EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62012CJ0394

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 december 2013.
Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt.
Verzoek van het Asylgerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk Europees asielstelsel – Verordening (EG) nr. 343/2003 – Bepaling van lidstaat die verantwoordelijk is voor behandeling van asielverzoek – Toetsing van eerbiediging van criteria voor bepalen van verantwoordelijkheid voor behandeling van asielverzoek – Omvang van rechterlijke toetsing.
Zaak C‑394/12.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:813

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

10 december 2013 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk Europees asielstelsel — Verordening (EG) nr. 343/2003 — Bepaling van lidstaat die verantwoordelijk is voor behandeling van asielverzoek — Toetsing van eerbiediging van criteria voor bepalen van verantwoordelijkheid voor behandeling van asielverzoek — Omvang van rechterlijke toetsing”

In zaak C‑394/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Asylgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 21 augustus 2012, ingekomen bij het Hof op 27 augustus 2012, in de procedure

Shamso Abdullahi

tegen

Bundesasylamt,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, T. von Danwitz, E. Juhász, A. Borg Barthet, C. G. Fernlund en J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresidenten, A. Rosas (rapporteur), G. Arestis, J. Malenovský, A. Prechal, E. Jarašiūnas en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2013,

gelet op de opmerkingen van:

S. Abdullahi, vertegenwoordigd door E. Daigneault en R. Seidler, Rechtsanwälte,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Papagianni, L. Kotroni en M. Michelogiannaki als gemachtigden,

de Franse regering, vertegenwoordigd door S. Menez als gemachtigde,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Palatiello, avvocato dello Stato,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Fehér, G. Koós en K. Szíjjártó als gemachtigden,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Beeko als gemachtigde, bijgestaan door S. Lee, barrister,

de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en M. Condou-Durande als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2013,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 10, 16, 18 en 19 van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1).

2

Dit verzoek in ingediend in het kader van een geding tussen S. Abdullahi, een Somalische staatsburger, en het Bundesasylamt (federale dienst voor asiel), over het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek dat zij bij die dienst heeft ingediend.

Toepasselijke bepalingen

Verdrag van Genève

3

Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [Recueil des traités des Nations unies, vol. 189, blz. 150, nr. 2545 (1954); hierna: „Verdrag van Genève”], is in werking getreden op 22 april 1954. Het is aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 31 januari 1967 (hierna: „Protocol van 1967”), dat in werking is getreden op 4 oktober 1967.

4

Alle lidstaten zijn partij bij het Verdrag van Genève en bij het Protocol van 1967. Ook de Republiek IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat zijn partij. De Europese Unie is geen partij bij het Verdrag van Genève en ook niet bij het Protocol van 1967, maar artikel 78 VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) bepalen dat het recht op asiel is gegarandeerd, met name met inachtneming van dit verdrag en dit protocol.

Recht van de Unie

5

Ter verwezenlijking van de op 8 en 9 december 1989 door de Europese Raad van Straatsburg vastgestelde doelstelling, het asielbeleid te harmoniseren, hebben de lidstaten op 15 juni 1990 te Dublin de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (PB 1997, C 254, blz. 1; hierna: „Overeenkomst van Dublin”) ondertekend. Deze overeenkomst is op 1 september 1997 in werking getreden voor de twaalf aanvankelijke ondertekenende landen, op 1 oktober 1997 voor de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden en op 1 januari 1998 voor de Republiek Finland.

6

De conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 voorzagen met name in de totstandbrenging van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel.

7

Bij het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997 is in het EG-Verdrag een artikel 63 ingevoegd, waarbij aan de Europese Gemeenschap de bevoegdheid is verleend om de door de Europese Raad van Tampere aanbevolen maatregelen vast te stellen. Door de vaststelling van deze bepaling kon tussen de lidstaten, met uitzondering van het Koninkrijk Denemarken, de Overeenkomst van Dublin worden vervangen door verordening nr. 343/2003, die op 17 maart 2003 in werking is getreden.

8

Op deze rechtsgrondslag zijn ook verschillende richtlijnen vastgesteld, waaronder:

richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12, en rectificatie in PB 2005, L 204, blz. 24), die is vervangen door richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337, blz. 9), en

richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, blz. 13), die is vervangen door richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180, blz. 60).

Verordening nr. 343/2003

9

In de punten 3 en 4 van de considerans van verordening nr. 343/2003 wordt verklaard:

„(3)

In de conclusies van Tampere werd ook aangegeven dat een gemeenschappelijk asielstelsel op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

(4)

Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen.”

10

Verordening nr. 343/2003 stelt, volgens artikel 1 ervan, de criteria en instrumenten vast om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend.

11

Artikel 3, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„De lidstaten behandelen elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.”

12

Om de „verantwoordelijke lidstaat” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2006 te kunnen bepalen voorzien de artikelen 6 tot en met 14 van deze verordening, die deel uitmaken van hoofdstuk III, „Rangorde van de criteria”, in een samenstel van objectieve en hiërarchisch geordende criteria inzake niet begeleide minderjarigen, eenheid van het gezin, afgifte van een verblijfsvergunning of van een visum, ongeoorloofde binnenkomst of ongeoorloofd verblijf in een lidstaat, legale binnenkomst in een lidstaat en in de internationale transitzone van een luchthaven ingediende verzoeken.

