EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0124

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 6 december 2012.
Bundesrepublik Deutschland en Jörg-Detlef Müller tegen Karen Dittrich e.a.
Verzoeken van Bundesverwaltungsgericht om een prejudiciële beslissing.
Gevoegde zaken C-124/11, C-125/11 en C-143/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2012:771

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

6 december 2012 ( *1 )

„Gelijke behandeling in arbeid en beroep — Nationale regeling — Toelage voor ambtenaren in geval van ziekte — Richtlijn 2000/78/EG — Artikel 3 — Werkingssfeer — Begrip ‚beloning’”

In de gevoegde zaken C-124/11, C-125/11 en C-143/11,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) bij beslissingen van 28 oktober 2010, ingekomen bij het Hof op 9 en 24 maart 2011, in de procedures

Bundesrepublik Deutschland

tegen

Karen Dittrich (C-124/11),

Bundesrepublik Deutschland

tegen

Robert Klinke (C-125/11),

en

Jörg-Detlef Müller

tegen

Bundesrepublik Deutschland (C-143/11),

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, waarnemend voor de president van de Derde kamer, E. Juhász, G. Arestis, T. von Danwitz en D. Šváby (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: K. Malaček, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 mei 2012,

gelet op de opmerkingen van:

K. Dittrich, R. Klinke en J.-D. Müller, vertegenwoordigd door D. Siegfried, Rechtsanwalt,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Dohmen als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Enegren en S. Grünheid als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juni 2012,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen federale ambtenaren en de Bundesrepublik Deutschland over de vergoeding van medische kosten van hun levenspartner of over de inaanmerkingneming van die partner voor de in geval van ziekte aan federale ambtenaren toegekende toelage (hierna: „betrokken toelage”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Punt 13 van de considerans van richtlijn 2000/78 luidt als volgt:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op regelingen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming waarvan de voordelen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die aan dat woord wordt gegeven bij de toepassing van artikel 141 van het EG-Verdrag noch op enige vorm van uitkering, door de staat verstrekt ter bevordering van de toegang tot of het behoud van de arbeid.”

4

Artikel 1 van richtlijn 2000/78 bepaalt:

„Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

5

In artikel 2 van richtlijn 2000/78 heet het:

„1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)

‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

[...]”

6

Artikel 3 van richtlijn 2000/78 omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt:

„1.   Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

[...]

c)

werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;

[...]

3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.

[...]”

Duits recht

Wet betreffende het geregistreerd partnerschap

7

§ 1, lid 1, van het Gesetz über die Eingetragene Lebenspartnerschaft (wet betreffende het geregistreerd partnerschap) van 16 februari 2001 (BGBl. I, blz. 266), zoals laatstelijk gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 6 juli 2009 (BGBl. I, blz. 1696; hierna: „LpartG”), bepaalt:

„Twee personen van hetzelfde geslacht vormen een partnerschap door, in persoon en in elkaars bijzijn, voor een ambtenaar van de burgerlijke stand te verklaren dat zij met elkaar een partnerschap voor het leven wensen aan te gaan. De verklaringen kunnen niet worden afgelegd onder een voorwaarde of een tijdsbepaling.”

8

§ 5 van het LPartG, met het opschrift „Plicht om elkaar te onderhouden” preciseert:

„Levenspartners zijn verplicht elkaar op passende wijze te onderhouden [...].”

Nationale voorschriften betreffende de toelage voor federale ambtenaren

9

Het Bundesbeamtengesetz (wet op de federale ambtenaren; hierna: „BBG”) voorziet in het recht van federale ambtenaren op de toekenning van een toelage in geval van ziekte, verpleging en geboorte.

10

§ 80 BBG, in de versie die gold op het tijdstip van de door verzoekers in de hoofdgedingen ingediende verzoeken om een toelage, luidt als volgt:

„(1)   De toelage wordt toegekend aan:

1.

ambtenaren die recht op een beloning hebben of met ouderschapsverlof zijn;

2.

gepensioneerden met recht op een pensioen;

[...]

De toelage wordt tevens toegekend voor de kosten die zijn gemaakt door de echtgenoot van de rechthebbende wanneer deze echtgenoot zelf geen inkomsten heeft waardoor hij economisch onafhankelijk kan zijn, alsmede voor de kosten die zijn gemaakt door de kinderen ten laste met wie rekening kan worden gehouden in het kader van de uit hoofde van het Bundesbesoldungsgesetz (federale wet inzake ambtenarenbezoldiging) betaalde gezinsbijslag. [...]

(2)   In beginsel komen alleen noodzakelijke en economisch redelijke kosten in aanmerking:

1.

in geval van ziekte en verpleging,

[...]

