EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62012CC0438

Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen van 30 januari 2014.
Irmengard Weber tegen Mechthilde Weber.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberlandesgericht München - Duitsland.
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Artikel 22, punt 1 - Exclusieve bevoegdheid - Geschillen inzake zakelijke rechten op onroerende goederen - Aard van voorkooprecht - Artikel 27, lid 1 - Aanhangigheid - Begrip vorderingen tussen dezelfde partijen en met hetzelfde onderwerp - Verband tussen artikelen 22, punt 1, en 27, lid 1 - Artikel 28, lid 1 - Samenhang - Beoordelingscriteria voor aanhouding van uitspraak.
Zaak C-438/12.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:43

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. JÄÄSKINEN

van 30 januari 2014 ( 1 )

Zaak C‑438/12

Irmengard Weber

tegen

Mechthilde Weber

[verzoek van het Oberlandesgericht München (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 22, punt 1 — Exclusieve bevoegdheid — Geschillen inzake zakelijke rechten op onroerende goederen — Voorkooprecht op onroerend goed daaronder begrepen — Artikel 27, lid 1 — Aanhangigheid — Begrip vorderingen ‚tussen dezelfde partijen’ — Begrip vorderingen ‚die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten’ — Sanctie voor misbruik van vorderingsrecht — Combinatie van artikelen 22, punt 1, en 27, lid 1 — Artikel 28, lid 1 — Samenhang — Beoordelingscriteria voor aanhouding van uitspraak — Combinatie van artikelen 27 en 28 — Recht op effectieve rechterlijke bescherming”

I – Inleiding

1.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Oberlandesgericht München (Duitsland) betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( 2 ), in het bijzonder de artikelen 22, punt 1 ( 3 ), 27, lid 1 ( 4 ), en 28, lid 1 ( 5 ). Het Hof wordt met andere woorden verzocht de exclusieve bevoegdheidsregel inzake zakelijke rechten op onroerende goederen en de regels van de verordening die gelden bij aanhangigheid en samenhang uit te leggen.

2.

Ik wijs er meteen op dat het mij aangewezen lijkt de verschillende vragen die aan het Hof zijn gesteld te herschikken en niet te behandelen in de volgorde van de verwijzende rechter, maar in een volgorde die meer de logica en de opzet van verordening nr. 44/2001 volgt.

3.

Begonnen dient te worden met de vraag of artikel 22, punt 1, van de verordening, inzake de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen waarop de litigieuze zakelijke rechten betrekking hebben, van toepassing is op een vordering tot vaststelling dat een voorkooprecht op een onroerend goed niet geldig is uitgeoefend. ( 6 )

4.

In samenhang daarmee strekt een andere vraag ( 7 ) ertoe te vernemen of in het geval van aanhangigheid in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 de als laatste aangezochte rechter kan beslissen zijn uitspraak niet aan te houden op grond van de omstandigheid dat de als eerste aangezochte rechter volgens hem niet de exclusief bevoegde rechter krachtens artikel 22, punt 1, van deze verordening is en de eventuele beslissing van die rechter dus overeenkomstig artikel 35, lid 1, van de verordening ( 8 ) niet zal worden erkend in andere lidstaten.

5.

De verwijzende rechter wenst eveneens te vernemen of de in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 neergelegde regel inzake aanhangigheid ook geldt voor twee procedures die aanhangig zijn bij gerechten van verschillende lidstaten in het geval dat twee personen medeverweerders tegenover een derde zijn in een van die procedures en elkaars tegenpartij in de andere, en in het geval dat die procedures vorderingen betreffen die zijn gebaseerd op verschillende gronden, maar waarin in beide zaken voorafgaand op eenzelfde rechtsvraag moet worden beslist. ( 9 )

6.

Voorts wordt het Hof verzocht te verduidelijken of de als laatste aangezochte rechter in het kader van de beslissing om zijn uitspraak aan te houden die hij krachtens artikel 27, lid 1, van de verordening moet nemen, niet enkel de grief moet onderzoeken waarmee een partij stelt dat de andere partij haar recht heeft misbruikt door een vordering in te stellen bij de als eerste aangezochte rechter, maar ook het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de tweede verzoeker moet waarborgen, en zo ja, welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. ( 10 )

7.

Daarnaast wordt het Hof gevraagd of de als laatste aangezochte rechter artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001, betreffende samenhangende zaken die aanhangig zijn bij gerechten van verschillende lidstaten pas kan toepassen nadat hij heeft vastgesteld dat artikel 27, lid 1, van die verordening, betreffende aanhangigheid, niet van toepassing is op het geding. ( 11 )

8.

Tot slot vraagt de verwijzende rechter welke criteria hij mag hanteren wanneer hij de beoordelingsbevoegdheid uitoefent die voortvloeit uit artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat bepaalt dat hij bij samenhang niet verplicht is zijn uitspraak aan te houden. ( 12 )

II – Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof

9.

Het hoofdgeding betreft een geschil tussen de zussen Irmengard en Mechthilde Weber, twee oudere dames die respectievelijk voor zes tienden en vier tienden mede-eigenaar zijn van een perceel grond te München (Duitsland). Op grond van een notariële akte van 20 december 1971 werd in het kadaster een voorkooprecht op dat onroerend goed ingeschreven ten gunste van I. Weber, op basis van § 1094, lid 1, Bürgerliches Gesetzbuch ( 13 ) (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”).

10.

Bij notariële overeenkomst van 28 oktober 2009 heeft M. Weber haar aandeel van vier tienden verkocht aan Z. GbR, een vennootschap naar Duits recht waarvan haar zoon, F. Calmetta, een advocaat uit Milaan (Italië), een van de zaakvoerders is. Een beding in die overeenkomst bepaalde dat M. Weber deze onder bepaalde voorwaarden kon herroepen tot en met 28 maart 2010.

11.

De notaris die deze overeenkomst te München had verleden, heeft I. Weber ingelicht, die daarna op grond van de §§ 463 en 464 BGB ( 14 ) bij brief van 18 december 2009 haar voorkooprecht op dat aandeel heeft uitgeoefend.

12.

Bij een op 25 februari 2010 voor diezelfde notaris gesloten overeenkomst hebben I. en M. Weber uitdrukkelijk erkend dat dit voorkooprecht daadwerkelijk was uitgeoefend en kwamen zij overeen de eigendom over te dragen aan I. Weber tegen dezelfde prijs als die in de koopovereenkomst tussen M. Weber en Z. GbR. Blijkbaar was de afspraak dat de notaris pas de nodige stappen zou ondernemen om de eigendomsoverdracht overeenkomstig § 873, lid 1, BGB ( 15 ) en § 19 van de Grundbuchordnung ( 16 ) (verordening inzake het kadaster) in het kadaster in te schrijven zodra M. Weber had afgezien van haar herroepingsrecht in de overeenkomst van 28 oktober 2009. Op 2 maart 2010 heeft I. Weber de overeengekomen koopprijs van 4000000 EUR betaald. Bij brief van 15 maart 2010 heeft M. Weber verklaard dat zij haar herroepingsrecht uitoefende.

13.

Bij verzoekschrift van 29 maart 2010, dat op 11 mei 2010 aan I. Weber is betekend, heeft Z. GbR een vordering ingesteld tegen I. en M. Weber bij het Tribunale ordinario di Milano (burgerlijke rechtbank te Milaan), waarbij zij verzocht vast te stellen dat I. Weber haar voorkooprecht onrechtmatig had uitgeoefend en de overeenkomst tussen M. Weber en haarzelf geldig was.

14.

Op 15 juli 2010 heeft I. Weber het Landgericht München I verzocht M. Weber te gelasten in te stemmen met de inschrijving in het kadaster van de eigendomsoverdracht van haar vier tienden van het onroerend goed. ( 17 ) M. Weber heeft zich hiertegen verzet door zich in limine litis erop te beroepen dat bij de Italiaanse rechter al een geding aanhangig was.

15.

Bij beschikkingen van 1 april 2011 en 23 augustus 2011 heeft het Landgericht München I de behandeling van de bij hem aanhangige zaak geschorst op grond van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 en, subsidiair, artikel 28, leden 1 en 3, van die verordening, gelet op de lopende procedure bij het Tribunale ordinario di Milano, waarbij de zaak het eerst was aangebracht.

16.

I. Weber heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht München. Bij beslissing van 16 februari 2012, ingekomen op 2 oktober 2012, heeft deze rechter, die meent dat het Landgericht München I correct heeft geoordeeld, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Ziet artikel 27 van verordening [...] nr. 44/2001 [...] ook op gevallen waarbij twee partijen in het ene geding als verweerders terechtstaan omdat een derde een rechtsvordering tegen hen heeft ingesteld, en zij in het andere geding tegenover elkaar staan als verzoekende en verwerende partij? Betreft een dergelijk geval een geschil ‚tussen dezelfde partijen’ of moeten de verschillende rechtsvorderingen die de verzoeker in het ene geding tegen beide verweerders heeft ingesteld, afzonderlijk worden onderzocht, zodat niet kan worden uitgegaan van een geschil ‚tussen dezelfde partijen’?

2)

Gaat het om rechtsvorderingen die ‚hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten’ als bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 wanneer de middelen van het beroep en de ter onderbouwing ervan aangevoerde argumenten in beide procedures weliswaar verschillen, maar

a)

voor de afdoening van beide vorderingen eerst eenzelfde voorvraag moet worden beantwoord, of

b)

in het ene geding subsidiair wordt verzocht om vaststelling van een rechtsverhouding die in het andere geding een rol speelt als een voorvraag?

3)

Vormt de rechtsvordering die ertoe strekt te doen vaststellen dat de verweerder zijn – naar Duits recht vaststaand – voorkooprecht op een in Duitsland gelegen perceel grond niet rechtsgeldig heeft uitgeoefend, een rechtsvordering met betrekking tot een zakelijk recht op een onroerend goed als bedoeld in artikel 22, [punt] 1, van verordening nr. 44/2001?

4)

Moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in het kader van zijn uitspraak overeenkomstig artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 – en dus nog voordat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht op de bevoegdheidsvraag heeft beslist – nagaan of het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onbevoegd is volgens artikel 22, [punt] 1, van verordening nr. 44/2001, aangezien die onbevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht volgens artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 tot gevolg kan hebben dat een eventuele beslissing van dit gerecht niet wordt erkend? Geldt artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet voor het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, wanneer het tot de conclusie komt dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onbevoegd is volgens artikel 22, [punt] 1, van deze verordening?

5)

Moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in het kader van zijn uitspraak overeenkomstig artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 – en dus nog voordat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht op de bevoegdheidsvraag heeft beslist – het door de ene partij gemaakte verwijt onderzoeken dat de andere partij rechtsmisbruik heeft gepleegd door beroep in te stellen bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht? Kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet toepassen, wanneer het tot de conclusie komt dat de andere partij rechtsmisbruik heeft gepleegd door een rechtsvordering in te stellen bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht?

6)

Is voor toepassing van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 vereist dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, eerst vaststelt dat artikel 27 van deze verordening in het betrokken geval niet van toepassing is?

7)

Kan bij de uitoefening van de in artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 bedoelde beoordelingsbevoegdheid, rekening worden gehouden met

a)

de omstandigheid dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, gevestigd is in een lidstaat waar rechtsgedingen statistisch gezien veel langer duren dan in de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht?

b)

de omstandigheid dat het gerecht waarbij de zaak voor het laatst is aangebracht van oordeel is dat het recht van de lidstaat, waar het gerecht gevestigd is waarbij de zaak het laatst is aangebracht, moet worden toegepast;

c)

de leeftijd van een partij;

d)

de kans van slagen van de rechtsvordering die is ingesteld bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht?

8)

Moet bij de uitlegging en toepassing van de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 44/2001 niet alleen worden getracht onverenigbare of tegenstrijdige beslissingen te vermijden, maar dient ook het recht van de tweede verzoeker op toegang tot de rechter in acht te worden genomen?”

17.

Uit latere stukken blijkt dat het Tribunale ordinario di Milano zich bij beslissing van 23 mei 2013 onbevoegd heeft verklaard ten gunste van de Duitse gerechten inzake de vorderingen van Z. GbR tegen I. en M. Weber.

18.

Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door I. Weber, M. Weber, de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Zwitserse regering en de Europese Commissie. Ter terechtzitting van 9 oktober 2013 hebben enkel de vertegenwoordigers van I. Weber, M. Weber en de Commissie gepleit.