13

Artikel 10 van die verordening luidt als volgt:

„1.   Wanneer is vastgesteld, aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 18, lid 3, genoemde lijsten, inclusief de gegevens zoals bedoeld in hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 2725/2000 [van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van ‚Eurodac’ voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (PB L 316, blz. 1)], dat een asielzoeker op illegale wijze de grens van een lidstaat heeft overschreden via het land, de zee of de lucht of komende vanuit een derde land, dan berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij die lidstaat. Deze verantwoordelijkheid eindigt twaalf maanden na de datum waarop de illegale grensoverschrijding heeft plaatsgevonden.

2.   Wanneer een lidstaat niet of niet meer verantwoordelijk kan worden gesteld overeenkomstig lid 1 en wanneer, aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 18, lid 3, genoemde lijsten, is vastgesteld dat de asielzoeker – die illegaal of op onbekende wijze het grondgebied van de lidstaten is binnengekomen – ten tijde van het indienen van het verzoek gedurende een daaraan voorafgaande onafgebroken periode van ten minste vijf maanden in een lidstaat heeft verbleven, dan berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij die lidstaat.

Indien de asielzoeker gedurende perioden van ten minste vijf maanden in verscheidene lidstaten heeft verbleven, dan is de lidstaat waar dit het meest recentelijk het geval was, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.”

14

Artikel 13 van die verordening bepaalt dat wanneer volgens de rangorde van de in deze verordening vastgestelde criteria geen lidstaat kan worden aangewezen, de lidstaat waar het verzoek het eerst werd ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

15

Artikel 16 van verordening nr. 343/2003 bepaalt:

„1.   De lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is verplicht:

a)

een asielzoeker die zijn verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend, volgens de in de artikelen 17 tot en met 19 bepaalde voorwaarden over te nemen;

b)

het asielverzoek volledig te behandelen;

[...]

2.   Indien een lidstaat de asielzoeker een verblijfstitel verstrekt, gaan de in lid 1 genoemde verplichtingen over op deze lidstaat.

3.   De in lid 1 genoemde verplichtingen komen te vervallen indien de betrokken onderdaan van een derde land het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten, tenzij hij houder is van een geldige verblijfstitel die door de verantwoordelijke lidstaat is afgegeven.

[...]”

16

Volgens artikel 17 van deze verordening kan de lidstaat waarbij een asielverzoek is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, deze andere lidstaat zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek om overname verzoeken.

17

Artikel 18 van die verordening luidt als volgt:

„1.   De lidstaat die om overname wordt verzocht, verricht de nodige naspeuringen en reageert op het verzoek tot overname van de asielzoeker binnen twee maanden nadat hij het heeft ontvangen.

2.   Voor het afhandelen van de in deze verordening vastgestelde procedure ter bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielverzoek, worden bewijsmiddelen en indirecte bewijzen gebruikt.

3.   Overeenkomstig artikel 27, lid 2, worden twee lijsten opgesteld die op gezette tijden worden getoetst en waarin volgens onderstaande criteria de bewijsmiddelen en indirecte bewijzen worden vermeld:

a)

Bewijsmiddelen

i)

Dit zijn formele bewijzen die overeenkomstig de verordening de verantwoordelijkheid bepalen, zolang er geen bewijs is van het tegendeel.

ii)

De lidstaten leveren het comité van artikel 27 modellen van de verschillende soorten administratieve documenten, overeenkomstig de in de lijst van formele bewijzen gegeven type-indeling.

b)

Indirecte bewijzen

i)

Dit zijn aanwijzingen die, hoewel weerlegbaar, in sommige gevallen voldoende kunnen zijn, overeenkomstig de bewijskracht die eraan wordt toegekend.

ii)

De kracht van bewijs van deze aanwijzingen wordt, in samenhang met de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van het asielverzoek, per geval bekeken.

4.   De bewijsvereisten mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de correcte toepassing van deze verordening.

5.   Indien formele bewijzen ontbreken, erkent de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid wanneer de indirecte bewijzen samenhangend, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is.

[...]

7.   Het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn van twee maanden en van de in lid 6 bedoelde termijn van een maand, staat gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.”

18

Artikel 19, leden 1 tot en met 4, van verordening nr. 343/2003 luidt als volgt:

„1.   Wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname van een asielzoeker, stelt de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend, de asielzoeker in kennis van de beslissing om het asielverzoek niet te behandelen en van de verplichting om de asielzoeker over te dragen aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling.

2.   De in lid 1 bedoelde beslissing wordt gemotiveerd. In de kennisgeving wordt vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien de asielzoeker zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Tegen deze beslissing kan beroep of bezwaar worden aangetekend. Dit heeft geen opschortende werking voor de overdracht, tenzij het gerecht of de bevoegde instantie, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, naargelang van het geval een andersluidende beslissing neemt.

3.   De asielzoeker wordt overeenkomstig de nationale wetgeving door de lidstaat waar het verzoek is ingediend, na overleg tussen de betrokken lidstaten overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft.

