EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62012CJ0351

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 27 februari 2014.
OSA – Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním o.s. tegen Léčebné lázně Mariánské Lázně a.s.
Verzoek van de Krajský soud v Plzni om een prejudiciële beslissing.
Richtlijn 2001/29/EG – Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij – Begrip ‚mededeling aan het publiek’ – Uitzending van werken in de kamers van een kuurinrichting – Rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn – Artikel 56 VWEU en artikel 102 VWEU – Richtlijn 2006/123/EG – Vrij verrichten van diensten – Mededinging – Exclusief recht om auteursrechten collectief te beheren.
Zaak C‑351/12.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:110

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

27 februari 2014 ( *1 )

„Richtlijn 2001/29/EG — Auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij — Begrip ‚mededeling aan publiek’ — Uitzending van werken in kamers van kuurinrichting — Rechtstreekse werking van bepalingen van richtlijn — Artikel 56 VWEU en artikel 102 VWEU — Richtlijn 2006/123/EG — Vrij verrichten van diensten — Mededinging — Exclusief recht om auteursrechten collectief te beheren”

In zaak C‑351/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský soud v Plzni (Tsjechische Republiek) bij beslissing van 10 april 2012, ingekomen bij het Hof op 24 juli 2012, in de procedure

OSA – Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním o.s.

tegen

Léčebné lázně Mariánské Lázně a.s.,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Safjan, J. Malenovský en A. Prechal (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 juni 2013,

gelet op de opmerkingen van:

OSA – Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním o.s., vertegenwoordigd door A. Klech en P. Vojíř, advokáti, en door T. Matějičný als gemachtigde,

Léčebné lázně Mariánské Lázně a.s., vertegenwoordigd door R. Šup, advokát,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Drwięcki, D. Lutostańska en M. Szpunar als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek, I.V. Rogalski en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2013,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10), artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36) en de artikelen 56 VWEU en 102 VWEU.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen OSA – Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním o.s. (hierna: „OSA”), een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten op muzikale werken, enerzijds, en Léčebné lázně Mariánské Lázně a.s. (hierna: „Léčebné lázně”), een vennootschap die een particuliere gezondheidszorginstelling beheert die thermale behandelingen aanbiedt, anderzijds, over de betaling van vergoedingen uit hoofde van auteursrechten in verband met de beschikbaarstelling van televisie‑ en radio-uitzendingen in de kamers van de instelling.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Punt 23 van de considerans van richtlijn 2001/29 luidt als volgt:

„Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.”

4

Artikel 3 van richtlijn 2001/29, met het opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

5

Artikel 5 van richtlijn 2001/29, met het opschrift „Beperkingen en restricties”, luidt:

„[...]

2.   De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2[, met het opschrift ‚Reproductierecht’,] bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:

[...]

e)

met betrekking tot reproducties van uitzendingen door maatschappelijke instellingen met een niet-commercieel oogmerk, zoals ziekenhuizen of gevangenissen, mits de rechthebbenden daarvoor een billijke compensatie krijgen.

3.   De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten stellen ten aanzien van:

[...]

b)

het gebruik ten behoeve van mensen met een handicap, dat direct met de handicap verband houdt en van niet-commerciële aard is en voor zover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is;

[...]

5.   De in de leden [2 en 3] bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”

6

Artikel 4 van richtlijn 2006/123, met het opschrift „Definities”, bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

‚dienst’: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel [57 VWEU];

[...]”

7

Artikel 16 van richtlijn 2006/123, met het opschrift „Vrij verrichten van diensten”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn.

[...]”

8

Artikel 17 van richtlijn 2006/123, met het opschrift „Aanvullende afwijkingen van het vrij verrichten van diensten”, luidt:

„Artikel 16 is niet van toepassing op:

[...]

11)

auteursrechten [en] naburige rechten [...]”

Tsjechisch recht

9

In § 23 van wet nr. 121/2000 inzake het auteursrecht (hierna: „auteurswet”), zoals van toepassing in de periode die in het hoofdgeding aan de orde is, wordt de uitzending via radio of televisie van een werk omschreven als de beschikbaarstelling van het via radio of televisie uitgezonden werk door middel van een toestel dat technisch in staat is radio‑ of televisie‑uitzendingen te ontvangen. Als een dergelijke uitzending wordt evenwel niet beschouwd de beschikbaarstelling van een werk aan patiënten wanneer aan hen zorg wordt verleend in zorginstellingen.

