Fassbender-Firman in het litigieuze tijdvak voor hetzelfde kind aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van gezinsbijslagen in België, in eerste instantie als rechthebbende op een werkloosheidsuitkering en vervolgens als werknemer in dat land.

38.

Artikel 76 van verordening nr. 1408/71 bevat blijkens zijn opschrift „[p]rioriteitsregels bij cumulatie van rechten op gezinsbijslagen krachtens de wetgeving van de bevoegde staat en krachtens de wetgeving van de lidstaat waar de gezinsleden wonen”. Blijkens de tekst van deze bepaling wil zij een oplossing bieden voor de cumulatie van gezinsbijslagen die verschuldigd zijn, enerzijds krachtens artikel 73 van deze verordening, en anderzijds krachtens de nationale wettelijke regeling van de lidstaat waar het gezin woont die recht geeft op gezinsbijslagen wegens de uitoefening van een beroepsactiviteit. ( 10 )

39.

Omdat een parallelle toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Duitse en Belgische socialezekerheidswetgevingen een cumulatie van het recht op gezinsbijslagen met zich mee had kunnen brengen, en dus een overcompensatie van de kosten van het gezin ( 11 ), doordat Fassbender-Firman en haar echtgenoot op grond van hun respectievelijke beroepsactiviteiten recht hadden op gezinsbijslagen in zowel Duitsland als België, moet hun recht op gezinsbijslagen worden behandeld in het licht van de anticumulatiebepalingen van artikel 76 van verordening nr. 1408/71.

40.

Het feit dat de echtgenoot van Fassbender-Firman werkt in de lidstaat waar het gezin woont, schorst krachtens lid 1 van dit artikel 76 in beginsel het ingevolge de Duitse wetgeving van toepassing zijnde recht op gezinsbijslagen ter hoogte van het bedrag van de gezinsbijslagen waarin de Belgische wetgeving voorziet. ( 12 ) Het Koninkrijk België is immers prioritair bevoegd tot het betalen van deze gezinsbijslagen en de Bondsrepubliek Duitsland moet, zo nodig, een aanvullend bedrag ter hoogte van het verschil uitkeren.

41.

Er moet echter aan worden herinnerd dat de echtgenoot van Fassbender-Firman in het litigieuze tijdvak in België geen gezinsbijslagen heeft aangevraagd, en ook niet heeft ontvangen. De reden waarom dat niet is gebeurd is niet aan het Hof meegedeeld. Wij weten bovendien ook niet of de Belgische uitkeringen over het litigieuze tijdvak nog aan de echtgenoot van Fassbender-Firman verschuldigd zouden zijn indien die alsnog zouden worden aangevraagd, dan wel of de termijn voor het indienen van een dergelijke late aanvraag inmiddels is verstreken. Het gebrek aan informatie in deze zaak wordt geaccentueerd en versterkt doordat noch de Familienkasse, noch Fassbender-Firman, noch de Bondsrepubliek Duitsland, noch het Koninkrijk België schriftelijke opmerkingen hebben ingediend of zich bereid hebben getoond om deel te nemen aan de door het Hof geplande zitting. Dit gebrek aan interesse van partijen in het hoofdgeding en van de Bondsrepubliek Duitsland kan verband houden met het gegeven dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten reeds geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, namelijk in de jaren 2006 en 2007, dat de ermee gemoeide bedragen erg laag zijn, en dat de bepaling die de verwijzende rechter uitgelegd wil zien sinds 1 mei 2010 niet meer van kracht is en ook niet is overgenomen in verordening nr. 883/2004.

3. Uitlegging van artikel 76 van verordening nr. 1408/71

42.

Uit de vaste rechtspraak met betrekking tot de toepassing van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 blijkt dat, om te kunnen vaststellen of gezinsbijslagen in een lidstaat verschuldigd zijn, de wetgeving van die lidstaat het recht op uitkering van gezinsbijslagen ten behoeve van het familielid dat in deze lidstaat werkt moet erkennen. Om dit recht te kunnen uitoefenen dient de betrokken persoon dus te voldoen aan alle formele en inhoudelijke voorwaarden die de wetgeving van die lidstaat daaraan stelt, waaronder bijvoorbeeld de voorwaarde dat een voorafgaande aanvraag voor dergelijke bijslagen is ingediend. ( 13 )

43.