[...]

4.   Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Indien de overdracht wegens detentie van de asielzoeker niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de asielzoeker onderduikt.”

19

Verordening nr. 343/2003 is ingetrokken en vervangen door verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (PB L 180, blz. 31).

Verordening (EG) nr. 1560/2003

20

Artikel 3, „Behandeling van een overnameverzoek”, van verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 343/2003 (PB L 222, blz. 3), luidt als volgt:

„1.   De juridische en feitelijke argumenten die in het verzoek zijn uiteengezet, worden onderzocht in het licht van de bepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 en van de lijsten van bewijsmiddelen en indirecte bewijzen die in bijlage II bij de onderhavige verordening zijn opgenomen.

2.   Ongeacht de criteria en bepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 die in het overnameverzoek zijn vermeld, onderzoekt de aangezochte lidstaat, binnen de in artikel 18, leden 1 en 6, van genoemde verordening vastgestelde termijnen, uitvoerig en objectief en met inachtneming van alle inlichtingen waarover hij direct of indirect beschikt, of is aangetoond dat hij verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Wanneer uit het onderzoek van de aangezochte staat blijkt dat hij op grond van ten minste een van de criteria van verordening (EG) nr. 343/2003 verantwoordelijk is, dient deze lidstaat zijn verantwoordelijkheid te erkennen.”

21

Artikel 4, „Behandeling van een terugnameverzoek”, van verordening nr. 1560/2003 bepaalt:

„Wanneer een terugnameverzoek is gebaseerd op gegevens die door de centrale eenheid van Eurodac zijn verstrekt en door de verzoekende lidstaat overeenkomstig artikel 4, lid 6, van verordening (EG) nr. 2725/2000 zijn gecontroleerd, erkent de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid, tenzij uit zijn onderzoek blijkt dat zijn verantwoordelijkheid krachtens de bepalingen van artikel 4, lid 5, tweede alinea, of krachtens artikel 16, leden 2, 3 of 4, van verordening (EG) nr. 343/2003 heeft opgehouden te bestaan. Het feit dat de verantwoordelijkheid krachtens deze bepalingen heeft opgehouden te bestaan, mag alleen worden ingeroepen op grond van feitelijke bewijzen of uitvoerige en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker.”

22

Artikel 5, „Negatief antwoord”, van deze verordening luidt als volgt:

„1.   Wanneer de aangezochte lidstaat na onderzoek van oordeel is dat op grond van de voorgelegde elementen niet kan worden besloten dat hij verantwoordelijk is, wordt het negatieve antwoord dat hij de verzoekende lidstaat toezendt uitvoerig gemotiveerd en worden de redenen voor de weigering in detail uiteengezet.

2.   Wanneer de verzoekende lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, kan hij vragen dat zijn verzoek opnieuw wordt onderzocht. Van deze mogelijkheid moet gebruik worden gemaakt binnen de drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord. De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden. Deze aanvullende procedure leidt er in geen geval toe dat de in artikel 18, leden 1 en 6, en artikel 20, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde termijnen opnieuw ingaan.”

23

Artikel 14, „Bemiddeling”, van deze verordening luidt als volgt:

„1.   Wanneer de lidstaten het blijvend oneens zijn over de noodzaak van een overdracht of een hereniging uit hoofde van artikel 15 van verordening (EG) nr. 343/2003, of over de lidstaat waar de betrokken personen moeten worden herenigd, kunnen zij gebruikmaken van de bemiddelingsprocedure van lid 2 van dit artikel.

2.   De bemiddelingsprocedure wordt ingeleid door een verzoek dat door een van de lidstaten die het niet eens zijn tot de voorzitter van het comité ingesteld bij artikel 27 van verordening (EG) nr. 343/2003 wordt gericht. Door te aanvaarden dat gebruik wordt gemaakt van de bemiddelingsprocedure, verbinden de betrokken lidstaten zich ertoe zoveel mogelijk rekening te houden met de oplossing die zal worden voorgesteld.

De voorzitter van het comité wijst drie leden van het comité aan die drie lidstaten vertegenwoordigen die niet bij de zaak zijn betrokken. Deze ontvangen, schriftelijk of mondeling, de argumenten van de partijen en stellen binnen een termijn van één maand, in voorkomend geval na een stemming, één oplossing voor.

De voorzitter van het comité, of zijn plaatsvervanger, zit de beraadslagingen voor. Hij mag zijn standpunt kenbaar maken, maar neemt niet deel aan de stemming.

De voorgestelde oplossing is definitief, ongeacht of zij door de partijen wordt aanvaard of verworpen, en kan in geen geval worden herzien.”

24

Dit artikel 14 is ingetrokken bij verordening nr. 604/2013, maar de inhoud ervan is overgenomen in artikel 37 van laatstgenoemde verordening.

Richtlijn 2005/85

25

In punt 29 van de considerans van richtlijn 2005/85 staat te lezen:

„Deze richtlijn heeft geen betrekking op procedures die vallen onder [verordening nr. 343/2003].”

