EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0658

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 juni 2014.
Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Besluit 2011/640/GBVB – Rechtsgrondslag – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) – Artikel 37 VEU – Internationale overeenkomst die uitsluitend betrekking heeft op het GBVB – Artikel 218, lid 6, tweede alinea, VWEU – Verplichting om het Parlement onverwijld en ten volle te informeren – Artikel 218, lid 10, VWEU – Handhaving van gevolgen.
Zaak C‑658/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:2025

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

24 juni 2014 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring — Besluit 2011/640/GBVB — Rechtsgrondslag — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) — Artikel 37 VEU — Internationale overeenkomst die uitsluitend betrekking heeft op GBVB — Artikel 218, lid 6, tweede alinea, VWEU — Verplichting om het Parlement onverwijld en ten volle te informeren — Artikel 218, lid 10, VWEU — Handhaving van gevolgen”

In zaak C‑658/11,

betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 21 december 2011,

Europees Parlement, vertegenwoordigd door R. Passos, A. Caiola en M. Allik als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoeker,

ondersteund door:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis, R. Troosters en L. Gussetti als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënte,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door F. Naert, G. Étienne, M. Bishop en G. Marhic als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door:

Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek, E. Ruffer en D. Hadroušek als gemachtigden,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues, N. Rouam en E. Belliard als gemachtigden,

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door A. Falk als gemachtigde,

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door L. Christie en A. Robinson als gemachtigden, bijgestaan door D. Beard, QC, en G. Facenna, barrister,

interveniënten,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano (rapporteur), M. Ilešič, T. von Danwitz en M. Safjan, kamerpresidenten, J. Malenovský, E. Levits, A. Ó Caoimh, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 september 2013,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2014,

het navolgende

Arrest

1

Het Europees Parlement vordert, ten eerste, nietigverklaring van besluit 2011/640/GBVB van de Raad van 12 juli 2011 betreffende de ondertekening en de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Mauritius inzake de voorwaarden waaronder piraterijverdachten en in beslag genomen goederen door de door de Europese Unie geleide zeemacht worden overgedragen aan de Republiek Mauritius, en inzake de positie van de verdachten na de overdracht (PB L 254, blz. 1; hierna: respectievelijk „bestreden besluit” en „overeenkomst EU-Mauritius”) en, ten tweede, handhaving van de gevolgen van dat besluit.

Toepasselijke bepalingen

2

In titel V van het VEU heeft hoofdstuk 2 het opschrift „Specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid”. In dat hoofdstuk luidt artikel 36 VEU als volgt:

„De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid raadpleegt het Europees Parlement regelmatig over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en informeert het over de ontwikkeling van de beleidsmaatregelen. Hij ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement kunnen de speciale vertegenwoordigers worden ingeschakeld.

Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad en de hoge vertegenwoordiger richten. Het wijdt twee maal per jaar een debat aan de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.”

3

Artikel 37 VEU, dat in datzelfde hoofdstuk staat, is als volgt geformuleerd:

„De Unie kan met één of meer staten of internationale organisaties overeenkomsten sluiten op de gebieden die onder dit hoofdstuk vallen.”

4

In artikel 218 VWEU is bepaald:

„1.   Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 207 wordt bij het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties de volgende procedure gevolgd.

2.   De Raad verleent machtiging tot het openen van de onderhandelingen, stelt de onderhandelingsrichtsnoeren vast, verleent machtiging tot ondertekening en sluit de overeenkomsten.

3.   De Commissie of, indien de voorgenomen overeenkomst uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid [hierna: ‚GBVB’], doet aanbevelingen aan de Raad, die een besluit vaststelt houdende machtiging tot het openen van de onderhandelingen en waarbij, naargelang van de inhoud van de voorgenomen overeenkomst, de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie wordt aangewezen.

[...]

5.   De Raad stelt op voorstel van de onderhandelaar een besluit vast waarbij machtiging wordt verleend tot ondertekening van de overeenkomst en, in voorkomend geval, in afwachting van de inwerkingtreding, tot de voorlopige toepassing ervan.

6.   De Raad stelt op voorstel van de onderhandelaar een besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast.

Tenzij de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het [GBVB], stelt de Raad het besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast:

a)

na goedkeuring door het Europees Parlement, in de volgende gevallen:

[...]

v)

overeenkomsten betreffende gebieden waarop de gewone wetgevingsprocedure, of, indien de goedkeuring van het Europees Parlement vereist is, de bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing is.

[...]

b)

na raadpleging van het Europees Parlement in de overige gevallen. [...]

[...]

10.   Het Europees Parlement wordt in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle geïnformeerd.

[...]”

5

Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (PB L 301, blz. 33), zoals gewijzigd bij besluit 2010/766/GBVB van de Raad van 7 december 2010 (PB L 327, blz. 49; hierna: „gemeenschappelijk optreden 2008/851”), is gefundeerd op de artikelen 14, 25, derde alinea, en 28, lid 3, EU.

6

Artikel 1, lid 1, van dat gemeenschappelijk optreden, met als opschrift „Missie”, bepaalt:

„De Europese Unie voert een militaire operatie uit ter ondersteuning van de Resoluties 1814 (2008), 1816 (2008) en 1838 (2008) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, overeenkomstig de in geval van piraterij geoorloofde acties uit hoofde van de artikelen 100 e.v. van het VN-Zeerechtverdrag, ondertekend te Montego Bay op 10 december 1982, zulks met name via verbintenissen met derde staten, hierna ‚Atalanta’ genoemd, teneinde bij te dragen tot:

het beschermen van schepen van het Wereldvoedselprogramma (WVP) die overeenkomstig het mandaat van resolutie 1814 (2008) van de VN-Veiligheidsraad humanitaire hulp naar de ontheemde Somalische bevolkingsgroepen brengen,

de bescherming van kwetsbare schepen die in de Somalische wateren varen en het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende roofovervallen voor de Somalische kust, overeenkomstig het in resolutie 1816 (2008) van de VN-Veiligheidsraad omschreven mandaat.”

