EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0419

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 14 maart 2013.
Česká spořitelna, a.s. tegen Gerald Feichter.
Verzoek van de Městský soud v Praze om een prejudiciële beslissing.
Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Artikelen 5, punt 1, sub a, en 15, lid 1 – Begrippen ‚verbintenissen uit overeenkomst’ en ‚overeenkomst gesloten door de consument’ – Promesse aan order – Aval – Borgstelling voor kredietovereenkomst.
Zaak C‑419/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:165

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 maart 2013 ( *1 )

„Verordening (EG) nr. 44/2001 — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Artikelen 5, punt 1, sub a, en 15, lid 1 — Begrippen ‚verbintenissen uit overeenkomst’ en ‚overeenkomst gesloten door de consument’ — Promesse aan order — Aval — Borgstelling voor kredietovereenkomst”

In zaak C-419/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Městský soud v Praze (Tsjechië) bij beslissing van 21 maart 2011, ingekomen bij het Hof op 10 augustus 2011, in de procedure

Česká spořitelna, a.s.

tegen

Gerald Feichter,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), E. Levits, J.-J. Kasel en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 juni 2012,

gelet op de opmerkingen van:

Česká spořitelna, a.s., vertegenwoordigd door M. Vojáček, advokát,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en A.-M. Rouchaud-Joët als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 september 2012,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, punt 1, sub a, en 15, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Česká spořitelna, a.s. (hierna: „Česká spořitelna”), met zetel in Tsjechië, en G. Feichter, woonachtig in Oostenrijk.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 44/2001

3

Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

4

Artikel 3, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[d]egenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, [...] slechts voor het gerecht van een andere lidstaat [kunnen] worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels”.

5

Artikel 5, punt 1, sub a, van de verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van deze verordening, getiteld „Bijzondere bevoegdheid”, luidt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd”.

6

Artikel 15, lid 1, van deze verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 4 van deze verordening, getiteld „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, bepaalt:

„Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling [...] wanneer

a)

het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken,

b)

het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken,

c)

in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”

7

Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 44/2001 luidt:

„De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

Tsjechisch recht

8

Volgens § 75 van wet 191/1950 betreffende wissels, promessen aan order en cheques is een document dat alle in deze paragraaf vereiste vermeldingen bevat, een geldige promesse aan order.

9

Krachtens § 76, lid 1, van wet 191/1950 is een document waarin een van de in § 75 van deze wet bedoelde vermeldingen ontbreekt, niet geldig als promesse aan order, behalve in de gevallen bedoeld in de volgende leden. Volgens § 76, lid 3, van deze wet is de plaats van uitgifte van de promesse aan order, behoudens speciale vermelding, de plaats van betaling en tezelfdertijd de woonplaats van de ondertekenaar.

10

Volgens § 77, lid 2, van wet 191/1950 is § 10 van deze wet eveneens van toepassing op een promesse aan order. Deze § 10 bepaalt dat, indien een promesse aan order die bij de uitgifte ervan onvolledig was, niet is vervolledigd zoals overeengekomen, de niet-nakoming van deze overeenkomst niet kan worden tegengeworpen aan de houder van de promesse, tenzij deze houder de promesse te kwader trouw heeft verkregen of bij de verkrijging ervan ernstig nalatig heeft gehandeld.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

Op 28 april 2004 heeft de te Brno (Tsjechië) gevestigde vennootschap Feichter – CZ s.r.o. (hierna: „vennootschap Feichter”) eveneens te Brno een blanco promesse aan order uitgegeven ten gunste van Česká spořitelna, met zetel te Praag (Tsjechië). De namens de vennootschap Feichter door haar bestuurder, Feichter, ondertekende promesse aan order is uitgegeven ter verzekering van de nakoming van de verbintenissen die voor deze vennootschap voortvloeiden uit een overeenkomst inzake een doorlopend krediet, die tussen deze vennootschap en Česká spořitelna op dezelfde dag was gesloten. Voorts heeft Feichter, die zijn woonplaats in Oostenrijk heeft, de promesse aan order als natuurlijke persoon op de voorzijde ondertekend met de vermelding „goed voor aval”.

