EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62012CJ0299

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 18 juli 2013.
Green – Swan Pharmaceuticals CR, a.s. tegen Státní zemědělská a potravinářská inspekce, ústřední inspektorát.
Verzoek van de Nejvyšší správní soud om een prejudiciële beslissing.
Bescherming van consument – Verordening (EG) nr. 1924/2006 – Voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen – Artikel 2, lid 2, punt 6 – Begrip ‚claim inzake ziekterisicobeperking’ – Artikel 28, lid 2 – Producten waarop handelsmerk of merknaam is aangebracht – Overgangsmaatregelen.
Zaak C‑299/12.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:501

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

18 juli 2013 ( *1 )

„Bescherming van consument — Verordening (EG) nr. 1924/2006 — Voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen — Artikel 2, lid 2, punt 6 — Begrip ‚claim inzake ziekterisicobeperking’ — Artikel 28, lid 2 — Producten waarop handelsmerk of merknaam is aangebracht — Overgangsmaatregelen”

In zaak C-299/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (Tsjechië) bij beslissing van 10 mei 2012, ingekomen bij het Hof op 18 juni 2012, in de procedure

Green – Swan Pharmaceuticals CR, a.s.

tegen

Státní zemědělská a potravinářská inspekce, ústřední inspektorát,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: J. Malenovský, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur) en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en S. Šindelková als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en P. Němečková als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, lid 2, punt 6, en 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB L 404, blz. 9, met rectificatie in PB 2007, L 12, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010 (PB L 37, blz. 16; hierna: „verordening nr. 1924/2006”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Green – Swan Pharmaceuticals CR, a.s. (hierna: „Green – Swan Pharmaceuticals”) en de Státní zemědělská a potravinářská inspekce, ústřední inspektorát (centrale inspectie levensmiddelentoezicht) over de kwalificatie van een mededeling op de verpakking van een voedingssupplement.

Toepasselijke bepalingen

Wettelijke regeling van de Unie

3

In artikel 1, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1924/2006 is bepaald:

„1.   Deze verordening harmoniseert de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en tevens een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken.

2.   Deze verordening is van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd.

[...]

3.   Een handelsmerk, merknaam of fantasienaam die voorkomt in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel of in de daarvoor gemaakte reclame en als een voedings- of een gezondheidsclaim kan worden uitgelegd, kan worden gebruikt zonder de in deze verordening vastgestelde vergunningsprocedures te ondergaan, op voorwaarde dat het merk of de naam in die etikettering, presentatie of reclame voorkomt in combinatie met een daarmee verband houdende voedings- of gezondheidsclaim die voldoet aan de bepalingen van deze verordening.”

4

Artikel 2 van die verordening bevat de volgende definities:

„1.   Voor de toepassing van deze verordening:

[...]

2.   Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

1)

claim: elke boodschap of aanduiding die niet verplicht is op grond van de communautaire of nationale wetgeving, met inbegrip van illustraties, grafische voorstellingen of symbolen, ongeacht de vorm, waarmee gesteld, de indruk gewekt of geïmpliceerd wordt dat een levensmiddel bepaalde eigenschappen heeft;

[...]

5)

gezondheidsclaim: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid;

6)

claim inzake ziekterisicobeperking: een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat de consumptie van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens in significante mate beperkt;

[...]”

5

Artikel 3 van voormelde verordening bepaalt onder het opschrift „Algemene beginselen voor alle claims”:

„Voedings- en gezondheidsclaims mogen in de etikettering en presentatie van levensmiddelen die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht en in de daarvoor gemaakte reclame uitsluitend worden gebruikt indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.

[...]”

6

Artikel 10, lid 1, van voormelde verordening bepaalt:

„Gezondheidsclaims zijn verboden, tenzij zij in overeenstemming zijn met de algemene voorschriften van hoofdstuk II en de specifieke voorschriften van dit hoofdstuk, en er overeenkomstig deze verordening een vergunning voor is verleend, en zij zijn opgenomen in de in de artikelen 13 en 14 bedoelde lijsten van toegestane claims.”