10

§ 98 van de auteurswet stelt het collectief beheer van auteursrechten afhankelijk van de afgifte van een vergunning. Krachtens lid 6, sub c, van dat artikel kan het bevoegde ministerie een dergelijke vergunning enkel verlenen indien er nog geen andere persoon is die reeds over een vergunning beschikt voor de uitoefening van datzelfde recht dat betrekking heeft op hetzelfde beschermde materiaal en, indien het gaat om een werk, voor de uitoefening van datzelfde recht met betrekking tot hetzelfde soort werk.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

OSA vordert van Léčebné lázně betaling van een bedrag van 546995 CZK, vermeerderd met vertragingsrente, aangezien laatstgenoemde in de litigieuze periode – van 1 mei 2008 tot en met 31 december 2009 – zonder een licentieovereenkomst te hebben afgesloten met OSA, in de kamers van haar kuurinrichting televisie‑ en radiotoestellen had geïnstalleerd waarmee zij door OSA beheerde werken beschikbaar stelde aan haar patiënten. Volgens OSA is § 23 van de auteurswet, waarin is bepaald dat zorginrichtingen wanneer zij zorg verstrekken geen vergoeding hoeven te betalen voor auteursrechten, in strijd met richtlijn 2001/29.

12

Léčebné lázně betoogt dat zij valt onder de in voornoemd artikel 23 bedoelde uitzondering en betwist de stelling dat deze bepaling in strijd is met richtlijn 2001/29. Zij voegt hieraan toe dat indien mocht worden geoordeeld dat toch van deze strijdigheid sprake is, op deze richtlijn geen beroep kan worden gedaan in een geding tussen particulieren.

13

Bovendien stelt Léčebné lázně dat OSA misbruik maakt van haar monopoliepositie op de markt, aangezien de hoogte van de vergoedingen onevenredig is in verhouding tot de vergoedingen die in naburige staten voor dezelfde vormen van gebruik van door het auteursrecht beschermde werken worden gevraagd door buitenlandse collectieve beheersorganisaties, zodat verzoeksters marktpositie en vermogen om te concurreren met kuurinrichtingen in naburige staten worden aangetast. Verzoeksters inrichting wordt ook door buitenlandse cliënten bezocht en zij ontvangt ook signalen van buitenlandse radio‑ en televisieomroepen. Zij werpt tegen dat de vrijheid van dienstverrichting wordt beperkt en dat het in haar belang zou zijn wanneer zij een licentieovereenkomst zou kunnen sluiten met een collectieve beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat, waar een lager auteursrecht wordt verlangd.

14

In deze omstandigheden heeft de Krajský soud v Plzni de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet richtlijn [2001/29] aldus worden uitgelegd dat een beperking die auteurs een vergoeding ontzegt voor de mededeling van hun werk via radio‑ of televisie-uitzending door middel van radio‑ of televisieontvangstapparatuur aan patiënten in de kamers van een kuurinrichting die geldt als onderneming, in strijd is met de artikelen 3 en 5 [en met name met artikel 5, lid 2, sub e, lid 3, sub b, en lid 5] ervan?

2)

Is de inhoud van deze bepalingen van de richtlijn inzake bovenbedoeld gebruik van een werk zo nauwkeurig en onvoorwaardelijk dat collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten zich er voor de nationale rechter in een geschil tussen particulieren op kunnen beroepen, indien een lidstaat [richtlijn 2001/29] niet correct in nationaal recht heeft omgezet?

3)

Moeten de artikelen 56 [VWEU] en volgende en artikel 102 [VWEU] of, in voorkomend geval, artikel 16 van richtlijn [2006/123,] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van bepalingen van nationaal recht regeling die het collectieve beheer van auteursrecht op het grondgebied van de [lid]staat voorbehouden aan één collectieve beheersorganisatie [...] (monopolist), zodat afnemers van de dienst niet de vrijheid hebben om te kiezen voor een collectieve beheersorganisatie [...] van een andere lidstaat?”

Heropening van de mondelinge procedure

15

Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 december 2013, heeft Léčebné lázně het Hof verzocht om „maatregelen tot organisatie van de procesgang en van instructie” te gelasten, waaronder de overlegging van een arrest van 14 mei 2013 van de Městský soud v Praze, en heeft zij dat arrest bij voornoemde akte gevoegd. Bij laatstgenoemde akte heeft Léčebné lázně tevens verzocht om heropening van de mondelinge procedure. Dit verzoek wordt gemotiveerd door het feit dat voornoemd arrest verband zou houden met de derde door de verwijzende rechter gestelde vraag, alsmede door het feit dat, volgens Léčebné lázně, de punten 28 en 29 van de conclusie van de advocaat-generaal onjuiste verklaringen bevatten.

16

Gelet op de inhoud ervan dient het bovenbedoelde verzoek, in de huidige stand van de procedure, te worden aangemerkt als een verzoek om heropening van de mondelinge procedure in de zin van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

17

Krachtens deze bepaling kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

18

Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat de eerste door de verwijzende rechter gestelde vraag – waarop de punten 28 en 29 van de conclusie van de advocaat-generaal betrekking hebben – door belanghebbenden voor het Hof uitvoerig is besproken. Het Hof is van oordeel dat het in deze omstandigheden beschikt over alle noodzakelijke gegevens om deze vraag te beantwoorden.