Oostenrijks recht

26

In § 18, lid 1, van het Bundesgesetz über die Gewährung von Asyl (Asylgesetz 2005) [federale wet betreffende het verlenen van asiel (asielwet 2005) BGBl. I, 100/2005] wordt bepaald:

„Het Bundesasylamt en het Asylgerichtshof moeten in alle fasen van de procedure ambtshalve ervoor zorgen dat de voor de beslissing relevante gegevens worden verstrekt of ontbrekende gegevens over de ter onderbouwing van het verzoek aangevoerde omstandigheden worden aangevuld, het bewijsmateriaal inzake die gegevens wordt gespecificeerd of het aangedragen bewijsmateriaal wordt aangevuld en alle inlichtingen worden verschaft die voor de onderbouwing van het verzoek noodzakelijk worden geacht. Zo nodig, moet ook ambtshalve voor bewijzen worden gezorgd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

27

Abdullahi is een Somalische staatsburger van 22 jaar. In april 2010 is zij met het vliegtuig naar Syrië gereisd en van daaruit is zij in juli van hetzelfde jaar naar Turkije getrokken alvorens illegaal met een boot Griekenland binnen te komen. Abdullahi heeft geen asielverzoek ingediend bij de Griekse regering. Met de hulp van smokkelaars is zij samen met andere personen vervolgens via de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië en Hongarije naar Oostenrijk gereisd. De grenzen van al deze landen werden illegaal overschreden. Abdullahi is in Oostenrijk in de buurt van de Hongaarse grens gearresteerd door Oostenrijkse politieagenten, die – door ook andere reisgenoten te ondervragen – de reisweg van Abdullahi hebben vastgesteld.

28

In Oostenrijk heeft Abdullahi op 29 augustus 2011 bij de bevoegde autoriteit, het Bundesasylamt, een verzoek om internationale bescherming ingediend. Op 7 september 2011 heeft het Bundesasylamt, overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 343/2003 een overnameverzoek gericht aan Hongarije, dat daarmee heeft ingestemd per brief van 29 september 2011. Ter motivering van deze beslissing heeft Hongarije aangegeven dat volgens de door Abdullahi afgelegde verklaringen, zoals deze hem door de Republiek Oostenrijk waren meegedeeld, en de beschikbare algemene informatie over de reisroutes van illegale migranten afdoende was aangetoond, dat de betrokkene vanuit Servië illegaal Hongarije was binnengekomen en vervolgens onmiddellijk naar Oostenrijk was gereisd.

29

Bij besluit van 30 september 2011 heeft het Bundesasylamt het asielverzoek van Abdullahi in Oostenrijk niet-ontvankelijk verklaard en haar overdracht aan de Republiek Hongarije gelast.

30

Tegen dat besluit heeft Abdullahi beroep ingesteld bij het Asylgerichtshof, dat dit beroep bij arrest van 5 december 2011 heeft toegewezen wegens proceduregebreken. Bij dat beroep zou immers kritiek zijn geuit op de asielsituatie in Hongarije tegen de achtergrond van artikel 3 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), dat folteringen en onmenselijke en vernederende behandelingen verbiedt, en het Bundesasylamt zou de situatie in Hongarije op basis van achterhaalde gegevens hebben beoordeeld

31

Ten vervolge op deze beslissing van het Asylgerichtshof heeft het Bundesasylamt de bestuurlijke procedure voortgezet en bij besluit van 26 januari 2012 het asielverzoek nogmaals niet-ontvankelijk verklaard en tegelijkertijd beslist dat Abdullahi aan Hongarije zou worden overgedragen. Ter ondersteuning van zijn besluit heeft het Bundesasylamt, dat zijn gegevens betreffende Hongarije had bijgewerkt, onder meer geoordeeld dat een overdracht van Abdullahi aan deze staat de rechten die Abdullahi aan artikel 3 EVRM ontleent, niet zou aantasten.

32

Ook tegen dit besluit heeft Abdullahi, op 13 februari 2012, bij het Asylgerichtshof een beroep ingesteld, waarin zij voor het eerst aanvoerde dat niet Hongarije, maar de Helleense Republiek de voor de behandeling van haar asielverzoek verantwoordelijke lidstaat was. Zij stelde echter dat laatstgenoemde lidstaat op bepaalde punten de mensenrechten niet eerbiedigde, zodat het aan de Oostenrijkse autoriteiten stond, haar asielverzoek te behandelen.

33

Deze autoriteiten hebben de Helleense Republiek niet geraadpleegd en bij deze lidstaat ook geen verzoek tot overname ingediend.

34

Bij arrest van 14 februari 2012 heeft het Asylgerichtshof dit beroep van Abdullahi ongegrond verklaard op grond dat volgens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 343/2003 Hongarije de voor behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat was.