III – Beoordeling

19.

Om te beginnen herinner ik eraan dat voor zover verordening nr. 44/2001 in de plaats is gekomen van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( 18 ), de door het Hof verstrekte uitlegging van de in dit verdrag neergelegde bepalingen ook geldt voor die van deze verordening, wanneer de bepalingen van deze instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt. ( 19 ) In casu is sprake van een dergelijke gelijkwaardigheid voor alle bepalingen die in de prejudiciële vragen aan de orde zijn, aangezien de artikelen 22, punt 1, 27, lid 1, en 28, lid 1, van de verordening berusten op dezelfde systematiek als de overeenkomstige bepalingen van het Executieverdrag ( 20 ) en bovendien zijn geformuleerd in nagenoeg gelijke bewoordingen ( 21 ).

20.

Voorts herhaal ik dat de prejudiciële vragen volgens mij moeten worden gehergroepeerd en in een andere volgorde worden behandeld dan die van de verwijzende rechter. Meer bepaald begin ik de beoordeling met de derde vraag, over de exclusieve bevoegdheid die is neergelegd in artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001, om daarna de vierde vraag te behandelen, waarmee wordt gevraagd naar de gevolgen van die bepaling voor de in artikel 27 van die verordening geformuleerde regel van aanhangigheid. Die volgorde lijkt mij logisch, aangezien een nationale rechter die krachtens de verordening over een dergelijke exclusieve bevoegdheid beschikt, niet hoeft te onderzoeken of de materiële voorwaarden voor aanhangigheid, waarover de eerste twee prejudiciële vragen gaan ( 22 ), zijn vervuld met betrekking tot het bij hem als laatste aangebrachte geding. Volgens mij kan in dat geval immers een rechter van een andere lidstaat niet tegelijk rechtmatig bevoegd zijn.

A – Uitlegging van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 en de combinatie daarvan met artikel 27 van die verordening

1. Valt een zakelijk voorkooprecht binnen de werkingssfeer van de in artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 neergelegde exclusieve bevoegdheidsregel? (derde prejudiciële vraag)

21.

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, zoals hij aanneemt, een vordering tot vaststelling dat de verweerder zijn zakelijk voorkooprecht, dat het materiële recht van een lidstaat verleent voor een perceel grond op zijn grondgebied, niet rechtsgeldig heeft uitgeoefend, betrekking heeft op een van de „zakelijke rechten [...] op onroerende goederen” zoals bedoeld in artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001. Indien dat het geval is, zijn krachtens die bepaling de „gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is” bij uitsluiting bevoegd voor die vordering.

22.

Concreet vraagt hij zich af of een vordering tot ongeldigverklaring van de uitoefening van een voorkooprecht op een perceel grond in Duitsland, zoals door de onderneming Z. GbR is ingesteld bij de Italiaanse rechter, binnen de werkingssfeer van dat artikel valt, waardoor de Duitse rechter uitsluitend bevoegd zou zijn.

23.

Volgens M. Weber is deze prejudiciële vraag niet-ontvankelijk, enerzijds omdat het verzoek om gedwongen inschrijving in het kadaster dat bij de Duitse rechter is ingediend, geen betrekking heeft op zakelijke rechten op onroerende goederen in de zin van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001, en anderzijds omdat deze vraag niet relevant is voor een beslissing van de verwijzende rechter om zijn uitspraak aan te houden op grond van de artikelen 27 en 28 van de verordening. ( 23 )

24.

Volgens vaste rechtspraak kan het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter echter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. ( 24 )

25.

Dit is niet het geval in het onderhavige geding, aangezien uit de door het Oberlandesgericht München verstrekte gegevens blijkt dat de parallelle vordering bij de Italiaanse rechter betrekking heeft op de vraag of I. Weber haar recht van voorkoop op een onroerend goed geldig heeft uitgeoefend ( 25 ) en diezelfde vraag in het in Duitsland aanhangige geding voorafgaand moet worden onderzocht. De verwijzende rechter heeft voldoende gemotiveerd waarom hij de prejudiciële vragen heeft gesteld en naar behoren verduidelijkt dat een antwoord noodzakelijk is voor de uitspraak in het bij hem aanhangige geding, zodat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.

26.

Opgemerkt zij dat in de lijn van de rechtspraak over artikel 16, punt 1, sub a, van het Executieverdrag ( 26 ) het criterium voor exclusieve bevoegdheid dat is neergelegd in artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001, namelijk een procedure inzake „zakelijke rechten [...] op onroerende goederen”, moet worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip. Daaruit volgt dat dit begrip moet worden uitgelegd aan de hand van, enerzijds, de doeleinden en het stelsel van deze verordening en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels worden gevonden. ( 27 ) In dit verband wordt zowel in nationale als in internationale normen het forum rei sitae-beginsel algemeen aanvaard als bevoegdheidsregel voor grensoverschrijdende geschillen over zakelijke rechten op onroerende goederen.

27.

Vanuit teleologisch oogpunt is een goede rechtsbedeling de voornaamste reden voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het betrokken onroerend goed is gelegen ( 28 ), aangezien die gerechten wegens hun geografische nabijheid het best geplaatst zijn om uitspraak te doen in geschillen over rechten met betrekking tot dat onroerend goed ( 29 ), wat het Hof herhaaldelijk heeft bevestigd met betrekking tot het Executieverdrag. ( 30 )

28.

Voorts mag vanuit systematisch oogpunt de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 niet extensief worden uitgelegd, in een ruimere zin dan het oogmerk ervan verlangt. ( 31 ) Die bepaling voert immers niet alleen een uitzondering in op de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van de verordening, waardoor de verweerder niet mag verschijnen voor de gerechten in de buurt van zijn woonplaats als het betrokken onroerend goed zich niet in zijn lidstaat bevindt, maar ook op bijzondere bevoegdheidsregels in de verordening, waardoor de partijen niet langer het forum kunnen kiezen op basis van die bepalingen. ( 32 )

29.

Tegen die achtergrond heeft het Hof de werkingssfeer van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 reeds beperkend uitgelegd, in navolging van de rechtspraak inzake artikel 16, punt 1, sub a, van het Executieverdrag. De exclusieve bevoegdheidsregel voor „zakelijke rechten [...] op onroerende goederen” in eerstgenoemde bepaling is aldus uitgelegd dat zij „niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar alleen die welke zowel vallen binnen het toepassingsgebied van voornoemd verdrag [respectievelijk voornoemde verordening] als behoren tot de rechtsvorderingen die ertoe strekken, de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren” ( 33 ).

30.

Voorts volstaat het volgens de rechtspraak ( 34 ) voor de toepasselijkheid van artikel 16, punt 1, van het Executieverdrag niet dat de rechtsvordering een zakelijk recht op een onroerend goed betreft of verband houdt met een onroerend goed, maar moet zij op een zakelijk recht zijn gebaseerd en niet op een persoonlijk recht. ( 35 ) Het verschil tussen een zakelijk en een persoonlijk recht bestaat erin dat het eerste werking heeft jegens iedereen, omdat het op een zaak rust, terwijl het tweede alleen tegenover de debiteur geldend kan worden gemaakt. Deze vaststellingen gelden ook voor artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

31.

In casu valt een vordering tot vaststelling dat een in het kadaster ingeschreven voorkooprecht op een perceel grond niet rechtsgeldig is uitgeoefend, zoals die welke het eerst bij de Italiaanse rechter is aangebracht door Z. GbR, binnen de werkingssfeer van die bepaling. Een dergelijke vordering is immers gebaseerd op het bestaan van een soort voorkeursrecht betreffende een onroerend goed ( 36 ) en strekt ertoe te bepalen wat bij uitoefening van dat recht de gevolgen erga omnes zijn die de houder ervan kan doen gelden ten aanzien van een eigendomsoverdracht, in het bijzonder ten aanzien van de derde-verkrijger. Het betreft dus een geschil over een zakelijk en geen persoonlijk recht op een onroerend goed. Die uitlegging vindt steun in de eerdergenoemde overwegingen van behoorlijke rechtsbedeling, die de grondslag vormen voor artikel 22, punt 1.

32.

Gelet op een en ander geef ik in overweging om op de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat een vordering inzake de geldigheid van de uitoefening van een voorkooprecht op een onroerend goed, zoals die welke bij de Italiaanse rechter is ingesteld vóór de procedure bij de verwijzende rechter in het onderhavige geding, een vordering inzake „zakelijke rechten [...] op onroerende goederen” is in de zin van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

2. Gevolgen voor een mogelijke aanhouding van zijn uitspraak wegens aanhangigheid wanneer de als laatste aangezochte rechter exclusief bevoegd is op grond van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 (vierde prejudiciële vraag)

33.

Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen wat het verband is tussen artikel 22, punt 1, en artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001, en in het bijzonder of op basis van het eerste artikel kan worden afgeweken van het tweede. Het Hof wordt gevraagd of in het geval van parallel lopende procedures in twee lidstaten het voor de als laatste aangezochte rechter relevant is dat naar zijn mening de mogelijke beslissing van de als eerste aangezochte rechter niet zal worden erkend in de andere lidstaten, op grond van artikel 35, lid 1, van die verordening, wegens schending van de exclusieve bevoegdheid inzake zakelijke rechten op onroerende goederen van artikel 22, punt 1.

34.

Volgens mij moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Die conclusie volgt ten eerste uit de bewoordingen van artikel 27 van verordening nr. 44/2001, die dezelfde zijn als die van artikel 21 van het Executieverdrag. De formulering van het laatstgenoemde artikel heeft een opmerkelijke evolutie doorgemaakt, waarmee hier rekening moet worden gehouden. Vóór de in 1989 ingevoerde wijziging ( 37 ) bepaalde dat artikel 21 dat de als laatste aangezochte rechter zijn uitspraak enkel kon aanhouden – en niet verplicht was om zich onbevoegd te verklaren – wanneer de bevoegdheid van de andere rechter werd betwist.

35.

Het huidige mechanisme is omgekeerd, aangezien de als laatste aangezochte rechter zijn uitspraak moet aanhouden „totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat”. In theorie kan die bevoegdheid nooit komen vast te staan wanneer de als laatste aangezochte rechter als enige exclusief bevoegd is wegens het voorwerp van het geding, zoals op basis van artikel 22, punt 1, van de verordening, aangezien die bevoegdheid noodzakelijkerwijs voorrang heeft. ( 38 )

36.

Naar mijn mening spreekt de rechtspraak van het Hof over artikel 21 van het Executieverdrag deze redenering niet tegen. Het arrest Overseas Union Insurance e.a. ( 39 ) bevat immers een obiter dictum dat a contrario lijkt in te houden dat in de hypothese dat de als laatste aangezochte rechter exclusief bevoegd was geweest op basis van dat verdrag en met name artikel 16 daarvan (dat overeenkomt met het huidige artikel 22 van verordening nr. 44/2001), hij rekening had mogen houden met de omstandigheid dat de als eerste aangezochte rechter niet bevoegd was. Meer bepaald gaat, zoals advocaat-generaal Van Gerven in die zaak heeft opgemerkt, de als laatste aangezochte rechter in dergelijke omstandigheden enkel zijn eigen bevoegdheid na, die in casu exclusief was. ( 40 )

37.

Die benadering, die geldt voor de oorspronkelijke versie van artikel 21, geldt a fortiori voor artikel 27 van verordening nr. 44/2001, waarin nog explicieter is bepaald dat de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter formeel moet vaststaan vooraleer een situatie van aanhangigheid haar volle uitwerking krijgt.

38.

Latere rechtspraak lijkt mij verenigbaar met een dergelijke analyse. In het arrest Gasser ( 41 ), dat de gewijzigde versie van artikel 21 van het Executieverdrag betreft, heeft het Hof geoordeeld dat de procedureregel van dat artikel „duidelijk en uitsluitend gebaseerd is op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht”. Het heeft daaruit afgeleid dat de als laatste aangezochte rechter van wie de bevoegdheid krachtens een forumkeuzebeding geldend is gemaakt, niettemin de zaak moet aanhouden totdat de als eerste aangezochte rechter zich onbevoegd heeft verklaard, meer bepaald met het oog op de rechtszekerheid. ( 42 )

39.