7

Artikel 2 („Mandaat”) van dat gemeenschappelijk optreden bepaalt:

„Atalanta, onder de voorwaarden van het toepasselijk internationaal recht, met name het VN-Zeerechtverdrag, en de resoluties 1814 (2008), 1816 (2008) en 1838 (2008) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en binnen de grenzen van zijn beschikbare capaciteit:

[...]

e)

kan, met het oog op de eventuele vervolging door de Staten die overeenkomstig artikel 12 bevoegd zijn, personen die ervan worden verdacht daden van piraterij of gewapende roofovervallen als bedoeld in de artikelen 101 en 103 van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties te willen begaan, te begaan of te hebben begaan in de zone waar zij aanwezig is, aanhouden, gevangennemen en overdragen, en beslag leggen op de schepen van de piraten of gewapende roofovervallers, of op de schepen die zijn aangehouden na een daad van piraterij of gewapende roofoverval en die in handen van piraten of roofovervallers zijn, alsmede op de goederen aan boord;

[...]”

8

Artikel 10 van gemeenschappelijk optreden 2008/851, met het opschrift „Deelneming van derde staten”, luidt als volgt:

„1.   Onverminderd de beslissingsautonomie van de [...] Unie en haar ene institutionele kader, en overeenkomstig de desbetreffende richtsnoeren van de Europese Raad, mogen derde landen worden uitgenodigd aan de operatie deel te nemen.

[...]

3.   De nadere regeling betreffende de deelname van derde staten wordt vastgelegd in overeenkomsten die volgens de procedure van artikel 37 [VEU] worden gesloten. In voorkomend geval zijn in het kader van deze operatie de bepalingen van toepassing van een overeenkomst die de [...] Unie en een derde staat hebben gesloten tot vaststelling van een kader voor de deelname van deze derde staat aan crisisbeheersingsoperaties van de [...] Unie.

[...]

6.   De voorwaarden voor de overdracht van arrestanten naar een derde staat die aan de operatie deelneemt, worden vastgesteld bij de sluiting of uitvoering van de in lid 3 genoemde deelnemingsovereenkomsten.”

9

In artikel 12 van dit gemeenschappelijk optreden, met het opschrift „Overdracht van met het oog op hun vervolging gevangengenomen en aangehouden personen”, is bepaald:

„1.   Op basis van de aanvaarding door Somalië van de uitoefening van rechtsmacht door de lidstaten of derde staten, enerzijds, en artikel 105 van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties, anderzijds, worden met het oog op hun vervolging aangehouden en gevangengenomen personen die ervan worden verdacht daden van piraterij of gewapende overvallen als bedoeld in de artikelen 101 en 103 van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties te willen begaan, te begaan of te hebben begaan in de territoriale wateren van Somalië of op volle zee, alsmede de goederen tot uitvoering van deze daden,

overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de derde staat die deelneemt aan de operatie waarvan het schip dat tot gevangenneming is overgegaan, de vlag voert, of

indien die staat zijn rechtsmacht niet kan of wil uitoefenen, overgedragen aan een lidstaat of een derde staat die die rechtsmacht wil uitoefenen ten aanzien van de bovengenoemde personen of goederen.

2.   Geen van de in lid 1 bedoelde personen kan aan een derde staat worden overgedragen indien de voorwaarden voor deze overdracht niet zijn overeengekomen met deze derde staat overeenkomstig het toepasselijke internationaal recht, daaronder begrepen het internationale recht inzake de mensenrechten, om in het bijzonder te waarborgen dat niemand wordt onderworpen aan de doodstraf, aan marteling of andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen.”

10

Artikel 2 van de overeenkomst EU-Mauritius, „Definities”, bepaalt:

„Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)

door de Europese Unie geleide zeemacht (EUNAVFOR)’: het militaire hoofdkwartier van de Europese Unie en de nationale contingenten die bijdragen tot de operatie Atalanta van de EU, alsmede hun schepen, luchtvaartuigen en goederen;

[...]”

11

In artikel 1 van de overeenkomst, met als opschrift „Doel”, is bepaald:

„Deze overeenkomst bevat de voorwaarden en nadere bepalingen voor:

a)

de overdracht van personen die ervan worden verdacht daden van piraterij te begaan of te hebben begaan dan wel hiertoe een poging te hebben ondernomen binnen het gebied waarin EUNAVFOR opereert [...] en die door EUNAVFOR worden vastgehouden;

b)

de overdracht van de bijbehorende door EUNAVFOR in beslag genomen goederen, van EUNAVFOR aan Mauritius; en

c)

de behandeling van overgedragen personen.”

12

Bovendien bevat artikel 3 van de overeenkomst EU-Mauritius de algemene beginselen die bepalen hoe en onder welke voorwaarden door EUNAVFOR vastgehouden personen die worden verdacht van piraterij en de bijbehorende door EUNAVFOR in beslag genomen goederen aan de Republiek Mauritius worden overgedragen. Voorts regelt deze overeenkomst in artikel 4 de behandeling, de vervolging en de berechting van overgedragen personen, waarbij in artikel 5 is bepaald dat aan hen geen doodstraf mag worden opgelegd. Artikel 6 van deze overeenkomst bevat maatregelen inzake documenten betreffende de overdracht van die personen, met name betreffende gegevens en kennisgevingen, en artikel 7, leden 1 en 2, bepaalt dat EUNAVFOR de Republiek Mauritius met al zijn middelen en vermogens helpt bij de instructie betreffende en de vervolging van de overgedragen personen. In dit verband biedt artikel 7, lid 3, van de overeenkomst EU-Mauritius de partijen daarbij de mogelijkheid uitvoeringsbepalingen op te stellen over financiële, technische en andersoortige bijstand met het oog op de overdracht, de hechtenis, het onderzoek, de vervolging en de berechting van overgedragen personen. Ten slotte bevatten de artikelen 10 en 11 van deze overeenkomst voorschriften over de uitvoeringsregelingen en over de inwerkingtreding ervan.

