EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0542

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 27 juni 2013.
Staatssecretaris van Financiën tegen Codirex Expeditie BV.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hoge Raad der Nederlanden - Nederland.
Communautair douanewetboek - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Goederen in tijdelijke opslag - Niet-communautaire goederen - Douaneregeling extern communautair douanevervoer - Tijdstip van toekenning van douanebestemming - Aanvaarding van douaneaangifte - Vrijgave van goederen - Douaneschuld.
Zaak C-542/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:429

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

27 juni 2013 ( *1 )

„Communautair douanewetboek — Verordening (EEG) nr. 2913/92 — Goederen in tijdelijke opslag — Niet-communautaire goederen — Douaneregeling extern communautair douanevervoer — Tijdstip van toekenning van douanebestemming — Aanvaarding van douaneaangifte — Vrijgave van goederen — Douaneschuld”

In zaak C-542/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 30 september 2011, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2011, in de procedure

Staatssecretaris van Financiën

tegen

Codirex Expeditie BV,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, A. Rosas, E. Juhász (rapporteur), D. Šváby en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 december 2012,

gelet op de opmerkingen van:

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Noort en C. Wissels als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Bakopoulos en I. Pouli als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.-R. Killmann en W. Roels als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2013,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB L 117, blz. 13; hierna: „douanewetboek”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën (hierna: „Staatssecretaris”) en Codirex Expeditie BV (hierna: „Codirex”) betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting (hierna: „btw”).

Toepasselijke bepalingen

3

Volgens artikel 4, punten 15 tot en met 17 en 20, van het douanewetboek wordt in de zin van dit wetboek verstaan onder:

„15)

douanebestemming van goederen:

a)

plaatsing van goederen onder een douaneregeling;

b)

binnenbrengen van goederen in een vrije zone of in een vrij entrepot;

c)

wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap;

d)

vernietiging van goederen;

e)

afstaan van goederen aan de Schatkist;

16)

douaneregeling:

a)

in het vrije verkeer brengen;

b)

douanevervoer;

[...]

17)

douaneaangifte: handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen;

[...]

20)

vrijgave van goederen: terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst”.

4

Artikel 37 van dit wetboek luidt:

„1.   De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen aan douanecontroles worden onderworpen.

2.   Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182.”

5

Artikel 40 van dit wetboek bepaalt onder meer dat goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, bij de douane worden aangebracht door de persoon die ze aldaar heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die de aansprakelijkheid aanvaardt van het vervoer van de goederen nadat deze zijn binnengebracht.

6

Ingevolge artikel 48 van het douanewetboek moeten „[d]e bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen [...] een voor die goederen toegestane douanebestemming krijgen”.

7

Artikel 50 van dit wetboek is als volgt verwoord:

„De bij de douane aangebrachte goederen hebben, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag. Deze goederen worden hierna ‚goederen in tijdelijke opslag’ genoemd.”

8

Artikel 51 van dit wetboek bepaalt:

„1.   Goederen in tijdelijke opslag mogen alleen op door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaatsen verblijven, onder de door deze autoriteiten vastgestelde voorwaarden.

2.   De douaneautoriteiten kunnen van de persoon die houder van de goederen is, eisen dat deze een zekerheid stelt teneinde de betaling van iedere douaneschuld te waarborgen die uit hoofde van artikel 203 of 204 kan ontstaan.”

9

Artikel 59 van het douanewetboek bepaalt:

„1.   Voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, moet een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling worden gedaan.

2.   De voor de regeling uitvoer, de regeling passieve veredeling, de regeling douanevervoer of de voor het stelsel van douane-entrepots aangegeven communautaire goederen bevinden zich onder douanetoezicht vanaf het ogenblik waarop de douaneaangifte is aanvaard en tot op het ogenblik waarop zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten of worden vernietigd of tot op het ogenblik waarop de douaneaangifte ongeldig wordt verklaard.”

10

Artikel 62 van het wetboek is als volgt verwoord:

„1.   Schriftelijke aangiften moeten zijn gesteld op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model. Zij moeten zijn ondertekend en alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.