(3)

De toelage wordt toegekend in de vorm van een vergoeding van ten minste 50 % van de voor de toelage in aanmerking komende kosten. [...]

(4)

Het ministerie van Binnenlandse Zaken geeft [...] bij verordening een nadere regeling inzake de toekenning van de toelage [...].”

11

Tot de inwerkingtreding van de Verordnung über Beihilfe in Krankheits-, Pflege- und Geburtsfällen (Bundesbeihilfeverordnung) (federale regeling inzake de toelage voor ambtenaren bij ziekte, verpleging en geboorte) van 13 februari 2009 (BGBl. I, blz. 326; hierna: „BBhV”), waren de voorwaarden voor de toekenning van de toelage in dergelijke gevallen geregeld in de Allgemeine Verwaltungsvorschrift für Beihilfen in Krankheits-, Pflege- und Geburtsfällen (Beihilfenvorschriften) (algemene maatregel van bestuur betreffende de toelage bij ziekte, verpleging en geboorte; hierna: „BhV”).

12

De BhV is nietig verklaard omdat deze inbreuk maakte op een aan de wet voorbehouden gebied, maar blijft toepassing vinden op kosten die zijn ontstaan vóór 14 februari 2009, de datum waarop de BBhV in werking is getreden. Krachtens § 3 BhV omvatten de voor de toelage in aanmerking te nemen gezinsleden van de rechthebbende de echtgenoot en de kinderen ten laste, maar niet de persoon met wie hij een geregistreerd partnerschap is aangegaan.

13

§ 1 BBhV bepaalt:

„De onderhavige verordening regelt de toekenning van de toelage in de bij de wet geregelde gevallen. De toelage vormt een aanvulling op de persoonlijke medische dekking, die in de regel uit de lopende bezoldiging moet worden bekostigd.”

14

§ 2 BBhV is als volgt geformuleerd:

„Rechthebbenden op de toelage

(1)   Voor zover in de leden 2 tot en met 5 niet anders is bepaald, heeft recht op de toelage eenieder die op de datum van de prestatie de hoedanigheid heeft van

1.

ambtenaar,

2.

verkrijger van een ambtenarenpensioen, of

3.

voormalig ambtenaar.

(2)   Voor het recht op de toelage geldt voorts de voorwaarde dat aan de rechthebbende een salaris, een bezoldiging als ambtenaar, een stagevergoeding, een pensioen, een overgangsvergoeding, weduwegeld, weduwnaarsgeld, wezengeld, alimentatie [...] of wachtgeld [...] verschuldigd is. Aan het recht op de toelage wordt niet afgedaan door een onbetaald verlof krachtens de Sonderurlaubsverordnung [regeling inzake bijzonder verlof], mits dit niet langer dan één maand duurt.

[...]”

15

§ 4 BBhV, dat preciseert welke gezinsleden in aanmerking kunnen komen, bepaalt:

„Mits zijn totale inkomsten niet hoger zijn dan [...] 17000 EUR, wordt de echtgenoot van de rechthebbende in aanmerking genomen voor de toelage.

[...]”

16

§ 46 BBhV, met het opschrift „Berekening van de toelage”, luidt:

„(1)   De toelage wordt toegekend in de vorm van de vergoeding van een percentage (berekeningsgrondslag) van de in aanmerking komende kosten van de rechthebbende en van zijn in aanmerking komende gezinsleden. [...]

(2)   Voor zover lid 3 niet anders bepaalt, is de berekeningsgrondslag

1.

50 % voor de rechthebbende,

2.

70 % voor pensioentrekkers, met uitzondering van wezen,

3.

70 % voor de in aanmerking komende echtgenoot, en

4.

80 % voor de in aanmerking komende kinderen en wezen.

(3)

De berekeningsgrondslag voor het recht op de aan de rechthebbende uitgekeerde toelage wordt tot 70 % verhoogd indien hij twee of meer kinderen ten laste heeft. [...]”

17

§ 80, lid 1, derde volzin, BBG is met terugwerkende kracht per 1 januari 2009 gewijzigd bij de wet van 14 november 2011 (BGBl. I, blz. 2219) en omvat onder de gezinsleden die in aanmerking komen voor de betrokken toelage, voortaan de levenspartners. Ook § 4, lid 1, en § 46, lid 2, punt 3, BBhV zijn met terugwerkende kracht per 14 februari 2009 in die zin gewijzigd.

Hoofdgedingen en prejudiciële vraag

18

Verzoekers in de hoofdgedingen in de zaken C-124/11 en C-125/11 zijn federale ambtenaren die, zonder succes, bij de Bundesrepublik Deutschland een verzoek hebben ingediend om een toelage voor de medische kosten die in december 2004 en in november 2005 zijn gemaakt door hun respectieve levenspartners in de zin van het LPartG.