Voorgeschiedenis van het geding en bestreden besluit

13

Op 22 maart 2010 heeft de Raad de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid machtiging verleend tot het openen van onderhandelingen met het oog op de sluiting van overeenkomsten met verschillende derde staten, waaronder de Republiek Mauritius, over de overdracht van personen.

14

Bij brief van diezelfde dag heeft de Raad het Parlement over dat beluit geïnformeerd.

15

Na die onderhandelingen heeft de Raad op 12 juli 2011 op grondslag van artikel 37 VEU en artikel 218, leden 5 en 6, VWEU het bestreden besluit vastgesteld, waarbij hij machtiging heeft verleend tot ondertekening van de overeenkomst EU-Mauritius. Dit besluit is op 30 september 2011 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

16

De overeenkomst EU-Mauritius is op 14 juli 2011 ondertekend en wordt sindsdien voorlopig toegepast.

17

De Raad heeft het Parlement bij brief van 17 oktober 2011 geïnformeerd over de vaststelling van het bestreden besluit.

Conclusies van partijen en procesverloop voor het Hof

18

Het Parlement verzoekt het Hof het bestreden besluit nietig te verklaren, te gelasten dat de gevolgen van dat besluit worden gehandhaafd tot het wordt vervangen, en de Raad te verwijzen in de kosten.

19

De Raad verzoekt het Hof, primair, het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren, het beroep voor het overige ongegrond te verklaren en het Parlement te verwijzen in de kosten. Subsidiair verzoekt de Raad, voor het geval het Hof het bestreden besluit nietig verklaart, dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd tot het wordt vervangen.

20

Bij beschikking van de president van het Hof van 5 juni 2012 zijn de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.

21

Bij beslissing van de president van het Hof van 20 november 2012 is de Commissie toegelaten tot interventie in de mondelinge behandeling, aan de zijde van het Parlement.

Beroep

22

Tot staving van zijn beroep voert het Parlement twee middelen aan: schending van artikel 218, lid 6, tweede alinea, VWEU en schending van artikel 218, lid 10, VWEU.

Eerste middel: schending van artikel 218, lid 6, tweede alinea, VWEU

Argumenten van partijen

23

Met zijn eerste middel betoogt het Parlement dat de Raad ten onrechte heeft gemeend dat het bestreden besluit een overeenkomst betrof die „uitsluitend” betrekking heeft op het GBVB in de zin van artikel 218, lid 6, tweede alinea, eerste zinsdeel, VWEU en dat dit besluit derhalve kon worden vastgesteld zonder het Parlement daarbij te betrekken.

24

Het Parlement merkt, hierin ondersteund door de Commissie, vooraf op dat artikel 218, lid 6, VWEU een algemene regel geeft, volgens welke het sluiten van een internationale overeenkomst door de Raad moet worden voorafgegaan door, naargelang van het geval, goedkeuring dan wel raadpleging van het Parlement. Slechts bij wijze van uitzondering staat artikel 218, lid 6, tweede alinea, eerste zinsdeel, VWEU de Raad toe een dergelijke overeenkomst zonder deelname van het Parlement te sluiten, te weten wanneer „de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het [GBVB]”. Daar deze bepaling het karakter van een uitzondering heeft, moet zij strikt worden uitgelegd, zodat het Parlement, wanneer een overeenkomst niet alleen betrekking heeft op het GBVB maar tevens op andere beleidsterreinen van de Unie, moet worden ingeschakeld bij de procedure voor het sluiten van die overeenkomst.

25

In casu heeft de overeenkomst EU-Mauritius, gelet op het doel en de inhoud ervan, niet alleen betrekking op het GBVB, maar tevens op justitiële samenwerking in strafzaken, op politiële samenwerking en op ontwikkelingssamenwerking.

26

Wat om te beginnen justitiële samenwerking in strafzaken betreft, bevat deze overeenkomst immers ten eerste verschillende bepalingen, met name de artikelen 3 tot en met 7 ervan, die erop gericht zijn de samenwerking tussen de Unie en de autoriteiten van de Republiek Mauritius te bevorderen zowel bij strafprocedures, daaronder begrepen de toelaatbaarheid van bewijs, de rechten van personen en bepaalde specifieke aspecten van deze procedures, als bij de tenuitvoerlegging van beslissingen in de zin van artikel 82, leden 1, sub d, en 2, sub a en b, VWEU. Ten tweede is die overeenkomst, met name artikel 7, lid 3, ervan, tevens gericht op ondersteuning bij de opleiding van magistraten en justitieel personeel in de zin van artikel 82, lid 1, sub c, VWEU. Voor het overige sluit de omstandigheid dat artikel 11, lid 5, van de overeenkomst EU-Mauritius bepaalt dat de door EUNAVFOR uit hoofde van deze overeenkomst te verrichten taken in wezen kunnen worden uitgevoerd door administratieve autoriteiten, volgens het Parlement uit dat deze taken militair van aard zijn. De Commissie voegt daaraan toe dat het doel en de inhoud van de overeenkomst EU-Mauritius rechtvaardigden dat artikel 82 VWEU als rechtsgrondslag voor het bestreden besluit werd gekozen.

27

Aangaande vervolgens politiële samenwerking, betreffen de in de artikelen 6 en 7 van de overeenkomst EU-Mauritius bedoelde activiteiten met name „de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van [...] gegevens” in de zin van artikel 87, lid 2, sub a, VWEU en behoren zij dus tot de gewoonlijk door de politie verrichte activiteiten in de zin van artikel 87, lid 1, VWEU.