2.   Bij de aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.”

11

Artikel 63 van dit wetboek bepaalt:

„De aangiften die aan de voorwaarden van artikel 62 voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.”

12

In artikel 67 van het douanewetboek is bepaald:

„Behoudens andersluidende specifieke bepalingen geldt de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.”

13

Volgens artikel 68 van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten, teneinde de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren, overgaan tot een controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten, en tot het onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle. De rechten en verplichtingen van de aangever zijn onder meer in de artikelen 69 en 70 van het douanewetboek neergelegd.

14

Artikel 71 van dat wetboek bepaalt dat de resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, en dat, indien er geen verificatie van de aangifte wordt uitgevoerd, de toepassing van deze bepaling plaatsvindt aan de hand van de vermeldingen in de aangifte.

15

Artikel 72, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:

„De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de goederen te kunnen identificeren wanneer deze identificatie noodzakelijk is ter waarborging van de naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan de douaneregeling waarvoor de betrokken goederen zijn aangegeven.”

16

Uit artikel 73, lid 1, van het wetboek komt naar voren dat, wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling, de douaneautoriteiten de goederen vrijgeven zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen.

17

Artikel 74, lid 1, eerste volzin, van het wetboek bepaalt:

„Indien de aanvaarding van een douaneaangifte een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het bedrag van de douaneschuld is betaald of indien daarvoor een zekerheid is gesteld.”

18

Artikel 91, lid 1, aanhef en sub a, van het douanewetboek luidt:

„De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:

a)

van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen”.

19

Artikel 96, lid 1, van het wetboek bepaalt:

„De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:

a)

de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

b)

de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.”

20

Artikel 203 van het douanewetboek bepaalt:

„1.   Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

2.   De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

3.   Schuldenaren zijn:

de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;

de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;

alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

21

Een partij gekoeld rundvlees, die in een container van Brazilië naar Nederland was verscheept, is in de haven van Rotterdam (Nederland) gelost door de vennootschap Seaport International. Deze heeft de container op haar terrein neergezet in afwachting van een douanebestemming voor deze goederen.

22

Terwijl de container zich op dat terrein bevond, heeft Codirex op 6 november 2007 elektronisch aangifte gedaan voor plaatsing van deze partij onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. De douaneautoriteiten hebben deze aangifte direct aanvaard. De betrokken goederen hadden op dat tijdstip de status van „goederen in tijdelijke opslag” als bedoeld in artikel 50 van het douanewetboek.

23

Op 7 november 2007 hebben de douaneautoriteiten de container verzegeld en deze vrijgegeven. De container is over de openbare weg vervoerd naar de onderneming waarvoor hij was bestemd, Eurofrigo BV (hierna: „Eurofrigo”), gevestigd op het industriegebied Maasvlakte (Nederland).

24

Omdat de douaneautoriteiten geen bevestiging ontvingen van de aankomst van de goederen bij Eurofrigo, hebben zij een onderzoek ingesteld. Op 27 december 2007 heeft Eurofrigo hen ervan in kennis gesteld dat de verzegeling weliswaar intact was, maar dat twee colli minder waren afgeleverd dan vermeld in de douaneafgifte.

25

Op 17 februari 2008 hebben de douaneautoriteiten Codirex in haar hoedanigheid van aangever de gelegenheid geboden nadere informatie te verstrekken over de ontbrekende goederen. Codirex heeft niet gereageerd, waarna de autoriteiten haar op 3 juli 2008 hebben uitgenodigd tot betaling van douanerechten en btw.

26

Deze uitnodiging is, na bezwaar door Codirex, door de belastinginspecteur gehandhaafd.

27

Codirex heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

28

De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet-communautaire goederen die zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer, de status van goederen in tijdelijke opslag behouden tot het moment waarop de douane de goederen vrijgeeft, zodat de bepalingen die gelden voor de douaneregeling douanevervoer Codirex niet kunnen worden tegengeworpen. Onder verwijzing naar het arrest van 15 september 2005, United Antwerp Maritime Agencies en Seaport Terminals (C-140/04, Jurispr. blz. I-8245, punten 35-39), heeft de Rechtbank te Haarlem geoordeeld dat Codirex gedurende de periode van de tijdelijke opslag tot het moment waarop de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven voor douanevervoer niet als douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het douanewetboek kon worden aangemerkt op grond dat zij de goederen niet in haar feitelijke macht had.