35

Daarop heeft Abdullahi zich tot het Verfassungsgerichtshof gewend en in wezen het argument herhaalt dat niet Hongarije, maar de Helleense Republiek de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat was. Bij arrest van 27 juni 2012 (U 350/12‑12) heeft het Verfassungsgerichtshof het arrest van het Asylgerichtshof van 14 februari 2012 vernietigd. Ter motivering van deze beslissing werd verwezen naar een ander arrest, dat op dezelfde dag is gewezen in een zaak waarin vergelijkbare feiten aan de orde waren (arrest U 330/12‑12). In dit laatste arrest heeft het Verfassungsgerichtshof de stelling waarop het Asylgerichtshof zijn beslissing houdende bekrachtiging van de overdracht van Abdullahi aan Hongarije had gebaseerd, namelijk dat een op artikel 10, lid 1, van verordening nr. 343/2003 gebaseerde verantwoordelijkheid (die van de Helleense Republiek) wegvalt wanneer een persoon, zij het voor een korte periode, in een derde land (in het onderhavige geval de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Servië) heeft verbleven, als „dubieus” aangemerkt. Volgens het Verfassungsgerichtshof neemt het feit dat het Asylgerichtshof ter rechtvaardiging van zijn beslissing dat Hongarije de verantwoordelijke lidstaat is, naar de Duitse en Oostenrijkse rechtsleer over verordening nr. 343/2003 heeft verwezen, niet weg dat sommige Oostenrijkse auteurs de tegenovergestelde stelling verdedigen. Dat Abdullahi verder is gereisd naar een derde land, zou volgens artikel 16, lid 3, van verordening nr. 343/2003 de op de Helleense Republiek rustende verplichting tot overname slechts doen vervallen indien de betrokken persoon het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden had verlaten. Verder zou de verwijzing naar het arrest van het Hof van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, Jurispr. blz. I-13905), niet ter zake dienend zijn, daar de in dat arrest aan de orde zijnde feitelijke situatie niet vergelijkbaar is met die in het hoofdgeding.

36

Van oordeel dat het Hof om een prejudiciële beslissing over deze vraag had moeten worden verzocht, heeft het Verfassungsgerichtshof het arrest van het Asylgerichtshof vernietigd op grond dat deze rechterlijke instantie inbreuk heeft gemaakt op het recht van Abdullahi op een procedure voor de rechter die de wet haar toewijst (zogenoemd beginsel van de „wettelijke rechter”).

37

Dit arrest van het Verfassungsgerichtshof van 27 juni 2012 is op 10 juli 2012 aan het Asylgerichtshof betekend. Sindsdien is de procedure hangende voor het Asylgerichtshof.

38

Omdat het Verfassungsgerichtshof twijfel heeft geuit omtrent het belang dat is gehecht aan de omstandigheid dat een lidstaat zijn verantwoordelijkheid heeft aanvaard, behandelt de verwijzende rechterlijke instantie in de eerste plaats dit punt. Zij wijst erop dat toetsing van de verantwoordelijkheid van de lidstaat een zeer ruime onderzoeksverplichting zou meebrengen, die onverenigbaar is met de spoed die voor het bepalen van de bevoegde lidstaat is vereist. Daarbij komt dat verordening nr. 343/2003 de asielzoeker weliswaar het recht verleent om op te komen tegen zijn overdracht, maar geen grond oplevert voor een recht op een asielprocedure in een bepaalde lidstaat naar keuze van de asielzoeker. Volgens het bij deze verordening tot stand gebrachte stelsel zouden alleen de lidstaten onderling – voor beroep vatbare – subjectieve rechten met betrekking tot de eerbiediging van de criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat hebben. Het Asylgerichtshof beklemtoont ook dat het gevaar bestaat dat een beslissing waarbij een nationale rechterlijke instantie een andere bevoegde lidstaat aanwijst, in de praktijk ten aanzien van die lidstaat niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wegens de in die verordening gestelde termijnen.

39

In de tweede plaats onderzoekt het Asylgerichtshof de eventuele verantwoordelijkheid van de Helleense Republiek voor het geval dat geen rekening mag worden gehouden met de aanvaarding door Hongarije. De verwijzende rechterlijke instantie leidt uit de punten 44 en 45 van het arrest van 3 mei 2012, Kastrati (C‑620/10), af dat artikel 16, lid 3, van verordening nr. 343/2003, volgens hetwelk de verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat komen te vervallen indien de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten, niet van toepassing is wanneer nog geen asielverzoek is ingediend. Verder wijst het erop dat deze bepaling deel uitmaakt van de procedurele voorschriften van deze verordening en niet van hoofdstuk III van deze verordening, waarin de criteria inzake de materiële bevoegdheid zijn vastgesteld. De verwijzende rechterlijke instantie merkt ook op dat ook verordening nr. 1560/2003 artikel 16, lid 3, van verordening nr. 343/2003 slechts vermeldt in artikel 4, betreffende het terugnameverzoek, en niet in artikel 3, betreffende het overnameverzoek. Ten slotte beklemtoont deze rechterlijke instantie dat de verplichting tot verificatie van de reisroute van de asielzoeker en van de data waarop deze het grondgebied van de Unie is binnengekomen en het weer heeft verlaten, heel wat tijd kan vergen en netelige bewijsproblemen kan doen rijzen, waardoor de procedure en de periode van onzekerheid voor de asielzoeker langer kunnen duren.