12

De gegevens over het te betalen bedrag, de vervaldatum en de plaats van betaling in de promesse aan order zijn door Česká spořitelna vervolledigd overeenkomstig een op dezelfde dag gesloten overeenkomst betreffende het aanbrengen van de ontbrekende vermeldingen. De aldus vervolledigde promesse aan order bevatte een onvoorwaardelijke belofte van de vennootschap Feichter tot betaling op 27 mei 2008 te Praag van het bedrag van 5000000 CZK aan order van Česká spořitelna.

13

Op de vervaldatum is de promesse aan order op de plaats van betaling, te weten Praag, ter betaling aangeboden, maar betaling is uitgebleven. Derhalve heeft Česká spořitelna bij de Městský soud v Praze (gemeentelijke rechtbank te Praag) een betalingsbevelprocedure ingesteld tot veroordeling van Feichter tot betaling van het wegens ondertekening van de promesse aan order verschuldigde bedrag van 5000000 CZK, vermeerderd met een jaarlijkse rente van 6 % vanaf 28 mei 2008 tot de dag van voldoening, plus een provisie op de promesse aan order van 16666 CZK. In de loop van die procedure heeft Feichter een exceptie van onbevoegdheid van de Městský soud v Praze opgeworpen op grond dat hij in Oostenrijk woont.

14

De verwijzende rechter vraagt zich af of zijn bevoegdheid moet worden vastgesteld op grond van de regels inzake consumentenovereenkomsten. Dienaangaande wenst hij te vernemen of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001, en met name of de vordering krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde promesse aan order die door de begunstigde wordt ingesteld tegen de avalgever, kan worden aangemerkt als een vordering uit overeenkomst in de zin van dit artikel. Zo ja, dan zou de Oostenrijkse rechter bevoegd zijn om kennis te nemen van het hoofdgeding, aangezien volgens artikel 16, lid 2, van deze verordening een rechtsvordering tegen een consument slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.

15

De verwijzende rechter vraagt zich tevens af of in casu de bevoegdheid kan worden vastgesteld op grond van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001.

16

Dienaangaande vraagt hij of de vorderingen krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde promesse aan order konden worden aangemerkt als contractuele vorderingen in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001, ondanks het feit dat naar Tsjechisch recht een promesse aan order een abstract effect is dat niet van contractuele aard is, ook al concretiseert het de inhoud van een overeenkomst.

17

Voorts vraagt hij zich af of het in casu gaat om een vrijwillig aangegane verbintenis, aangezien de precieze plaats van betaling noch in de promesse aan order noch in de overeenkomst betreffende het aanbrengen van de ontbrekende vermeldingen is bepaald. Ook al is bij deze laatste overeenkomst aan Česká spořitelna het recht toegekend om de ontbrekende vermeldingen betreffende de plaats van betaling op de promesse aan order aan te brengen, er is immers in deze overeenkomst niet voorzien in criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat het juist om de stad Praag gaat. De verwijzende rechter benadrukt dat niet kan worden uitgesloten dat de vermelding van de plaats van betaling op de promesse aan order tot schending van deze overeenkomst leidt of dat deze overeenkomst nietig is omdat zij vaag is. In dit laatste geval zou het moeilijk zijn om vast te stellen dat de verbintenis in casu vrijwillig is aangegaan.

18

Daarop heeft de Městský soud v Praze de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Moet het begrip ‚overeenkomsten gesloten door een consument voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd’ in artikel 15, lid 1, van [verordening nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat het tevens betrekking heeft op vorderingen krachtens een onvolledig opgestelde promesse die door de begunstigde worden ingesteld tegen de avalgever van de ondertekenaar van de promesse?

2)

Ongeacht of de eerste vraag bevestigend of ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip ‚verbintenissen uit overeenkomst’ in artikel 5, punt 1, sub a, van [verordening nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat het, uitsluitend uitgaande van de inhoud van het document, ook betrekking heeft op vorderingen krachtens een onvolledig opgestelde promesse die door de begunstigde worden ingesteld tegen de avalgever van de ondertekenaar van de promesse?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

Ontvankelijkheid

19

Česká spořitelna betoogt dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is aangezien zij louter hypothetisch is en niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding daar niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001.

20

Volgens vaste rechtspraak is in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen. Het is tevens uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om gelet op de bijzonderheden van het geval zowel de noodzaak als de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arrest van 25 oktober 2012, Rintisch, C-553/11, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21

Het Hof kan een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter dus slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C-618/10, punt 77, en reeds aangehaald arrest Rintisch, punt 16).