28

Ten slotte betreft deze overeenkomst ontwikkelingssamenwerking, voor zover de artikelen 7 en 10, lid 2, sub f, ervan voorzien in het verstrekken van bijstand aan de Republiek Mauritius, die een ontwikkelingsland is in de zin van artikel 208 VWEU. Deze bijstand wordt verleend voor „herziening van de wetgeving, opleiding van onderzoekers en officieren van justitie, onderzoeksprocedures en gerechtelijke procedures, en in het bijzonder bepalingen voor de bewaring en de overdracht van bewijsmateriaal en beroepsprocedure”.

29

Het Parlement en de Commissie komen tot de slotsom dat het bestreden besluit, nu op deze actiegebieden van de Unie de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is, op artikel 218, lid 6, tweede alinea, sub a‑v, VWEU had moeten worden gefundeerd en bijgevolg had moeten worden vastgesteld na goedkeuring van het Parlement.

30

De Raad, ondersteund door de alle interveniërende lidstaten, antwoordt in wezen dat het bestreden besluit terecht op artikel 37 VEU en op artikel 218, leden 5 en 6, VWEU is gebaseerd omdat de overeenkomst EU-Mauritius volgens het doel en de inhoud ervan uitsluitend betrekking heeft op het GBVB.

31

Ten eerste voert deze overeenkomst immers gemeenschappelijk optreden 2008/851 uit, en met name artikel 12 daarvan, dat tot doel heeft de internationale veiligheid te versterken in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie, wat bovendien wordt bevestigd door artikel 2 van dat gemeenschappelijk optreden, dat de taken van Atalanta omschrijft. Dat beleid is overeenkomstig artikel 42, lid 1, VEU een integrerend deel van het GBVB.

32

Ten tweede kan uit de inhoud van die overeenkomst en meer specifiek uit de omstandigheid dat een van daden van piraterij verdachte persoon door Atalanta voor vervolging wordt overgedragen aan de autoriteiten van de Republiek Mauritius, niet worden afgeleid dat het optreden van Atalanta politiële of justitiële samenwerking in de zin van het derde deel, titel V, van het VWEU vormt. Hoewel bepaalde taken van Atalanta kenmerken kunnen vertonen waardoor zij op politieoptreden lijken, bezit de ingezette troepenmacht in het algemeen immers geen politiële of justitiële bevoegdheden krachtens hun respectieve nationale wettelijke regeling.

33

De Raad voegt daaraan toe dat de overeenkomst EU-Mauritius, met name in de artikelen 4 tot en met 6 en 8, maatregelen bevat ter bevordering van de rechtsstaat en van de eerbiediging van de mensenrechten door de Republiek Mauritius. Volgens artikel 21, lid 2, sub b, VEU is de bevordering van de mensenrechten in derde staten een doel dat tot het GBVB behoort.

34

De Raad preciseert tevens dat noch het doel noch de inhoud van die overeenkomst de slotsom rechtvaardigt dat deze betrekking heeft op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht of op ontwikkelingssamenwerking.

35

Ten eerste blijkt immers met name uit de artikelen 82 VWEU en 87 VWEU dat elke maatregel betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, ongeacht de eventuele externe dimensie ervan, moet worden genomen met het doel om binnen de Unie de vrijheid, de veiligheid en het recht te bevorderen. In casu heeft de overeenkomst EU-Mauritius hoofdzakelijk betrekking op maatregelen ter versterking van de internationale veiligheid voor de kust van Somalië en dus buiten de Unie.

36

Ten tweede heeft het Hof reeds erkend dat een maatregel niet onder ontwikkelingssamenwerking valt wanneer deze hoofdzakelijk strekt tot uitvoering van het GBVB, ook al draagt die maatregel bij tot de economische en sociale ontwikkeling van ontwikkelingslanden (arrest Commissie/Raad, C‑91/05, EU:C:2008:288, punt 72). In casu heeft de aan de Republiek Mauritius verstrekte bijstand betrekking op de overdrachtshandelingen in de zin van de overeenkomst EU-Mauritius en op het vermogen van laatstgenoemde om deze overeenkomst toe te passen overeenkomstig het internationale recht betreffende mensenrechten. Een dergelijke bijstand is niet gericht op de ontwikkeling van de Republiek Mauritius en vormt bijgevolg geen ontwikkelingsmaatregel.

37

Het Parlement antwoordt om te beginnen dat artikel 218, lid 3, VWEU onderscheid maakt tussen overeenkomsten die „uitsluitend” betrekking hebben op het GBVB en overeenkomsten die „hoofdzakelijk” daarop betrekking hebben. Lid 6 van dat artikel staat de Raad bijgevolg slechts toe om zonder inschakeling van het Parlement overeenkomsten te sluiten wanneer deze „uitsluitend” betrekking hebben op het GBVB. Wanneer die overeenkomsten daarentegen slechts „hoofdzakelijk” betrekking hebben op het GBVB en bijkomstige maatregelen betreffende andere beleidsterreinen bevatten, kan de Raad deze niet sluiten zonder voordien het Parlement te hebben ingeschakeld.

38

Vervolgens betoogt het Parlement dat de omstandigheid dat het bestreden besluit gemeenschappelijk optreden 2008/851 uitvoert en dat dit onder het GBVB valt, niet volstaat voor de slotsom dat het bestreden besluit eveneens onder dat beleid valt. Gemeenschappelijk optreden 2008/851 en het bestreden besluit hebben immers verschillende werkingssferen en doelen, aangezien Atalanta een militaire operatie is die onder het veiligheids- en defensiebeleid valt en die erop gericht is vermeende piraten aan te houden, terwijl de aan de vertegenwoordigers van de Unie en van EUNAVFOR krachtens de overeenkomst EU-Mauritius opgedragen taken, te weten met name de eventuele latere overdracht van verdachten en het instellen van vervolging tegen hen, niet militair van aard zijn en verder gaan dan het doel van Atalanta.