40

In de derde en laatste plaats wijst de verwijzende rechterlijke instantie erop – voor het geval dat zou moeten worden geoordeeld dat in het hoofdgeding de Helleense Republiek de bevoegde lidstaat was – dat indien een overdracht aan de Helleense Republiek niet mogelijk is wegens structurele tekortkomingen van het asielstelsel in die staat, de asielzoekers de mogelijkheid krijgen een lidstaat van bestemming te kiezen die materieel verantwoordelijk zal zijn voor de tenuitvoerlegging van de asielprocedure, hetgeen in strijd zou zijn met de doelstellingen van verordening nr. 343/2003. Zij vraagt zich af of, gelet op deze overwegingen, de Helleense Republiek van meet af aan, dit wil zeggen reeds in de fase van het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat, kan worden uitgesloten. Een andere mogelijkheid zou erin bestaan, Hongarije in overweging te nemen bij de toepassing van de „verdere criteria”, een in punt 96 van het reeds aangehaalde arrest N. S. e.a. gebruikte uitdrukking die vragen doet rijzen.

41

Daarop heeft het Asylgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moeten [de artikelen 19 en 18 van verordening nr. 343/2003, in hun onderlinge samenhang gelezen], aldus worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat overeenkomstig deze bepalingen [instemt met de overname van een asielzoeker], dit de lidstaat is die volgens artikel 16, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, of moet krachtens het Unierecht de nationale beroepsinstantie, wanneer zij in de loop van een procedure betreffende een overeenkomstig artikel 19, lid 2, van verordening nr. 343/2003 ingesteld beroep of bezwaar – ongeacht deze instemming – van oordeel is dat een andere lidstaat overeenkomstig hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 de verantwoordelijke lidstaat is (ook wanneer aan deze lidstaat geen overnameverzoek is gericht of deze geen instemming heeft gegeven), de verantwoordelijkheid van die andere lidstaat voor de bij haar aanhangige procedure betreffende het beroep of bezwaar bindend vaststellen? Heeft iedere asielzoeker in dit verband een subjectief recht op behandeling van zijn asielverzoek door een bepaalde lidstaat die op grond van deze bevoegdheidscriteria verantwoordelijk is?

2)

Moet artikel 10, lid 1, van verordening nr. 343/2003 aldus worden uitgelegd dat de lidstaat waarin een eerste illegale binnenkomst plaatsvindt (‚eerste lidstaat’), zijn verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een staatsburger van een derde land moet erkennen, wanneer de hierna beschreven situatie zich voordoet? Een staatsburger van een derde land komt vanuit een derde land illegaal de betrokken eerste lidstaat binnen. Hij dient in deze lidstaat geen asielverzoek in. Vervolgens vertrekt hij naar een derde land. Na minder dan drie maanden komt hij vanuit een derde land een andere lidstaat van de Europese Unie (‚tweede lidstaat’) illegaal binnen. Vanuit die tweede lidstaat reist hij meteen door naar een derde lidstaat, waar hij zijn eerste asielverzoek indient. Tussen het moment van indiening van het asielverzoek en de illegale binnenkomst in de eerste lidstaat zijn minder dan twaalf maanden verstreken.

3)

Ongeacht het antwoord op de tweede vraag, wanneer de betrokken ‚eerste lidstaat’ een lidstaat is waarvan het asielstelsel structurele gebreken vertoont, zoals die welke zijn beschreven in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, M.S.S./België en Griekenland (verzoekschrift nr. 30696/09), dient de beoordeling van de lidstaat die primair verantwoordelijk is in de zin van verordening nr. 343/2003 dan op een andere manier te gebeuren, ongeacht het arrest van het Hof [N. S. e.a., reeds aangehaald]? Moet met name worden aangenomen dat een verblijf in een dergelijke lidstaat a priori geen omstandigheid kan vormen waarop de verantwoordelijkheid kan worden gebaseerd in de zin van artikel 10 van verordening nr. 343/2003?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

42

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 19, lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten verplicht te bepalen dat een asielzoeker het recht heeft om in het kader van een beroep tegen een op grond van artikel 19, lid 1, van die verordening genomen besluit tot overdracht te verzoeken dat de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat wordt getoetst omdat de criteria van hoofdstuk III van die verordening zijns inziens onjuist zijn toegepast.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

43

Abdullahi en de Europese Commissie voeren aan dat de beroepsinstantie moet nagaan of de criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat zijn geëerbiedigd. Zij verwijzen naar punt 4 van de considerans van verordening nr. 343/2003, volgens hetwelk de methode voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat moet zijn gebaseerd „op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria”.

44

Volgens Abdullahi creëert de vaststelling door verordening nr. 343/2003 van objectieve criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat subjectieve rechten voor de asielzoekers, die kunnen vragen dat wordt nagegaan of deze criteria, daaronder begrepen de feitelijke omstandigheden waaronder de verantwoordelijkheid van een lidstaat niet meer geldt, rechtmatig zijn toegepast. Deze uitlegging zou voldoen aan de eisen van artikel 47 van het Handvest. Verder zou in verordening nr. 343/2003 niet worden bepaald dat een dergelijke toetsing van de rechtmatigheid dient te worden beperkt, bijvoorbeeld tot de vraag of er geen sprake is van willekeur.

