EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0398

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 25 april 2013.
Thomas Hogan en anderen tegen Minister for Social and Family Affairs, Ireland en Attorney General.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: High Court - Ierland.
Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever - Richtlijn 2008/94/EG - Werkingssfeer - Voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen - ,Kostenbalans’-regeling met toegezegde uitkeringen - Onvoldoende middelen - Minimumniveau van bescherming - Economische crisis - Evenwichtige economische en sociale ontwikkeling - Verplichtingen van betrokken lidstaat wanneer middelen ontoereikend zijn - Aansprakelijkheid van lidstaat voor onjuiste omzetting.
Zaak C-398/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:272

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

25 april 2013 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Harmonisatie van wetgevingen — Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever — Richtlijn 2008/94/EG — Werkingssfeer — Voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen — ‚Kostenbalans’-regeling met toegezegde uitkeringen — Onvoldoende middelen — Minimumniveau van bescherming — Economische crisis — Evenwichtige economische en sociale ontwikkeling — Verplichtingen van betrokken lidstaat wanneer middelen ontoereikend zijn — Aansprakelijkheid van lidstaat voor onjuiste omzetting”

In zaak C-398/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (Ierland) bij beslissing van 20 juli 2011, ingekomen bij het Hof op 27 juli 2011, in de procedure

Thomas Hogan,

John Burns,

John Dooley,

Alfred Ryan,

Michael Cunningham,

Michael Dooley,

Denis Hayes,

Marion Walsh,

Joan Power,

Walter Walsh

tegen

Minister for Social and Family Affairs,

Ireland,

Attorney General,

wijst HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, E. Juhász (rapporteur), J. Malenovský en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 oktober 2012,

gelet op de opmerkingen van:

T. Hogan e.a., vertegenwoordigd door G. Byrne, solicitor, M. Collins, SC, en C. Donnelly, BL,

de Minister for Social and Family Affairs, Ireland en de Attorney General, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door B. Murray, BL, en E. Carolan, BL,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. Langer als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Rozet en J. Enegren als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1 en 8 van richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 36).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen T. Hogan en andere gewezen werknemers van Waterford Crystal Ltd (hierna: „Waterford Crystal”) enerzijds, en de Minister for Social and Family Affairs, Ireland en de Attorney General anderzijds, betreffende de omzetting van richtlijn 2008/94.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Richtlijn 2008/94 is volgens artikel 1, lid 1, ervan van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers jegens werkgevers die in staat van insolventie verkeren in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

4

Volgens artikel 8 van deze richtlijn vergewissen de lidstaten zich ervan dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van de werknemers en die van de personen die de onderneming of vestiging van de werkgever op de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever reeds hebben verlaten, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen, met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, uit hoofde van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid.

Iers recht

Overheidspensioen

5

Wat het overheidspensioen in Ierland betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de overheid de werknemers- en werkgeversbijdragen onderbrengt in een socialezekerheidsfonds. Hoewel deze bijdragen „Pay Related Social Insurance” (op het loon gebaseerde socialezekerheidsbijdragen) worden genoemd, houdt het uitgekeerde overheidspensioen geen verband met de hoogte van het inkomen van de werknemer tijdens zijn loopbaan.

6

Het basispensioen bedraagt 230,30 EUR per week en wordt uitgekeerd aan eenieder die de pensioenleeftijd heeft bereikt en tijdens zijn loopbaan een bepaald niveau van op het loon gebaseerde socialezekerheidsbijdragen heeft betaald. De werking van de wettelijke pensioenregeling staat los van de rechten die een persoon op grond van een bedrijfspensioenregeling heeft verkregen, ongeacht of het een toegezegd-pensioenregeling, dan wel een beschikbare-premiestelsel betreft.

Voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen met toegezegde uitkeringen

7

Gelet op het feit dat de activa van de meeste voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen met toegezegde uitkeringen in Ierland zijn ondergebracht bij trustees, vermogensbeheerders, die de activa uitsluitend ten behoeve van de begunstigden van de betrokken regeling beheren, zijn deze activa geen eigendom van de werkgever en kunnen zij bij insolventie van de werkgever niet worden aangewend om diens schuldeisers te voldoen.

8

De bij een dergelijke regeling aangesloten werknemers hebben slechts recht op een pensioen als hun regeling over voldoende activa beschikt. De bescherming van deze activa is gewaarborgd doordat zij zijn ondergebracht in een trust, waardoor zij zijn gescheiden van het vermogen van de werkgever.

9

Volgens de nationale regeling worden de aanvullende stelsels van sociale voorzieningen gefinancierd door werkgevers- en werknemersbijdragen. Een vast percentage van het loon van de werknemers wordt afgedragen aan het pensioenfonds, terwijl de werkgevers jaarlijks een bijdrage storten die ervoor moet zorgen dat het aanvullende stelsel van sociale voorzieningen op lange termijn over voldoende activa beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen.

10

De Pensions Act 1990 (pensioenwet), zoals gewijzigd, verplicht de actuaris ertoe om zijn berekeningen ter vaststelling van het bedrag van de werkgeversbijdrage te verrichten aan de hand van een specifieke norm die „Minimum Funding Standard” (minimaal financieringsniveau) wordt genoemd. De aanvullende stelsels van sociale voorzieningen zijn dus „kostenbalans”-regelingen, waarbij de werkgever jaarlijks ter aanvulling van de werknemersbijdragen het bedrag stort dat ervoor moet zorgen dat het actief en het passief op lange termijn in evenwicht zijn.

11

De werkgever kan de aanvullende stelsels van sociale voorzieningen op grond van de statuten van het pensioenfonds te allen tijde vereffenen en, bijgevolg, een einde maken aan zijn bijdrageverplichting. Volgens deze statuten zullen de werknemers bij vereffening van het fonds – als gevolg van de beslissing van de werkgever om een einde te maken aan zijn verplichtingen, wegens insolventie van de werkgever of om een andere reden – een deel van de activa van het fonds ontvangen.

12

In Ierland kan een aanvullend stelsel van sociale voorzieningen met toegezegde uitkeringen rekening houden met het overheidspensioen. Een dergelijke regeling wordt „integrated pension” („aanvullende pensioenregeling”) genoemd.

Omzetting van artikel 8 van richtlijn 2008/94 in Iers recht

13

De verwijzende rechter preciseert dat artikel 7 van de Protection of Employees (Employers’ Insolvency) Act 1984 [wet van 1984 inzake bescherming van werknemers (bij insolventie van de werkgever)], volgens hetwelk iedere bijdrage die de werkgever in de twaalf maanden voorafgaande aan het intreden van de insolventie heeft afgetrokken of verschuldigd was, aan het voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsel van sociale voorzieningen moet worden betaald, de enige nationale maatregel is die uitdrukkelijk is vastgesteld ter uitvoering van artikel 8 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23), thans artikel 8 van richtlijn 2008/94.

Feiten in het hoofdgeding en prejudiciële vragen

14

Verzoekers in het hoofdgeding zijn tien gewezen werknemers van Waterford Crystal, een in Waterford (Ierland) gevestigde onderneming die zich sedert 1947 toespitst op de productie van fijne kristallen producten. De pensionering van acht verzoekers in het hoofdgeding stond gepland tussen 2011 en 2013; die van de twee andere verzoekers vindt plaats in 2019 en 2022.

15

Volgens een van hun arbeidsvoorwaarden dienden deze verzoekers zich aan te sluiten bij een van de aanvullende stelsels van sociale voorzieningen met toegezegde uitkeringen die hun werkgever respectievelijk in 1975 en in 1960 bij akte tot oprichting van een trust had ingesteld, namelijk het Waterford Crystal Limited Contributory Pension Scheme for Factory Employees of het Waterford Crystal Limited Contributory Pension Scheme for Staff.