19

Wat vervolgens de beslissing van de Městský soud v Praze betreft, deze kan niet worden geacht een nieuw feit te vormen dat van beslissende invloed kan zijn op het door het Hof te geven antwoord op de derde vraag van de verwijzende rechter.

20

Tot slot is niet aangevoerd dat de onderhavige zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover voor het Hof geen discussie heeft plaatsgevonden.

21

Derhalve dient, de advocaat-generaal gehoord, het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling te worden afgewezen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

22

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het recht van auteurs uitsluit om de mededeling, door een kuurinrichting die handelt als commerciële onderneming, van hun werken middels het bewust verspreiden van een signaal via radio‑ of televisieontvangers in de kamers van de patiënten van die inrichting, toe te staan of te verbieden. De verwijzende rechter wenst voorts te vernemen of artikel 5, lid 2, sub e, lid 3, sub b, en lid 5, van deze richtlijn kan afdoen aan de uitlegging van eerstgenoemde bepaling binnen een dergelijke context.

23

Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat richtlijn 2001/29 als belangrijkste doelstelling heeft een hoog beschermingsniveau voor auteurs te verwezenlijken, zodat deze met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning kunnen ontvangen voor het gebruik van hun werk. Aan het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde begrip „mededeling aan het publiek” moet dus een ruime betekenis worden gegeven, zoals overigens uitdrukkelijk wordt verklaard in punt 23 van de considerans van diezelfde richtlijn (arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C‑607/11, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24

Zoals OSA, de Tsjechische regering en de Europese Commissie terecht aanvoeren, dient te worden geoordeeld dat er sprake is van een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, wanneer de exploitant van een kuurinrichting als aan de orde in het hoofdgeding, zijn patiënten toegang verschaft tot werken die via televisie‑ of radioapparaten worden uitgezonden, doordat deze exploitant het ontvangen signaal – dat de drager is van het beschermde werk – in hun kamers verspreidt.

25

Om te beginnen dient het begrip „mededeling” immers in die zin te worden opgevat dat elke uitzending van de beschermde werken daaronder valt, ongeacht het gebruikte technische middel of procedé (arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C-403/08 en C-429/08, Jurispr. blz. I-9083, punt 193).

26

Derhalve verricht de exploitant van een kuurinrichting een mededeling, wanneer hij bewust beschermde werken doorgeeft, door vrijwillig via televisie‑ of radio-ontvangers een signaal te verspreiden in de kamers van de patiënten van deze inrichting [zie in die zin reeds aangehaald arrest Football Association Premier League e.a., punt 196, en arrest van 15 maart 2012, Phonographic Performance (Ireland), C‑162/10, punt 40].

27

Vervolgens zij eraan herinnerd dat het begrip „publiek”, waarnaar artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verwijst, op een onbepaald aantal potentiële kijkers ziet en overigens een vrij groot aantal personen impliceert (reeds aangehaald arrest ITV Broadcasting e.a., punt 32).

28

Met betrekking tot inzonderheid dit laatste criterium moet rekening worden gehouden met de cumulatieve gevolgen van de beschikbaarstelling van de werken aan de potentiële kijkers. Dienaangaande is het met name van belang te weten hoeveel personen tegelijk en achtereenvolgens tot hetzelfde werk toegang hebben (arrest van 7 december 2006, SGAE, C-306/05, Jurispr. blz. I-11519, punt 39, en reeds aangehaald arrest ITV Broadcasting e.a., punt 33).

29

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 28 van haar conclusie, zal een kuurinrichting veelal, zowel tegelijkertijd als achtereenvolgens, een onbepaald maar vrij groot aantal personen te gast hebben die uitzendingen in hun kamers kunnen ontvangen.

30

Anders dan Léčebné lázně stelt, kan de loutere omstandigheid dat de verblijfsduur van patiënten in een kuurinrichting in het algemeen langer is dan de verblijfsduur van gasten in een hotel aan deze vaststelling geen afbreuk doen, aangezien het, vanwege de cumulatieve effecten die voortvloeien uit het beschikbaar stellen van de werken aan dergelijke patiënten, nog altijd zal gaan om een vrij groot aantal personen.