In die zaak ging het echter om het specifieke geval van exclusieve bevoegdheid op basis van een forumkeuzebeding, waarvan partijen kunnen afzien of waarvan de geldigheid kan worden betwist ( 43 ), en was geen sprake van een rechtstreeks met het voorwerp van het geding samenhangende bevoegdheidsgrond, zoals bij zakelijke rechten op onroerende goederen krachtens artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

40.

Wanneer de als laatste aangezochte rechter als enige exclusief bevoegd ( 44 ) is op basis van artikel 22, punt 1, lijkt het mij niet aangewezen dat hij de behandeling van de bij hem aanhangige procedure aanhoudt op grond van artikel 27, lid 1, van de verordening in afwachting van de beslissing van de als eerste aangezochte rechter, aangezien deze zich niet rechtmatig bevoegd kan verklaren en dus niet ten gronde uitspraak kan doen in de parallelle procedure. Een andere benadering zou zogenaamde „torpedo”-vorderingen kunnen aanmoedigen, die op deloyale wijze het eerst in een lidstaat worden ingesteld met als enige oogmerk om de, nochtans exclusieve, bevoegdheid van de gerechten van een andere lidstaat – die waar het betreffende onroerend goed is gelegen – te omzeilen.

41.

Deze uitlegging vindt bevestiging in het stelsel waarvan artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 deel uitmaakt. Op grond van artikel 25 van de verordening moeten immers alle gerechten van andere lidstaten dan die waar het onroerend goed is gelegen dat in een geding over zakelijke rechten aan de orde is, zich onbevoegd verklaren. ( 45 ) Voorts staat vast dat overeenkomstig de artikelen 35, lid 1, en 45, lid 1, van de verordening een beslissing van de als eerste aangezochte rechter waarbij de bevoegdheidsregel van artikel 22, punt 1, wordt geschonden, niet wordt erkend of ten uitvoer wordt gelegd in andere lidstaten. De beslissing van de als laatste aangezochte rechter die exclusief bevoegd is om in dergelijke omstandigheden de zaak aan te houden, zou louter tijdverlies betekenen en beantwoordt dus niet aan het vereiste van een goede rechtsbedeling.

42.

Om echter niet af te doen aan het nuttige effect van het in artikel 27, lid 1, bedoelde mechanisme mag de als laatste aangezochte rechter zich enkel exclusief bevoegd verklaren ten koste van de voorrang die de als eerste aangezochte rechter in beginsel heeft, in de gevallen waarin een betrouwbare prognose over de erkenning en de tenuitvoerlegging mogelijk is zonder gevaar van tegenstrijdige beslissingen. Net als de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Zwitserse regering ben ik van mening dat een dergelijke prognose mogelijk is wanneer de geschillen binnen de werkingssfeer van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 vallen. In die precieze context wordt geen afbreuk gedaan aan het doel van verordening nr. 44/2001, en artikel 27 in het bijzonder, dat erin bestaat parallelle procedures bij gerechten van verschillende lidstaten en de onverenigbare beslissingen die daaruit kunnen voortvloeien te vermijden ( 46 ), omdat de kans op dergelijke beslissingen in dat geval bijzonder klein is.

43.

Derhalve geef ik in overweging bevestigend te antwoorden op de vierde prejudiciële vraag, aangezien in een geval zoals dat in het hoofdgeding niet twee gerechten in gelijke mate bevoegd zijn en dus geen sprake is van een positief bevoegdheidsconflict dat moet worden opgelost aan de hand van de bepalingen van verordening nr. 44/2001 inzake aanhangigheid.

B – Uitlegging van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001

44.

De vier andere prejudiciële vragen over artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 ( 47 ) worden gehergroepeerd, waarbij eerst de voorwaarden voor het bestaan van aanhangigheid in de zin van die bepaling (1) worden behandeld en daarna de gevolgen indien sprake is van aanhangigheid (2).

45.

Deze vragen hoeven niet te worden beantwoord indien het Hof, zoals ik voorstel, oordeelt dat aanhangigheid in de zin van dat artikel niet mogelijk is in het onderhavige geding wegens de voorrang van de exclusieve bevoegdheid van het forum rei sitae zoals bepaald in artikel 22, punt 1, van de verordening. De hiernavolgende opmerkingen over deze vragen zijn dus louter subsidiair.

1. Voorwaarden voor het bestaan van aanhangigheid in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001

46.

De eerste twee prejudiciële vragen betreffen de voorwaarden waaronder aanhangigheid op grond van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 wordt erkend. Het Hof wordt in het bijzonder verzocht te preciseren wat moet worden verstaan onder de in die bepaling niet-gedefinieerde uitdrukkingen „[vorderingen] tussen dezelfde partijen” (a) en „[vorderingen] die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten” (b).

47.

Ik breng meteen in herinnering dat deze twee begrippen autonoom moeten worden gedefinieerd, dus onafhankelijk van de begrippen die in de lidstaten worden gehanteerd. ( 48 )

48.

Volgens mij moet in het kader van de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 44/2001 inzake aanhangigheid indirect rekening worden gehouden met de uitlegging die het Hof in het arrest Tatry heeft gegeven van het parallelle begrip samenhang, dat betrekking heeft op „alle gevallen [...] waarin er gevaar voor tegenstrijdige uitspraken bestaat, ook al kunnen de uitspraken afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd en sluiten de rechtsgevolgen ervan elkaar niet uit”. ( 49 ) Daaruit volgt dat aanhangigheid op haar beurt situaties betreft waarin toekomstige beslissingen niet afzonderlijk ten uitvoer kunnen worden gelegd en de rechtsgevolgen ervan elkaar uitsluiten. Daarin ligt volgens mij de reden waarom de als laatste aangezochte rechter zijn uitspraak moet aanhouden totdat de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter komt vast te staan. ( 50 )

49.

Daaraan zij toegevoegd dat voor deze uitlegging ook moet worden gekeken naar de omstandigheid dat de omvang, zowel objectief als subjectief, van het gezag van gewijsde (res judicata) van een beslissing in burgerlijke zaken niet is geharmoniseerd in het Unierecht. De toepassing van de bepalingen inzake aanhangigheid is dus niet eenvoudig, aangezien aanhangigheid volgens mij in feite anticipeert op het gezag van gewijsde van de beslissing die de als eerste aangezochte rechter zou kunnen nemen. Bovendien kan de als laatste aangezochte rechter die zijn uitspraak krachtens artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moet aanhouden, niet worden geacht de bijzonderheden van het burgerlijk recht of het burgerlijk procesrecht in de lidstaat van de als eerste aangezochte rechter te kennen. Hij moet zijn beslissing kunnen nemen na een veeleer technisch onderzoek van de inleidende stukken van de parallelle procedure.

a) Uitlegging van het begrip „tussen dezelfde partijen” in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 (eerste prejudiciële vraag)

50.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of onder het begrip vorderingen „tussen dezelfde partijen” – een toepassingsvoorwaarde van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 – ook twee parallelle procedures vallen waarbij de personen die bij beide procedures zijn betrokken in de eerste procedure beiden optreden als verweerder, terwijl zij in de tweede procedure verzoeker en verweerder zijn.

51.

Het Hof is in het kader van een uitlegging van het Executieverdrag reeds verzocht dit begrip te omschrijven. Het heeft geoordeeld dat „de plaats van partijen in de twee procedures daarbij geen rol speelt, zodat de verzoeker in de eerste procedure verweerder kan zijn in de tweede procedure” ( 51 ) en vice versa. De hoedanigheden van de procespartijen kunnen dus omgekeerd zijn in de parallelle procedures.

52.

Eveneens is vastgesteld dat sprake is van aanhangigheid wanneer partijen niet volledig, maar slechts ten dele dezelfde zijn, op voorwaarde dat „op zijn minst een verzoeker en een verweerder in de eerste ingeleide procedure ook voorkomen onder de verzoekers en de verweerders in de tweede procedure of omgekeerd” ( 52 ).

53.

Voorts heeft het Hof in het arrest Drouot assurances, aan de hand van een bijzonder ruime opvatting van deze voorwaarde, vastgesteld dat de bepalingen inzake aanhangigheid soms zelfs moeten worden toegepast wanneer partijen in de twee procedures niet formeel dezelfde zijn, namelijk indien de belangen van de betrokken personen zo identiek en onlosmakelijk verbonden zijn dat zij moeten worden beschouwd als een en dezelfde partij, omdat „een tegen een van hen uitgesproken vonnis gezag van gewijsde zou hebben jegens de andere” ( 53 ).

54.

Volgens mij moet de draagwijdte van dat arrest echter worden beperkt tot de gevallen van litis consortium necessarium of gelijkaardige situaties waarin juridisch geen enkele twijfel bestaat dat de belangen van de partijen identiek en onlosmakelijk verbonden zijn. In het algemeen hoeft de als laatste aangezochte rechter niet te onderzoeken of daarvan sprake is, aangezien dat kan betekenen dat hij alle partijen in het geding dat aanhangig is bij de als eerste aangezochte rechter moet horen of ter zake dienend bewijs moet verkrijgen.

55.

Zonder een dergelijke beperking zou de toepassing van die rechtspraak kunnen leiden tot rechtsweigering, aangezien een procedure tegen een partij in een eerste lidstaat zou kunnen verhinderen dat in een tweede lidstaat een procedure tegen een andere persoon wordt ingesteld en behandeld, ook al blijkt de beslissing in de eerste zaak niet uitvoerbaar ten aanzien van de verweerder in de tweede zaak in die lidstaat. ( 54 ) In dat verband zij eraan herinnerd dat de rechten die zijn neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 ( 55 ), en in artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 56 ), individuele rechten zijn die bestaan los van de omstandigheid dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon belangen heeft die onlosmakelijk verbonden zijn met en identiek aan die van een andere persoon. Een justitiabele kan niet rechtmatig de mogelijkheid worden ontnomen om zijn vordering zonder uitstel te laten behandelen op grond dat een andere justitiabele verweerder is in een geding bij een gerecht van een andere lidstaat, aangezien zij onderscheiden rechtssubjecten zijn, zelfs als zij gemeenschappelijke belangen hebben.

56.

Wat meer bepaald de omstandigheden in het hoofdgeding betreft, blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 dat dezelfde partijen in de zin van die bepaling partijen zijn die tegenover elkaar staan in de parallelle procedures. ( 57 ) Die voorwaarde weerspiegelt ook de klassieke benadering van de civielrechtelijke procedure, die is gebaseerd op een procesverhouding waarbij twee partijen tegenover elkaar staan, namelijk een verzoeker en een verweerder, die vorderingen jegens elkaar geldend maken.

57.

Hoewel volgens voornoemde rechtspraak bij mogelijke aanhangigheid de positie van de partijen in de parallelle procedures omgekeerd kan zijn, blijkt echter geenszins uit de bewoordingen van die bepaling dat zij moet worden toegepast in situaties waar, zoals in het onderhavige geding, beide partijen verzoeker of verweerder zijn in de eerste procedure maar de ene verzoeker en de andere verweerder is in de tweede procedure.

58.

Toepassing van de schorsingsregel van artikel 27, lid 1, in een dergelijk geval zou de effectieve rechterlijke bescherming van de partijen in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder het recht van verweer van een partij die verweerder is in het eerste geding. Deze zou immers niet in staat zijn haar belangen daadwerkelijk te verdedigen voor de als eerste aangezochte rechter ten aanzien van een partij die in dat geding ook de positie van verweerder heeft en niet die van tegenpartij.

59.

Bovendien kan het resultaat problematisch zijn wat betreft het gezag van gewijsde en de tenuitvoerlegging van de beslissing die de als eerste aangezochte rechter geeft ten gunste van een van de verweerders en tegen de medeverweerder. Wanneer een verhouding met drie partijen (A tegen B en C) wordt gecombineerd met een met twee partijen (B tegen C) zie ik niet waarom de parallel gegeven beslissingen niet afzonderlijk ten uitvoer kunnen worden gelegd en hoe de rechtsgevolgen van die beslissingen elkaar kunnen uitsluiten, aangezien de beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken wat de subjecten betreft niet erga omnes gelden, met andere woorden niet verder gaan dan de rechtsverhouding tussen de verzoeker en de verweerder.

60.