16

Die regelingen boden de begunstigden die op de reguliere leeftijd met pensioen gingen, de mogelijkheid om een ouderdomsuitkering te ontvangen die gebaseerd is op het „actual final salary” (werkelijke eindloon), waarop het „State pension” (overheidspensioen) in mindering is gebracht. Na aftrek van dit pensioen („final pensionable salary”; op pensioen rechtgevend eindloon) komt de ouderdomsuitkering van de betrokken aanvullende stelsels van sociale voorzieningen overeen met twee derde van het aldus verkregen bedrag.

17

Begin 2009 werd een curator voor Waterford Crystal aangewezen en werd vastgesteld dat deze onderneming in staat van insolventie verkeerde. De door deze vennootschap ingestelde aanvullende stelsels van sociale voorzieningen werden op 31 maart 2009 vereffend. De activa bedroegen in totaal 130 miljoen EUR, terwijl het passief in totaal 240 miljoen EUR beliep, zodat er een tekort was van ongeveer 110 miljoen EUR.

18

Volgens de actuaris van verzoekers in het hoofdgeding zouden zij tussen 18 % en 28 % ontvangen van de bedragen waarop zij recht zouden hebben gehad indien zij de actuele waarde van hun opgebouwde rechten op de ouderdomsuitkering hadden gekregen. De door Ireland aangestelde actuaris, die kritiek had op deze berekening, was van mening dat dit percentage tussen 16 % en 41 % lag en niet in de buurt kwam van de door het Hof in het arrest van 25 januari 2007, Robins e.a. (C-278/05, Jurispr. blz. I-1053), genoemde 49 %.

19

Daarop hebben verzoekers in het hoofdgeding een rechtsvordering ingesteld met het betoog dat Ierland artikel 8 van richtlijn 2008/94 onjuist had uitgevoerd, gelet op het voormelde arrest Robins e.a.

20

Ireland stelt daarentegen dat het zowel vóór als na dat arrest Robins e.a. verschillende belangrijke maatregelen heeft vastgesteld om de belangen van de begunstigden van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen te beschermen.

21

Aangezien de High Court van oordeel is dat de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2008/94 noodzakelijk is om uitspraak te doen, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

„1)

Is richtlijn 2008/94 [...] van toepassing op verzoekers’ situatie, gelet op artikel 1, lid 1, van deze richtlijn en op het feit dat het door verzoekers aangevoerde verlies van de pensioenuitkeringen waarop zij recht hebben, naar Iers recht geen aanspraak jegens hun werkgever doet ontstaan die zij tegenover de curator of in het kader van een procedure tot vereffening van hun werkgever zouden kunnen doen gelden, en die hun in de omstandigheden van dit geding ook niet anderszins een rechtsgrondslag biedt om een vordering tegen hun werkgever in te stellen?

2)

Mag de nationale rechter bij de beoordeling of de Staat de krachtens artikel 8 [van richtlijn 2008/94] op hem rustende verplichtingen is nagekomen, rekening houden met het op bijdragebetaling berustende overheidspensioen dat verzoekers zullen ontvangen (waarvan de verkrijging volledig losstaat van de bedrijfspensioenregeling) en een vergelijking maken tussen (a) het totale bedrag van het overheidspensioen en de waarde van de uitkeringen die verzoekers daadwerkelijk zullen of kunnen ontvangen op grond van de bedrijfspensioenregeling, en (b) het totale bedrag van het op bijdragebetaling berustende overheidspensioen en de waarde van de pensioenrechten die elke verzoeker heeft opgebouwd op het tijdstip van de vereffening van de regeling die zodanig is opgezet dat zij rekening houdt met het overheidspensioen om het bedrag van de door verzoekers gevorderde uitkeringen te bepalen?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dan op grond van de bedragen die verzoekers daadwerkelijk kunnen ontvangen, worden geoordeeld dat de Staat de krachtens [dat] artikel 8 op hem rustende verplichtingen is nagekomen?