39

De Raad en de interveniërende lidstaten antwoorden in wezen dat de vraag of een overeenkomst „uitsluitend” betrekking heeft op het GBVB in de zin van artikel 218, lid 6, tweede alinea, VWEU moet worden beantwoord uitsluitend op basis van de materiële rechtsgrondslag van die overeenkomst. Een overeenkomst, zoals die welke in casu aan de orde is, die uitsluitend op artikel 37 VEU berust, heeft „uitsluitend” betrekking op het GBVB.

40

Volgens de Raad kan een dergelijke benadering niet in twijfel worden getrokken door het onderscheid tussen de woorden „hoofdzakelijk” en „uitsluitend” in artikel 218, leden 3 en 6, VWEU. Lid 3 van dat artikel, dat verwijst naar overeenkomsten die „uitsluitend of hoofdzakelijk” betrekking hebben op het GBVB, strekt ter precisering welke autoriteit bevoegd is om in het kader van de procedure van onderhandelingen over die overeenkomsten aan de Raad aanbevelingen te doen, terwijl lid 6 van dat artikel, met de vermelding van overeenkomsten die „uitsluitend” betrekking hebben op het GBVB, de sluiting van dergelijke overeenkomsten betreft.

41

De Tsjechische Republiek voegt daaraan toe dat artikel 218, lid 6, VWEU op een parallellisme tussen de bevoegdheden van het Parlement op intern en op extern niveau berust. Deze bepaling heeft dus tot doel te verzekeren dat het Parlement dezelfde rol heeft bij de vaststelling van een besluit tot sluiting van een overeenkomst als bij de vaststelling van een interne handeling. In deze context herinnert de Tsjechische Republiek eraan dat de betrokken bepaling slechts procedureel van aard is en merkt zij op dat het niet de procedures zijn die de rechtsgrondslag van een handeling bepalen, maar dat de rechtsgrondslag van een handeling bepaalt welke de procedures voor de vaststelling van die handeling moeten worden gevolgd.

42

Het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk preciseren dat de door het Parlement verdedigde uitlegging van artikel 218, lid 6, tweede alinea, VWEU, ten eerste afbreuk doet aan het institutionele evenwicht dat tot stand is gebracht bij de Verdragen, die het Parlement een strikt afgebakende rol toekennen bij de uitvoering van het GBVB, zoals met name blijkt uit artikel 36 VEU. Ten tweede druist die uitlegging, doordat zij de werkingssfeer van de procedures op het gebied van het GBVB beperkt ten gunste van de procedures van het VWEU, in tegen artikel 40 VEU. Dit artikel garandeert immers dat de bevoegdheden die onder het VWEU vallen geen gevolgen hebben voor de door het GBVB voorziene bevoegdheden. Overigens zou die uitlegging het Parlement een vetorecht verlenen op het gebied van het GBVB, in strijd met de keuze van de auteurs van het Verdrag van Lissabon om het Parlement ten aanzien van het optreden van de Unie in het kader van het GBVB een beperktere rol te geven.

Beoordeling door het Hof

43

Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat de keuze van de rechtsgrondslag van een Uniehandeling moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waaronder het doel en de inhoud van de handeling. Indien na onderzoek van een maatregel blijkt dat hij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoel of overwegende component terwijl het andere doel of de andere component slechts ondergeschikt is, moet hij op één rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op het hoofddoel of de overwegende component. Indien een maatregel daarentegen tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, zodat verschillende bepalingen van het Verdrag toepasselijk zijn, moet die maatregel bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen worden gebaseerd (zie in die zin arrest Parlement/Raad, C‑130/10, EU:C:2012:472, punten 42‑44).

44

Teneinde de strekking van het eerste middel af te bakenen, moet erop worden gewezen dat het Parlement, zoals het overigens zelf ter terechtzitting heeft bevestigd, met dat middel niet betoogt dat het bestreden besluit op een andere rechtsgrondslag dan artikel 37 VEU had moeten worden gefundeerd, daar het Parlement uitdrukkelijk erkent dat de overeenkomst EU-Mauritius een doel nastreeft dat onder het GBVB valt.

45

Voorts erkent het Parlement dat ondanks het feit dat genoemd besluit en genoemde overeenkomst tevens doelen nastreven die onder andere beleidsterreinen van de Unie dan het GBVB vallen, deze doelen ondergeschikt zijn aan dat van het GBVB, en dat laatstbedoeld doel derhalve als hoofddoel kan worden beschouwd voor de bepaling van de rechtsgrondslag van het bestreden besluit, dat rechtsgeldig op uitsluitend artikel 37 VEU kon worden gebaseerd, onder uitsluiting van elke andere rechtsgrondslag.

46

Het Parlement betoogt daarentegen dat het feit dat het bestreden besluit en de overeenkomst EU-Mauritius, al is het maar bijkomstig, andere doelen dan die van het GBVB nastreven, volstaat om uit te sluiten dat dit besluit uitsluitend onder dat beleid valt in de zin van artikel 218, lid 6, VWEU.

47

Deze uitlegging van die bepaling kan niet worden aanvaard.

48

Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 218, lid 6, VWEU, stelt de Raad inderdaad het besluit houdende sluiting van een internationale overeenkomst vast na goedkeuring dan wel raadpleging van het Parlement, „tenzij de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het [GBVB]”.

49

Op basis van deze formulering alleen kan evenwel geen eenduidige uitlegging van deze bepaling worden gegeven.