22

Dit is in casu niet het geval. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers duidelijk dat het voor de beslechting van het hoofdgeding noodzakelijk is artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001 uit te leggen, aangezien de door Feichter opgeworpen exceptie van onbevoegdheid is gebaseerd op het argument dat hij, doordat hij de promesse aan order als natuurlijke persoon heeft ondertekend, de hoedanigheid van consument in de zin van dit artikel heeft en dat derhalve de bevoegdheid moet worden vastgesteld op grond van de bepalingen van deze verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid inzake consumentenovereenkomsten.

23

Derhalve moet de eerste prejudiciële vraag ontvankelijk worden verklaard.

Ten gronde

24

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of op grond van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001 kan worden bepaald welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een rechtsvordering waarbij de in een lidstaat gevestigde begunstigde van een promesse aan order de vorderingen krachtens deze promesse, die bij de ondertekening ervan onvolledig was en nadien is vervolledigd door de begunstigde, instelt tegen de in een andere lidstaat woonachtige avalgever.

25

Vooraf zij eraan herinnerd dat aan de begrippen van verordening nr. 44/2001, met name aan die van artikel 15, lid 1, van deze verordening, een autonome uitlegging moet worden gegeven, waarbij vooral te rade moet worden gegaan bij het stelsel en de doelstellingen van deze verordening, teneinde de uniforme toepassing daarvan in alle lidstaten te verzekeren (zie in die zin arresten van 20 januari 2005, Engler, C-27/02, Jurispr. blz. I-481, punt 33; 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof, C-585/08 en C-144/09, Jurispr. blz. I-12527, punt 55, en 6 september 2012, Mühlleitner, C-190/11, punt 28).

26

Voorts zij opgemerkt dat artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001 afwijkt van zowel de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van deze verordening, volgens welke de bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, als de in artikel 5, punt 1, van deze verordening geformuleerde bijzondere bevoegdheidsregel inzake overeenkomsten, volgens welke de bevoegdheid toekomt aan het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (reeds aangehaalde arresten Pammer en Hotel Alpenhof, punt 53, en Mühlleitner, punt 26). Derhalve moet dit artikel 15, lid 1, noodzakelijkerwijs strikt worden uitgelegd (zie in die zin reeds aangehaald arrest Mühlleitner, punt 27).

27

Ten slotte, aangezien verordening nr. 44/2001 in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats is getreden van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van nieuwe lidstaten tot dat verdrag (hierna: „Executieverdrag”), geldt de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de in dit verdrag neergelegde bepalingen ook voor de bepalingen van die verordening, wanneer de bepalingen van deze instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie met name arresten van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec, C-133/11, punt 31, en 7 februari 2013, Refcomp, C-543/10, punt 18).

28

Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat uit punt 13 van de considerans van verordening nr. 44/2001 blijkt dat in het systeem van deze verordening artikel 15, lid 1, ervan dezelfde plaats inneemt en dezelfde functie van bescherming van de consument als zwakste partij vervult als artikel 13, eerste alinea, van het Executieverdrag (zie in die zin arrest van 14 mei 2009, Ilsinger, C-180/06, Jurispr. blz. I-3961, punt 41, en reeds aangehaalde arresten Pammer en Hotel Alpenhof, punt 57, en Mühlleitner, punt 29).

29

De eerste prejudiciële vraag moet in het licht van deze overwegingen worden beantwoord.

30

Voor de beantwoording van deze vraag zij vastgesteld dat artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001 van toepassing is indien is voldaan aan drie voorwaarden: ten eerste is een contractpartij een consument die in een kader handelt dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd; ten tweede is de overeenkomst daadwerkelijk tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar gesloten, en ten derde valt deze overeenkomst onder een van de in lid 1, sub a tot en met c, van dit artikel 15 bedoelde categorieën. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat wanneer aan een van de drie voorwaarden niet is voldaan, de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld op grond van de regels inzake consumentenovereenkomsten.

31

Wat de eerste toepassingsvoorwaarde van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001 betreft, is het zo dat, ook al is deze bepaling niet op alle punten op dezelfde manier geformuleerd als artikel 13, eerste alinea, van het Executieverdrag, deze wijzigingen de toepassingsvoorwaarden betreffen waaraan consumentenovereenkomsten moeten voldoen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Pammer en Hotel Alpenhof, punt 59), en niet de omschrijving van het begrip consument, zodat dit begrip in het kader van verordening nr. 44/2001 dezelfde draagwijdte moet hebben als in het kader van het Executieverdrag.