De door mij voorgestelde uitlegging is verenigbaar met de hoofddoelstelling van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 om tegenstrijdige beslissingen, die dus niet ten uitvoer kunnen worden gelegd in een andere lidstaat ( 58 ), te vermijden, aangezien een dergelijk risico niet bestaat in omstandigheden zoals die van het onderhavige geding. Een beslissing van een Duitse rechter tegen M. Weber zou immers geen gezag van gewijsde hebben, en dus niet bindend zijn, ten aanzien van de onderneming Z. GbR in Italië, en hetzelfde geldt in Duitsland voor een beslissing van de als eerste aangezochte Italiaanse rechter. Bovendien zijn de belangen van M. Weber als schuldenaar van het voorkooprecht niet identiek aan die van die onderneming, die de koper is van het onroerend goed waarop dat recht betrekking heeft.

61.

Gelet op een en ander, en anders dan de verwijzende rechter suggereert, ben ik het eens met het standpunt van alle belanghebbenden – met uitzondering van M. Weber ( 59 ) – dat vorderingen zoals die in het onderhavige geding zijn ingesteld bij de Italiaanse respectievelijk de Duitse rechter, niet kunnen worden beschouwd als vorderingen „tussen dezelfde partijen” in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001. Indien het Hof de eerste prejudiciële vraag zou onderzoeken, geef ik in overweging om deze ontkennend te beantwoorden.

b) Uitlegging van het begrip „hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten” in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 (tweede prejudiciële vraag)

62.

Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of twee gedingen „hetzelfde onderwerp” betreffen in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 wanneer zij betrekking hebben op vorderingen met verschillende conclusies en argumenten, maar in beide procedures eenzelfde voorvraag moet worden behandeld om uitspraak te kunnen doen of in een van de procedures subsidiair wordt verzocht om een rechtsverhouding vast te stellen die in de andere procedure het voorwerp uitmaakt van een voorvraag.

63.

In casu rijst dit probleem enkel voor de combinatie tussen het eerste onderdeel van de vorderingen die bij de als eerste aangezochte Italiaanse rechter zijn ingesteld en de vordering bij de als tweede aangezochte Duitse rechter.

64.

Deze vraag hoeft niet te worden beantwoord indien, zoals ik voorstel, de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, aangezien de in artikel 27 bedoelde voorwaarden uitdrukkelijk cumulatief zijn en het ontbreken van een ervan dus tot gevolg heeft dat de in dat artikel neergelegde aanhangigheidsregel niet van toepassing is in de betreffende omstandigheden. Volgens mij kunnen de vragen of sprake is van eenzelfde oorzaak en onderwerp en van dezelfde partijen niet los van elkaar worden beoordeeld. De oorzaak en het onderwerp betreffen de objectieve omvang van zowel de vordering als het gezag van gewijsde van de toekomstige beslissing. Die objectieve omvang kan bij gedingen die onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 vallen niet ruimer zijn dan de subjectieve omvang van de procedure. ( 60 )

65.

Louter voor de volledigheid vermeld ik dan ook dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Gubisch Maschinenfabrik ( 61 ) heeft geoordeeld dat „ook al onderscheidt de Duitse versie van artikel 21” van het Executieverdrag, dat overeenkomt met artikel 27 van verordening nr. 44/2001, „niet uitdrukkelijk tussen ‚onderwerp’ en ‚oorzaak’, [zij] toch [...] op dezelfde wijze [moet] worden verstaan als de andere taalversies, die alle dat onderscheid wel kennen”. ( 62 ) Bijgevolg moet, ondanks de bewoordingen van de tweede prejudiciële vraag, voor het antwoord daarop niet enkel worden gekeken naar het begrip onderwerp, maar ook naar het begrip oorzaak.

66.

Ik breng in herinnering dat volgens de rechtspraak het begrip „oorzaak”„de feiten en de rechtsregel die tot staving van de vordering worden aangevoerd” omvat, terwijl het begrip „onderwerp”„het doel van de vordering” is ( 63 ), dus het resultaat dat met de procedure wordt beoogd. Voorts heeft het Hof aan de hand van deze benadering op grond van het doel reeds geoordeeld dat niet enkel sprake is van hetzelfde onderwerp wanneer de vorderingen in twee parallelle procedures in dezelfde bewoordingen zijn geformuleerd. ( 64 ) Het Hof heeft ook benadrukt dat om te beoordelen of twee vorderingen hetzelfde onderwerp betreffen, enkel moet worden uitgegaan van de aanspraken van de respectieve verzoekers in die procedures, met uitsluiting van de door een verweerder aangevoerde verweermiddelen. ( 65 )

67.

Wat de bijzondere problematiek van het onderhavige geding betreft, merk ik om te beginnen op dat de omstandigheid dat eenzelfde voorvraag rijst in twee parallelle gedingen niet bepalend is om vast te stellen of die gedingen dezelfde oorzaak en hetzelfde onderwerp hebben. ( 66 ) De vraag of sprake is van eenzelfde oorzaak en onderwerp moet vooral worden bekeken in het licht van de mogelijke gevolgen van de toekomstige beslissing van de als eerste aangezochte rechter. De vraag is dus of de verweerder in de eerste procedure nog iets te winnen heeft bij de tweede procedure nadat hij in het gelijk dan wel in het ongelijk is gesteld in de eerste procedure. Met andere woorden, er moet worden gekeken welk rechtsgevolg wordt beoogd en op welke basis de in het kader van het eerste geding gegeven beslissing objectief gezag van gewijsde zou hebben bij de als laatste aangezochte rechter.

68.

In beginsel kan een rechtsverhouding die aan de orde is in een als „voorvraag” gekwalificeerde vraag niet binnen de werkingssfeer van het begrip onderwerp van een vordering in de zin van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 vallen, omdat het doel van een procedure er niet kan in bestaan om enkel een antwoord te krijgen op een dergelijke vraag, waarover de rechter eerst uitspraak moet doen vooraleer hij de eigenlijke vordering van de verzoeker kan afwijzen of toewijzen. Dit staat los van de vraag of de voorvraag in de andere procedure ook het onderwerp uitmaakt van een voorafgaand verzoek dan wel van een verzoek in het kader van een subsidiaire vordering.

69.

In dat verband zij eraan herinnerd dat in casu de bij de Italiaanse rechter ingestelde vordering primair betrekking heeft op de bewering dat I. Weber haar voorkooprecht ongeldig heeft uitgeoefend en deze uitoefening geen rechtsgevolgen doet ontstaan, omdat I. Weber niet alle voorwaarden van de overeenkomst tussen Z. GbR en M. Weber, en in het bijzonder M. Webers herroepingsrecht, heeft aanvaard. Subsidiair heeft Z. GbR verzocht vast te stellen dat de contractvoorwaarden tussen haarzelf en M. Weber, met inbegrip van dat herroepingsrecht, aan I. Weber kunnen worden tegengeworpen. De vordering die is ingesteld bij de Duitse rechter strekt er daarentegen toe M. Weber te verplichten haar toestemming te verlenen voor inschrijving van I. Weber in het kadaster als eigenaar van M. Webers aandeel van vier tienden in de mede-eigendom.

70.

Louter formeel is het onderwerp dus niet hetzelfde in deze twee procedures en is er geen gevaar voor onverenigbare beslissingen. Evenwel is sprake van overlapping tussen de subsidiaire vordering in de Italiaanse procedure en de motivering in de Duitse procedure, namelijk wat betreft de vraag of het contractuele beding inzake M. Webers herroepingsrecht aan I. Weber kan worden tegengeworpen. In zoverre is, zoals de Commissie heeft gesteld, het onderwerp van beide procedures voldoende hetzelfde volgens de in de voornoemde rechtspraak ontwikkelde criteria, op grond waarvan kan worden gekeken naar de problematiek die „centraal” staat in twee parallelle gedingen ( 67 ), in casu dus de vraag of de uitoefening van het betrokken voorkooprecht rechtsgevolgen heeft doen ontstaan.

71.

Wat daarentegen de oorzaak betreft, zijn beide gedingen volgens mij weliswaar op dezelfde feiten gebaseerd, maar vloeien de vorderingen voort uit twee verschillende rechtshandelingen, zoals de Duitse regering heeft opgemerkt. De vordering van Z. GbR bij de Italiaanse rechter is immers gebaseerd op haar overeenkomst met M. Weber van 28 oktober 2009, terwijl de vordering van I. Weber bij de Duitse rechter is gebaseerd op haar overeenkomst met M. Weber naar aanleiding van de uitoefening van haar voorkooprecht. Hoewel de verwijzingsbeslissing niet vermeldt op welke wettelijke bepalingen de vorderingen van Z. GbR bij de Italiaanse rechter zijn gebaseerd ( 68 ), lijken deze toch contractuele verhoudingen te betreffen. De betwisting in het Duitse geding is daarentegen gebaseerd op § 464 BGB ( 69 ) en vloeit voort uit een zakelijk voorkooprecht. Gelet op de definitie die het Hof heeft gegeven van het begrip „oorzaak” ( 70 ), waarbij wordt uitgegaan van de feiten en de rechtsregel die tot staving van de vordering worden aangevoerd, lijkt de oorzaak in deze twee gedingen niet dezelfde, aangezien de rechtshandeling die aan de orde is in het tweede geding losstaat van de in het eerste geding aangevoerde overeenkomst en de aangevoerde rechtsregels in beide procedures verschillen.

72.

Tot slot benadruk ik dat als de materiële werkingssfeer van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 te ruim wordt uitgelegd, het moeilijk kan worden om de grens te trekken tussen dit artikel en artikel 28 van de verordening, dat artikel 27 aanvult voor procedures die minder rechtstreeks samenhangen ( 71 ), en artikel 28 zelfs zijn nuttig effect zou kunnen verliezen. Ik kom nog terug op de verhouding tussen deze twee bepalingen in het kader van het antwoord op de zesde prejudiciële vraag.

73.

Subsidiair geef ik derhalve in overweging de tweede prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden.

2. Elementen die de als laatste aangezochte rechter moet onderzoeken in het kader van de toepassing van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001

74.

De vijfde prejudiciële vraag en het eerste onderdeel van de achtste prejudiciële vraag betreffen beide de gevolgen indien aanhangigheid is vastgesteld, en in het bijzonder de elementen waarmee de als laatste aangezochte rechter rekening moet houden bij zijn beslissing om de zaak op grond van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aan te houden. Enerzijds rijst de vraag of de als laatste aangezochte rechter vooraleer hij zijn uitspraak kan aanhouden op grond van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001, de grief van een partij moet onderzoeken dat de andere partij haar recht heeft misbruikt door zich eerst tot een rechter in een andere lidstaat te wenden en wat daar in voorkomend geval de gevolgen van zijn (a), en anderzijds of hij rekening moet houden met het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de verzoeker in de latere procedure (b).

75.

Deze twee vragen hoeven niet te worden beantwoord indien het Hof, zoals ik voorstel, op de eerste tot en met de vierde prejudiciële vraag antwoordt dat artikel 27 niet van toepassing is in omstandigheden zoals die van het onderhavige geding.

a) Misbruik van het recht om een vordering in te stellen door de verzoeker die een andere rechter als eerste heeft aangezocht (vijfde prejudiciële vraag)

76.

Om te beginnen zij benadrukt dat de vijfde vraag hypothetisch is. Zij betreft immers het geval waarin de verzoeker die de vordering bij de als laatste aangezochte rechter heeft ingesteld voor die rechter aanvoert dat de tegenpartij (de „andere partij” genoemd in deze vraag) misbruik heeft gemaakt van haar rechten door eerder bij een andere rechter een vordering in te stellen, en dit stelt op een ogenblik dat laatstgenoemde rechter zich nog niet heeft uitgesproken over zijn bevoegdheid.

77.

De parallelle procedure in Italië is echter, zoals M. Weber betoogt, niet door haar ingesteld, maar door de onderneming Z. GbR, die geen partij is in het geding bij de verwijzende rechter waarin I. Weber en M. Weber tegenover elkaar staan. Overeenkomstig vaste rechtspraak ( 72 ) is deze vraag volgens mij niet-ontvankelijk, aangezien het antwoord van het Hof op deze vraag kennelijk irrelevant is voor de beslechting van het hoofdgeding ( 73 ) en dus niet nuttig is om de verwijzende rechter in staat te stellen een uitspraak te doen over een aanhouding van de zaak op grond van artikel 27 van verordening nr. 44/2001.

78.

Voor het geval het Hof oordeelt dat deze vraag toch moet worden beantwoord, formuleer ik de hiernavolgende, subsidiaire opmerkingen.

79.