31

Ook zij eraan herinnerd dat van een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 alleen sprake kan zijn indien het uitgezonden werk wordt vertoond aan een nieuw publiek, dat wil zeggen een publiek waarmee de auteurs van de beschermde werken geen rekening hielden toen zij toestemming gaven voor het gebruik ervan voor de mededeling aan het oorspronkelijke publiek (reeds aangehaald arrest Football Association Premier League e.a., punt 197 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32

Net als de gasten van een hotel vormen de patiënten van een kuurinrichting een dergelijk nieuw publiek. De kuurinrichting is immers het orgaan dat, met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze, tussenkomt om aan zijn gasten toegang tot het beschermde werk te verlenen. Zonder deze tussenkomst zouden de hotelgasten in beginsel niet van het uitgezonden werk kunnen genieten (zie in die zin reeds aangehaald arrest SGAE, punten 41 en 42).

33

Hieruit volgt dat de mededeling, door een kuurinrichting als aan de orde in het hoofdgeding, van beschermde werken, middels het bewust verspreiden, via televisie‑ of radio-ontvangers, van een signaal in de kamers van de patiënten van die inrichting, een „mededeling aan het publiek” vormt in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.

34

Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het door Léčebné lázně aangevoerde argument dat een mededelingshandeling als aan de orde in het hoofdgeding, dezelfde kenmerken heeft als een mededeling van beschermde werken die wordt verricht door een tandarts in zijn tandartspraktijk en ten aanzien waarvan het Hof – in zijn arrest van 15 maart 2012, SCF (C‑135/10) – heeft geoordeeld dat deze niet valt onder het begrip „mededeling aan het publiek”, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.

35

In dit verband kan worden volstaan met op te merken dat de aan het reeds aangehaalde arrest SCF ontleende beginselen niet relevant zijn in de onderhavige zaak, aangezien deze zaak geen betrekking heeft op het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 bedoelde auteursrecht, maar op een aan uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen toekomend recht van vergoedende aard, dat is neergelegd in artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61).

36

Aangezien een mededeling van beschermde werken als aan de orde in het hoofdgeding, een „mededeling aan het publiek” vormt in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, dient de nationale regeling, zoals volgt uit de bewoordingen van deze bepaling, te voorzien in een uitsluitend recht voor de auteurs om die mededeling toe te staan of te verbieden, tenzij deze valt onder een beperking of restrictie als bedoeld in richtlijn 2001/29.

37

In dit verband moet met name worden onderzocht of artikel 5, lid 2, sub e, lid 3, sub b, en lid 5, van deze richtlijn, waarnaar de verwijzende rechter uitdrukkelijk verwijst, een grondslag kan bieden voor een dergelijke beperking of restrictie.

38

Wat om te beginnen artikel 5, lid 2, sub e, van richtlijn 2001/29 betreft, dient te worden opgemerkt dat, zoals volgt uit de bewoordingen ervan, deze bepaling enkel grondslag biedt voor een beperking of restrictie van het in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde reproductierecht. Zij kan dus geen grondslag bieden voor een beperking of restrictie van het in artikel 3, lid 1, van diezelfde richtlijn neergelegde uitsluitende recht van auteurs om elke mededeling aan het publiek van hun werken toe te staan of te verbieden.

39

Wat vervolgens artikel 5, lid 3, sub b, van richtlijn 2001/29 betreft, deze bepaling staat de lidstaten toe om een beperking of restrictie te stellen op de in artikel 3 ervan voorziene rechten, wanneer het gaat om een gebruik ten behoeve van mensen met een handicap dat direct met de handicap verband houdt en van niet-commerciële aard is, voor zover dit gebruik door de betrokken handicap is vereist. Het aan het Hof overgelegde dossier bevat evenwel geen enkele aanwijzing dat in een zaak als aan de orde in het hoofdgeding, aan alle in eerstgenoemde bepaling genoemde voorwaarden is voldaan.

40

Artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29, ten slotte, legt niet de beperkingen of restricties vast die de lidstaten kunnen stellen ten aanzien van met name de in artikel 3, lid 1, van die richtlijn bedoelde rechten, maar bevalt slechts een precisering van de reikwijdte van de beperkingen en restricties die zijn vermeld in de aan die eerstgenoemde bepaling voorafgaande leden.

41

Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het recht van auteurs uitsluit om de mededeling – door een kuurinrichting die handelt als commerciële onderneming – van hun werken middels het bewust verspreiden van een signaal via radio‑ of televisieontvangers in de kamers van de patiënten van die inrichting, toe te staan of te verbieden. Artikel 5, lid 2, sub e, lid 3, sub b, en lid 5 van deze richtlijn kan niet afdoen aan deze uitlegging.

Tweede vraag

42

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat een beheersorganisatie zich in een geding tussen particulieren op deze bepaling kan beroepen voor het buiten toepassing laten van een daarmee strijdige regeling van een lidstaat.