29

De Staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, die van oordeel was dat uitlegging van het douanewetboek noodzakelijk was voor het wijzen van zijn arrest.

30

Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Wat is het tijdstip waarop niet-communautaire goederen een douanebestemming verkrijgen in de zin van artikel 50 van het [douanewetboek], in een geval waarin goederen met de status ‚in tijdelijke opslag’ zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

31

Op basis van de gegevens van de verwijzende rechter berust het onderzoek van de zaak op de hypothese dat alle aangegeven en voor extern communautair douanevervoer bestemde colli zich bij de douaneaangifte in de container op het terrein van Seaport International bevonden, maar dat twee colli vóór douaneverzegeling van die container zijn verdwenen.

32

Uit artikel 203, leden 1 en 2, van het douanewetboek volgt dat, wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken, op het tijdstip van deze onttrekking een douaneschuld bij invoer ontstaat. De onttrekking aan het douanetoezicht omvat elk handelen of nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteiten, al is het maar tijdelijk, de toegang tot onder douanetoezicht staande goederen wordt belemmerd en dat hun wordt belet de in artikel 37, lid 1, van dat wetboek bedoelde controles uit te voeren (zie arrest United Antwerp Maritime Agencies en Seaport Terminals, reeds aangehaald, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

Als de goederen op het moment van onttrekking al onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, is het subject van die regeling, als aangever in de zin van artikel 96, lid 1, van het douanewetboek, de persoon die de verplichtingen die uit het gebruik van die regeling voortvloeien dient na te komen en de douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde streepje, van dat wetboek, indien de bepalingen in de eerste drie streepjes van dit lid 3 niet van toepassing zijn.

34

Als de goederen op het moment van die onttrekking daarentegen nog niet onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, maar nog in tijdelijke opslag zijn, is de douaneschuldenaar, indien de bepalingen in de eerste drie streepjes van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek niet van toepassing zijn, de persoon die, als degene die de verplichtingen die voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen dient na te komen, de goederen, na lossing ervan, onder zich heeft om ze te verplaatsen of op te slaan (zie in die zin arrest Antwerp Maritime Agencies en Seaport Terminals, punt 39 en dictum). Op basis van de gegevens in het dossier is deze persoon niet Codirex.

35

Dientengevolge moet worden bepaald op welk moment krachtens het douanewetboek de tijdelijke opslag van goederen eindigt en de plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer een aanvang neemt.

36

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit het arrest van 1 februari 2001, D. Wandel (C-66/99, Jurispr. blz. I-873, punten 35-38 en 45), betreffende goederen die bestemd waren voor het vrije verkeer, blijkt dat deze goederen in tijdelijke opslag blijven totdat zij worden vrijgeven en dat zij pas een andere douanestatus krijgen wanneer zij door de douaneautoriteiten zijn vrijgegeven.

37

In dat verband moet eraan worden herinnerd dat in het vrije verkeer brengen volgens artikel 4, punt 16, sub a, van het douanewetboek eveneens een douaneregeling is en dat de plaatsing van de goederen onder een dergelijke regeling eveneens een douanebestemming is.

38

Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie opmerkt, lijkt de redenering van het Hof in het arrest D. Wandel, hoewel het daar om een andere douaneregeling ging dan in het hoofdgeding aan de orde is, in casu van overeenkomstige toepassing.

39

Vervolgens volgt uit artikel 4, punt 17, van het douanewetboek dat de douaneaangifte de handeling is waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen.

40

Het is stellig zo dat artikel 67 van het wetboek bepaalt dat de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten, behoudens andersluidende specifieke bepalingen, geldt als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

41

De enkele aanvaarding van de aangifte volstaat echter niet om de tijdelijke opslag te beëindigen.

42

Artikel 37, lid 2, van het douanewetboek bepaalt immers dat de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen onder douanetoezicht blijven zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en, wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, van het wetboek, tot het ogenblik waarop zij een andere douanestatus krijgen.

