Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62012CJ0218

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 17 oktober 2013.
Lokman Emrek tegen Vlado Sabranovic.
Verzoek van het Landgericht Saarbrücken om een prejudiciële beslissing.
Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 15, lid 1, sub c – Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten – Eventuele beperking van deze bevoegdheid tot op afstand gesloten overeenkomsten – Causaal verband tussen via internet op woonlidstaat van consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit en sluiten van overeenkomst.
Zaak C‑218/12.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:666

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

17 oktober 2013 ( *1 )

„Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 15, lid 1, sub c — Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten — Eventuele beperking van deze bevoegdheid tot op afstand gesloten overeenkomsten — Causaal verband tussen via internet op woonstaat van consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit en sluiten van overeenkomst”

In zaak C‑218/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Saarbrücken (Duitsland) bij beslissing van 27 april 2012, ingekomen bij het Hof op 10 mei 2012, in de procedure

Lokman Emrek

tegen

Vlado Sabranovic,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 april 2013,

gelet op de opmerkingen van:

L. Emrek, vertegenwoordigd door M. Kurt, Rechtsanwalt,

V. Sabranovic, vertegenwoordigd door M. Mauer, Rechtsanwältin,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne en J. C. Halleux als gemachtigden,

de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Beaupère-Manokha als gemachtigde,

de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door P. Frantzen en C. Schiltz als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juli 2013,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen L. Emrek en V. Sabranovic betreffende garantieaanspraken na het sluiten van een koopovereenkomst voor een tweedehands auto.

Toepasselijke bepalingen

3

Luidens punt 11 van de considerans van verordening nr. 44/2001, „[moeten] [d]e bevoegdheidsregels [...] in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.”

4

Volgens punt 13 van de considerans van deze verordening moet inzake verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

5

Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 legt het beginsel vast dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

6

Ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst bepaalt artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 dat het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, bevoegd is.

7

Artikel 15, lid 1, van genoemde verordening luidt als volgt:

„Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5, wanneer

[...]

c)

in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”

8

Artikel 16, leden 1 en 2, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„1.   De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

2.   De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de andere partij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9

Blijkens de verwijzingsbeslissing was Emrek, die te Saarbrücken (Duitsland) woont, ten tijde van de feiten van het hoofdgeding op zoek naar een tweedehands auto.

10

Sabranovic exploiteert te Spicheren (Frankrijk), een stad dichtbij de Duitse grens, een handel in tweedehands voertuigen onder de handelsnaam Vlado Automobiles Import-Export. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding had Sabranovic een website waarop de gegevens van zijn bedrijf vermeld stonden, met inbegrip van Franse telefoonnummers en een Duits gsm-nummer met hun respectieve internationale kengetallen.

11

Nadat hij via kennissen, en niet via de genoemde website, van het bestaan van het bedrijf van Sabranovic en de mogelijkheid om er een auto te kopen op de hoogte was geraakt, begaf Emrek zich naar de vestiging van dit bedrijf te Spicheren.

12

Op 13 september 2010 sloot Emrek als consument in de bedrijfsruimte van Sabranovic een schriftelijke overeenkomst met laatstgenoemde voor de koop van een tweedehands voertuig.

13

Vervolgens dagvaardde Emrek Sabranovic voor het Amtsgericht Saarbrücken (Duitsland) met een garantieclaim. Hij was van oordeel dat deze rechterlijke instantie krachtens artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 internationaal bevoegd was om kennis te nemen van zijn vordering. Uit de opzet van de website van Sabranovic zou immers blijken dat zijn handelsactiviteit ook op Duitsland was gericht.

14

Deze rechterlijke instantie heeft de vordering van Emrek niet-ontvankelijk verklaard en verworpen omdat zij van oordeel was dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 in het onderhavige geval geen toepassing vond, daar Sabranovic zijn handelsactiviteit niet in de zin van deze bepaling op Duitsland had gericht.