In het kader van een bevestigend antwoord ( 74 ) kan worden opgemerkt dat een voorrang van bevoegdheid die uitsluitend is gebaseerd op een chronologisch criterium, zoals het geval is in artikel 27 van verordening nr. 44/2001, de partij bevoordeelt die het snelst een vordering bij een gerecht van een lidstaat heeft ingesteld. Het is algemeen bekend dat het risico bestaat dat zogenaamde torpedovorderingen worden ingesteld door partijen te kwader trouw die zo snel mogelijk hun vorderingsrecht uitoefenen met het enkele oogmerk de normale bevoegdheidsregels en in het bijzonder de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder te omzeilen, of als vertragingsmanoeuvre. ( 75 ) Volgens I. Weber is dit in het onderhavige geding het geval. ( 76 )

80.

Net als de Commissie meen ik echter dat de als laatste aangezochte rechter in geval van aanhangigheid in de zin van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 geen rekening kan of moet houden met een mogelijk misbruik van het recht om een vordering in te stellen door de verzoeker die een rechter van een andere lidstaat als eerste heeft aangezocht.

81.

Het Hof heeft immers reeds geoordeeld, meer bepaald wanneer wordt aangevoerd dat de eerste verzoeker vertragingsmanoeuvres heeft gehanteerd, dat het kennelijk in strijd is met zowel de letter als de strekking en het doel van het Executieverdrag om artikel 21 daarvan (dat overeenkomt met artikel 27 van verordening nr. 44/2001) aldus uit te leggen dat het buiten toepassing moet worden gelaten wanneer de als eerste aangezochte rechter is gevestigd in een verdragsstaat (of een lidstaat) waar de behandeling van zaken door de gerechten in het algemeen buitengewoon lang duurt. ( 77 )

82.

Die strikte uitlegging kan volgens mij worden veralgemeend naar grieven zoals die inzake een misbruik van het recht om als eerste een vordering in te stellen, gezien de bewoordingen van artikel 27 ( 78 ), die de rechter enkel verplichten na te gaan of sprake is van dezelfde oorzaak, hetzelfde onderwerp en dezelfde partijen, en gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen in de gelijkwaardigheid van de rechtsstelsels van de lidstaten, waarop deze bepaling in het bijzonder is gegrond. ( 79 ) Een dergelijk onderzoek biedt het voordeel dat het objectief is en niet onderhevig aan een casuïstische benadering.

83.

Subsidiair concludeer ik daarom dat de vijfde prejudiciële vraag eventueel aldus moet worden beantwoord dat in het kader van de toepassing van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 de als laatste aangezochte rechter geen rekening hoeft te houden met de grief van een verzoeker dat de tegenpartij haar vorderingsrecht heeft misbruikt door als eerste een vordering bij een rechter in een andere lidstaat in te stellen.

b) Recht op effectieve rechterlijke bescherming van de verzoeker die als tweede een vordering heeft ingesteld (eerste onderdeel van de achtste prejudiciële vraag)

84.

Het eerste onderdeel van de achtste prejudiciële vraag betreft in wezen de vraag of artikel 27 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter bij de toepassing van dat artikel niet alleen rekening moet houden met de doelstelling om onverenigbare of tegenstrijdige beslissingen te vermijden ( 80 ), maar ook met het „recht op rechterlijke bescherming” of het „recht op toegang tot de rechter” ( 81 ) van de verzoeker die bij hem een vordering heeft ingesteld.

85.

Volgens mij hoeft voor het antwoord op de vraag enkel lid 1 van artikel 27 te worden uitgelegd, hoewel de vraag dit niet uitdrukkelijk vermeldt. Het onderhavige geding betreft immers het geval waarin de als laatste aangezochte rechter zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter komt vast te staan ( 82 ), terwijl lid 2 van dat artikel betrekking heeft op de hypothese dat die bevoegdheid al vaststaat en de rechter zich dus onbevoegd moet verklaren.

86.

De verwijzende rechter suggereert dat de bescherming van het recht op toegang tot een rechter geen grond biedt om af te wijken van de regel die wordt toegepast bij aanhangigheid. Volgens hem zou een afwijking strijdig zijn met het uitgangspunt van verordening nr. 44/2001 ( 83 ) dat de justitiabelen gelijkwaardig worden beschermd in alle lidstaten ( 84 ), behoudens in uitzonderlijke gevallen ( 85 ), die in casu niet aan de orde zijn.

87.

Ik ben van mening dat de omstandigheid dat een rechter van een lidstaat in concreto rekening mag houden met het recht van een verzoeker op toegang tot de rechter, op zich beantwoordt aan het recht op effectieve rechterlijke bescherming ( 86 ) zoals gewaarborgd door de artikelen 6 en 13 EVRM en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest. ( 87 ) Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de grondrechten op een „gegarandeerde doeltreffende voorziening” en „een onpartijdig gerecht” in de zin van dat artikel van het Handvest ook moeten worden gewaarborgd in het kader van de toepassing van verordening nr. 44/2001. ( 88 )

88.

Evenwel kan zelfs een uitlegging van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 in het licht van het Handvest de strekking van dat artikel niet wijzigen. Het betreft immers een louter technische bepaling ( 89 ), die zonder problemen met betrekking tot artikel 47 van het Handvest kan worden toegepast, aangezien de partijen in het geding voor de als laatste aangezochte rechter per definitie het recht op toegang tot de rechter genieten en de waarborg dat het proces voor de als eerste aangezochte rechter eerlijk verloopt, daar het om de gerechtelijke systemen van lidstaten gaat.

89.

Zoals de Commissie benadrukt, is de als laatste aangezochte rechter verplicht de zaak aan te houden, zelfs ambtshalve, wanneer de limitatieve voorwaarden van artikel 27 zijn vervuld, en mag hij daarbij geen rekening houden met andere elementen, zoals de vraag of de verzoeker daadwerkelijk toegang tot een rechter heeft gehad. Anders dan voor zijn bevoegdheid krachtens artikel 28, lid 1, van de verordening, beschikt hij hier niet over een beoordelingsmarge.

90.

Subsidiair geef ik derhalve in overweging het eerste onderdeel van de achtste vraag ontkennend te beantwoorden.

C – Uitlegging van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001

91.

De drie prejudiciële vragen die betrekking hebben op artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 ( 90 ) worden aldus samengebracht dat eerst wordt onderzocht of deze bepaling niet enkel van toepassing is wanneer de toepassingsvoorwaarden van artikel 27, lid 1, van die verordening niet zijn vervuld (1) en daarna met welke elementen de als laatste aangezochte rechter rekening kan houden wanneer hij op grond van de bevoegdheid die artikel 28 hem in geval van samenhang toekent, beoordeelt of het aangewezen is de zaak aan te houden (2).

1. Verhouding tussen de artikelen 27, lid 1, en 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 (zesde prejudiciële vraag)

92.

In wezen strekt de zesde prejudiciële vraag ertoe te vernemen of de als laatste aangezochte rechter vooraleer hij artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 – inzake aanhouding van zijn uitspraak bij samenhang – kan toepassen, zich ervan moet vergewissen dat artikel 27, lid 1, van die verordening – inzake aanhouding van zijn uitspraak bij aanhangigheid – niet van toepassing is op het bij hem aanhangige geding, dan wel ervoor kan kiezen artikel 28 meteen toe te passen, zonder te onderzoeken of artikel 27 van toepassing is. ( 91 )

93.

Volgens mij moet deze vraag slechts worden beantwoord indien het Hof, anders dan ik voorstel, de eerste vier prejudiciële vragen in die zin beantwoordt dat artikel 27 van verordening nr. 44/2001 van toepassing kan zijn in het onderhavige geding op grond dat sprake is van hetzelfde onderwerp, dezelfde oorzaak en dezelfde partijen en ondanks de mogelijk exclusieve bevoegdheid van de als laatste aangezochte rechter, en dus in concurrentie kan komen met artikel 28 van die verordening.

94.

Tussen die bepalingen bestaat een logisch en zelfs hiërarchisch verband, in die zin dat artikel 27 voorrang heeft op artikel 28, gelet op de verschillen tussen de artikelen. ( 92 )

95.

Ten eerste hebben de artikelen een enigszins ander doel. Zij bevatten natuurlijk beide regels om in de mate van het mogelijke te vermijden dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen over eenzelfde betwisting worden gegeven. ( 93 ) Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter dat die onverenigbaarheid soepeler wordt opgevat voor artikel 28 ( 94 ) dan voor artikel 27 van verordening nr. 44/2001, aangezien het eerste artikel er enkel toe strekt om de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid in de verschillende lidstaten beter te coördineren. ( 95 )

96.

Ten tweede worden deze bepalingen op een andere manier toegepast. Terwijl artikel 27 meer bepaald vereist dat alle daarin vermelde factoren van identiteit cumulatief aanwezig zijn, zijn de toepassingsvoorwaarden voor artikel 28 minder streng. Twee gedingen die niet beantwoorden aan de voorwaarden voor aanhangigheid in de zin van artikel 27, maar toch voldoende met elkaar verbonden zijn, kunnen dus onder de bepalingen inzake samenhang vallen, indien de voorwaarden in artikel 28, lid 3 ( 96 ), voor het overige zijn vervuld.

97.

Ten derde heeft artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 geheel andere gevolgen dan artikel 28, lid 1, hoewel zij beide betrekking hebben op aanhouding van de uitspraak. ( 97 ) De als laatste aangezochte rechter is immers in het geval van samenhang ( 98 ) niet verplicht deze ambtshalve op te werpen of de procedure te schorsen, en beschikt dus over een beoordelingsbevoegdheid, die hij niet heeft in het geval van aanhangigheid, waar hij zijn uitspraak zelfs moet aanhouden wanneer geen van de partijen deze exceptie aanvoert.

98.

Voorts heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Tatry geoordeeld dat de voorgelegde vraag over de werkingssfeer van artikel 22 van het Executieverdrag (dat overeenkomt met artikel 28 van verordening nr. 44/2001) „uiteraard alleen [rees] wanneer de voorwaarden voor toepassing van artikel 21 Executieverdrag [dat overeenkomt met artikel 27 van verordening nr. 44/2001] niet zijn vervuld”. ( 99 ) Daaruit volgt dat tussen die bepalingen een hiërarchie bestaat, waarbij artikel 28 slechts van toepassing is wanneer artikel 27 dat niet is. ( 100 )

99.

Derhalve geef ik in overweging op de zesde prejudiciële vraag te antwoorden dat de als laatste aangezochte rechter artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 inderdaad slechts mag toepassen nadat hij heeft onderzocht en vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden voor artikel 27, lid 1, van die verordening niet zijn vervuld in het kader van de bij hem aanhangige procedure.

100.

Gelet op de bewoordingen van deze vraag ( 101 ) preciseer ik echter dat het niet nodig is dat de als laatste aangezochte rechter formeel, in een uitdrukkelijke beslissing, artikel 27 van verordening nr. 44/2001 in de betrokken zaak niet van toepassing verklaart. Die rechter kan ermee volstaan systematisch voorafgaand na te gaan of artikel 27 van toepassing is, wanneer hij voornemens is zijn uitspraak aan te houden op grond van artikel 28 van de verordening.

2. Elementen die de als laatste aangezochte rechter moet onderzoeken in het kader van de toepassing van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001

101.

Met zijn zevende vraag en het tweede onderdeel van de achtste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen met welke criteria de als laatste aangezochte rechter rekening kan houden wanneer hij de hem door artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 toegekende mogelijkheid uitoefent om de zaak aan te houden in het geval van een samenhangend geding dat al bij een andere rechter aanhangig is. De ene vraag betreft een aantal omstandigheden die samenhangen met de zaak (a), de andere het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de verzoeker die als tweede een vordering heeft ingesteld (b).

a) Onderzoek van omstandigheden die eigen zijn aan de aanhangige gedingen in het geval van aanhouding van de uitspraak wegens samenhang (zevende prejudiciële vraag)

102.

De zevende vraag strekt ertoe te vernemen of de als laatste aangezochte rechter in het geval van samenhang rekening mag – niet moet – houden met de vier in die vraag opgesomde elementen, wanneer hij overeenkomstig artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 nagaat of het aangewezen is de zaak aan te houden dan wel te behandelen. ( 102 )

103.