43

Volgens artikel 50 van het douanewetboek hebben de bij de douane aangebrachte goederen, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen de status van goederen in tijdelijke opslag.

44

De plaatsing van een goed onder een douaneregeling is uit hoofde van artikel 4, punt 15, sub a, van het wetboek een douanebestemming, en douanevervoer is volgens voormeld artikel 4, punt 16, sub b, een douaneregeling. Artikel 4, punt 20, van het wetboek definieert de vrijgave van goederen als de terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

45

Daaruit volgt dat de goederen in een situatie als in het hoofdgeding in tijdelijke opslag blijven totdat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer staan.

46

De goederen kunnen echter pas onder de regeling extern communautair douanevervoer staan als aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan.

47

Wat deze voorwaarden betreft moet worden opgemerkt dat, naargelang het geval, de douaneaangiften moeten worden geverifieerd, maatregelen moeten worden genomen om de betrokken goederen te identificeren en zekerheid moet worden vereist voor de betaling van een eventuele douaneschuld.

48

Na aanvaarding van de douaneaangifte kunnen de douaneautoriteiten aldus uit hoofde van artikel 68 van het douanewetboek de documenten controleren en/of de goederen onderzoeken om de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren.

49

Met betrekking tot de identificatiemaatregelen van de douaneautoriteiten moet in het voetspoor van de Europese Commissie worden onderstreept dat de in artikel 68 bedoelde verificatie moet worden begrepen in verband met de artikelen 71 en 73, lid 1, van dat wetboek en wil zeggen dat de formele aanvaarding van een aangifte kan worden gevolgd door maatregelen als voorzien in artikel 72 van het douanewetboek om te waarborgen dat de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, correct wordt toegepast. In casu hebben de autoriteiten in het hoofdgeding tussen de aanvaarding van de aangifte en de vrijgave onder meer de container verzegeld om te waarborgen dat het extern communautair douanevervoer regelmatig zou worden verricht.

50

Met betrekking tot de verplichting zekerheid te stellen moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 91, lid 1, sub a, van het douanewetboek de regeling extern communautair douanevervoer het mogelijk maakt dat niet-communautaire goederen van een plaats in het douanegebied naar een andere worden vervoerd zonder dat zij aan invoerrechten worden onderworpen. Dat vervoer is derhalve onderworpen aan de zeer strikte voorwaarden die zijn neergelegd in de artikelen 91, lid 2, 94 en 96 van dat wetboek. Daarin is onder meer bepaald dat in beginsel zekerheid moet worden gesteld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld die ten aanzien van de goederen kan ontstaan, en dat de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane op het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht met inachtneming van de door de autoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

51

Wanneer derhalve bij de verificatie van de aangiften tekortkomingen worden geconstateerd, de verplichtingen die voortvloeien uit de identificatiemaatregelen niet zijn nagekomen of de vereiste zekerheid niet is gesteld, kunnen de goederen niet onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer worden geplaatst.

52

Wanneer daarentegen aan de voorwaarden voor plaatsing onder de betrokken douaneregeling is voldaan, geven de douaneautoriteiten de goederen overeenkomstig artikel 73, lid 1, van het douanewetboek vrij zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen.

53

Aangezien de douaneautoriteiten verificatie-, identificatie- of zekerheidsmaatregelen moeten of kunnen treffen, kan niet worden gesteld dat door de enkele aanvaarding van de douaneaangifte aan alle voorwaarden voor de douaneregeling extern communautair douanevervoer kan worden voldaan.

54

Bovendien vloeit het feit dat goederen als in het hoofdgeding aan de orde pas vanaf de vrijgave onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer kunnen vallen, voort uit de definitie in artikel 4, punt 20, van het douanewetboek, waarin er de nadruk op wordt gelegd dat de goederen door de douaneautoriteiten ter beschikking worden gesteld „voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst”.

55

Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 50, 67 en 73 van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat niet-communautaire goederen met de status goederen in tijdelijke opslag waarvan de douaneaangifte voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer door de douaneautoriteiten is aanvaard, onder die douaneregeling worden geplaatst en aldus een douanebestemming verkrijgen op het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven.