4)

Is artikel 8 van richtlijn [2008/94] slechts van toepassing wanneer wordt vastgesteld dat tussen verzoekers’ verlies van hun pensioenrechten en de insolventie van hun werkgever een causaal verband bestaat, afgezien van het feit dat (i) de financiering van de pensioenregeling ontoereikend is op het tijdstip waarop de werkgever in staat van insolventie verkeert en (ii) de insolventie van de werkgever betekent dat hij niet over de middelen beschikt die noodzakelijk zijn om voldoende bij te dragen aan de pensioenregeling om ervoor te zorgen dat de leden hun volledige pensioenuitkeringen ontvangen (de werkgever is hiertoe niet verplicht wanneer de regeling is vereffend)?

5)

Voldoen de door Ierland vastgestelde maatregelen [...] aan de door richtlijn [2008/94] opgelegde verplichtingen, gelet op de sociale, commerciële en economische factoren die Ierland bij de herziening van het pensioenbeschermingssysteem na het arrest Robins e.a.[, reeds aangehaald,] in aanmerking heeft genomen, en in het bijzonder gelet op de in punt 3 van de considerans van [deze] richtlijn aangehaalde ,noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling’?

6)

Is de economische situatie zodanig uitzonderlijk dat zij kan rechtvaardigen dat het niveau van bescherming van verzoekers’ belangen lager is dan in andere omstandigheden zou vereist zijn, en zo ja, hoe hoog moet dit lagere beschermingsniveau dan liggen?

7)

Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, vormt het feit dat de door de Staat na het arrest Robins e.a.[, reeds aangehaald,] vastgestelde maatregelen er niet toe hebben geleid dat verzoekers meer dan 49 % van de waarde van de door hen in het kader van de bedrijfspensioenregeling opgebouwde pensioenrechten ontvangen, dan als zodanig een gekwalificeerde schending van de op de Staat rustende verplichtingen die verzoekers het recht geeft om vergoeding van de door hen geleden schade te vorderen (dit wil zeggen dat zij niet afzonderlijk hoeven aan te tonen dat de handelwijze van de Staat na het arrest Robins e.a.[, reeds aangehaald,] een kennelijke en ernstige miskenning van de krachtens artikel 8 van richtlijn [2008/94] op hem rustende verplichtingen vormt?)”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

22

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op de rechten van gewezen werknemers op ouderdomsuitkeringen uit een door hun werkgever ingesteld aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

23

De verwijzende rechter verwijst in deze vraag naar artikel 1, lid 1, van deze richtlijn en verduidelijkt dat er naar Iers recht in een dergelijke situatie geen rechtsgrondslag bestaat waarop verzoekers in het hoofdgeding een vordering tegen hun werkgever kunnen instellen.

24

Dienaangaande moet worden benadrukt dat, gelet op de verplichting voor verzoekers in het hoofdgeding om zich bij hun aanwerving aan te sluiten bij de door hun werkgever ingestelde bedrijfspensioenregeling, hun rechten op ouderdomsuitkeringen in het kader van die regeling moeten worden geacht voort te vloeien uit de arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen met hun werkgever in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2008/94.

25

Artikel 8 van richtlijn 2008/94 legt de lidstaten een specifieke verplichting op die ten goede komt aan de werknemers. De lidstaten kunnen op verschillende wijzen aan deze verplichting voldoen. Zij kunnen zich bijvoorbeeld ervan vergewissen dat de werkgever in staat is om te voldoen aan de verplichtingen die gepaard gaan met een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen, of dat de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, die losstaat van de werkgever, daartoe in staat is.

26

Vaststaat dat verzoekers in het hoofdgeding gewezen werknemers van een vennootschap zijn, die betogen dat hun belangen met betrekking tot hun verworven rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen in Ierland niet waren beschermd bij insolventie van hun werkgever.