15

Deze beslissing heeft Emrek aangevochten bij de verwijzende rechter, waarbij hij betoogde dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 geen causaal verband vereist tussen de op de lidstaat van de consument gerichte commerciële activiteit en het sluiten van de overeenkomst. Deze bepaling vereist evenmin dat de overeenkomst op afstand is gesloten.

16

Het Landgericht Saarbrücken is van oordeel dat het in het hoofdgeding duidelijk is dat de handelsactiviteit van Sabranovic op Duitsland was gericht. In het bijzonder wekt de vermelding van het internationale kengetal voor Frankrijk alsook van een Duits gsm-nummer de indruk dat deze ondernemer ook buiten Frankrijk, met name in het Duitse grensgebied, klanten wenst te winnen.

17

Deze rechterlijke instantie is van oordeel dat voor de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 weliswaar niet is vereist dat een overeenkomst op afstand is gesloten, maar dat, om te vermijden dat de werkingssfeer van deze bepaling wordt uitgestrekt, de website van de handelaar minstens moet hebben aangezet tot het daadwerkelijk sluiten van de overeenkomst met de consument. Volgens haar vindt deze bepaling dus geen toepassing wanneer een consument „toevallig” een overeenkomst sluit met een „ondernemer”.

18

In deze omstandigheden heeft het Landgericht Saarbrücken de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Wanneer de website van een ondernemer voldoet aan de voorwaarde van het ‚gericht’ zijn, is dan voor de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. [44/2001] als verdere, ongeschreven voorwaarde vereist dat de consument door de website van de ondernemer is aangezet tot het sluiten van de overeenkomst, dus dat er een causaal verband bestaat tussen de website en het sluiten van de overeenkomst?

2)

Indien de voorwaarde van het ‚gericht’ zijn in causaal verband moet staan tot het sluiten van de overeenkomst, is dan voor de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 bovendien vereist dat de overeenkomst door middel van technieken voor verkoop op afstand wordt gesloten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

19

Om te beginnen zij gepreciseerd dat het Hof in zijn arrest van 6 september 2012, Mühlleitner (C‑190/11), de tweede prejudiciële vraag die de verwijzende rechter in de onderhavige zaak heeft gesteld al heeft beantwoord en voor recht heeft verklaard dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het niet verlangt dat de overeenkomst tussen de consument en de ondernemer op afstand is gesloten.

20

Bijgevolg behoeft alleen de eerste vraag te worden onderzocht, waarmee de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het verlangt dat er een causaal verband bestaat tussen het middel – een website – dat wordt gebruikt om de commerciële of beroepsactiviteit te richten op de lidstaat waar de consument woont, en het sluiten van de overeenkomst met deze consument.

21

Dienaangaande zij in de eerste plaats vastgesteld dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 voor zijn toepassing niet uitdrukkelijk een dergelijk causaal verband vereist.

22

Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt immers dat zij toepassing vindt indien twee specifieke voorwaarden zijn vervuld. Enerzijds moet de ondernemer zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooien in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, dan wel zijn activiteiten met ongeacht welke middelen richten op die lidstaat, of op meerdere lidstaten met inbegrip van die lidstaat, en anderzijds moet de litigieuze overeenkomst onder dergelijke activiteiten vallen.

23

Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de voorwaarde die bepalend is voor de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening 44/2001, de voorwaarde is dat de commerciële of beroepsactiviteit is gericht op de staat waar de consument zijn woonplaats heeft (reeds aangehaald arrest Mühlleitner, punt 44). Volgens de verwijzende rechter is deze voorwaarde in casu vervuld.

24

Wat in de tweede plaats de teleologische uitlegging van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 betreft, zij opgemerkt dat de aanvullende, ongeschreven voorwaarde van een causaal verband zoals bedoeld in punt 20 van het onderhavige arrest in strijd zou zijn met het doel van deze bepaling, te weten de bescherming van de consument als de zwakke partij bij de overeenkomst met een handelaar.