43

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, niet als zodanig kan worden toegepast in gedingen tussen uitsluitend particulieren (arrest van 15 januari 2014, Association de médiation sociale, C‑176/12, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44

Het Hof heeft echter geoordeeld dat een nationale rechter die uitspraak moet doen in een geding tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen en dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel (zie in die zin reeds aangehaald arrest Association de médiation sociale, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

Niettemin heeft het Hof gepreciseerd dat voor dit beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht bepaalde beperkingen gelden. Aldus wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te verwijzen naar de inhoud van een richtlijn begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan zij niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (reeds aangehaald arrest Association de médiation sociale, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Aangezien de verwijzende rechter zich bovendien, onder verwijzing naar het arrest van 12 juli 1990, Foster e.a. (C-188/89, Jurispr. blz. I-3313) en in het kader van de motivering van zijn tweede vraag, afvraagt wat de ware aard is van een beheersorganisatie als OSA, moet hieraan worden toegevoegd dat ook een dergelijke organisatie zich niet op artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 kan beroepen voor het buiten toepassing laten van de met deze bepaling strijdige regeling van een lidstaat, indien deze organisatie moet worden aangemerkt als een organisatie die uitgaat van de staat.

47

Indien dit het geval zou zijn, zou er in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, geen sprake zijn van een situatie waarin een particulier zich tegenover de lidstaat beroept op de rechtstreekse werking van een bepaling van een richtlijn, maar van de omgekeerde situatie. Het is evenwel vaste rechtspraak dat een richtlijn uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen (arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48

Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat een beheersorganisatie zich niet in een geding tussen particulieren op deze bepaling kan beroepen voor het buiten toepassing laten van een daarmee strijdige regeling van een lidstaat. De rechter aan wie een dergelijk geschil is voorgelegd, moet deze wettelijke regeling evenwel zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en doelstelling van diezelfde bepaling, om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel.

Derde vraag

Ontvankelijkheid

49

OSA, de Tsjechische regering en de Oostenrijkse regering betwijfelen of de derde vraag ontvankelijk is. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers niet dat Léčebné lázně een overeenkomst heeft proberen te sluiten met een collectieve beheersorganisatie in een andere lidstaat. Het antwoord op de derde vraag kan dan ook niet van invloed zijn op de afloop van het hoofdgeding. Hoe dit antwoord ook mag luiden, zij kan Léčebné lázně niet ontslaan van de verplichting om de litigieuze vergoeding aan OSA te betalen.

50

In dit verband zij eraan herinnerd dat een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter slechts niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arrest van 29 maart 2012, Belvedere Costruzioni, C‑500/10, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Léčebné lázně zich beroept op de bepalingen die worden genoemd in de derde door de verwijzende rechter gestelde vraag, teneinde zich te verzetten tegen de hoogte van de door OSA gevraagde vergoedingen ten opzichte van de vergoedingen die worden gevraagd door beheersorganisaties in naburige staten.

52

In deze omstandigheden blijkt niet duidelijk dat de derde vraag geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het vraagstuk van hypothetische aard is.

53

Derhalve is de derde vraag ontvankelijk.

Ten gronde

54

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16 van richtlijn 2006/123 en de artikelen 56 VWEU en/of 102 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, die het collectieve beheer van auteursrechten op bepaalde beschermde werken op het grondgebied van deze lidstaat voorbehoudt aan één collectieve beheersorganisatie, zodat een gebruiker van dergelijke werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting, wordt verhinderd gebruik te maken van de diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat.

55

OSA betwist dat deze regeling een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting, verhindert gebruik te maken van diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat.

56

Het staat evenwel niet aan het Hof om zich hierover uit te spreken. Er rust een vermoeden van relevantie op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken (arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli, C-188/10 en C-189/10, Jurispr. blz. I-5667, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

– Opmerkingen vooraf

57

Aangezien zowel artikel 16 van richtlijn 2006/123 als artikel 56 VWEU en volgende betrekking hebben op het vrij verrichten van diensten, dient te worden onderzocht of een beheersorganisatie als OSA kan worden beschouwd als verrichter van een dienst ten behoeve van een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting. OSA en de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, zijn van mening dat dit niet het geval is.

58

Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals volgt uit artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123, het in die richtlijn bedoelde begrip „dienst” samenvalt met het begrip dat wordt bedoeld in artikel 57 VWEU.

59

De activiteiten van beheersorganisaties zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 56 VWEU en volgende, die betrekking hebben op het vrij verrichten van diensten (zie in die zin arresten van 25 oktober 1979, Greenwich Film Production, 22/79, Jurispr. blz. 3275, punt 12; 2 maart 1983, GVL/Commissie, 7/82, Jurispr. blz. 483, punt 38, en 20 oktober 1993, Phil Collins e.a., C-92/92 en C-326/92, Jurispr. blz. I-5145, punt 24).