27

Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op de rechten van gewezen werknemers op ouderdomsuitkeringen uit een door hun werkgever ingesteld aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

Tweede vraag

28

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8 van richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat bij de vaststelling of een lidstaat heeft voldaan aan de in dit artikel bedoelde verplichting, rekening mag worden gehouden met de uitkeringen van overheidspensioen.

29

Opgemerkt zij dat artikel 8 van richtlijn 2008/94 tot doel heeft, de bescherming van de belangen van de werknemers met betrekking tot hun rechten op ouderdomsuitkeringen in het kader van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen te waarborgen in geval van insolventie van de werkgever. Uit deze bepaling zelf blijkt dat zij uitsluitend betrekking heeft op voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen doordat zij in verband met deze bescherming preciseert dat het stelsels betreft „welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid”.

30

Gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 8 van richtlijn 2008/94, mag bij de beoordeling of een lidstaat de door dit artikel opgelegde verplichting is nagekomen, geen rekening worden gehouden met de uitkeringen van overheidspensioen.

31

Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het bestaan van een regeling inzake een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen die, bij de berekening van de ouderdomsuitkering uit dit stelsel, de uitkeringen van overheidspensioen aftrekt van het bedrag van het werkelijke eindloon dat de basis van deze berekening vormt („actual final salary”).

32

De omstandigheid dat voor de toepassing van artikel 8 van richtlijn 2008/94 rekening wordt gehouden met de uitkeringen van overheidspensioen, zou namelijk afbreuk doen aan de nuttige werking van de bescherming die dit artikel in het kader van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen verlangt.

33

Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 8 van richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat bij de vaststelling of een lidstaat aan de in dit artikel bedoelde verplichting heeft voldaan, geen rekening mag worden gehouden met de uitkeringen van overheidspensioen.

34

Gelet op het antwoord op de tweede vraag, hoeft de derde vraag niet te worden onderzocht.

Vierde vraag

35

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8 van richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat het reeds van toepassing is wanneer het voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsel van sociale voorzieningen onvoldoende is gefinancierd op het tijdstip waarop de werkgever in staat van insolventie verkeert en de werkgever, wegens zijn insolventie, niet over de middelen beschikt die noodzakelijk zijn om voldoende bij te dragen aan dit stelsel teneinde ervoor te zorgen dat de begunstigden ervan hun volledige pensioenuitkeringen ontvangen, dan wel of deze begunstigden dienen aan te tonen dat andere factoren ten grondslag liggen aan het verlies van hun rechten op ouderdomsuitkeringen.

36

Richtlijn 2008/94 beoogt de werknemers te beschermen bij insolventie van de werkgever. Zij gaat geenszins over de oorzaken van deze insolventie.

37

De oorzaken van de ontoereikende financiering van het voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsel van sociale voorzieningen kunnen uiteenlopend zijn, zoals met name onbetaald gebleven werknemers- of werkgeversbijdragen, de ongunstige evolutie op de kapitaalmarkten, wanbeheer van de activa van het stelsel of onvoldoende strenge prudentiële regels.

38

Artikel 8 van richtlijn 2008/94 maakt evenwel geen onderscheid tussen deze mogelijke oorzaken, maar roept een algemene verplichting tot bescherming van de belangen van de werknemers in het leven en laat het aan de lidstaten over om de methodes waarmee zij deze verplichting vervullen, te bepalen in overeenstemming met het recht van de Unie, met name richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235, blz. 10).

39

Het is voor de toepassing van artikel 8 van richtlijn 2008/94 dus niet vereist, de oorzaken van de insolventie van de werkgever aan te wijzen, en evenmin die welke ten grondslag liggen aan de ontoereikende financiering van het voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsel van sociale voorzieningen.