25

Zoals de Europese Commissie heeft aangevoerd en de advocaat-generaal in punt 25 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou het vereiste van voorafgaande raadpleging van een website door de consument bewijsproblemen kunnen opleveren, in het bijzonder wanneer de overeenkomst, zoals in het hoofdgeding, niet via deze website op afstand is gesloten. In een dergelijk geval kunnen de moeilijkheden bij het bewijs van een causaal verband tussen het middel dat is gebruikt om de activiteit op een markt te richten – een website – en het sluiten van een overeenkomst de consument ontmoedigen om de nationale rechter te adiëren op basis van de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 en de door deze bepalingen nagestreefde bescherming van de consument verzwakken.

26

Zoals de advocaat-generaal echter evenzeer heeft opgemerkt in punt 26 van zijn conclusie, is dit causaal verband weliswaar geen ongeschreven voorwaarde voor de toepassing van genoemd artikel 15, lid 1, sub c, maar kan het wel als relevante aanwijzing dienen die de nationale rechter kan betrekken in zijn oordeel over de vraag of de activiteit daadwerkelijk is gericht op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft.

27

Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat het Hof in punt 93 en in het dispositief van zijn arrest van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C-585/08 en C-144/09, Jurispr. blz. I-12527), een niet-uitputtende lijst heeft vastgesteld van aanwijzingen die de nationale rechter kunnen helpen bij het beoordelen of is voldaan aan de essentiële voorwaarde van een op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft gerichte activiteit.

28

Voorts heeft het Hof in zijn reeds aangehaalde arrest Mühlleitner, waarin het heeft geoordeeld dat de toepassing van artikel 15, lid 1, sub c, niet verlangt dat een consumentenovereenkomst op afstand is gesloten, in punt 44 aan die niet-uitputtende lijst andere aanwijzingen toegevoegd – waaronder „het op afstand contact opnemen” en „het sluiten op afstand van een consumentenovereenkomst” – voor het bewijs dat de overeenkomst verband houdt met een activiteit die is gericht op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft.

29

Teneinde te vermijden dat de werkingssfeer van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 wordt uitgebreid, moet worden vastgesteld dat het causale verband dat aan de orde is in de eerste prejudiciële vraag een aanwijzing vormt van een „gerichte activiteit”, zoals dit ook het geval is voor „het op afstand contact opnemen” dat ertoe leidt dat de consument op afstand een contractuele verbintenis aangaat.

30

Zoals de advocaat-generaal bovendien in de punten 33 tot en met 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de omstandigheid dat een handelaar, zoals die in het hoofdgeding, in een lidstaat nabij de grens met een andere lidstaat is gevestigd, in een stadsgebied dat aan weerszijden van deze grens ligt, en dat hij een door de andere lidstaat toegekend telefoonnummer gebruikt door het ter beschikking te stellen van zijn potentiele klanten die in deze laatste lidstaat wonen om hun de kosten van een internationaal gesprek te besparen, eveneens een aanwijzing vormen voor het feit dat zijn activiteit „is gericht” op deze andere lidstaat.

31

Hoe dan ook staat het aan de verwijzende rechter om de omstandigheden waarin de consumentenovereenkomst in het hoofdgeding is gesloten globaal te beoordelen teneinde op basis van het bestaan of het ontbreken van aanwijzingen die al dan niet voorkomen op de niet-uitputtende lijst zoals het Hof die heeft opgesteld in de relevante rechtspraak genoemd in de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest, te beslissen of artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 van toepassing is.

32

Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het niet verlangt dat er een causaal verband bestaat tussen het middel – een website – dat wordt gebruikt om de commerciële of beroepsactiviteit te richten op de lidstaat waar de consument woont, en het sluiten van de overeenkomst met deze consument. Wel vormt het bestaan van een dergelijk causaal verband een aanwijzing dat de overeenkomst verband houdt met een dergelijke activiteit.

Kosten

33

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat het niet verlangt dat er een causaal verband bestaat tussen het middel – een website – dat wordt gebruikt om de commerciële of beroepsactiviteit te richten op de lidstaat waar de consument woont, en het sluiten van de overeenkomst met deze consument. Wel vormt het bestaan van een dergelijk causaal verband een aanwijzing dat de overeenkomst verband houdt met een dergelijke activiteit.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top