60

Dit is niet alleen het geval met betrekking tot de verhouding tussen een beheersorganisatie en een auteursrechthebbende – zoals volgt uit de in het vorige punt van dit arrest aangehaalde rechtspraak – maar ook met betrekking tot de verhouding tussen een beheersorganisatie als OSA en een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting.

61

Een dergelijke beheersorganisatie maakt het immers voor die gebruiker gemakkelijker om toestemming te verkrijgen voor het gebruik van beschermde werken en om betaling te verkrijgen van de vergoedingen die door hem zijn verschuldigd aan de auteursrechthebbenden, zodat zij moet worden beschouwd als een verrichter van een dienst ten behoeve van diezelfde gebruiker.

62

Overigens is het in dit verband nauwelijks van belang, zoals de Commissie terecht opmerkt, of deze beheersorganisatie voor die dienst wordt betaald door de auteursrechthebbenden dan wel door de gebruiker van beschermde werken. Artikel 57 VWEU vereist immers niet dat de verrichte dienst wordt betaald door degene te wiens behoeve zij wordt verricht (arrest van 26 april 1988, Bond van Adverteerders e.a., 352/85, Jurispr. blz. 2085, punt 16).

63

Hieruit volgt dat een beheersorganisatie als OSA moet worden beschouwd als de verrichter van een „dienst” – zowel in de zin van artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 als in de zin van artikel 57 VWEU – ten behoeve van een gebruiker van beschermde werken, in casu een kuurinrichting.

– Uitlegging van artikel 16 van richtlijn 2006/123

64

Wat de vraag betreft of op een dergelijke dienst artikel 16 van richtlijn 2006/123 van toepassing is, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat ingevolge artikel 17, punt 11, van die richtlijn, voornoemd artikel 16 niet van toepassing is op auteursrecht en naburige rechten.

65

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 64 van haar conclusie, dient, aangezien enkel diensten kunnen worden uitgezonderd van de werkingssfeer van artikel 16 van richtlijn 2006/123, artikel 17, punt 11, van die richtlijn aldus te worden uitgelegd dat de dienst waarop wordt gedoeld in punt 63 van het onderhavige arrest, welke betrekking heeft op auteursrechten, van de werkingssfeer van eerstgenoemde bepaling is uitgezonderd.

66

Hieruit volgt dat artikel 16 van richtlijn 2006/123, aangezien deze bepaling niet van toepassing is, zich niet verzet tegen een regeling als aan de orde in het hoofdgeding.

– Uitlegging van artikel 56 VWEU

67

Blijkens de verwijzingsbeslissing kan een regeling als aan de orde in het hoofdgeding verhinderen dat een kuurinrichting als aan de orde in het hoofdgeding, die gebruiker is van beschermde werken, gebruikmaakt van de diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat.

68

Aangezien een dergelijke dienst een grensoverschrijdend karakter heeft, is artikel 56 VWEU van toepassing (zie in die zin reeds aangehaald arrest Bond van Adverteerders e.a., punt 15).

69

Bovendien vormt een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, aangezien zij in de praktijk het verrichten van een dergelijke dienst verbiedt, een beperking van de vrijheid van dienstverrichting (zie in die zin reeds aangehaald arrest Football Association Premier League e.a., punt 85).

70

Deze beperking kan alleen worden gerechtvaardigd indien er sprake is van dwingende redenen van algemeen belang en die beperking dienstig is ter bereiking van het ermee beoogde doel van algemeen belang en niet verder gaat dan met het oog daarop noodzakelijk is (zie met name reeds aangehaald arrest Football Association Premier League e.a., punt 93).

71

Zoals OSA, de regeringen die opmerkingen hebben ingediend bij het Hof en de Commissie terecht opmerken, vormt de bescherming van intellectuele‑eigendomsrechten een dergelijke dwingende reden van algemeen belang (zie in die zin reeds aangehaald arrest Football Association Premier League e.a., punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72

Bovendien moet een regeling als aan de orde in het hoofdgeding – die voor het beheer van auteursrechten met betrekking tot een categorie van beschermde werken op het grondgebied van de betrokken lidstaat een monopolie toekent aan een beheersorganisatie als OSA – geschikt worden geacht om de intellectuele‑eigendomsrechten te beschermen, aangezien zij een efficiënt beheer van deze rechten alsook een efficiënt toezicht op de eerbiediging ervan op dit grondgebied mogelijk kan maken.

73

Wat de vraag betreft of een dergelijke regeling verder gaat dan met het oog op het doel van bescherming van de intellectuele‑eigendomsrechten noodzakelijk is, zij opgemerkt dat, zoals blijkt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen, een regeling als aan de orde in het hoofdgeding past binnen de context van een gebiedsgebonden bescherming van auteursrechten, waaronder eveneens de wederkerigheidscontracten vallen.