Kosten

56

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

De artikelen 50, 67 en 73 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moeten aldus worden uitgelegd dat niet-communautaire goederen met de status goederen in tijdelijke opslag waarvan de douaneaangifte voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer door de douaneautoriteiten is aanvaard, onder die douaneregeling worden geplaatst en aldus een douanebestemming verkrijgen op het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top

Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak C-542/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 30 september 2011, ingekomen bij het Hof op 24 oktober 2011, in de procedure

Staatssecretaris van Financiën

tegen

Codirex Expeditie BV,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, A. Rosas, E. Juhász (rapporteur), D. Šváby en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 december 2012,

gelet op de opmerkingen van:

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Noort en C. Wissels als gemachtigden,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Bakopoulos en I. Pouli als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.-R. Killmann en W. Roels als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2013,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB L 117, blz. 13; hierna: „douanewetboek”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën (hierna: „Staatssecretaris”) en Codirex Expeditie BV (hierna: „Codirex”) betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting (hierna: „btw”).

Toepasselijke bepalingen

3. Volgens artikel 4, punten 15 tot en met 17 en 20, van het douanewetboek wordt in de zin van dit wetboek verstaan onder:

„15) douanebestemming van goederen:

a) plaatsing van goederen onder een douaneregeling;

b) binnenbrengen van goederen in een vrije zone of in een vrij entrepot;

c) wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap;

d) vernietiging van goederen;

e) afstaan van goederen aan de Schatkist;

16) douaneregeling:

a) in het vrije verkeer brengen;

b) douanevervoer;

[...]

17) douaneaangifte: handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen;

[...]

20) vrijgave van goederen: terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst”.

4. Artikel 37 van dit wetboek luidt:

„1. De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen aan douanecontroles worden onderworpen.

2. Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182.”

5. Artikel 40 van dit wetboek bepaalt onder meer dat goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, bij de douane worden aangebracht door de persoon die ze aldaar heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die de aansprakelijkheid aanvaardt van het vervoer van de goederen nadat deze zijn binnengebracht.

6. Ingevolge artikel 48 van het douanewetboek moeten „[d]e bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen [...] een voor die goederen toegestane douanebestemming krijgen”.

7. Artikel 50 van dit wetboek is als volgt verwoord:

„De bij de douane aangebrachte goederen hebben, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag. Deze goederen worden hierna ,goederen in tijdelijke opslag’ genoemd.”

8. Artikel 51 van dit wetboek bepaalt:

„1. Goederen in tijdelijke opslag mogen alleen op door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaatsen verblijven, onder de door deze autoriteiten vastgestelde voorwaarden.

2. De douaneautoriteiten kunnen van de persoon die houder van de goederen is, eisen dat deze een zekerheid stelt teneinde de betaling van iedere douaneschuld te waarborgen die uit hoofde van artikel 203 of 204 kan ontstaan.”

9. Artikel 59 van het douanewetboek bepaalt:

„1. Voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, moet een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling worden gedaan.

2. De voor de regeling uitvoer, de regeling passieve veredeling, de regeling douanevervoer of de voor het stelsel van douane-entrepots aangegeven communautaire goederen bevinden zich onder douanetoezicht vanaf het ogenblik waarop de douaneaangifte is aanvaard en tot op het ogenblik waarop zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten of worden vernietigd of tot op het ogenblik waarop de douaneaangifte ongeldig wordt verklaard.”

10. Artikel 62 van het wetboek is als volgt verwoord:

„1. Schriftelijke aangiften moeten zijn gesteld op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model. Zij moeten zijn ondertekend en alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.

2. Bij de aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.”

11. Artikel 63 van dit wetboek bepaalt:

„De aangiften die aan de voorwaarden van artikel 62 voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.”

12. In artikel 67 van het douanewetboek is bepaald:

„Behoudens andersluidende specifieke bepalingen geldt de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.”

13. Volgens artikel 68 van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten, teneinde de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren, overgaan tot een controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten, en tot het onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle. De rechten en verplichtingen van de aangever zijn onder meer in de artikelen 69 en 70 van het douanewetboek neergelegd.