In het arrest Ragazzoni (134/77, EU:C:1978:88), verduidelijkte het Hof dat dit artikel 76, lid 1, een uitzondering vormt op het in artikel 73 van die verordening neergelegde principe en dat deze bepaling slechts ten doel heeft de mogelijkheid van cumulatie te beperken. ( 14 ) De schorsing van het recht op gezinsbijslagen in de lidstaat waar wordt gewerkt is derhalve slechts aan de orde als er daadwerkelijk een cumulatie plaatsvindt met het recht daarop in de lidstaat waar het gezin woont, hetgeen veronderstelt dat die gezinsbijslagen ook echt zijn ontvangen en dus aangevraagd in die lidstaat. ( 15 )

44.

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat krachtens artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zoals dat door het Hof wordt uitgelegd, het recht op gezinsbijslagen dat Fassbender-Firman krachtens artikel 73 van die verordening in Duitsland had, niet had moeten worden geschorst nu er in België, de lidstaat waar het gezin woont, geen gezinsbijslagen waren ontvangen ( 16 ), omdat die daar niet waren aangevraagd. ( 17 )

45.

Verandert het bij verordening nr. 3427/89 ingevoegde lid 2 van artikel 76 van verordening nr. 1408/71 deze conclusie?

46.

Uit de tekst van deze bepaling blijkt dat wanneer er in de lidstaat waar het gezin woont geen verzoek tot uitkering is ingediend „de bevoegde instelling” van de andere lidstaat artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 „kan” toepassen en derhalve het recht op gezinsbijslagen in deze lidstaat „kan” schorsen ter hoogte van het bedrag waarin de wetgeving van de lidstaat waar het gezin woont voorziet, alsof die bijslagen in die laatste lidstaat wel waren uitgekeerd.

47.

In tegenstelling tot de argumenten die de Familienkasse bij de verwijzende rechter heeft opgeworpen ben ik van mening dat het gebruik van het woord „kan” in deze bepaling duidelijk aangeeft dat de schorsing van de verschuldigde gezinsbijslagen in de lidstaat waar wordt gewerkt geen dwingend gevolg is. Artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 staat een dergelijke schorsing wel toe, maar legt deze niet dwingend op.

48.

Uit de tekst van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 blijkt ondubbelzinnig dat een dergelijke schorsing zelfs zonder een daadwerkelijke cumulatie van uitkeringen mogelijk is.

49.

Deze bepaling maakt het dus mogelijk om een migrerende werknemer of zijn rechthebbenden het krachtens de wetgeving van een lidstaat bestaande recht op gezinsbijslagen te ontnemen, met als gevolg dat het bedrag dat wordt ontvangen lager is dan het bedrag waarin is voorzien in de wetgevingen van zowel de lidstaat waar wordt gewerkt als de lidstaat waar het gezin woont. ( 18 ) Een dergelijke afwijking dient in mijn ogen restrictief te worden uitgelegd, hetgeen betekent dat die afwijking niet dwingend kan zijn.

50.

In dit stadium moet worden onderzocht wie deze bevoegdheid kan uitoefenen en onder welke voorwaarden. Deze vragen zijn in mijn ogen met elkaar verbonden en moeten worden geanalyseerd in het licht van de vaste rechtspraak volgens welke een socialezekerheidsuitkering in de zin van verordening nr. 1408/71 aan de rechthebbenden moet worden toegekend op grond van een wettelijk omschreven situatie zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften en betrekking moet hebben op een van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk opgesomde eventualiteiten. ( 19 )

51.

Het vereiste dat de gezinsbijslagen worden toegekend op basis van een wettelijk omschreven situatie betekent dat niet alleen de voorwaarden die hun toekenning bepalen, maar ook de voorwaarden voor een eventuele schorsing ervan moeten zijn omschreven in de wetgeving van de bevoegde lidstaat en met name, in de zaak die ons bezighoudt, van de lidstaat waar wordt gewerkt. Ik wijs er in dit verband op dat artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71 bepaalt: „worden [...] onder ‚wetgeving’ of ‚wettelijke regeling’ verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2 bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid [...]”.

52.

Artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 vormt in het Unierecht dus, overeenkomstig de opmerkingen van de verwijzende rechter en van de Commissie in deze zaak, een machtigingsbepaling die het „land van tewerkstelling” ( 20 ) toestaat om in zijn wetgeving voor het inzake gezinsbijslagen bevoegde orgaan een schorsingsmogelijkheid op te nemen voor het geval dat er in de lidstaat waar het gezin woont geen aanvraag voor gezinsbijslagen is ingediend. Daaruit volgt dat wanneer er in de lidstaat waar het gezin woont geen gezinsbijslagen zijn aangevraagd, het bevoegde orgaan van de lidstaat waar wordt gewerkt artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71 slechts mag toepassen als de wetgeving van deze lidstaat uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in een dergelijke mogelijkheid voorziet.

53.

Alleen wettelijke bepalingen van dit type kunnen immers waarborgen dat de bevolking ten minste minimaal wordt geïnformeerd. Zoals de Commissie terecht naar voren brengt mag het recht op gezinsbijslagen niet onderworpen zijn aan een beoordelingsbevoegdheid van het bevoegde orgaan.

54.

De vereisten van rechtszekerheid en transparantie schrijven voor dat de rechtspositie van de migrerende werknemer en zijn rechthebbenden duidelijk en nauwkeurig moet zijn afgebakend, zodat zij niet alleen kennis kunnen nemen van de volheid van hun rechten, maar zo nodig ook van de begrenzingen daarvan. ( 21 )

4. Nationale wetgeving

55.

Respecteren de nationale wettelijke bepalingen, zoals § 65 EStG en § 4 BKGG, de machtigingsvoorwaarden van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71?

56.

De Bondsrepubliek Duitsland constateert dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof Hudzinski en Wawrzyniak (C‑611/10 en C‑612/10, EU:C:2012:339), § 65 EStG en § 4 BKGG overeenkomstig het recht van de Unie waren uitgelegd en toegepast. De mogelijkheid tot schorsing en de mogelijkheid tot uitkering van het eventuele verschil tussen de lagere buitenlandse gezinsbijslagen en de hogere nationale gezinsbijslagen zijn in die bepalingen duidelijk vastgelegd. Volgens deze lidstaat heeft het bevoegde orgaan dienaangaande geen enkele beoordelingsbevoegdheid.

57.

Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter ben ik van mening dat uit het aan het Hof overgelegde dossier volgt dat bepalingen als die van § 65 EStG en § 4 BKGG voldoen aan de vereisten van rechtszekerheid en transparantie die het recht van de Unie als voorwaarden stelt voor uitoefening van de in artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 neergelegde machtiging, en dat een eventuele aanvullende uitkering ter hoogte van het verschil daarin wordt gewaarborgd. ( 22 )

5. Mogelijk vereiste aanvullende voorwaarden voor schorsing

58.

Ik kom hier terug op de opmerkingen van de Commissie met betrekking tot de voorwaarden die volgens haar zouden moeten zijn vervuld voordat gezinsbijslagen met toepassing van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 kunnen worden geschorst. ( 23 )

59.

Die voorwaarden, die door de Commissie zeer gedetailleerd zijn beschreven, zijn naar mijn mening gedeeltelijk ingegeven door de formulering van artikel 68, lid 3, van verordening nr. 883/2004 ( 24 ), die het recht op gezinsbijslagen in de lidstaat waarvan de wetgeving prioritair van toepassing is beoogt veilig te stellen wanneer de aanvraag voor die gezinsbijslagen is ingediend bij het bevoegde orgaan van de niet-prioritaire lidstaat.

60.

Vastgesteld moet worden dat deze door de Commissie voorgestelde specifieke voorwaarden duidelijk niet aanwezig zijn in de tekst van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 en niet met terugwerkende kracht kunnen leiden tot een beperking van de daarin toegekende machtiging.

61.