32

Het Hof heeft reeds geoordeeld dat uit de formulering en de functie van artikel 13, eerste alinea, van het Executieverdrag volgt dat deze bepaling slechts betrekking heeft op een niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende particuliere eindconsument (zie in die zin arresten van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton, C-89/91, Jurispr. blz. I-139, punten 20 en 22; 3 juli 1997, Benincasa, C-269/95, blz. I-3767, punt 15, en 20 januari 2005, Gruber, C-464/01, Jurispr. blz. I-439, punt 35, en reeds aangehaald arrest Engler, punt 34).

33

Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de bij het Executieverdrag ingestelde bijzondere bevoegdheidsregeling inzake consumentenovereenkomsten tot doel heeft een passende bescherming te bieden aan de consument, die economisch zwakker en juridisch minder ervaren wordt geacht dan zijn professionele contractpartij (zie met name reeds aangehaalde arresten Gruber, punt 34, en Engler, punt 39). Uit deze functie volgt dat de ter zake in het Executieverdrag voorziene bijzondere bevoegdheidsregels niet mogen worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben (zie in die zin reeds aangehaald arrest Shearson Lehman Hutton, punt 19).

34

Het Hof heeft daaruit de conclusie getrokken dat onder de in dat verdrag opgenomen bijzondere regeling ter bescherming van de consument enkel overeenkomsten vallen die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier, terwijl deze bescherming in geval van overeenkomsten met een beroepsmatig doel niet gerechtvaardigd is (zie reeds aangehaald arrest Gruber, punt 36, en in die zin reeds aangehaald arrest Benincasa, punt 17).

35

In omstandigheden als die van het hoofdgeding is niet voldaan aan de voorwaarde dat er sprake is van een consument in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001.

36

Het staat immers vast dat de avalgever in het hoofdgeding zich garant heeft gesteld voor de verbintenissen van de vennootschap waarvan hij bestuurder en meerderheidsaandeelhouder is.

37

Hoewel de verbintenis van de avalgever abstract is en dus losstaat van de verbintenis van de ondertekenaar waarvoor hij zich garant heeft gesteld, neemt dit, zoals de advocaat-generaal in punt 33 van haar conclusie heeft opgemerkt, derhalve niet weg dat het aval van een natuurlijke persoon dat is gegeven voor een promesse aan order ter verzekering van de nakoming van de verbintenissen van een handelsvennootschap, niet kan worden geacht los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling te zijn gegeven indien het om een natuurlijke persoon gaat die met deze vennootschap nauwe beroepsmatige banden heeft, zoals een bestuurder of een meerderheidsaandeelhouder.

38

In ieder geval volstaat de enkele omstandigheid dat de avalgever een natuurlijke persoon is, niet als bewijs van zijn hoedanigheid van consument in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001.

39

Bijgevolg hoeft niet te worden onderzocht of is voldaan aan de twee andere toepassingsvoorwaarden van dat artikel.

40

Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die met een vennootschap nauwe beroepsmatige banden heeft, zoals een bestuurder of een meerderheidsaandeelhouder, niet kan worden aangemerkt als consument in de zin van deze bepaling wanneer hij een promesse aan order voor aval tekent die is uitgegeven ter verzekering van de nakoming van de voor deze vennootschap uit een kredietovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. Derhalve kan niet op grond van deze bepaling worden uitgemaakt welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een rechtsvordering waarbij de in een lidstaat gevestigde begunstigde van een promesse aan order de vorderingen krachtens deze promesse, die bij de ondertekening ervan onvolledig was en nadien is vervolledigd door de begunstigde, instelt tegen de in een andere lidstaat woonachtige avalgever.

Tweede vraag

41

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of op grond van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 kan worden bepaald welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een rechtsvordering waarbij de in een lidstaat gevestigde begunstigde van een promesse aan order de vorderingen krachtens deze promesse, die bij de ondertekening ervan onvolledig was en nadien is vervolledigd door de begunstigde, instelt tegen de in een andere lidstaat woonachtige avalgever.