7

Artikel 14 van verordening nr. 1924/2006, met het opschrift „Claims inzake ziekterisicobeperking en claims die verband houden met de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen”, bepaalt in lid 1:

„Niettegenstaande artikel 2, lid 1, sub b, van richtlijn 2000/13/EG mogen de volgende claims worden gedaan indien er volgens de procedure van de artikelen 15, 16, 17 en 19 van deze verordening een vergunning is verleend om ze op te nemen in een communautaire lijst van dergelijke toegestane claims, tezamen met alle noodzakelijke voorwaarden voor het gebruik van die claims:

a)

claims inzake ziekterisicobeperking;

[...]”

8

Artikel 20 van deze verordening, betreffende het communautair repertorium, bepaalt:

„1.   Door de Commissie wordt een communautair repertorium van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (hierna ‚het repertorium’ genoemd), opgesteld en bijgehouden.

2.   Het repertorium bevat het volgende:

a)

de voedingsclaims en de daarvoor geldende voorwaarden zoals aangegeven in de bijlage;

b)

overeenkomstig artikel 4, lid 5, vastgestelde beperkingen;

c)

de toegezonden gezondheidsclaims en de daarvoor geldende voorwaarden overeenkomstig artikel 13, leden 3 en 5, artikel 14, lid 1, artikel 19, lid 2, artikel 21, artikel 24, lid 2, en artikel 28, lid 6, alsmede de in artikel 23, lid 3, bedoelde nationale maatregelen;

d)

een lijst van afgewezen gezondheidsclaims en de redenen voor de afwijzing.

[...]

3.   Het repertorium wordt openbaar gemaakt.”

9

Artikel 28 van genoemde verordening, „Overgangsmaatregelen”, bepaalt in lid 2:

„Producten voorzien van handelsmerken of merknamen die bestonden vóór 1 januari 2005 en die niet aan deze verordening voldoen, mogen [...] in de handel worden gebracht tot en met 19 januari 2022; daarna gelden de bepalingen van deze verordening.”

De Tsjechische regeling

10

§ 17, lid 2, van wet nr. 110/1997 Sb. inzake voeding en tabaksproducten en tot wijziging en aanvulling van bepaalde verwante wetten (zákon č. 110/1997 Sb., o potravinách a tabákových výrobcích a o změně a doplnění některých souvisejících zákonů), in de versie die toepasselijk is op het hoofdgeding, bepaalt dat de exploitant van een levensmiddelenbedrijf onrechtmatig handelt wanneer:

„a)

hij niet voldoet aan de verplichting tot naleving van de vereisten inzake voedselveiligheid vastgesteld door de rechtstreeks toepasselijke wetgeving van de [...] Gemeenschap die de vereisten inzake levensmiddelen regelt, of

b)

hij door een andere dan in de sub a bedoelde handelwijze niet voldoet aan de verplichting vastgesteld door de rechtstreeks toepasselijke wetgeving van de [...] Gemeenschap die de vereisten inzake levensmiddelen regelt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Green – Swan Pharmaceuticals vóór 1 januari 2005 een voedingssupplement genaamd „GS Merilin” op de Tsjechische markt gebracht. Het werd verhandeld met op de verpakking ervan de vermelding dat het product „ook calcium en vitamine D3 [bevatte], die een risicofactor voor het ontstaan van osteoporose en breuken helpen beperken”. Het nationale merk GS Merilin is op 29 oktober 2003 ingeschreven in de Tsjechische Republiek.

12

Bij besluit van 10 november 2010 heeft de Inspektorát Státní zemědělské a potravinářské inspekce (landelijke levensmiddeleninspectie) geconcludeerd dat Green – Swan Pharmaceuticals op de verpakking van het voedingssupplement GS Merilin gezondheidsclaims had aangebracht in strijd met artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1924/2006. Die instantie heeft daaruit afgeleid dat de onderneming zich schuldig had gemaakt aan de overtreding bedoeld in § 17, lid 2, sub b, van wet nr. 110/1997 Sb., in de versie die toepasselijk is op het hoofdgeding, en haar veroordeeld tot een boete van 200000 CZK.

13

Green – Swan Pharmaceuticals heeft tegen dat besluit van de Státní zemědělské a potravinářské inspekce een bezwaarschrift ingediend en onder meer te kennen gegeven dat de mededeling op de verpakking van het voedingssupplement GS Merilin niet kon worden beschouwd als een „claim” in de zin van verordening nr. 1924/2006. Bij besluit van 14 februari 2011 heeft de Státní zemědělská a potravinářská inspekce, ústřední inspektorát het bezwaarschrift van de hand gewezen.