Concluderend ben ik van mening dat het bevoegde orgaan over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt bij de beslissing om gezinsbijslagen al dan niet te schorsen met toepassing van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71. Deze bepaling machtigt de lidstaat waar wordt gewerkt om in zijn wetgeving te voorzien in de schorsing van het recht op gezinsbijslagen door het ter zake bevoegde orgaan voor die gevallen waarbij er in de lidstaat waar het gezin woont geen aanvraag voor gezinsbijslagen is ingediend. De wetgeving van de lidstaat waar wordt gewerkt moet het gebruik van deze mogelijkheid duidelijk afbakenen. Ik vind dat de toetsing „van geval tot geval” die de Commissie voorstelt in haar schriftelijke antwoord aan het Hof ( 25 ) niet alleen in tegenspraak is met haar eerdere schriftelijke opmerkingen met betrekking tot het ontbreken van een beoordelingsbevoegdheid van het bevoegde orgaan in deze materie ( 26 ), maar eveneens met het begrip socialezekerheidsuitkering in de zin van verordening nr. 1408/71 zelf. ( 27 )

62.

Gezien het voorgaande, en in het bijzonder gezien het ontbreken van een beoordelingsbevoegdheid van het bevoegde orgaan in deze materie, ben ik van mening dat de tweede en derde door de verwijzende rechter gestelde vragen geen antwoord behoeven.

VI – Conclusie

63.

Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:

„Het bevoegde orgaan beschikt over geen enkele beoordelingsbevoegdheid bij de beslissing om gezinsbijslagen al dan niet te schorsen op grond van artikel 76, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers, zelfstandigen en hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006. Deze bepaling machtigt de lidstaat waar wordt gewerkt om in zijn wetgeving te voorzien in de schorsing van het recht op gezinsbijslagen door het ter zake bevoegde orgaan voor die gevallen waarbij er in de lidstaat waar het gezin woont geen aanvraag voor gezinsbijslagen is ingediend. De wetgeving van de lidstaat waar wordt gewerkt moet het gebruik dat van deze mogelijkheid kan worden gemaakt duidelijk afbakenen.”


( 1 )   Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 )   PB 1997, L 28, blz. 1.

( 3 )   PB L 392, blz. 1.

( 4 )   In tegenstelling tot het standpunt van de Familienkasse.

( 5 )   Arresten Salzano (C‑191/83, EU:C:1984:343), Ferraioli (C‑153/84, EU:C:1986:168) en Kracht (C‑117/89, EU:C:1990:279).

( 6 )   Arrest Klöppel (C‑507/06, EU:C:2008:110, punt 16) en arrest Xhymshiti (C‑247/09, EU:C:2010:698, punt 43).

( 7 )   Deze bepaling werd opgenomen bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van verordening nr. 574/72 (PB L 331, blz. 1), en trad in werking op 1 mei 1990. Het doel van deze bepaling werd niet vermeld in de considerans van verordening nr. 3427/89. Bovendien bevond deze, bij verordening nr. 3427/89 ingevoerde, bepaling zich nog niet in het voorstel tot wijziging van verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 574/72 [COM(88) 27 def.] dat door de Commissie bij de Raad werd ingediend op 5 februari 1988 (zie punt 29 van deze conclusie). Ik wijs er tevens op dat besluit nr. 147 van de Administratieve Commissie van de Europese gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 10 oktober 1990 (91/425/EEG) betreffende de toepassing van artikel 76 van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 235, blz. 21), welk besluit vooral de wijze van toepassing van genoemd artikel definieert wat betreft de door het orgaan van de woonplaats aan het bevoegde orgaan te verschaffen inlichtingen bij een schorsing van bijslagen krachtens lid 2 van dat artikel, wat betreft de vergelijking tussen de bedragen waarin de twee betrokken wetgevingen voorzien, en wat betreft de vaststelling van de eventuele aanvullende bedragen die het bevoegde orgaan moet uitkeren ter compensatie van het verschil, ook geen duidelijkheid verschaft over het doel van deze bepaling.

( 8 )   Arrest Bosmann (C‑352/06, EU:C:2008:290, punt 17).

( 9 )   Zie met name de arresten Dodl en Oberhollenzer (C‑543/03, EU:C:2005:364, punt 45), Weide (C‑153/03, EU:C:2005:428, punt 20) en Slanina (C‑363/08, EU:C:2009:732, punt 21).

( 10 )   Arrest Schwemmer (C‑16/09, EU:C:2010:605, punt 45).