De bewoordingen van lid 1 bieden geen aanwijzingen voor een antwoord. Volgens de Commissie heeft de wetgever bewust geen lijst opgesteld. Ik meen dat op die manier deze rechter een discretionaire beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten, op voorwaarde dat hij in elk geval het doel van artikel 28 van de verordening in acht neemt, dat erin bestaat in het belang van een goede rechtsverdeling binnen de Unie parallelle procedures bij gerechten in verschillende lidstaten en tegenstrijdige beslissingen die daaruit zouden kunnen volgen, te vermijden. ( 103 )

104.

De als laatste aangezochte rechter moet rekening kunnen houden met alle concrete omstandigheden die hem in staat stellen te beslissen of het aangewezen is de bij hem aanhangige zaak aan te houden. ( 104 ) Het is niet mogelijk hier beoordelingscriteria te noemen die in abstracto gelden, los van enige concrete context, aangezien een omstandigheid die relevant kan zijn in een zaak dat niet noodzakelijk is in een andere.

105.

Ik voeg hieraan toe dat de verwijzende rechter niet verduidelijkt of hij ervan uitgaat dat elk van de criteria die hij aan het Hof voorlegt afzonderlijk kan worden beschouwd en dus op zich volstaat. Volgens mij kan geen ervan op zichzelf doorslaggevend zijn. De als laatste aangezochte rechter moet veeleer een afweging maken van alle elementen pro en contra aanhouden van de bij hem aanhangige zaak.

106.

Ongeacht het standpunt van het Hof over de vier in de zevende prejudiciële vraag opgesomde criteria, kan die lijst van de verwijzende rechter niet worden beschouwd als exhaustief. Een heel aantal andere beoordelingscriteria komt in aanmerking bij de toepassing van artikel 28, punt 1, van verordening nr. 44/2001. Zo zou de rechter rekening kunnen houden met de omstandigheden die worden opgesomd in de Duitse rechtsleer die I. Weber ( 105 ) daarover aanhaalt of met de elementen die advocaat-generaal Lenz bij wijze van voorbeeld heeft vermeld ( 106 ).

107.

Het eerste door de verwijzende rechter opgesomde criterium betreft de omstandigheid dat het als eerste aangezochte gerecht zich bevindt in een lidstaat waar de procedures statistisch gezien veel langer duren dan in de lidstaat van de als laatste aangezochte rechter. Artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 kan niet buiten toepassing worden gelaten op grond van een dergelijke algemene beoordeling van het gerechtelijke apparaat van een andere lidstaat ( 107 ), gelet op het beginsel van gelijkwaardigheid van de rechtssystemen van de lidstaten waarop dat artikel is gebaseerd.

108.

Indien de als laatste aangezochte rechter daarentegen in concreto zou vaststellen dat de procedure die eerder is ingesteld in een andere lidstaat overdreven lang duurt, kan hij daaruit rechtmatig afleiden dat het in dat specifieke geval niet is aangewezen de zaak aan te houden wegens samenhang. In dat verband zij opgemerkt dat het Hof naar analogie reeds betreffende verordening nr. 2201/2003 heeft erkend dat de als laatste aangezochte rechter het onderzoek van de bij hem ingestelde vordering kan voortzetten wanneer hij gedurende een redelijke termijn heeft gewacht op de door hem gestelde vragen. ( 108 )

109.

Het tweede criterium betreft het geval dat de als laatste aangezochte rechter van oordeel is dat op het geding het recht van zijn lidstaat van toepassing is. Volgens mij mag de als laatste aangezochte rechter niet vaststellen welk recht ten gronde van toepassing is op het bij de als eerste aangezochte rechter aanhangige geding noch bepalen of laatstgenoemde in staat is de betrokken bepalingen van materieel recht toe te passen. ( 109 )

110.

Het derde criterium, duidelijk geïnspireerd door de eerbiedwaardige leeftijd van de twee partijen in het hoofdgeding, betreft de leeftijd van een van de partijen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke individuele factor niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien de rechten en verplichtingen die onder het toepassingsgebied van verordening nr. 44/2001 vallen bijna zonder uitzondering niet persoonlijk zijn. ( 110 )

111.

Het vierde en laatste criterium dat wordt vermeld in de zevende prejudiciële vraag verwijst naar de slaagkans van de procedure bij de als eerste aangezochte rechter. Ik meen dat de als laatste aangezochte rechter niet de mogelijkheid mag krijgen op die manier vooruit te lopen op de uitkomst van de procedure die in de andere lidstaat aanhangig is. Aangezien die rechter niet alle partijen heeft gehoord over hun vorderingen in de eerste procedure en evenmin beschikt over de bewijzen waarop die partijen zich baseren, is een dergelijke benadering strijdig met het beginsel van een goede rechtsbedeling en het grondrecht op een eerlijk proces.

b) Onderzoek van een mogelijke schending van het recht op effectieve rechterlijke bescherming in het geval van aanhouding van de uitspraak wegens samenhang (tweede onderdeel van de achtste prejudiciële vraag)

112.

Met het tweede onderdeel van de achtste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de als laatste aangezochte rechter mag of moet rekening houden met de bescherming van het recht op toegang tot de rechter van de verzoeker die een vordering bij hem heeft ingesteld, wanneer hij artikel 28 van verordening nr. 44/2001 toepast, dus wanneer samenhang bestaat tussen het bij hem aanhangige geding en het geding bij een rechter in een andere lidstaat.

113.

Net zoals bij het eerste onderdeel van deze vraag moet gezien de omstandigheden van het onderhavige geding voor het antwoord enkel lid 1 van artikel 28 worden uitgelegd, hoewel de verwijzende rechter het onderwerp van zijn verzoek niet heeft gepreciseerd. Hier wordt dus enkel de hypothese onderzocht waarin de als laatste aangezochte rechter moet beslissen of hij zijn uitspraak aanhoudt, en niet die waarin hij beslist over verwijzing. ( 111 )

114.

Volgens mij kan de bescherming van het aangevoerde grondrecht een belangrijke rol spelen bij de toepassing van artikel 28, lid 1, van de verordening. Anders dan wat geldt voor artikel 27, lid 1, van die verordening beschikt de als laatste aangezochte rechter in dit kader immers over een beoordelingsbevoegdheid die hem in staat stelt na te gaan of geen ernstige afbreuk wordt gedaan aan het in artikel 47 van het Handvest ( 112 ) neergelegde recht op toegang tot de rechter van de verzoeker die de vordering bij hem heeft ingesteld wanneer hij beslist zijn uitspraak aan te houden. Bijgevolg moet het tweede onderdeel van de achtste vraag bevestigend worden beantwoord.

IV – Conclusie

115.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Oberlandesgericht München te beantwoorden als volgt:

„1)

Primair:

Derde vraag: Artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 (EG) van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een vordering tot vaststelling dat een verweerder zijn zakelijk voorkooprecht op een onroerend goed niet geldig heeft uitgeoefend, valt onder de exclusieve bevoegdheid inzake „zakelijke rechten [...] op onroerende goederen” die in deze bepaling is neergelegd.

Vierde vraag: Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter moet nagaan of hij exclusief bevoegd is op grond van artikel 22, punt 1, van die verordening en de als eerste aangezochte rechter dus onbevoegd, zodat een mogelijke beslissing van laatstgenoemde rechter volgens artikel 35, lid 1, van de verordening niet zou worden erkend.

Zevende vraag: Artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter bij de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid waarover hij krachtens deze bepaling beschikt geen rekening mag houden met de volgende overwegingen: de omstandigheid dat het als eerste aangezochte gerecht zich bevindt in een lidstaat waar de procedures statistisch – niet in concreto – veel langer duren dan in de lidstaat van de als laatste aangezochte rechter; de omstandigheid dat volgens de als tweede aangezochte rechter het recht van zijn lidstaat van toepassing is; de leeftijd van een van de partijen of de slaagkans van de vordering bij de als eerste aangezochte rechter.

Tweede onderdeel van de achtste vraag: Artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter in het kader van de beslissing om zijn uitspraak op basis van dat artikel aan te houden, rekening moet houden met het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de verzoeker die de vordering bij hem heeft ingesteld.

De andere vragen hoeven niet te worden beantwoord.

2)

Subsidiair:

Eerste en tweede vraag: Het begrip „[vorderingen] tussen dezelfde partijen” in de zin van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op situaties waarin twee partijen beiden verweerder zijn in een eerste geding en verzoeker en verweerder in een tweede geding. Het begrip „vorderingen [...] die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten” in de zin van dat artikel moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op het geval waarin twee gedingen zijn gebaseerd op andere conclusies en gronden, ook al hebben zij eenzelfde voorvraag gemeenschappelijk.

Vijfde vraag: Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter in het kader van zijn beslissing op grond van deze bepaling niet de grief van een van de partijen hoeft te onderzoeken dat de andere partij haar recht heeft misbruikt door een vordering in te stellen bij de als eerste aangezochte rechter.

Zesde vraag: De artikelen 27, lid 1, en 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moeten aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter laatstgenoemde bepaling slechts mag toepassen nadat hij heeft vastgesteld dat eerstgenoemde bepaling niet van toepassing is op het bij hem aanhangige geding.

Eerste onderdeel van de achtste vraag: Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de als laatste aangezochte rechter in het kader van zijn beslissing om zijn uitspraak op basis van dat artikel aan te houden geen rekening hoeft te houden met het recht op effectieve rechterlijke bescherming van de verzoeker die de vordering bij hem heeft ingesteld.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) PB 2001, L 12, blz. 1.

( 3 ) Volgens die bepaling zijn „[o]ngeacht de woonplaats [...] bij uitsluiting bevoegd: voor zakelijke rechten op [...] onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is”.

( 4 ) Deze bepaling luidt: „Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.” Het onderhavige geding heeft in het bijzonder betrekking op de uitlegging van de twee door mij gecursiveerde begrippen.

( 5 ) Artikel 28, lid 1, bepaalt dat „[w]anneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, [...] het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak [kan] aanhouden”. Lid 3 van dat artikel verduidelijkt: „Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”

( 6 ) Zie de derde prejudiciële vraag.

( 7 ) Zie de vierde prejudiciële vraag.

( 8 ) Hoofdstuk III, afdeling 1, van verordening nr. 44/2001 behandelt de erkenning van in een lidstaat gegeven beslissingen in een andere lidstaat. In die afdeling bepaalt artikel 34, punt 3, dat een beslissing met name niet wordt erkend indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing. Artikel 35, lid 1, voegt daaraan toe dat beslissingen evenmin worden erkend indien „de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden [...]”, waaronder ook de exclusieve bevoegdheid inzake zakelijke rechten op onroerende goederen valt.

( 9 ) Zie de eerste en de tweede prejudiciële vraag.

( 10 ) Zie de vijfde prejudiciële vraag en het eerste onderdeel van de achtste prejudiciële vraag.

( 11 ) Zie de zesde prejudiciële vraag.

( 12 ) Zie de zevende prejudiciële vraag en het tweede onderdeel van de achtste prejudiciële vraag.

( 13 ) Daarin is bepaald: „Een perceel grond kan aldus met een hypotheek worden bezwaard dat de hypothecaire schuldeiser over een voorkooprecht ten aanzien van de eigenaar beschikt.”

( 14 ) § 463 BGB bepaalt dat „[h]ij die een voorkooprecht op een goed heeft, [...] dat voorkooprecht [kan] uitoefenen zodra de schuldenaar een overeenkomst met een derde heeft gesloten voor de verkoop van het goed”. § 464 BGB bepaalt dat „[h]et voorkooprecht wordt uitgeoefend door de schuldenaar hiervan in kennis te stellen. De kennisgeving hoeft niet te voldoen aan de vormvereiste die geldt voor de koopovereenkomst. [...] Door de uitoefening van het voorkooprecht komt de koop tussen de houder van het voorkooprecht en de schuldenaar tot stand onder de voorwaarden die de schuldenaar met de derde is overeengekomen”.

( 15 ) Deze bepaling luidt: „De eigendom van een perceel grond wordt slechts overgedragen [...] indien de rechthebbende en de andere partij een akkoord bereiken over de wijziging die aan de rechtstoestand moet worden aangebracht en deze wijziging van de rechtstoestand in het kadaster is ingeschreven, voor zover de wet niet anders bepaalt.”

( 16 ) Het bepaalt dat „[e]en inschrijving [...] plaats[vindt] wanneer diegene wiens recht hierdoor wordt geraakt, daartoe toestemming verleent”.

( 17 ) Ter motivering van die vordering heeft I. Weber aangevoerd dat het tussen Z. GbR en M. Weber overeengekomen herroepingsrecht niet aan haar kan worden tegengeworpen en niet behoort tot de contractuele bedingen die ook voor haar gelden door de uitoefening van haar voorkooprecht.