45

Onder verwijzing naar artikel 47 van het Handvest betoogt de Commissie dat het in artikel 19, lid 2, van verordening nr. 343/2003 besloten liggende beginsel van de doeltreffendheid van de voorziening in rechte inhoudt dat de asielzoeker kan vragen dat wordt nagegaan of zijn overdracht aan de aangezochte lidstaat rechtmatig is, daaronder begrepen of de in verordening nr. 343/2003 bepaalde rangorde van de criteria en de in die verordening gestelde termijnen zijn geëerbiedigd. De asielzoeker zou ook mogen uiteenzetten waarom hij vreest dat hij in de staat waaraan hij zal worden overgedragen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest zal worden onderworpen. Indien de beroepsinstantie tot de conclusie komt dat het bestreden besluit niet rechtmatig is, zou zij dit dienen te wijzigen of nietig te verklaren en zelf de lidstaat dienen aan te wijzen die volgens haar verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De lidstaat waarin het asielverzoek is ingediend, zou dan de procedure van de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 343/2003 moeten herbeginnen.

46

De Griekse en de Hongaarse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Zwitserse regering zijn daarentegen van mening dat volgens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 343/2003 het beroep slechts betrekking kan hebben op het besluit om het verzoek niet te behandelen en op de verplichting tot overdracht. Het zou slechts kunnen worden gebaseerd op schending van concrete rechten, zoals schending van de grondrechten in de lidstaat van overdracht, of op de bescherming van de eenheid van het gezin. De Griekse en de Hongaarse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk beklemtonen dat onderzoek betreffende de verantwoordelijke lidstaat of raadpleging van een andere lidstaat vertraging zou kunnen meebrengen, terwijl in verordening nr. 343/2003 wordt benadrukt dat de asielverzoeken snel moeten worden behandeld. Dergelijk onderzoek zou niet gerechtvaardigd zijn wanneer door de instemming van een lidstaat het doel van verordening nr. 343/2003, namelijk het bepalen van een voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat, is bereikt.

Antwoord van het Hof

47

De vraag betreft de uitlegging van verordening nr. 343/2003 en de rechten die de asielzoekers genieten op grond van deze verordening, een van de onderdelen van het door de Europese Unie vastgestelde gemeenschappelijk Europees asielstelsel.

48

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 288, tweede alinea, VWEU een verordening een algemene strekking heeft, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. Wegens de aard en de functie ervan in het stelsel van de rechtsbronnen van de Unie, kan zij dus aan particulieren rechten verlenen die de nationale rechterlijke instanties gehouden zijn te beschermen (arresten van 10 oktober 1973, Variola, 34/73, Jurispr. blz. 981, punt 8; 17 september 2002, Muñoz en Superior Fruiticola, C-253/00, Jurispr. blz. I-7289, punt 27, en 14 juli 2011, Bureau National Interprofessionnel du Cognac, C-4/10 en C-27/10, Jurispr. blz. I-6131, punt 40).

49

Nagegaan dient te worden in hoeverre de bepalingen van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 de asielzoekers daadwerkelijk rechten verlenen die de nationale rechterlijke instanties gehouden zijn te beschermen.

50

Vooraf dient erop te worden gewezen dat verordening nr. 343/2003 slechts voorziet in een enkel beroep, namelijk in artikel 19, lid 2, van de verordening. Deze bepaling biedt de asielzoeker de mogelijkheid beroep in te stellen of bezwaar aan te tekenen tegen het besluit om een verzoek niet te behandelen of om hem aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen. In punt 29 van de considerans van richtlijn 2005/85, in hoofdstuk V waarvan de beroepsprocedures in het kader van de behandeling van de asielverzoeken worden beschreven, staat bovendien dat deze richtlijn geen betrekking heeft op de procedures die vallen onder verordening nr. 343/2003.

51

Wat de omvang van het in artikel 19, lid 2, van verordening nr. 343/2003 bedoelde beroep betreft, dient deze verordening niet alleen tegen de achtergrond van de bewoordingen van de bepalingen ervan te worden uitgelegd, maar ook tegen de achtergrond van de algemene opzet, de doelstellingen en de context ervan, met name de evolutie die zij heeft gekend in het kader van het stelsel waarvan zij deel uitmaakt.

52

In dit verband dient enerzijds eraan te worden herinnerd dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is opgezet in een context waarin mag worden aangenomen dat alle staten die aan dit stelsel deelnemen, ongeacht of het om lidstaten of derde staten gaat, de grondrechten eerbiedigen, daaronder begrepen de rechten die het Verdrag van Genève, het Protocol van 1967 of het EVRM als grondslag hebben, en dat er in dit opzicht wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten kan bestaan (arrest N. S. e.a., reeds aangehaald, punt 78).

53

De Uniewetgever heeft juist wegens dat beginsel van wederzijds vertrouwen verordening nr. 343/2003 vastgesteld om de behandeling van asielverzoeken te stroomlijnen en te voorkomen dat het stelsel verstopt raakt doordat de autoriteiten van de staten verschillende asielverzoeken van één verzoeker dienen te behandelen, om meer rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de bepaling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, en om aldus „forum shopping” te voorkomen. Het geheel heeft hoofdzakelijk tot doel om in het belang van zowel de asielzoekers als de deelnemende staten de behandeling van asielverzoeken sneller te laten verlopen (arrest N. S. e.a., reeds aangehaald, punt 79).