50

In het bijzonder, met betrekking tot een besluit houdende sluiting van een overeenkomst met een hoofddoel dat onder het GBVB valt, kan aan de hand van die formulering niet worden vastgesteld dat, zoals de Raad stelt, een besluit kan worden geacht „uitsluitend betrekking” te hebben op het GBVB louter omdat het is gefundeerd op een materiële rechtsgrondslag die tot dat beleid behoort, onder uitsluiting van elke andere materiële rechtsgrondslag, en kan evenmin worden vastgesteld dat, zoals het Parlement betoogt, dit besluit moet worden geacht tevens betrekking te hebben op andere gebieden van het Unierecht vanwege de ondergeschikte doelen ervan, andere dan het hoofddoel, dat onder het GBVB valt.

51

In die omstandigheden dient erop te worden gewezen dat volgens de vaste rechtspraak voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de doelstellingen en de context ervan (zie in die zin arresten Klarenberg, C‑466/07, EU:C:2009:85, punt 37, en Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punt 34).

52

Wat de doelen van artikel 218 VWEU betreft, moet worden vastgesteld dat dit artikel, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, om te voldoen aan de vereisten van duidelijkheid, samenhang en rationalisering, thans voorziet in één enkele en algemene procedure voor de onderhandeling over en de sluiting van de internationale overeenkomsten die de Unie bevoegd is te sluiten op haar actiegebieden, het GBVB daaronder begrepen, tenzij de Verdragen in bijzondere procedures voorzien.

53

Deze procedure moet juist vanwege de algemene aard ervan rekening houden met de specifieke regels die de Verdragen voor elk actiegebied van de Unie bevatten, met name wat de aan de instellingen toegedeelde bevoegdheden betreft.

54

In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 218, lid 6, VWEU, teneinde rekening te houden met deze specifieke regels, drie typen procedures voor het sluiten van een internationale overeenkomst omvat, telkens met een andere rol voor het Parlement. Zo kan het zijn dat het Parlement de sluiting van een overeenkomst dient goed te keuren, dat het daarover enkel dient te worden geraadpleegd of dat het is uitgesloten van het proces van sluiting van de overeenkomst, onverminderd evenwel zijn recht om in alle fasen van de procedure onverwijld en ten volle te worden geïnformeerd overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU.

55

Zoals kan worden afgeleid uit met name artikel 218, lid 6, tweede alinea, sub a‑v, VWEU, heeft dit onderscheid tot doel op extern niveau de bevoegdheidsverdeling tussen de instellingen te weerspiegelen die op intern niveau van toepassing is. Het Verdrag van Lissabon heeft immers, ten eerste, de goedkeuring van het Parlement voor de sluiting van een internationale overeenkomst vereist juist voor overeenkomsten die de gebieden bestrijken waarop, intern, de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 VWEU of de bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing is, maar deze laatste procedure uitsluitend wanneer daarvoor goedkeuring van het Parlement vereist is. Ten tweede is de deelname van deze instelling aan de sluiting van een dergelijke overeenkomst slechts uitgesloten wanneer die overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het GBVB, in het kader waarvan het Verdrag van Lissabon het Parlement een beperkte rol heeft toegekend (zie in die zin arrest Parlement/Raad, EU:C:2012:472, punt 82).

56

Zoals de advocaat-generaal in de punten 30 tot en met 32 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, roept artikel 218, lid 6, VWEU dus symmetrie in het leven tussen de procedure voor de vaststelling van Uniemaatregelen op intern vlak en de procedure voor de vaststelling van internationale overeenkomsten, teneinde met inachtneming van het bij de Verdragen gecreëerde institutionele evenwicht te verzekeren dat de bevoegdheden van het Parlement en de Raad met betrekking tot een gegeven terrein op beide vlakken dezelfde zijn.

57

Dus juist om ervoor te zorgen dat deze symmetrie daadwerkelijk in acht wordt genomen, geldt de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde regel – dat het de materiële rechtsgrondslag van een handeling is die bepaalt welke procedures moeten worden gevolgd van de vaststelling ervan (zie arrest Parlement/Raad, EU:C:2012:472, punt 80) – niet alleen voor de procedures voor de vaststelling van een interne handeling maar tevens voor de procedures die van toepassing zijn op de sluiting van internationale overeenkomsten.

58

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het, in het kader van de procedure voor de sluiting van een internationale overeenkomst overeenkomstig artikel 218 VWEU, de materiële rechtsgrondslag van het besluit tot sluiting van die overeenkomst is die bepaalt welk type procedure van toepassing is krachtens lid 6 van genoemde bepaling.

59

Inzonderheid dient, wanneer het besluit tot sluiting van de betrokken overeenkomst rechtsgeldig uitsluitend is gefundeerd op een materiële rechtsgrondslag die onder het GBVB valt, het type procedure van artikel 218, lid 6, tweede alinea, eerste zinsdeel, VWEU te worden toegepast.

60

Deze uitlegging is des te meer gerechtvaardigd gelet op de vereisten in verband met de rechtszekerheid. Door de procedurele rechtsgrondslag te stoelen op de materiële rechtsgrondslag van een handeling kan met deze uitlegging immers aan de hand van objectieve criteria die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, worden bepaald welke procedure van toepassing is, zoals in punt 43 van dit arrest in herinnering is gebracht. Dit verzekert bovendien coherentie in de keuze van de rechtsgrondslagen van een handeling. De door het Parlement verdedigde uitlegging zou daarentegen tot gevolg hebben dat een bepaalde mate van onzekerheid en incoherentie in deze keuze wordt opgenomen, aangezien die uitlegging ertoe kan leiden dat verschillende procedures van toepassing zijn op Uniehandelingen die één en dezelfde materiële rechtsgrondslag hebben.