( 18 ) PB 1972, L 299, blz. 32. Verdrag zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”).

( 19 ) Zie met name arrest van 14 november 2013, Maletic (C‑478/12, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 20 ) Te weten respectievelijk de artikelen 16, lid 1, sub a; 21, lid 1, en 22, lid 1, van het Executieverdrag.

( 21 ) Zie arresten van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, punten 31 en 32), en 3 oktober 2013, Schneider (C‑386/12, punt 21) over artikel 27 respectievelijk 22 van verordening nr. 44/2001.

( 22 ) Namelijk dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak.

( 23 ) Zij voert dienaangaande aan dat de procedure in Italië niet is gebaseerd op een zakelijk recht, maar op de verbintenissen tussen Z. GbR en haarzelf die voortvloeien uit de overeenkomst van 28 oktober 2009. Voorts stelt zij dat de voorvraag in die procedure, namelijk of I. Weber haar voorkooprecht rechtsgeldig heeft uitgeoefend, niet binnen de werkingssfeer van artikel 22, punt 1, valt, aangezien het bestaan van dat recht en de daarmee samenhangende prerogatieven niet worden betwist.

( 24 ) Zie met name arrest van 21 februari 2013, ProRail (C‑332/11, punt 31).

( 25 ) In de verwijzingsbeslissing luidt het: „Primair verzoekt Z. GbR het Tribunale ordinario di Milano ,de uitoefening van het voorkooprecht door I. [Weber] nietig te verklaren en vast te stellen dat de uitoefening van het voorkooprecht geen rechtsgevolgen heeft teweeggebracht, met name omdat zij de voorwaarden van de eerste overeenkomst tussen Z. GbR en M. [Weber], inzonderheid het herroepingsrecht van de verkoper, nooit heeft aanvaard’.”

( 26 ) Zie beschikking van 5 april 2001, Gaillard (C-518/99, Jurispr. blz. I-2771, punt 13), waarin is vastgesteld dat een autonome uitlegging de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbenden uit dat verdrag voortvloeien, verzekert, en arrest van 18 mei 2006, ČEZ (C-343/04, Jurispr. blz. I-4557, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 27 ) Zie naar analogie voor het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van verordening nr. 44/2001, arrest Schneider, reeds aangehaald (punt 18).

( 28 ) De bevoegdheid op basis van artikel 22 van verordening nr. 44/2001 betreft niet enkel het gerecht van het rechtsgebied waar het onroerend goed is gelegen, maar alle gerechten van de aldus aangewezen lidstaat.

( 29 ) P. Jenard merkt in zijn rapport over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1, in het bijzonder blz. 35) op dat „[d]eze geschillen [...] immers vaak onderzoekingen, getuigenverhoren en deskundigenberichten nodig [maken] die ter plaatse moeten geschieden. Bovendien wordt deze materie vaak ten dele beheerst door gebruiken die in het algemeen alleen bekend zijn aan de gerechten van de plaats waar het onroerend goed is gelegen of in ieder geval aan de gerechten van het land waar dit onroerend goed ligt”. Daaraan kan worden toegevoegd dat in een aantal lidstaten zakelijke rechten op onroerende goederen slechts gelden ten aanzien van derden na inschrijving in het kadaster of een ander openbaar register waarvan de betrouwbaarheid wordt vermoed en dat soms door de gerechten van de plaats waar het onroerend goed is gelegen wordt bijgehouden. In elk geval moeten de beslissingen van deze gerechten met gevolgen voor de aldus ingeschreven rechten ambtshalve worden meegedeeld voor inschrijving.

( 30 ) Zie met name arrest ČEZ, reeds aangehaald (punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 31 ) Zie beschikking Gaillard, reeds aangehaald (punt 14); arrest van 13 oktober 2005, Klein (C-73/04, Jurispr. blz. I-8667, punt 15), en arrest ČEZ, reeds aangehaald (punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 32 ) Artikel 23, lid 5, van de verordening bepaalt met name dat „[o]vereenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht [...] geen rechtsgevolg [hebben] [...] indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 22 bij uitsluiting bevoegd zijn”.

( 33 ) Arrest Schneider, reeds aangehaald (punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak inzake het Executieverdrag).

( 34 ) Zie met name arrest van 17 mei 1994, Webb (C-294/92, Jurispr. blz. I-1717, punt 14), en beschikking Gaillard, reeds aangehaald (punten 16 en 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 35 ) Behoudens de in dat punt 1 neergelegde uitzondering voor vorderingen inzake huur en verhuur van onroerende goederen.

( 36 ) P. Schlosser vermeldt in zijn rapport over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71) onder de zakelijke rechten van de oorspronkelijke lidstaten, in het bijzonder in Duitsland, „de zekerheidsrechten” [in de Franse versie: „les droits conférant un droit de préférence”] (zie punt 166).

( 37 ) Bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1).

( 38 ) Zie in die zin Gaudemet-Tallon, H., Compétence et exécution des jugements en Europe, LGDJ, Parijs, 4e editie, 2010, punt 338‑1, en Magnus, U., Mankowski, P. (eds.), European Commentaries on Private International Law, Brussels I Regulation, Sellier, München, 2e editie, 2012, blz. 478 e.v., punten 5 en 10, en blz. 496, punt 55.

( 39 ) Arrest van 27 juni 1991 (C-351/89, Jurispr. blz. I-3317), meer bepaald punt 26: „behoudens het geval waarin het laatst aangezochte gerecht beschikt over een van de exclusieve bevoegdheden die in het Executieverdrag, en met name in artikel 16 daarvan, worden genoemd, [...] [mag] het laatst aangezochte gerecht [...] slechts zijn uitspraak [...] aanhouden” (cursivering van mij). Hoewel in het hoofdgeding niet werd gesteld dat de als tweede aangezochte rechter exclusief bevoegd was (zie punt 21 van dat arrest), heeft het Hof toch naar een dergelijke situatie verwezen, net als advocaat-generaal Van Gerven (zie punt 9 van zijn conclusie in die zaak).

( 40 ) Ibidem, punten 21, 25 en 26 van dat arrest, en punt 13 van de conclusie.

( 41 ) Arrest van 9 december 2003 (C-116/02, Jurispr. blz. I-14693, punt 47).

( 42 ) Zie punten 41‑54 van dat arrest. Advocaat-generaal Léger had evenwel in tegengestelde zin geconcludeerd (zie punten 57 e.v. van zijn conclusie in die zaak).

( 43 ) Punten 49‑51 van dat arrest.

( 44 ) Artikel 29 van verordening nr. 44/2001, dat zowel bij aanhangigheid als samenhang van toepassing is, bepaalt daarentegen dat „[w]anneer voor de vorderingen meer dan één gerecht bij uitsluiting bevoegd is, [...] partijen [worden] verwezen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt” (cursivering van mij).

( 45 ) Artikel 25 bepaalt: „Het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 22 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.”

( 46 ) Deze doelstelling wordt vermeld in punt 15 van de considerans van de verordening.

( 47 ) Te weten de eerste, de tweede, de vijfde en de achtste prejudiciële vraag.

( 48 ) Overeenkomstig de rechtspraak over de uitlegging van artikel 21 van het Executieverdrag, dat overeenkomt met artikel 27 van verordening nr. 44/2001; zie met name arresten van 8 december 1987, Gubisch Maschinenfabrik (144/86, Jurispr. blz. 4861, punt 11), en 19 mei 1998, Drouot assurances (C-351/96, Jurispr. blz. I-3075, punt 16).

( 49 ) Arrest van 6 december 1994 (C-406/92, Jurispr. blz. I-5439, punt 53).

( 50 ) Net als de Zwitserse regering ben ik immers van mening dat de regels inzake aanhangigheid ertoe strekken om „formeel tegenstrijdige beslissingen”, die dus onderling volledig onverenigbaar zijn bij de tenuitvoerlegging, te vermijden.

( 51 ) Arrest Tatry, reeds aangehaald (punt 31), en conclusie van advocaat-generaal Tesauro in die zaak (punten 14 en 20).

( 52 ) Arrest Tatry, reeds aangehaald (punten 29 en 34). In dat geval is de als laatste aangezochte rechter slechts verplicht zich onbevoegd te verklaren voor zover de partijen in het bij hem aanhangige geding tevens partij zijn in de eerder ingeleide procedure en kan zijn procedure worden voortgezet tussen de andere partijen.

( 53 ) Arrest Drouot assurances, reeds aangehaald (punten 19 en 23).

( 54 ) De belangen van een vennootschap en een filiaal dat zij volledig in handen heeft, kunnen bijvoorbeeld onlosmakelijk verbonden en identiek zijn in bepaalde gevallen, maar dat leidt er niet noodzakelijk toe dat een beslissing tegen die vennootschap in een lidstaat uitvoerbaar is tegen het filiaal in de lidstaat waar dit is gevestigd.

( 55 ) Hierna: „EVRM”. Het in artikel 6 neergelegde „recht op een eerlijk proces” omvat toegang tot een gerecht, in het bijzonder binnen een redelijke termijn, een eerlijke behandeling, in het bijzonder ten aanzien van de bewijzen, en het recht op een procedure op tegenspraak (lid 1), het vermoeden van onschuld (lid 2) en de rechten van de verdediging (lid 3). Artikel 13 waarborgt het „recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”.

( 56 ) Hierna: „Handvest”. De eerste en tweede alinea betreffen het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, respectievelijk het recht op een onpartijdig gerecht, terwijl artikel 47, derde alinea, betrekking heeft op de rechtsbijstand. Zie over de oorsprong en de inhoud van die bepaling „Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten” (PB 2007, C 303, blz. 17) en met name arresten van 13 maart 2007, Unibet (C-432/05, Jurispr. blz. I-2271, punt 37), en 18 maart 2010, Alassini e.a. (C-317/08-C-320/08, Jurispr. blz. I-2213, punt 61).

( 57 ) Dat blijkt uit de Franse taalversie van die bepaling, die spreekt van vorderingen „entre les mêmes parties”, maar ook, zoals de Duitse regering heeft opgemerkt, uit andere taalversies, in het bijzonder de Duitse („zwischen denselben Parteien”), de Spaanse („entre las mismas partes”), de Engelse („between the same parties”), de Italiaanse („tra le stesse parti”), de Nederlandse („tussen dezelfde partijen”), de Portugese („entre as mesmas partes”) en de Finse („samojen asianosaisten välillä”) (cursivering van mij).

( 58 ) Zie met name de punten 10 en 15 van de considerans van die verordening, en arrest Drouot assurances, reeds aangehaald (punt 17).

( 59 ) M. Weber voert immers aan dat de eerste prejudiciële vraag niet relevant is voor de toepassing van artikel 27 van verordening nr. 44/2001 in het onderhavige geding.

( 60 ) Het is met andere woorden zinledig zich voor de toepassing van artikel 27 van de verordening af te vragen of een vordering van verzoeker A ten aanzien van verweerder B hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust als een vordering van verzoeker C ten aanzien van verweerder D.

( 61 ) Zie punt 14 van dat arrest.

( 62 ) Anders dan bijvoorbeeld de Franse taalversie, waarin uitdrukkelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen de oorzaak en het onderwerp van vorderingen, spreekt de Duitse taalversie van „Klagen wegen desselben Anspruchs”, wat kan worden vertaald als „vorderingen in rechte op basis van hetzelfde vorderingsrecht”. Het betreft geen geïsoleerd geval: ook de Engelse taalversie bevat een formulering die geen onderscheid maakt („proceedings involving the same cause of action”). Zie in dat verband Magnus, U., Mankowski, P., op. cit., blz. 502 e.v.

( 63 ) Arrest Tatry, reeds aangehaald (punten 39 en 41), en arrest van 14 oktober 2004, Mærsk Olie & Gas (C-39/02, Jurispr. blz. I-9657, punten 35 en 38).

( 64 ) Arrest Gubisch Maschinenfabrik, reeds aangehaald (punten 15 e.v.). Het Hof heeft geoordeeld dat met de in een lidstaat ingestelde vordering tot nakoming van een overeenkomst wordt beoogd deze te doen naleven, en de in een andere lidstaat ingestelde vordering tot nietigverklaring en ontbinding van diezelfde overeenkomst er juist toe strekt er iedere werking aan te ontnemen, zodat in die twee parallelle gedingen dus de bindende kracht van de overeenkomst „centraal” staat, waarbij de tweede vordering zelfs kan worden beschouwd als een verweermiddel tegen de eerste.