42

Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter met deze vraag wenst te vernemen of de rechtsverhouding tussen de begunstigde en de avalgever van een promesse aan order onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 valt, en voorts welke draagwijdte moet worden toegekend aan het in deze bepaling vervatte begrip „plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd” in het geval van een onvolledig opgestelde en nadien vervolledigde promesse aan order.

43

Dienaangaande moet, net als in punt 27 van het onderhavige arrest, eraan worden herinnerd dat aan artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 dezelfde strekking moet worden toegekend als aan artikel 5, punt 1, eerste zin, van het Executieverdrag, aangezien beide bepalingen gelijkluidend zijn (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch, C-533/07, Jurispr. blz. I-3327, punten 48 en 56).

44

Derhalve moet ter bepaling van de bevoegde rechter overeenkomstig artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 eveneens worden uitgegaan van de beginselen die zijn ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof over artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag (zie in die zin reeds aangehaald arrest Falco Privatstiftung en Rabitsch, punt 57).

45

Wat in de eerste plaats de uitlegging van het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 betreft, zij opgemerkt dat dit begrip autonoom moet worden uitgelegd onder verwijzing naar het stelsel en de doelstellingen van deze verordening, met het oog op de eenvormige toepassing van dit begrip in alle lidstaten. Het kan derhalve niet worden geacht te verwijzen naar de kwalificatie die de toepasselijke nationale wet geeft aan de voor de nationale rechter aan de orde zijnde rechtsverhouding (zie naar analogie met name arresten van 17 juni 1992, Handte, C-26/91, Jurispr. blz. I-3967, punt 10, en 5 februari 2004, Frahuil, C-265/02, Jurispr. blz. I-1543, punt 22).

46

Weliswaar vereist artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 niet dat een overeenkomst is gesloten, maar voor de toepassing van dit artikel moet er wel een verbintenis zijn, aangezien de rechterlijke bevoegdheid op grond van deze bepaling wordt bepaald door de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Derhalve mag het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van deze bepaling niet aldus worden uitgelegd dat het ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis (zie naar analogie arrest van 17 september 2002, Tacconi, C-334/00, Jurispr. blz. I-7357, punten 22 en 23, en reeds aangehaald arrest Engler, punt 50).

47

Bijgevolg is voor de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst in artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 vereist dat er sprake is van een vrijwillig aangegane juridische verbintenis van een persoon jegens een andere waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd (zie naar analogie reeds aangehaald arrest Engler, punt 51).

48

Aangaande het bestaan van een dergelijke verbintenis in omstandigheden als die van het hoofdgeding moet, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van haar conclusie doet, worden vastgesteld dat in casu de avalgever, door de promesse aan order op de voorzijde te ondertekenen met de vermelding „goed voor aval”, vrijwillig heeft aanvaard zich garant te stellen voor de verbintenissen van de ondertekenaar van deze promesse. Derhalve is hij, door deze ondertekening, de verbintenis om de nakoming van deze verbintenissen te verzekeren vrijwillig aangegaan in de zin van deze bepaling.

49

Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door de omstandigheid dat deze ondertekening een blanco promesse aan order betreft. Er moet immers rekening mee worden gehouden dat de avalgever, door ook de overeenkomst betreffende het aanbrengen van de ontbrekende vermeldingen te ondertekenen, vrijwillig de voorwaarden heeft aanvaard betreffende de wijze waarop deze promesse aan order door de begunstigde zou worden vervolledigd door erop de ontbrekende gegevens aan te brengen, ook al heeft de ondertekening van deze overeenkomst als zodanig niet geleid tot het ontstaan van het aval.

50

Dienaangaande zij benadrukt dat de vraag of de ontbrekende vermeldingen op de promesse aan order zijn aangebracht in strijd met deze overeenkomst, geen kwestie van uitlegging van het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 is, maar eerder inhoudt of de uit de betrokken promesse aan order voortvloeiende plaats van betaling door de partijen geldig is overeengekomen, zodat deze vraag van de verwijzende rechter de uitlegging betreft van het begrip „plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd” in de zin van deze bepaling, dat in punt 52 en volgende van het onderhavige arrest zal worden onderzocht.

51

Derhalve valt de rechtsverhouding tussen de begunstigde en de avalgever van een onvolledig opgestelde en nadien vervolledigde promesse aan order onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001.

52

In de tweede plaats moet de betekenis worden gepreciseerd van het begrip „plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd” in de zin van deze bepaling.