( 11 )   Zie in die zin arrest Dodl en Oberhollenzer (EU:C:2005:364, punt 51). In overeenstemming met het doel om ongerechtvaardigde cumulaties van de in punt 27 van de considerans van verordening nr. 1408/71 genoemde uitkeringen te vermijden, bepaalt artikel 12 van die verordening, getiteld „Non-cumulatie van uitkeringen”, immers onder andere in lid 1: „Krachtens deze verordening kan geen recht worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering.” Aangezien artikel 12 van verordening nr. 1408/71 zich bevindt in de algemene bepalingen van titel I, is het daarin bepaalde van toepassing op de voorrangsregels voor cumulatie van het recht op gezinsbijslagen in artikel 76 van diezelfde verordening. Zie ook mijn conclusie in de zaak Wiering (C‑347/12, EU:C:2013:504, punten 51 en 52).

( 12 )   In het arrest Ferraioli (EU:C:1986:168) heeft het Hof erop gewezen dat het met de Verdragen beoogde doel, namelijk het tot stand brengen van een vrij verkeer van werknemers, bepalend is voor de uitlegging van verordening nr. 1408/71, en dat artikel 76 van die verordening niet zodanig mag worden toegepast dat de werknemer zijn recht op de gunstigste bijslag verliest doordat de bijslag van een lidstaat wordt vervangen door de bijslag die door een andere lidstaat verschuldigd is. Volgens het Hof vereisen de leidende beginselen van verordening nr. 1408/71 dat, wanneer het bedrag van de uitkeringen in de lidstaat waar het gezin woont lager is dan dat van de door de andere lidstaat toegekende uitkering, de werknemer de hoogste uitkering blijft genieten en van het bevoegde orgaan van deze laatste lidstaat een aanvullende bijslag ontvangt ter hoogte van het verschil tussen de twee bedragen. De Uniewetgever heeft uitvoeringsbepalingen voor de anticumulatievoorschriften voor gezinsbijslagen vastgesteld die met name de informatie-uitwisseling tussen de organen van de lidstaten waar wordt gewoond en gewerkt regelen, met het oog op vergelijking van de bewuste bijslagen en hun bedragen om de hoogte van de eventuele aanvulling te kunnen vaststellen. Zie met name besluit nr. 91/425. Zie mijn conclusie in de zaak Wiering (EU:C:2013:504, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 13 )   Arrest Schwemmer (C‑16/09, EU:C:2010:605, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 14 )   Punten 6 en 7.

( 15 )   Arrest Kracht (EU:C:1990:279, punt 11).

( 16 )   In de bewoording van de bepaling „verschuldigd”.

( 17 )   Ik merk op dat het Hof er in punt 54 van het arrest Schwemmer (EU:C:2010:605) op heeft gewezen dat in de arresten Ragazzoni (EU:C:1978:88), Salzano (EU:C:1984:343), Ferraioli (EU:C:1986:168) en Kracht (EU:C:1990:279) het ontbreken van een voorafgaande aanvraag geen gevolgen heeft gehad voor de antwoorden van het Hof in deze zaken.

( 18 )   Zie naar analogie arrest Schwemmer (EU:C:2010:605, punt 58). Krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 1408/71 was immers alleen een aanvullende uitkering ter hoogte van het verschil tussen een hogere Duitse uitkering en een lagere Belgische uitkering verschuldigd, ondanks het feit dat Fassbender-Firman en haar echtgenoot in beide lidstaten recht hadden op gezinsbijslagen voor hun zoon.

( 19 )   Zie in die zin arrest Lachheb en Lachheb (C‑177/12, EU:C:2013:689, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De cursivering is van mij.

( 20 )   Arresten Kracht (EU:C:1990:279, punt 10) en Schwemmer (EU:C:2010:605, punt 56).

( 21 )   Zie naar analogie arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415, punten 58 en 59).

( 22 )   Zie punt 12 van deze conclusie. De Familienkasse lijkt immers van oordeel te zijn dat een aanvullende toeslag ter hoogte van het verschil uitbetaald dient te worden.

( 23 )   Zie punt 30 van deze conclusie.

( 24 )   Zie punt 34 van deze conclusie.

( 25 )   Zie punt 29 van deze conclusie.

( 26 )   Zie punten 27 en 53 van deze conclusie.

( 27 )   Zie punt 50 van deze conclusie.

Top