74

Met deze contracten, die de beheersorganisaties onder elkaar afsluiten, machtigen deze organisaties elkaar, wederzijds, op hun respectieve grondgebied de vereiste toestemming te verlenen voor het in het openbaar uitvoeren van door auteursrechten beschermde werken van auteurs die bij het andere bureau zijn aangesloten, en aan die toestemming bepaalde voorwaarden te verbinden, zulks in overeenstemming met de op het betrokken grondgebied geldende wettelijke regeling (zie in die zin arresten van 13 juli 1989, Tournier, 395/87, Jurispr. blz. 2521, punt 17, en Lucazeau e.a., 110/88, 241/88 en 242/88, Jurispr. blz. 2811, punt 11).

75

In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de wederkerigheidscontracten die de beheersorganisaties onder elkaar afsluiten er met name toe strekken hen in staat te stellen voor de bescherming van hun repertoire in een andere staat gebruik te maken van de organisatie van het bureau dat aldaar werkzaam is, zonder daarnaast nog een eigen netwerk van contracten met gebruikers te moeten opzetten en zelf ter plaatse toezicht te moeten uitoefenen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Tournier, punt 19, en Lucazeau e.a., punt 13).

76

Uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt niet dat, wanneer het gaat om een mededeling als aan de orde in het hoofdgeding, er in de huidige stand van het Unierecht een andere methode bestaat om hetzelfde niveau van bescherming van auteursrechten te bereiken, dan de methode die is gebaseerd op een gebiedsgebonden bescherming van – en derhalve ook gebiedsgebonden toezicht op – die rechten, binnen de context waarvan een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, past.

77

Overigens heeft het debat voor het Hof aangetoond dat wanneer, in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, een gebruiker van beschermde werken de vrijheid zou hebben om te kiezen voor om het even welke, op het grondgebied van de Unie gevestigde, beheersorganisatie ter verkrijging van toestemming voor het gebruik van beschermde werken en voor het betalen van de door hem verschuldigde vergoeding, dit, in de huidige stand van het Unierecht, zou leiden tot grote problemen bij het toezicht op het gebruik van deze werken en op de betaling van de verschuldigde vergoedingen.

78

Onder deze omstandigheden kan er niet van worden uitgegaan dat een regeling als aan de orde in het hoofdgeding, aangezien deze een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting, verhindert gebruik te maken van diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat, verder gaat dan met het oog op het doel van bescherming van de auteursrechten noodzakelijk is.

79

Gelet op het voorgaande, moet artikel 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een dergelijke regeling.

– Uitlegging van artikel 102 VWEU

80

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een beheersorganisatie als OSA een onderneming vormt waarop artikel 102 VWEU van toepassing is (zie in die zin arrest van 21 maart 1974, BRT en Société belge des auteurs, compositeurs et éditeurs, „BRT II”, 127/73, Jurispr. blz. 313, punten 6 en 7).

81

In de tweede plaats staat artikel 106, lid 2, VWEU, dat specifieke regels bevat voor ondernemingen die met name zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, niet in de weg aan toepassing van artikel 102 VWEU op een beheersorganisatie als OSA. Een dergelijke beheersorganisatie, die geen taak heeft opgelegd gekregen door de staat, en die particuliere belangen beheert (ook al gaat het om intellectuele‑eigendomsrechten die door de wet worden beschermd), kan niet binnen de werkingssfeer van eerstgenoemde bepaling vallen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten BRT II, punt 23, en GVL/Commissie, punt 32).

82

Een regeling als aan de orde in het hoofdgeding kan daarentegen onder artikel 106, lid 1, VWEU vallen. Een dergelijke regeling heeft immers tot gevolg dat uitsluitende rechten worden verleend aan een beheersorganisatie als OSA, wat betreft het beheer van auteursrechten met betrekking tot een categorie van beschermde werken op het grondgebied van de betrokken lidstaat, waardoor andere ondernemingen worden verhinderd om op hetzelfde grondgebied aan de betrokken economische activiteit deel te nemen (zie in die zin arrest van 25 oktober 2001, Ambulanz Glöckner, C-475/99, Jurispr. blz. I-8089, punt 24).

83

Wat de uitlegging betreft van artikel 102 VWEU in een dergelijke context, is het vaste rechtspraak dat het enkele feit dat door het verlenen van uitsluitende rechten in de zin van artikel 106, lid 1, VWEU een machtspositie wordt gecreëerd, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 102 VWEU. Een lidstaat handelt slechts in strijd met de in deze twee bepalingen vervatte verboden wanneer de betrokken onderneming door de enkele uitoefening van de haar toegekende uitsluitende rechten misbruik maakt van haar machtspositie, of indien deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming tot een dergelijk misbruik wordt gebracht (arrest van 3 maart 2011, AG2R Prévoyance, C-437/09, Jurispr. blz. I-973, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84

Derhalve is het enkele feit dat een lidstaat aan een beheersorganisatie als OSA voor het beheer van auteursrechten met betrekking tot een categorie van beschermde werken een monopolie verleent, op zichzelf niet in strijd met artikel 102 VWEU.