54

Anderzijds zijn de op de asielverzoeken toepasselijke regels in ruime mate geharmoniseerd op het niveau van de Unie, met name laatstelijk bij de richtlijnen 2011/95 en 2013/32.

55

Hieruit volgt dat het verzoek van een asielzoeker grotendeels volgens dezelfde regels zal worden behandeld ongeacht welke lidstaat op grond van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek.

56

Uit een aantal bepalingen van de verordeningen nr. 343/2003 en nr. 1560/2003 blijkt overigens dat de wetgever van de Unie voornemens was, ter zake van het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, organisatorische voorschriften vast te stellen die de betrekkingen tussen de lidstaten beheersen, net zoals in de Overeenkomst van Dublin is gebeurd (zie naar analogie arresten van 13 juni 2013, Unanimes e.a., C‑671/11–C‑676/11, punt 28, en Syndicat OP 84, C‑3/12, punt 29).

57

Zo zijn artikel 3, lid 2 (de zogenoemde „soevereiniteitsclausule”), en artikel 15, lid 1 (humanitaire clausule), van verordening nr. 343/2003 gericht op het vrijwaren van de prerogatieven van de lidstaten ter zake van de uitoefening van het recht om asiel te verlenen, ongeacht welke lidstaat volgens de in deze verordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. Aangezien het gaat om facultatieve bepalingen, kennen zij de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid toe (zie in die zin arrest N. S. e.a., reeds aangehaald, punt 65, en arrest van 6 november 2012, K, C‑245/11, punt 27).

58

Ook artikel 23 van verordening nr. 343/2003 staat de lidstaten toe, onderling op bilaterale basis administratieve regelingen voor de praktische toepassing van deze verordening treffen die met name betrekking kunnen hebben op een vereenvoudiging van de procedures en een verkorting van de termijnen voor de indiening en de behandeling van verzoeken tot overname- en terugname van asielzoekers. Bovendien bepaalt artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1560/2003 – thans artikel 37 van verordening nr. 604/2013 – dat, in verschillende gevallen van onenigheid over de toepassing van verordening nr. 343/2003, de lidstaten kunnen gebruikmaken van een bemiddelingsprocedure waaraan wordt deelgenomen door leden van een comité die drie lidstaten vertegenwoordigen die niet bij de zaak zijn betrokken, maar in het kader waarvan niet is bepaald dat de asielzoeker zelf zal worden gehoord.

59

Ten slotte is een van de belangrijkste doelstellingen van verordening nr. 343/2003, zoals uit de punten 3 en 4 van de considerans van deze verordening blijkt, de vaststelling van een duidelijke en hanteerbare methode om snel te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen.

60

De onderhavige zaak draait om het besluit van de lidstaat waar verzoekster in het hoofdgeding haar asielverzoek heeft ingediend, om dit verzoek niet te behandelen en verzoekster aan een andere lidstaat over te dragen. Deze tweede lidstaat heeft ingestemd met de overname van verzoekster in het hoofdgeding op grond van het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 343/2003 genoemde criterium, te weten als de lidstaat waar verzoekster in het hoofdgeding voor het eerst het grondgebied van de Unie is binnengekomen. In een dergelijke situatie, waarin de lidstaat instemt met de overname, en gelet op de in de punten 52 en 53 van het onderhavige arrest vermelde elementen, kan de asielzoeker slechts tegen de keuze van dit criterium opkomen met een beroep op het bestaan van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in deze lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest (zie in die zin arrest N. S. e.a., reeds aangehaald, punten 94 en 106, en arrest van 14 november 2013, Puid, C‑4/11, punt 30).

61

Zoals uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt, wijst echter niets erop dat dit in het kader van het hoofdgeding het geval is.

62

Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 19, lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat, in omstandigheden waarin een lidstaat op grond van het in artikel 10, lid 1, van die verordening genoemde criterium, te weten als de lidstaat waar de asielzoeker voor het eerst het grondgebied van de Unie is binnengekomen, heeft ingestemd met de overname van een asielzoeker, deze asielzoeker slechts tegen de keuze van dit criterium kan opkomen met een beroep op het bestaan van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat die asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Tweede en derde vraag

63

Aangezien de twee andere prejudiciële vragen zijn gesteld voor het geval dat zou worden geoordeeld dat de asielzoeker mocht eisen dat de vaststelling van de voor de behandeling van zijn asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zou worden getoetst, hoeven deze niet te worden beantwoord.

Kosten

64

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 19, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat, in omstandigheden waarin een lidstaat op grond van het in artikel 10, lid 1, van die verordening genoemde criterium, te weten als de lidstaat waar de asielzoeker voor het eerst het grondgebied van de Europese Unie is binnengekomen, heeft ingestemd met de overname van een asielzoeker, deze asielzoeker slechts tegen de keuze van dit criterium kan opkomen met een beroep op het bestaan van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat die asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top