14

Green – Swan Pharmaceuticals heeft tegen dit laatste besluit beroep ingesteld bij het Krajský soud v Brně (regionaal hof te Brno). Zij heeft inzonderheid betoogd dat op het voedingssupplement GS Merilin artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 van toepassing was op grond dat deze bepaling verwijst naar de producten als zodanig en niet naar handelsmerken of merknamen die deze producten aanduiden. Ook heeft zij artikel 2, lid 2, punt 6, van genoemde verordening ingeroepen met de verklaring dat in casu de vermelding op de verpakking van het voedingssupplement GS Merilin niet stelt of de indruk wekt dat een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens „in significante mate” wordt beperkt.

15

Bij vonnis van 21 september 2011 heeft het Krajský soud v Brně het beroep van Green – Swan Pharmaceuticals verworpen. Deze rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat de mededeling op de verpakking van het voedingssupplement GS Merilin een gezondheidsclaim is in de zin van verordening nr. 1924/2006 en dat, bij claims betreffende de beperking van een risicofactor voor de gezondheid, alleen claims die door de Commissie zijn goedgekeurd volgens de voorwaarden van artikel 14 van de verordening, in de etikettering en de presentatie van voedingsmiddelen mogen worden gebruikt.

16

Green – Swan Pharmaceuticals heeft voormeld vonnis van het Krajský soud v Brně aangevochten voor het Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter) en opnieuw betoogd dat het betrokken voedingssupplement op grond van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 mocht worden verhandeld aangezien deze bepaling verwees naar de producten als zodanig. In dit verband heeft de onderneming gewezen op het verschil in redactie tussen voormelde bepaling en artikel 1, lid 3, van dezelfde verordening, waarin wordt verwezen naar het handelsmerk of de merknaam die kunnen worden beschouwd als een voedings- of gezondheidsclaim. Het voedingssupplement GS Merilin valt dus niet onder de regeling van die verordening tot 19 januari 2022. Genoemde onderneming heeft ook te kennen gegeven dat het Krajský soud v Brně had moeten onderzoeken of de claim op de verpakking van het voedingssupplement GS Merilin een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens „in significante mate” beperkte, gelet op de bewoordingen van artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening nr. 1924/2006.

17

De verwijzende rechterlijke instantie is van oordeel dat een gezondheidsclaim niet noodzakelijkerwijs het woord „significante” en evenmin een gelijkaardige uitdrukking hoeft te bevatten om te kunnen worden beschouwd als een „claim inzake ziekterisicobeperking”. Anders zou aan de toepassing van artikel 14 van verordening nr. 1924/2006 kunnen worden ontkomen door te kiezen voor een iets andere formulering.

18

Bovendien zou vanuit het gezichtspunt van de gemiddelde consument een levensmiddel waarop een gezondheidsclaim is aangebracht die stelt of de indruk wekt dat het een risicofactor voor de gezondheid op significante wijze beperkt niet worden opgevat als een levensmiddel van grotere waarde dan een levensmiddel zonder deze nuance. Bovendien zou het repertorium van voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals bedoeld in artikel 20 van verordening nr. 1924/2006, aantonen dat de gezondheidsclaims betreffende de vermindering van een risicofactor voor de gezondheid die reeds door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid zijn onderzocht en door de Commissie zijn goedgekeurd, noch de term „significant” noch een andere term met dezelfde betekenis bevatten.

19

Voor het overige is de verwijzende rechterlijke instantie van oordeel dat artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 op de feiten in het hoofdgeding niet van toepassing is daar de aan de orde zijnde claim geen handelsmerk noch een merknaam in de zin van die bepaling is. De verwijzende rechterlijke instantie voegt hieraan toe dat, in de veronderstelling dat deze bepaling van toepassing is, de uitlegging dat zij alle producten die vóór 1 januari 2005 bestonden van het toepassingsgebied van de verordening uitsluit zinloos zou zijn voor zover de verordening de etikettering van levensmiddelen regelt.