( 65 ) Arrest van 8 mei 2003, Gantner Electronic (C-111/01, Jurispr. blz. I-4207, punt 32).

( 66 ) Zo kan bijvoorbeeld eenzelfde voorvraag over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een lasthebber rijzen in geschillen over verschillende koopovereenkomsten.

( 67 ) Zie voetnoot 64 van de onderhavige conclusie.

( 68 ) De beslissing van het Tribunale ordinario di Milano van 23 mei 2013, die deel uitmaakt van de stukken van het onderhavige geding, vermeldt evenmin de rechtsgrondslag van de bij deze rechter ingestelde vorderingen.

( 69 ) Zie voetnoot 14 van de onderhavige conclusie.

( 70 ) Arrest Tatry, reeds aangehaald (punt 39). In het reeds aangehaalde arrest Gubisch Maschinenfabrik heeft het Hof in het bijzonder geoordeeld dat de twee parallelle gedingen dezelfde oorzaak hadden, omdat zij berustten op „dezelfde contractuele verhouding” (zie punt 15).

( 71 ) Zie reeds over de verhouding tussen de artikelen 21 en 22 van het Executieverdrag: Boularbah, H., „La notion de ‚mêmes parties’, condition de la litispendance communautaire”, Journal des tribunaux, 1998, nr. 37, blz. 774 e.v., in het bijzonder blz. 776.

( 72 ) Zie met name arrest van 24 april 2012, Kamberaj (C‑571/10, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 73 ) De Zwitserse regering heeft ook opgemerkt dat op grond van de verwijzingsbeslissing niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre het recht om een vordering in te stellen is misbruikt in de onderhavige zaak.

( 74 ) Ter ondersteuning van het standpunt dat van de in artikel 27 neergelegde regel om de zaak aan te houden kan worden afgeweken wanneer het feitenverloop aantoont dat een partij misbruik maakt van deze bepaling, voert de Zwitserse regering een arrest in die zin van het Zwitserse Bundesgericht aan (arrest van 6 juli 2007, 4A_143/2007, E) over de overeenkomstige bepaling in het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Gedaan te Lugano op 16 september 1988 (PB L 319, blz. 9).

( 75 ) Over het risico op dergelijke tactische procedurezetten, zie Magnus, U., Mankowski, P., op. cit., blz. 483 e.v., punten 17 en 18.

( 76 ) Zij stelt dat Z. GbR in Italië een vordering heeft ingesteld wegens de lange duur van de procedures daar, om haar geldige verwerving van M. Webers aandeel in het onroerend goed in Duitsland te blokkeren en om haar te ontmoedigen verweer te voeren, met name gelet op haar hoge leeftijd. Zij verklaart dat M. Weber, die net als zij verweerster is in de Italiaanse procedure, kort voordat deze vordering in Italië is ingesteld, naar Milaan is verhuisd, waar het advocatenkantoor van haar zoon is gevestigd, die bestuurder is van de vennootschap Z. GbR.

( 77 ) Arrest Gasser, reeds aangehaald (punten 70 en 73).

( 78 ) Ibidem (punt 71).

( 79 ) Ibidem (punt 72).

( 80 ) Wat de hoofddoelstelling van dit artikel is (zie punt 42 van de onderhavige conclusie).

( 81 ) Deze uitdrukking wordt gebruikt in de motivering van de verwijzingsbeslissing betreffende deze vraag.

( 82 ) Zie punt 15 van de onderhavige conclusie.

( 83 ) Zie met name punt 16 van de considerans van de verordening.

( 84 ) Volgens hem is dit een vaststaand beginsel, hoewel in werkelijkheid verschillen bestaan tussen de lidstaten, wat werd erkend bij de vaststelling van de verordening en vandaag nog geldt.

( 85 ) Hij somt extreme situaties op waarin de als eerste aangezochte rechter zijn activiteiten moet opschorten, zoals gewapende conflicten of natuurrampen waarvan de gevolgen zich uitstrekken in de tijd en de rechtsbedeling verhinderen.

( 86 ) Over dat begrip, zie in het bijzonder: Prechal, S., Widdershoven, R., „Redefining the Relationship between ‚Rewe-effectiveness’ and Effective Judicial Protection”, Review of European Administrative Law, 2011, vol. 4, nr. 2, blz. 31.

( 87 ) Zie punt 55 van de onderhavige conclusie. In het onderhavige geval lijken mij twee onderdelen van dit recht aan de orde: enerzijds zou het spel van de aanhangigheid de verzoeker die de tweede procedure heeft ingesteld kunnen belemmeren in zijn recht op toegang tot de rechter en anderzijds zou een langere duur van de eerste procedure het recht op een eerlijk proces kunnen schenden.

( 88 ) Zie wat de eerbiediging van de rechten van de verdediging betreft arrest van 15 maart 2012, G (C‑292/10, punten 47 e.v.). Zie ook naar analogie arrest van 22 december 2010, Aguirre Zarraga (C-491/10 PPU, Jurispr. blz. I-14247, punten 59 e.v.), over verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1), waarin het Hof erop heeft gewezen dat de bij die verordening vastgestelde systemen van erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen zijn gebaseerd op het beginsel dat de lidstaten er wederzijds op mogen vertrouwen dat hun respectieve nationale rechtsorden in staat zijn om een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op het niveau van de Unie, in het bijzonder in het Handvest, erkende grondrechten.

( 89 ) Artikel 27 van verordening nr. 44/2001 regelt immers slechts de bevoegdheidsverdeling tussen gerechten van lidstaten waarbij gelijktijdig identieke gedingen aanhangig zijn. Zie naar analogie arrest Gasser, reeds aangehaald, waarin het Hof zijn antwoord op een vraag naar uitlegging van artikel 21 van het Executieverdrag (dat overeenkomt met artikel 27), in het bijzonder tegen de achtergrond van artikel 6 van het EVRM (punten 59 e.v.), terugbrengt tot de strekking en het doel van dat verdrag en het wederzijdse vertrouwen van de verdragsstaten in elkaars rechtssystemen en gerechtelijke instanties (punten 70 e.v.). Zie ook Magnus, U., Mankowski, P., op. cit., blz. 487 e.v.

( 90 ) Te weten de zesde, de zevende en de achtste prejudiciële vraag.

( 91 ) I. Weber stelt dat deze vraag rijst omdat het Landgericht München I twee schorsingsbeslissingen heeft gegeven, eerst op basis van artikel 27, lid 1, en daarna op basis van artikel 28, leden 1 en 3. Het Oberlandesgericht München heeft hem de mogelijkheid tot die rechtzetting gegeven.

( 92 ) I. Weber en de Zwitserse regering citeren in die zin de analyse van artikel 28 in de Duitse rechtsleer [Rauscher, T., Leible, S., Europäisches Zivilprozeß- und Kollisionsrecht EuZPR/EuIPR, Kommentar, Brüssel I-VO, LugÜbk 2007, Sellier, München, 2011, en Hüßtege, R., in Thomas, H., Putzo, H. (eds.), Zivilprozessordnung, Kommentar, Verlag C.H. Beck, München, 32e editie, 2011] en de Zwitserse rechtsleer [Bucher, A., Loi sur le droit international privé – Convention de Lugano, Helbing Lichtenhahn Verlag, Basel, 2011, en Mabillard, R., in Oetiker, C., Weibel, T. (eds.), Lugano-Übereinkommen, Helbing Lichtenhahn Verlag, Basel, 2011].

( 93 ) Zie blz. 13 van het rapport Jenard, aangehaald in voetnoot 29 van de onderhavige conclusie, over de overeenkomstige bepalingen in het Executieverdrag, en punt 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001.

( 94 ) In het reeds aangehaalde arrest Tatry (punt 53), over artikel 22 van het Executieverdrag, heeft het Hof geoordeeld dat „[de] uitlegging [van het begrip samenhang] ruim [moet] zijn en alle gevallen [moet] omvatten waarin er gevaar voor tegenstrijdige uitspraken bestaat, ook al kunnen de uitspraken afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd en sluiten de rechtsgevolgen ervan elkaar niet uit”. Zie ook arrest van 13 juli 2006, Roche Nederland e.a. (C-539/03, Jurispr. blz. I-6535, punt 22).

( 95 ) Arrest Tatry, reeds aangehaald (punt 55) en conclusie van advocaat-generaal Tesauro in die zaak (punt 28).

( 96 ) Zie voetnoot 5 van de onderhavige conclusie.

( 97 ) Ik herinner eraan dat deze prejudiciële vraag geen betrekking heeft op lid 2 van beide artikelen, over verwijzing door de als laatste aangezochte rechter.

( 98 ) Zie daarover het verder in deze conclusie uiteengezette antwoord op de zevende prejudiciële vraag.

( 99 ) Punten 49 en 50 (cursivering van mij).

( 100 ) Volgens Cadiet, L., Jeuland, E. en Amrani-Mekki, S. (eds.), Droit processuel civil de l’Union européenne, LexisNexis, Parijs, 2011, punt 129, is samenhang „een vorm van onvolmaakte aanhangigheid”, waarbij „de voorwaarden voor samenhang minder streng zijn dan die voor aanhangigheid. De gevolgen die daaruit voortvloeien zijn dat bijgevolg ook”.

( 101 ) De verwijzende rechter spreekt van het vereiste dat de als laatste aangezochte rechter eerst „vaststelt”.

( 102 ) Een onderscheid moet worden gemaakt tussen die beoordelingsbevoegdheid en de vaststelling van de samenhang op basis van de in lid 3 van dat artikel geformuleerde criteria van verbondenheid van de parallelle gedingen.

( 103 ) Zie reeds aangehaalde arresten Tatry (punt 55) en Overseas Union Insurance e.a. (punt 16), over de doelstelling van artikel 22 van het Executieverdrag, dat overeenkomt met artikel 28 van verordening nr. 44/2001, en punt 15 van de considerans van die verordening.

( 104 ) Zie punt 75 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 januari 1994, Owens Bank (C-129/92, Jurispr. blz. I-117), over artikel 22 van dat verdrag.

( 105 ) Deze vermeldt de belangen, de gedragingen en de drijfveren van de partijen; de intensiteit van de band; de staat en de duur van de procedure in casu; de kans op slagen van de vordering; het beginsel van proceseconomie in termen van inspanningen, kosten en bewijsnabijheid; (afwezigheid van) bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter en de mogelijkheid van erkenning.

( 106 ) Namelijk „de mate van samenhang en het gevaar van met elkaar strijdige beslissingen”, „de stand van de betrokken procedures” en „de nabijheid van de gerechten bij de feiten” (zie punt 76 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak Owens Bank, reeds aangehaald). Die criteria zijn gelijkaardig aan die welke de wetgever in het kader van de herschikking van richtlijn nr. 44/2001 heeft erkend, zij het enkel voor parallelle gedingen in een lidstaat en een derde land. Zie punten 23 en 24 van de considerans en de artikelen 33 (over aanhangigheid) en 34 (over samenhang) van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351, blz. 1), die voor het grootste deel geldt vanaf 10 januari 2015.

( 107 ) In het arrest Gasser, reeds aangehaald (punten 70 e.v.) heeft het Hof zich in die zin uitgesproken, zij het over de bepaling van het Executieverdrag die overeenkomt met artikel 27 van verordening nr. 44/2001, dus inzake aanhangigheid in plaats van samenhang.

( 108 ) Arrest van 9 november 2010, Purrucker (C-296/10, Jurispr. blz. I-11163, punten 82 en 83).

( 109 ) Zie naar analogie, over de weigering om de theorie van het forum non conveniens toe te passen in het geval van aanhangigheid onder het Executieverdrag, punten 78 en 181 van het rapport Schlosser, aangehaald in voetnoot 36 van de onderhavige conclusie.

( 110 ) Een mogelijke uitzondering zijn de vorderingen inzake de morele rechten van een auteur op zijn werk.

( 111 ) Lid 2 van dat artikel betreft immers de mogelijkheid om tot verwijzing over te gaan wanneer een van de partijen daarom verzoekt, op voorwaarde dat reeds vaststaat dat de als eerste aangezochte rechter bevoegd is van de samenhangende vorderingen kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat.

( 112 ) Zie ook punt 87 van de onderhavige conclusie.

Top