61

Voor het overige kan de context van de betrokken bepaling geen rechtvaardiging vormen voor een andere uitlegging ervan. In het bijzonder kan, gelet op de doelen van artikel 218 VWEU, de door het Parlement aangevoerde omstandigheid dat artikel 218, lid 3, VWEU verwijst naar overeenkomsten die „uitsluitend of hoofdzakelijk” betrekking hebben op het GBVB, terwijl lid 6 van dat artikel enkel overeenkomsten die „uitsluitend” betrekking hebben op het GBVB noemt, geen steun bieden voor de door het Parlement aangevoerde uitlegging van laatstgenoemde bepaling. Bovendien hebben deze beide leden betrekking op verschillende situaties. Terwijl artikel 218, lid 3, VWEU ertoe strekt nader te bepalen welke autoriteit bevoegd is aanbevelingen te doen aan de Raad in het kader van de procedure van onderhandeling over die overeenkomsten, en dus slaat op een fase vóór de sluiting van de internationale overeenkomst, betreft lid 6 van dat artikel het besluit van de Raad houdende sluiting van dergelijke overeenkomsten.

62

In die omstandigheden kon het bestreden besluit zonder goedkeuring of raadpleging van het Parlement worden vastgesteld.

63

Het eerste middel is derhalve ongegrond.

Tweede middel: schending van artikel 218, lid 10, VWEU

Argumenten van partijen

64

Met zijn tweede middel betoogt het Parlement dat de Raad, door het Parlement niet „onverwijld en ten volle” te informeren over alle fasen van de onderhandeling over en de sluiting van de overeenkomst EU-Mauritius, artikel 218, lid 10, VWEU, dat van toepassing is op alle door de Unie gesloten overeenkomsten, daaronder begrepen die welke onder het GBVB vallen, heeft geschonden.

65

In het bijzonder is het Parlement niet onverwijld geïnformeerd daar de Raad de teksten van het bestreden besluit en van de overeenkomst EU-Mauritius pas op 17 oktober 2011, dat wil zeggen meer dan drie maanden na de vaststelling van dat besluit en de ondertekening van die overeenkomst, op respectievelijk 12 juli en 14 juli 2011, en zeventien dagen na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, aan het Parlement heeft gezonden.

66

De Raad, waarvan de argumenten in wezen worden ondersteund door de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk, voert primair aan dat het tweede middel niet-ontvankelijk is. Daar het bestreden besluit uitsluitend onder het GBVB valt, is het Hof, gelet op artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275 VWEU immers niet bevoegd om zich uit te spreken over de wettigheid ervan.

67

Subsidiair betoogt de Raad dat dit middel ongegrond is, aangezien het Parlement in werkelijkheid naar behoren is geïnformeerd. In het bijzonder blijft de termijn waarbinnen het Parlement over het bestreden besluit is geïnformeerd, ook al is deze iets langer dan de normale praktijk, redelijk, mede rekening gehouden met het feit dat deze het zomerreces omvatte.

68

Wat de bevoegdheid van het Hof betreft, antwoordt het Parlement dat artikel 24, lid 1, tweede alinea, VEU deze slechts uitsluit voor de specifieke bepalingen inzake het GBVB, welke staan in hoofdstuk 2 van titel V van het VEU, en niet voor artikel 218, lid 10, VWEU, waarvan de schending wordt aangevoerd met het tweede middel.

Beoordeling door het Hof

69

Wat om te beginnen de vraag betreft of het Hof bevoegd is om uitspraak te doen over het tweede middel, dient in herinnerring te worden gebracht dat, zoals de Raad betoogt, uit artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275, eerste alinea, VWEU volgt dat het Hof in beginsel niet bevoegd is ten aanzien van de bepalingen van het GBVB en evenmin ten aanzien van de op grond daarvan vastgestelde besluiten.

70

Evenwel vormen de genoemde artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, en 275, eerste alinea, een afwijking van de regel van de algemene bevoegdheid die bij artikel 19 VEU aan het Hof is verleend om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen te verzekeren, en moeten zij bijgevolg restrictief worden uitgelegd.

71

In casu is het bestreden besluit weliswaar vastgesteld op basis van één enkele materiële rechtsgrondslag, die onder het GBVB valt, te weten artikel 37 VEU, doch blijkens de preambule van dat besluit is de procedurele rechtsgrondslag ervan artikel 218, leden 5 en 6, VWEU, waarin de procedure voor de ondertekening en de sluiting van internationale overeenkomsten is geregeld.

72

Zoals in punt 52 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, heeft de procedure van artikel 218 VWEU een algemene strekking en dient deze derhalve in beginsel te worden toegepast op alle internationale overeenkomsten waarover de Unie heeft onderhandeld en die door haar zijn gesloten op al haar actiegebieden, daaronder begrepen het GBVB, waarvoor, anders dan op andere gebieden het geval is, geen speciale procedure geldt.

73

Derhalve kan niet worden betoogd dat de strekking van de beperking, in de vorm van een uitzondering, op de bevoegdheid van het Hof, als voorzien in artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275 VWEU, zo ver gaat dat zou zijn uitgesloten dat het Hof bevoegd is ter zake van de uitlegging en de toepassing van een bepaling als artikel 218 VWEU, die niet onder het GBVB valt, hoewel daarin de procedure is vervat op basis waarvan een onder het GBVB vallende handeling is vastgesteld.

74

Het Hof is bijgevolg bevoegd om uitspraak te doen over het tweede middel.

75

Wat vervolgens de gegrondheid van dit middel betreft, moet erop worden gewezen dat het Parlement ingevolge artikel 218, lid 10, VWEU „in iedere fase van de procedure” voor de onderhandeling en de sluiting van internationale overeenkomsten als bedoeld in dat artikel, „onverwijld en ten volle [wordt] geïnformeerd”.

76

In casu was het Parlement evenwel niet in alle fasen van de procedure voor de onderhandelingen over en de sluiting van de overeenkomst EU-Mauritius onverwijld geïnformeerd.