53

De verwijzende rechter vraagt zich dienaangaande met name af of hij ter bepaling van deze plaats uitsluitend de op de promesse aan order vermelde gegevens in aanmerking moet nemen, of ook de gegevens in de overeenkomst betreffende het aanbrengen van de ontbrekende vermeldingen.

54

Het begrip „verbintenis” in artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 verwijst naar de verbintenis die voortvloeit uit de overeenkomst waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van de rechtsvordering (zie naar analogie met name arresten van 6 oktober 1976, De Bloos, 14/76, Jurispr. blz. 1497, punt 13; 15 januari 1987, Shenavai, 266/85, Jurispr. blz. 239, punt 9, en 19 februari 2002, Besix, C-256/00, Jurispr. blz. I-1699, punt 44), en voorts moet de plaats waar deze verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, worden bepaald overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van het aangezochte gerecht op deze verbintenis van toepassing is (zie naar analogie met name arresten van 6 oktober 1976, Industrie Tessili Italiana Como, 12/76, Jurispr. blz. 1473, punt 13, en 28 september 1999, GIE Groupe Concorde e.a., C-440/97, Jurispr. blz. I-6307, punt 32, en reeds aangehaald arrest Besix, punten 33 en 36).

55

Voorts volstaat de overeenkomst over de plaats van uitvoering van een verbintenis, gezien het belang dat de nationale rechtsstelsels op het gebied van overeenkomsten in het algemeen aan de wil van partijen hechten, om het gerecht van deze plaats bevoegd te maken in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001, indien de overeenkomstsluitende partijen volgens het toepasselijke recht en onder de daarin gestelde voorwaarden de plaats van uitvoering van een verbintenis kunnen aanwijzen (zie naar analogie arresten van 17 januari 1980, Zelger, 56/79, Jurispr. blz. 89, punt 5, en 20 februari 1997, MSG, C-106/95, Jurispr. blz. I-911, punt 30, en reeds aangehaald arrest GIE Groupe Concorde e.a., punt 28).

56

Het staat de partijen weliswaar vrij de plaats van uitvoering van de verbintenissen uit overeenkomst overeen te komen, maar zij kunnen, met het enkele doel de bevoegde rechter aan te wijzen, geen plaats van uitvoering overeenkomen die geen enkel reëel verband houdt met de feitelijke contractuele verhouding en waar de uit deze verhouding voortvloeiende verbintenissen volgens de bewoordingen van de overeenkomst niet kunnen worden uitgevoerd (zie in die zin reeds aangehaald arrest MSG, punt 31).

57

In casu moet de verwijzende rechter, gelet op het feit dat de plaats van uitvoering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbintenis uitdrukkelijk is vermeld op de promesse aan order, voor zover deze plaats van uitvoering naar het toepasselijke recht kan worden gekozen, deze plaats in aanmerking nemen ter bepaling van de bevoegde rechter overeenkomstig artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001.

58

Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat op grond van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 kan worden bepaald welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een rechtsvordering waarbij de in een lidstaat gevestigde begunstigde van een promesse aan order de vorderingen krachtens deze promesse, die bij de ondertekening ervan onvolledig was en nadien is vervolledigd door de begunstigde, instelt tegen de in een andere lidstaat woonachtige avalgever.

Kosten

59

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 15, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die met een vennootschap nauwe beroepsmatige banden heeft, zoals een bestuurder of een meerderheidsaandeelhouder, niet kan worden aangemerkt als consument in de zin van deze bepaling wanneer hij een promesse aan order voor aval tekent die is uitgegeven ter verzekering van de nakoming van de voor deze vennootschap uit een kredietovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. Derhalve kan niet op grond van deze bepaling worden uitgemaakt welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een rechtsvordering waarbij de in een lidstaat gevestigde begunstigde van een promesse aan order de vorderingen krachtens deze promesse, die bij de ondertekening ervan onvolledig was en nadien is vervolledigd door de begunstigde, instelt tegen de in een andere lidstaat woonachtige avalgever.

 

2)

Op grond van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 kan worden bepaald welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een rechtsvordering waarbij de in een lidstaat gevestigde begunstigde van een promesse aan order de vorderingen krachtens deze promesse, die bij de ondertekening ervan onvolledig was en nadien is vervolledigd door de begunstigde, instelt tegen de in een andere lidstaat woonachtige avalgever.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Top