14. Artikel 71 van dat wetboek bepaalt dat de resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, en dat, indien er geen verificatie van de aangifte wordt uitgevoerd, de toepassing van deze bepaling plaatsvindt aan de hand van de vermeldingen in de aangifte.

15. Artikel 72, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:

„De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de goederen te kunnen identificeren wanneer deze identificatie noodzakelijk is ter waarborging van de naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan de douaneregeling waarvoor de betrokken goederen zijn aangegeven.”

16. Uit artikel 73, lid 1, van het wetboek komt naar voren dat, wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling, de douaneautoriteiten de goederen vrijgeven zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen.

17. Artikel 74, lid 1, eerste volzin, van het wetboek bepaalt:

„Indien de aanvaarding van een douaneaangifte een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het bedrag van de douaneschuld is betaald of indien daarvoor een zekerheid is gesteld.”

18. Artikel 91, lid 1, aanhef en sub a, van het douanewetboek luidt:

„De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:

a) van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen”.

19. Artikel 96, lid 1, van het wetboek bepaalt:

„De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:

a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

b) de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.”

20. Artikel 203 van het douanewetboek bepaalt:

„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

3. Schuldenaren zijn:

– de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

– de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;

– de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;

– alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

21. Een partij gekoeld rundvlees, die in een container van Brazilië naar Nederland was verscheept, is in de haven van Rotterdam (Nederland) gelost door de vennootschap Seaport International. Deze heeft de container op haar terrein neergezet in afwachting van een douanebestemming voor deze goederen.

22. Terwijl de container zich op dat terrein bevond, heeft Codirex op 6 november 2007 elektronisch aangifte gedaan voor plaatsing van deze partij onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. De douaneautoriteiten hebben deze aangifte direct aanvaard. De betrokken goederen hadden op dat tijdstip de status van „goederen in tijdelijke opslag” als bedoeld in artikel 50 van het douanewetboek.

23. Op 7 november 2007 hebben de douaneautoriteiten de container verzegeld en deze vrijgegeven. De container is over de openbare weg vervoerd naar de onderneming waarvoor hij was bestemd, Eurofrigo BV (hierna: „Eurofrigo”), gevestigd op het industriegebied Maasvlakte (Nederland).

24. Omdat de douaneautoriteiten geen bevestiging ontvingen van de aankomst van de goederen bij Eurofrigo, hebben zij een onderzoek ingesteld. Op 27 december 2007 heeft Eurofrigo hen ervan in kennis gesteld dat de verzegeling weliswaar intact was, maar dat twee colli minder waren afgeleverd dan vermeld in de douaneafgifte.

25. Op 17 februari 2008 hebben de douaneautoriteiten Codirex in haar hoedanigheid van aangever de gelegenheid geboden nadere informatie te verstrekken over de ontbrekende goederen. Codirex heeft niet gereageerd, waarna de autoriteiten haar op 3 juli 2008 hebben uitgenodigd tot betaling van douanerechten en btw.

26. Deze uitnodiging is, na bezwaar door Codirex, door de belastinginspecteur gehandhaafd.

27. Codirex heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

28. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet-communautaire goederen die zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer, de status van goederen in tijdelijke opslag behouden tot het moment waarop de douane de goederen vrijgeeft, zodat de bepalingen die gelden voor de douaneregeling douanevervoer Codirex niet kunnen worden tegengeworpen. Onder verwijzing naar het arrest van 15 september 2005, United Antwerp Maritime Agencies en Seaport Terminals (C-140/04, Jurispr. blz. I-8245, punten 35-39), heeft de Rechtbank te Haarlem geoordeeld dat Codirex gedurende de periode van de tijdelijke opslag tot het moment waarop de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven voor douanevervoer niet als douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het douanewetboek kon worden aangemerkt op grond dat zij de goederen niet in haar feitelijke macht had.

29. De Staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, die van oordeel was dat uitlegging van het douanewetboek noodzakelijk was voor het wijzen van zijn arrest.

30. Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Wat is het tijdstip waarop niet-communautaire goederen een douanebestemming verkrijgen in de zin van artikel 50 van het [douanewetboek], in een geval waarin goederen met de status ‚in tijdelijke opslag’ zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

31. Op basis van de gegevens van de verwijzende rechter berust het onderzoek van de zaak op de hypothese dat alle aangegeven en voor extern communautair douanevervoer bestemde colli zich bij de douaneaangifte in de container op het terrein van Seaport International bevonden, maar dat twee colli vóór douaneverzegeling van die container zijn verdwenen.

32. Uit artikel 203, leden 1 en 2, van het douanewetboek volgt dat, wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken, op het tijdstip van deze onttrekking een douaneschuld bij invoer ontstaat. De onttrekking aan het douanetoezicht omvat elk handelen of nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteiten, al is het maar tijdelijk, de toegang tot onder douanetoezicht staande goederen wordt belemmerd en dat hun wordt belet de in artikel 37, lid 1, van dat wetboek bedoelde controles uit te voeren (zie arrest United Antwerp Maritime Agencies en Seaport Terminals, reeds aangehaald, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33. Als de goederen op het moment van onttrekking al onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, is het subject van die regeling, als aangever in de zin van artikel 96, lid 1, van het douanewetboek, de persoon die de verplichtingen die uit het gebruik van die regeling voortvloeien dient na te komen en de douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde streepje, van dat wetboek, indien de bepalingen in de eerste drie streepjes van dit lid 3 niet van toepassing zijn.

34. Als de goederen op het moment van die onttrekking daarentegen nog niet onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, maar nog in tijdelijke opslag zijn, is de douaneschuldenaar, indien de bepalingen in de eerste drie streepjes van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek niet van toepassing zijn, de persoon die, als degene die de verplichtingen die voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen dient na te komen, de goederen, na lossing ervan, onder zich heeft om ze te verplaatsen of op te slaan (zie in die zin arrest Antwerp Maritime Agencies en Seaport Terminals, punt 39 en dictum). Op basis van de gegevens in het dossier is deze persoon niet Codirex.

35. Dientengevolge moet worden bepaald op welk moment krachtens het douanewetboek de tijdelijke opslag van goederen eindigt en de plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer een aanvang neemt.

36. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit het arrest van 1 februari 2001, D. Wandel (C-66/99, Jurispr. blz. I-873, punten 35-38 en 45), betreffende goederen die bestemd waren voor het vrije verkeer, blijkt dat deze goederen in tijdelijke opslag blijven totdat zij worden vrijgeven en dat zij pas een andere douanestatus krijgen wanneer zij door de douaneautoriteiten zijn vrijgegeven.

37. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat in het vrije verkeer brengen volgens artikel 4, punt 16, sub a, van het douanewetboek eveneens een douaneregeling is en dat de plaatsing van de goederen onder een dergelijke regeling eveneens een douanebestemming is.

38. Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie opmerkt, lijkt de redenering van het Hof in het arrest D. Wandel, hoewel het daar om een andere douaneregeling ging dan in het hoofdgeding aan de orde is, in casu van overeenkomstige toepassing.

39. Vervolgens volgt uit artikel 4, punt 17, van het douanewetboek dat de douaneaangifte de handeling is waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen.

40. Het is stellig zo dat artikel 67 van het wetboek bepaalt dat de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten, behoudens andersluidende specifieke bepalingen, geldt als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

41. De enkele aanvaarding van de aangifte volstaat echter niet om de tijdelijke opslag te beëindigen.

42. Artikel 37, lid 2, van het douanewetboek bepaalt immers dat de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen onder douanetoezicht blijven zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en, wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, van het wetboek, tot het ogenblik waarop zij een andere douanestatus krijgen.

43. Volgens artikel 50 van het douanewetboek hebben de bij de douane aangebrachte goederen, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen de status van goederen in tijdelijke opslag.

44. De plaatsing van een goed onder een douaneregeling is uit hoofde van artikel 4, punt 15, sub a, van het wetboek een douanebestemming, en douanevervoer is volgens voormeld artikel 4, punt 16, sub b, een douaneregeling. Artikel 4, punt 20, van het wetboek definieert de vrijgave van goederen als de terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

45. Daaruit volgt dat de goederen in een situatie als in het hoofdgeding in tijdelijke opslag blijven totdat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer staan.