77

Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier heeft de Raad, na aan het Parlement te hebben aangekondigd dat hij onderhandelingen zou openen, het Parlement pas drie maanden later en zeventien dagen na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie geïnformeerd over de vaststelling van het bestreden besluit en de ondertekening van die overeenkomst.

78

Daaruit volgt dat de Raad artikel 218, lid 10, VWEU heeft geschonden.

79

Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door het argument van de Raad dat het bestreden besluit hoe dan ook was bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, zodat het Parlement daarvan kennis had kunnen nemen. Die bekendmaking is immers voorzien in artikel 297 VWEU en beantwoordt aan de voorwaarden van openbaarheid waaraan een Uniehandeling moet voldoen teneinde in werking te treden, terwijl het uit artikel 218, lid 10, VWEU voortvloeiende vereiste van informatieverstrekking ertoe strekt te verzekeren dat het Parlement in staat wordt gesteld om een democratische controle uit te oefenen over het externe optreden van de Unie en meer in het bijzonder om na te gaan of zijn bevoegdheden in acht zijn genomen, juist gelet op de consequenties van de keuze van de rechtsgrondslag van een besluit houdende sluiting van een overeenkomst.

80

Wat ten slotte de gevolgen betreft van de schending van artikel 218, lid 10, VWEU voor de geldigheid van het bestreden besluit, moet worden vastgesteld dat de procedurele regel in die bepaling een wezenlijk vormvoorschrift vormt in de zin van artikel 263, tweede alinea, VWEU, waarvan schending leidt tot nietigheid van de handeling die daardoor is aangetast.

81

Deze regel is immers de uitdrukking van de democratische beginselen waarop de Unie is gegrondvest. In het bijzonder heeft het Hof reeds gepreciseerd dat de inschakeling van het Parlement bij het besluitvormingsproces de afspiegeling op het niveau van de Unie is van een democratisch grondbeginsel, volgens hetwelk de volkeren door tussenkomst van een representatieve vergadering aan de machtsuitoefening deelnemen (zie in die zin arresten Roquette Frères/Raad, 138/79, EU:C:1980:249, punt 33, en Parlement/Raad, EU:C:2012:472, punt 81).

82

Vanuit deze optiek heeft het Verdrag van Lissabon het belang van die regel in het Verdragsstelsel zelfs versterkt door hem op te nemen in een autonome bepaling die geldt voor alle in artikel 218 VWEU voorziene typen procedures.

83

Zoals in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, blijft de rol die het Verdrag van Lissabon aan het Parlement heeft toegekend ter zake van het GBVB beperkt.

84

Evenwel kan uit die vaststelling niet worden afgeleid dat het Parlement, hoewel het is uitgesloten van de procedure voor de onderhandelingen over en de sluiting van een overeenkomst die uitsluitend betrekking heeft op het GBVB, geen enkel recht van toezicht op dat beleid van de Unie heeft.

85

Integendeel, juist daartoe is het vereiste van informatieverstrekking in artikel 218, lid 10, VWEU van toepassing op elke procedure voor de sluiting van een internationale overeenkomst, daaronder begrepen de overeenkomsten die uitsluitend betrekking hebben op het GBVB.

86

Voor zover het Parlement niet in alle fasen van de procedure onverwijld en ten volle is geïnformeerd overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU, daaronder begrepen de fase die voorafgaat aan de sluiting van de overeenkomst, is het niet in staat het recht van toezicht dat de Verdragen hem hebben toegekend ter zake van het GBVB, uit te oefenen, en in voorkomend geval zijn standpunt kenbaar te maken over, in het bijzonder, de juiste rechtsgrondslag voor de betrokken handeling. Schending van dat vereiste van informatieverstrekking doet in die omstandigheden afbreuk aan de voorwaarden waaronder het Parlement zijn taken op het gebied van het GBVB uitoefent en vormt derhalve schending van een wezenlijk vormvoorschrift.

87

Bijgevolg is het tweede middel gegrond en moet het bestreden besluit dus nietig worden verklaard.

Handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit

88

Zowel het Parlement als de Raad, en het merendeel van de interveniërende lidstaten, verzoeken het Hof om, voor het geval het Hof het bestreden besluit nietig verklaart, de gevolgen ervan te handhaven tot het wordt vervangen.

89

Volgens artikel 264, tweede alinea, VWEU kan het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bepalen welke gevolgen van een nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

90

Erkend moet worden dat de nietigverklaring van het bestreden besluit zonder dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd, het verloop van de op basis van de overeenkomst EU-Mauritius uitgevoerde operaties zou kunnen belemmeren, en in het bijzonder afbreuk zou doen aan de volle doeltreffendheid van de vervolging van en de processen tegen van daden van piraterij verdachte personen die door EUNAVFOR zijn aangehouden.

91

Bijgevolg dient het Hof de hem bij artikel 264, tweede alinea, VWEU verleende bevoegdheid uit te oefenen en dienen de gevolgen van het bestreden besluit, waarvan de nietigverklaring bij het onderhavige arrest wordt uitgesproken, te worden gehandhaafd.

Kosten

92

Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd. Ingevolge lid 3 van dat artikel draagt elke partij evenwel haar eigen kosten, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

93

Aangezien het Parlement en de Raad in casu elk ten dele in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij te worden verwezen in hun eigen kosten.

94

Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

 

1)

Besluit 2011/640/GBVB van de Raad van 12 juli 2011 betreffende de ondertekening en de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Mauritius inzake de voorwaarden waaronder piraterijverdachten en in beslag genomen goederen door de door de Europese Unie geleide zeemacht worden overgedragen aan de Republiek Mauritius, en inzake de positie van de verdachten na de overdracht, wordt nietig verklaard.

 

2)

De gevolgen van besluit 2011/640 worden gehandhaafd.

 

3)

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen elk hun eigen kosten.

 

4)

De Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland alsmede de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.

Top