20

In die omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Is de gezondheidsclaim ‚De bereiding bevat ook calcium en vitamine D3, die een risicofactor voor het ontstaan van osteoporose en breuken helpen beperken’, een claim inzake ziekterisicobeperking in de zin van artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening [...] nr. 1924/2006 [...], hoewel deze claim niet uitdrukkelijk impliceert dat de consumptie van die bereiding een risicofactor voor het ontstaan van de vermelde ziekte in significante mate beperkt?

2)

Omvat het begrip handelsmerk of merknaam in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening [...] nr. 1924/2006 [...] ook een commerciële mededeling op de verpakking van het product?

3)

Moet de overgangsbepaling van artikel 28, lid 2, van verordening [...] nr. 1924/2006 [...] aldus worden uitgelegd dat zij verwijst naar levensmiddelen (zonder onderscheid) die bestonden vóór 1 januari 2005 of dat zij verwijst naar levensmiddelen waaraan een handelsmerk of merknaam was verbonden en die in die vorm bestonden vóór die datum?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

De eerste vraag

21

Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat een gezondheidsclaim, om te worden aangemerkt als een „claim inzake ziekterisicobeperking” in de zin van deze bepaling, noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk moet aangeven dat het nuttigen van een categorie levensmiddelen, een levensmiddel of een van de bestanddelen daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens „in significante mate” beperkt.

22

Allereerst moet worden opgemerkt dat bij de definitie van „gezondheidsclaim” in de zin van artikel 2, lid 2, punt 5, van verordening nr. 1924/2006 wordt uitgegaan van het verband dat moet bestaan tussen een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid, waarbij deze omschrijving geen enkele precisering geeft, noch of het om een rechtstreeks of een indirect verband moet gaan noch hoe sterk het moet zijn of hoelang het moet duren, met als gevolg dat de term „verband” ruim moet worden begrepen (zie arrest van 6 september 2012, Deutsches Weintor, C-544/10, punt 34).

23

Onder de gezondheidsclaims definieert artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening nr. 1924/2006 een „claim inzake ziekterisicobeperking” als „een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat de consumptie van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens in significante mate beperkt”.

24

Uit het gebruik van de woorden „de indruk wekt of impliceert” volgt dat de kwalificatie als „claim inzake ziekterisicobeperking” in de zin van genoemde bepaling niet vereist dat een dergelijke claim uitdrukkelijk vermeldt dat het nuttigen van een levensmiddel een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens in significante mate beperkt. Het volstaat dat die claim bij de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende en bedachtzame consument de indruk kan wekken dat de beperking van een risicofactor significant is.

25

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het gebruik van een stellige formulering volgens welke het nuttigen van het betrokken levensmiddel een dergelijke risicofactor beperkt of ertoe bijdraagt die te beperken, bij bedoelde consument de indruk kan wekken dat het betrokken risico op significante wijze wordt beperkt. Zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt hoeft in die omstandigheden een gezondheidsclaim zoals die aan de orde in het hoofdgeding, om als „claim inzake ziekterisicobeperking” te worden aangemerkt, niet noodzakelijkerwijs het woord „in significante mate” of een term die dezelfde betekenis heeft te bevatten.

26

Op de eerste vraag moet dan ook worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat een gezondheidsclaim, om als „claim inzake ziekterisicobeperking” in de zin van die bepaling te worden aangemerkt, niet noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk hoeft te vermelden dat het nuttigen van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens „in significante mate” beperkt.

De tweede vraag

27

Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat een commerciële mededeling op de verpakking van een levensmiddel een handelsmerk of merknaam in de zin van die bepaling kan vormen.

28

Volgens artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 kunnen producten voorzien van handelsmerken of merknamen die bestonden vóór 1 januari 2005 en die niet aan deze verordening voldoen, in de handel worden gebracht tot en met 19 januari 2022.

29

Verordening nr. 1924/2006 is overigens luidens artikel 1, lid 2, ervan van toepassing op voedings- en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan, hetzij in de etikettering en presentatie van levensmiddelen, hetzij in de daarvoor gemaakte reclame, indien het gaat om levensmiddelen die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd.

30

Zoals bovendien artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 bepaalt, kan een handelsmerk dat of een merknaam of fantasienaam die voorkomt in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel, een gezondheidsclaim vormen.