46. De goederen kunnen echter pas onder de regeling extern communautair douanevervoer staan als aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan.

47. Wat deze voorwaarden betreft moet worden opgemerkt dat, naargelang het geval, de douaneaangiften moeten worden geverifieerd, maatregelen moeten worden genomen om de betrokken goederen te identificeren en zekerheid moet worden vereist voor de betaling van een eventuele douaneschuld.

48. Na aanvaarding van de douaneaangifte kunnen de douaneautoriteiten aldus uit hoofde van artikel 68 van het douanewetboek de documenten controleren en/of de goederen onderzoeken om de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren.

49. Met betrekking tot de identificatiemaatregelen van de douaneautoriteiten moet in het voetspoor van de Europese Commissie worden onderstreept dat de in artikel 68 bedoelde verificatie moet worden begrepen in verband met de artikelen 71 en 73, lid 1, van dat wetboek en wil zeggen dat de formele aanvaarding van een aangifte kan worden gevolgd door maatregelen als voorzien in artikel 72 van het douanewetboek om te waarborgen dat de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, correct wordt toegepast. In casu hebben de autoriteiten in het hoofdgeding tussen de aanvaarding van de aangifte en de vrijgave onder meer de container verzegeld om te waarborgen dat het extern communautair douanevervoer regelmatig zou worden verricht.

50. Met betrekking tot de verplichting zekerheid te stellen moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 91, lid 1, sub a, van het douanewetboek de regeling extern communautair douanevervoer het mogelijk maakt dat niet-communautaire goederen van een plaats in het douanegebied naar een andere worden vervoerd zonder dat zij aan invoerrechten worden onderworpen. Dat vervoer is derhalve onderworpen aan de zeer strikte voorwaarden die zijn neergelegd in de artikelen 91, lid 2, 94 en 96 van dat wetboek. Daarin is onder meer bepaald dat in beginsel zekerheid moet worden gesteld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld die ten aanzien van de goederen kan ontstaan, en dat de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane op het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht met inachtneming van de door de autoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

51. Wanneer derhalve bij de verificatie van de aangiften tekortkomingen worden geconstateerd, de verplichtingen die voortvloeien uit de identificatiemaatregelen niet zijn nagekomen of de vereiste zekerheid niet is gesteld, kunnen de goederen niet onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer worden geplaatst.

52. Wanneer daarentegen aan de voorwaarden voor plaatsing onder de betrokken douaneregeling is voldaan, geven de douaneautoriteiten de goederen overeenkomstig artikel 73, lid 1, van het douanewetboek vrij zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen.

53. Aangezien de douaneautoriteiten verificatie-, identificatie- of zekerheidsmaatregelen moeten of kunnen treffen, kan niet worden gesteld dat door de enkele aanvaarding van de douaneaangifte aan alle voorwaarden voor de douaneregeling extern communautair douanevervoer kan worden voldaan.

54. Bovendien vloeit het feit dat goederen als in het hoofdgeding aan de orde pas vanaf de vrijgave onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer kunnen vallen, voort uit de definitie in artikel 4, punt 20, van het douanewetboek, waarin er de nadruk op wordt gelegd dat de goederen door de douaneautoriteiten ter beschikking worden gesteld „voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst”.

55. Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 50, 67 en 73 van het douanewetboek aldus moeten worden uitgelegd dat niet-communautaire goederen met de status goederen in tijdelijke opslag waarvan de douaneaangifte voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer door de douaneautoriteiten is aanvaard, onder die douaneregeling worden geplaatst en aldus een douanebestemming verkrijgen op het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven.

Kosten

56. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 50, 67 en 73 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moeten aldus worden uitgelegd dat niet-communautaire goederen met de status goederen in tijdelijke opslag waarvan de douaneaangifte voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer door de douaneautoriteiten is aanvaard, onder die douaneregeling worden geplaatst en aldus een douanebestemming verkrijgen op het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven.

Top