85

De derde vraag dient er evenwel toe de verwijzende rechter in staat te stellen zich uit te spreken over het door Léčebné lázně in het kader van het hoofdgeding aangevoerde argument dat de door OSA gevraagde vergoedingen onevenredig hoog zouden zijn ten opzichte van de vergoedingen die worden gevraagd door beheersorganisaties in naburige staten.

86

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat een beheersorganisatie als OSA, die een monopolie heeft op het beheer, op het grondgebied van een lidstaat, van auteursrechten met betrekking tot een categorie van beschermde werken, een machtspositie bezit op een wezenlijk deel van de interne markt, in de zin van artikel 102 VWEU (zie in die zin arrest van 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4, C-52/07, Jurispr. blz. I-9275, punt 22).

87

Indien mocht blijken dat een dergelijke beheersorganisatie voor de door haar geleverde diensten tarieven oplegt die aanzienlijk hoger zijn dan die welke worden gehanteerd in de andere lidstaten, en op voorwaarde dat de vergelijking van de tariefniveaus op homogene grondslag heeft plaatsgevonden, is dit verschil als een aanwijzing voor een misbruik van een machtspositie te beschouwen, in de zin van artikel 102 VWEU. De betrokken beheersorganisatie dient het verschil dan te rechtvaardigen op basis van objectieve verschillen tussen de situatie in de betrokken lidstaat en die in de andere lidstaten (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Tournier, punt 38, en Lucazeau e.a., punt 25).

88

Een dergelijk misbruik kan ook bestaan in de toepassing van een te hoge prijs die niet in een redelijke verhouding staat tot de economische waarde van de geleverde prestatie (reeds aangehaald arrest Kanal 5 en TV 4, punt 28).

89

Mocht dergelijk misbruik zich voordoen en toe te schrijven zijn aan de op die beheersorganisatie toepasselijke regeling, dan zou deze regeling, zoals volgt uit de in punt 83 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak, in strijd zijn met de artikelen 102 VWEU en 106, lid 1, VWEU.

90

Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het hoofdgeding van een dergelijke situatie sprake is.

91

Gelet op het voorgaande, dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 16 van richtlijn 2006/123 en de artikelen 56 VWEU en 102 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, die het collectieve beheer van auteursrechten met betrekking tot bepaalde beschermde werken op het grondgebied van deze lidstaat voorbehoudt aan één collectieve beheersorganisatie en daardoor een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting, verhindert gebruik te maken van diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat.

92

Artikel 102 VWEU dient evenwel in die zin te worden uitgelegd dat het feit dat eerstgenoemde beheersorganisatie voor de door haar geleverde diensten tarieven oplegt die – bij een vergelijking van de tariefniveaus op homogene grondslag – aanzienlijk hoger zijn dan die welke worden gehanteerd in de andere lidstaten, dan wel prijzen hanteert die te hoog zijn en niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie, een aanwijzing voor een misbruik van een machtspositie vormt.

Kosten

93

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het recht van auteurs uitsluit om de mededeling, door een kuurinrichting die handelt als commerciële onderneming, van hun werken middels het bewust verspreiden van een signaal via radio‑ of televisieontvangers in de kamers van de patiënten van die inrichting, toe te staan of te verbieden. Artikel 5, lid 2, sub e, lid 3, sub b, en lid 5, van deze richtlijn kan niet afdoen aan deze uitlegging.

 

2)

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat een beheersorganisatie zich niet in een geding tussen particulieren op deze bepaling kan beroepen voor het buiten toepassing laten van een daarmee strijdige regeling van een lidstaat. De rechter aan wie een dergelijk geschil is voorgelegd, moet deze regeling evenwel zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en doelstelling van diezelfde bepaling, om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel.

 

3)

Artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt en de artikelen 56 VWEU en 102 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, die het collectieve beheer van auteursrechten met betrekking tot bepaalde beschermde werken op het grondgebied van deze lidstaat voorbehoudt aan één collectieve beheersorganisatie en daardoor een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting, verhindert gebruik te maken van diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat.

Artikel 102 VWEU dient evenwel in die zin te worden uitgelegd dat het feit dat eerstgenoemde organisatie voor collectief beheer van auteursrechten voor de door haar geleverde diensten tarieven oplegt die – bij een vergelijking van de tariefniveaus op homogene grondslag – aanzienlijk hoger zijn dan die welke worden gehanteerd in de andere lidstaten, dan wel prijzen hanteert die te hoog zijn en niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie, een aanwijzing voor een misbruik van een machtspositie vormt.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Top