31

Zoals de Commissie opmerkt, kunnen commerciële mededelingen in de regel weliswaar niet als handelsmerk of merknaam worden beschouwd, maar kan niet worden uitgesloten dat een dergelijke mededeling op de verpakking van een levensmiddel tegelijkertijd een handelsmerk of merknaam vormt. Wel kan een dergelijke mededeling slechts dat merk of die naam vormen indien zij als zodanig beschermd wordt door de toepasselijke voorschriften. Het is aan de verwijzende rechter, aan de hand van alle gegevens feitelijk en rechtens van de bij hem aanhangige zaak na te gaan of een dergelijke mededeling inderdaad een handelsmerk of merknaam is waarvoor die bescherming geldt.

32

Op de tweede vraag moet bijgevolg worden geantwoord dat artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat een commerciële mededeling op de verpakking van een levensmiddel een handelsmerk of merknaam in de zin van die bepaling kan vormen op voorwaarde dat zij als een dergelijk merk of een dergelijke naam beschermd wordt door de toepasselijke voorschriften. Het is aan de verwijzende rechter, aan de hand van alle gegevens feitelijk en rechtens van de bij hem aanhangige zaak na te gaan of een dergelijke mededeling inderdaad een handelsmerk of merknaam is waarvoor die bescherming geldt.

De derde vraag

33

Met haar derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het verwijst naar alle levensmiddelen die vóór 1 januari 2005 bestonden, of naar levensmiddelen voorzien van een handelsmerk of merknaam en die in die vorm reeds vóór die datum bestonden.

34

Om te beginnen zij opgemerkt dat verordening nr. 1924/2006 geen betrekking heeft op levensmiddelen zelf, maar op voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen.

35

Zo bepaalt artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 dat handelsmerken of merknamen die voorkomen in de etikettering of de presentatie van een levensmiddel of in de daarvoor gemaakte reclame en als een voedings- of een gezondheidsclaim kunnen worden uitgelegd, kunnen worden gebruikt zonder de in deze verordening vastgestelde vergunningsprocedures te ondergaan, op voorwaarde dat het merk of de naam in die etikettering, presentatie of reclame voorkomt in combinatie met een daarmee verband houdende voedings- of gezondheidsclaim die voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

36

Zoals de Tsjechische regering en de Commissie opmerken, verwijst in dit verband artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006, dat een afwijkende overgangsregeling invoert, enkel naar handelsmerken of merknamen die vóór 1 januari 2005 reeds bestonden en die kunnen worden beschouwd als een voedings- of gezondheidsclaim in de zin van die verordening. Levensmiddelen die van een dergelijk handelsmerk of een dergelijke handelsnaam zijn voorzien, mogen tot 19 januari 2022 in de handel worden gebracht.

37

Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het enkel verwijst naar levensmiddelen die zijn voorzien van een als een voedings- of gezondheidsclaim in de zin van deze verordening te beschouwen handelsmerk of merknaam en die in die vorm reeds vóór 1 januari 2005 bestonden.

Kosten

38

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 2, lid 2, punt 6, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010, moet aldus worden uitgelegd dat een gezondheidsclaim, om als „claim inzake ziekterisicobeperking” in de zin van die bepaling te worden aangemerkt, niet noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk hoeft te vermelden dat het nuttigen van een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan een risicofactor voor het ontstaan van een ziekte bij de mens „in significante mate” beperkt.

 

2)

Artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 116/2010, moet aldus worden uitgelegd dat een commerciële mededeling op de verpakking van een levensmiddel een handelsmerk of merknaam in de zin van die bepaling kan vormen op voorwaarde dat zij als een dergelijk merk of een dergelijke naam beschermd wordt door de toepasselijke voorschriften. Het is aan de verwijzende rechter, aan de hand van alle gegevens feitelijk en rechtens van de bij hem aanhangige zaak na te gaan of een dergelijke mededeling inderdaad een handelsmerk of merknaam is waarvoor die bescherming geldt.

 

3)

Artikel 28, lid 2, van verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 116/2010, moet aldus worden uitgelegd dat het enkel verwijst naar levensmiddelen die zijn voorzien van een als een voedings- of gezondheidsclaim in de zin van deze verordening te beschouwen handelsmerk of merknaam en die in die vorm reeds vóór 1 januari 2005 bestonden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Top