40

Bijgevolg moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 8 van richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat het reeds van toepassing is wanneer het voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsel van sociale voorzieningen onvoldoende is gefinancierd op het tijdstip waarop de werkgever in staat van insolventie verkeert en de werkgever, wegens zijn insolventie, niet over de middelen beschikt die noodzakelijk zijn om voldoende bij te dragen aan dit stelsel teneinde ervoor te zorgen dat de begunstigden ervan hun volledige pensioenuitkeringen ontvangen. Deze begunstigden hoeven niet aan te tonen dat andere factoren ten grondslag liggen aan het verlies van hun rechten op ouderdomsuitkeringen.

Vijfde en zesde vraag

41

Met zijn vijfde en zijn zesde vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat de maatregelen die door Ierland na het reeds aangehaalde arrest Robins e.a. zijn vastgesteld, voldoen aan de door deze richtlijn opgelegde verplichtingen, gelet op de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling, en of de economische situatie zo uitzonderlijk is dat zij kan rechtvaardigen dat een lager beschermingsniveau geldt voor de belangen van de werknemers met betrekking tot hun rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

42

Het Hof heeft in het voormelde arrest Robins e.a. bij de uitlegging van artikel 8 van richtlijn 80/987, thans artikel 8 van richtlijn 2008/94, erkend dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken voor de bepaling van zowel het mechanisme tot als het niveau van bescherming van de rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen bij insolventie van de werkgever, die een verplichting tot volledige waarborging uitsluit (arrest Robins e.a., reeds aangehaald, punten 36 en 42-45).

43

Het Hof was evenwel van oordeel dat bepalingen van nationaal recht die ertoe kunnen leiden dat de uitkeringen uit een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen zijn gewaarborgd voor minder dan de helft van de rechten waarop een werknemer aanspraak kan maken, niet beantwoorden aan de definitie van de in artikel 8 van richtlijn 80/987 gehanteerde term „beschermen” (arrest Robins e.a., reeds aangehaald, punt 57).

44

Deze beoordeling houdt rekening met de vereisten van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling, aangezien de grillige en moeilijk voorspelbare evolutie van de economische toestand van de lidstaten enerzijds, en de noodzaak, de werknemers een minimumniveau aan bescherming te waarborgen bij insolventie van de werkgever ingevolge, bijvoorbeeld, een verslechtering van de economische omstandigheden anderzijds, in aanmerking worden genomen.

45

In dat verband wordt het antwoord op de vraag of een lidstaat de bij artikel 8 van richtlijn 2008/94 vastgestelde verplichtingen correct is nagekomen, niet bepaald door het specifieke karakter van de door deze lidstaat getroffen maatregelen, maar door het resultaat van de toepassing van deze nationale maatregelen.

46

Voorts lijkt de door de verwijzende rechter aangehaalde maatregel die in punt 13 van dit arrest is vermeld, uit het oogpunt van de percentages in punt 18 van het onderhavige arrest niet te volstaan om het door het reeds aangehaalde arrest Robins e.a. vereiste minimumniveau aan bescherming te waarborgen.

47

Bijgevolg moet op de vijfde en de zesde vraag worden geantwoord dat richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat de maatregelen die door Ierland na het reeds aangehaalde arrest Robins e.a. zijn vastgesteld niet voldoen aan de door deze richtlijn opgelegde verplichtingen, en dat de economische situatie van de betrokken lidstaat niet zo uitzonderlijk is dat zij kan rechtvaardigen dat een lager beschermingsniveau geldt voor de belangen van de werknemers met betrekking tot hun rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

Zevende vraag

48

Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de door Ierland na het reeds aangehaalde arrest Robins e.a. getroffen maatregelen er niet toe hebben geleid dat verzoekers in het hoofdgeding meer dan 49 % ontvangen van de waarde van de door hen opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen, als zodanig een gekwalificeerde schending van de op deze lidstaat rustende verplichtingen vormt.

