This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62011TN0238
Case T-238/11 P: Appeal brought on 4 May 2011 by Luigi Marcuccio against the judgment of the Civil Service Tribunal of 15 February 2011 in Case F-81/09, Marcuccio v Commission
Zaak T-238/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 mei 2011 door Luigi Marcuccio tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 februari 2011 in zaak F-81/09, Marcuccio/Commissie
Zaak T-238/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 mei 2011 door Luigi Marcuccio tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 februari 2011 in zaak F-81/09, Marcuccio/Commissie
PB C 186 van 25.6.2011, p. 31–31
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
25.6.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 186/31 |
Hogere voorziening ingesteld op 4 mei 2011 door Luigi Marcuccio tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 februari 2011 in zaak F-81/09, Marcuccio/Commissie
(Zaak T-238/11 P)
2011/C 186/57
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirant concludeert dat het het Gerecht behage:
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen, voor zover de rechter in eerste aanleg: a) rekwirants beroep heeft verworpen; b) heeft bepaald dat rekwirant drie vierde van de door hem in eerste aanleg gemaakte kosten zelf zal dragen, en voorts,
|
Middelen en voornaamste argumenten
Deze hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (GVA) van 15 februari 2011 in zaak F-81/09. Bij dit arrest is verworpen een beroep strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot gedeeltelijk afwijzing van rekwirants verzoek tot betaling van vertragingsrente over de achterstallige invaliditeitsuitkeringen die hem door die instelling zijn betaald en, anderzijds, veroordeling van de Commissie tot betaling aan hem van het bedrag bestaande in het verschil tussen het bedrag van de vertragingsrente berekend volgens de criteria die zijns inziens hadden moeten worden toegepast en het daadwerkelijk betaalde bedrag.
|
1) |
Eerste middel: volledig ontbreken van motivering van het in punt 32 van het bestreden arrest genoemde besluit alsmede [schending] van de op elke instelling van de Europese Unie rustende motiveringsplicht (punt 41 tot en met 47 van het bestreden arrest). |
|
2) |
Tweede middel: verkeerde, onjuiste en onredelijke uitlegging en toepassing van de inhoud van de mededeling van 8 mei 2003, genoemd in punt 53 van het bestreden arrest. |
|
3) |
Derde middel: verkeerde, onjuiste en onredelijke uitlegging en toepassing van het begrip overeenkomstige toepassing van een regeling en van de betrokken rechtsregels en rechtspraak (punten 57 en 58 van het bestreden arrest). |
|
4) |
Vierde middel: schending van het rechtsbeginsel patere legem quam ipse feristi, waardoor het bestreden arrest op onherstelbare wijze is aangetast, en volledig ontbreken van motivering van de afwijzing van het argument betreffende schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti (meer bepaald, punt 59 van het bestreden arrest). |
|
5) |
Vijfde middel: onrechtmatigheid van de afwijzing (punten 69 en 70 van het bestreden arrest) van het „verzoek om betaling van een geldbedrag”, alleen al wegens het verzuim om uitspraak te doen over rekwirants verzoek om betaling van rente. |
|
6) |
Zesde middel: onrechtmatigheid van de afwijzing (punten 73 en 76 van het bestreden arrest) van het verzoek om vergoeding van de schade. |
|
7) |
Zevende middel: onrechtmatigheid van de beslissing dat rekwirant drie vierde van de proceskosten zal dragen. |