49

De benadeelde particulieren hebben recht op schadevergoeding door een lidstaat wanneer is voldaan aan drie voorwaarden, te weten dat het geschonden voorschrift van Unierecht ertoe strekt hun rechten toe te kennen, dat het om een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift gaat en dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade (arresten van 24 maart 2009, Danske Slagterier, C-445/06, Jurispr. blz. I-2119, punt 20, en 9 december 2010, Combinatie Spijker Infrabouw-De Jonge Konstruktie e.a., C-568/08, Jurispr. blz. I-12655, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

De zevende vraag heeft betrekking op de tweede van deze voorwaarden.

51

Terstond na de uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Robins e.a., op 25 januari 2007, zijn de lidstaten ervan op de hoogte gesteld dat artikel 8 van richtlijn 2008/94 slechts juist is uitgevoerd wanneer een werknemer, bij insolventie van zijn werkgever, ten minste de helft van de ouderdomsuitkeringen ontvangt die voortvloeien uit zijn opgebouwde pensioenrechten waarvoor hij bijdragen heeft betaald aan een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

52

In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat Ierland de krachtens artikel 8 van richtlijn 2008/94 op de lidstaten rustende verplichting om rechten toe te kennen aan particulieren, niet correct is nagekomen, hoewel de omvang en de aard van deze verplichting uiterlijk op 25 januari 2007 duidelijk en nauwkeurig waren. Dit levert een voldoende gekwalificeerde schending van deze rechtsregel op in het kader van een eventueel onderzoek naar de aansprakelijkheid van deze lidstaat voor de door particulieren geleden schade.

53

Op de zevende vraag moet bijgevolg worden geantwoord dat richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de door Ierland na het reeds aangehaalde arrest Robins e.a. getroffen maatregelen er niet toe hebben geleid dat verzoekers in het hoofdgeding meer dan 49 % ontvangen van de waarde van de door hen opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen, als zodanig een gekwalificeerde schending van de op deze lidstaat rustende verplichtingen oplevert.

Kosten

54

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever moet aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op de rechten van gewezen werknemers op ouderdomsuitkeringen uit een door hun werkgever ingesteld aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

 

2)

Artikel 8 van richtlijn 2008/94 moet aldus worden uitgelegd dat bij de vaststelling of een lidstaat aan de in dit artikel bedoelde verplichting heeft voldaan, geen rekening mag worden gehouden met de uitkeringen van overheidspensioen.

 

3)

Artikel 8 van richtlijn 2008/94 moet aldus worden uitgelegd dat het reeds van toepassing is wanneer het voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsel van sociale voorzieningen onvoldoende is gefinancierd op het tijdstip waarop de werkgever in staat van insolventie verkeert en de werkgever, wegens zijn insolventie, niet over de middelen beschikt die noodzakelijk zijn om voldoende bij te dragen aan dit stelsel teneinde ervoor te zorgen dat de begunstigden ervan hun volledige pensioenuitkeringen ontvangen. Deze begunstigden hoeven niet aan te tonen dat andere factoren ten grondslag liggen aan het verlies van hun rechten op ouderdomsuitkeringen.

 

4)

Richtlijn 2008/94 moet aldus worden uitgelegd dat de door Ierland na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 januari 2007, Robins e.a. (C-278/05), vastgestelde maatregelen niet voldoen aan de door deze richtlijn opgelegde verplichtingen, en dat de economische situatie van de betrokken lidstaat niet zo uitzonderlijk is dat zij kan rechtvaardigen dat een lager beschermingsniveau geldt voor de belangen van de werknemers met betrekking tot hun rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen.

 

5)

Richtlijn 2008/94 moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat de door Ierland na het reeds aangehaalde arrest Robins e.a. getroffen maatregelen er niet toe hebben geleid dat verzoekers in het hoofdgeding meer dan 49 % ontvangen van de waarde van de door hen opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen, als zodanig een gekwalificeerde schending van de op deze lidstaat rustende verplichtingen oplevert.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.

Top