19

Bij uitspraken van respectievelijk 16 juni en 26 mei 2009 heeft het Verwaltungsgericht Berlin de tegen die weigeringen ingestelde beroepen toegewezen, met de overweging dat hoewel het recht op de betrokken toelage niet voortvloeit uit de BhV, omdat daarin de levenspartners niet behoren tot de gezinsleden die uit dien hoofde in aanmerking kunnen worden genomen, dit recht evenwel voortvloeit uit richtlijn 2000/78.

20

Die rechter heeft immers geoordeeld dat de rechtspraak van het Hof (arrest van 1 april 2008, Maruko, C-267/06, Jurispr. blz. I-1757) er geen twijfel over liet bestaan dat de in geval van ziekte aan ambtenaren betaalde toelage als „beloning” in de zin van deze richtlijn kon worden aangemerkt. Hij heeft in dit verband beklemtoond dat de betrokken toelage alleen vanwege de dienstbetrekking werd betaald en niet als prestatie van het algemene wettelijke stelsel van sociale zekerheid of sociale bescherming, zoals met name blijkt uit het onderlinge verband tussen de steun en de voor het ambt passende beloning.

21

Verzoeker in het hoofdgeding in zaak C-143/11 is gepensioneerd federaal ambtenaar en heeft in juli 2006 verzocht om inaanmerkingneming van zijn levenspartner voor de betrokken toelage, hetgeen verweerster in het hoofdgeding heeft geweigerd.

22

Het beroep van verzoeker in het hoofdgeding tot vaststelling dat de levenspartner voor de toelage als een echtgenoot moet worden behandeld, is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zonder succes gebleven. De appelrechter heeft in het bijzonder overwogen dat er geen sprake was van schending van richtlijn 2000/78 omdat verzoeker in het hoofdgeding zich wat de toekenning van de betrokken toelage voor zijn levenspartner betreft, niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een echtgenoot.

23

In de drie hoofdgedingen heeft de in het ongelijk gestelde partij beroep in „Revision” ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht.

24

De verwijzende rechter zet uiteen dat verzoekers, in elk van de hoofdgedingen, krachtens de BhV geen rechten op de betrokken toelage kunnen doen gelden, uitsluitend omdat hun levenspartners, anders dan een echtgenoot, niet behoren tot de voor de toelage in aanmerking komende gezinsleden.

25

De verwijzende rechter preciseert voorts dat ingeval de betrokken toelage binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 zou vallen, verzoekers in de hoofdgedingen recht zouden hebben op de gevorderde toelage. Krachtens die richtlijn is gelijke behandeling van ambtenaren met een levenspartner en ambtenaren met een echtgenoot geboden omdat wat de gevraagde prestatie betreft, te weten de bij ziekte aan ambtenaren betaalde toelage, de situatie van levenspartners en die van gehuwde echtgenoten vergelijkbaar zijn.

26

De verwijzende rechter brengt niettemin twijfel tot uiting over de vraag of de betrokken toelage moet worden gezien als een onderdeel van de beloning in de zin van artikel 157 VWEU, die dan onder richtlijn 2000/78 valt, dan wel als een prestatie van het algemene wettelijke stelsel van sociale zekerheid of van sociale bescherming, of als een daarmee gelijkgestelde prestatie, die van de werkingssfeer van deze richtlijn zou zijn uitgesloten.

27

In dit verband beklemtoont de verwijzende rechter dat de door het Hof geformuleerde criteria voor een pensioenregeling – teneinde uit hoofde van een bedrijfsstelsel uitgekeerde pensioenen te onderscheiden van de door een wettelijk socialezekerheidsstelsel uitgekeerde prestaties – niet volledig zijn vervuld wat de betrokken toelage betreft. Hij meent voorts dat deze criteria niet geschikt zijn in het kader van stelsels van bescherming bij ziekte.

28

Daarop heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaken geschorst en het Hof in elk van de hoofdgedingen verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is richtlijn 2000/78 [...] tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep van toepassing op nationale bepalingen inzake de toekenning van een toelage aan ambtenaren bij ziekte?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

29

Met zijn vraag, die gelijk luidt in elk van de hoofdgedingen, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een in geval van ziekte aan ambtenaren betaalde toelage, zoals die welke aan de ambtenaren van de Bundesrepublik Deutschland wordt toegekend uit hoofde van de wet op de federale ambtenaren, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt.

30

Blijkens artikel 3, lid 1, sub c, en lid 3, van richtlijn 2000/78 is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot, met name, de beloningsvoorwaarden en is zij niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.

31

Zoals het Hof heeft geoordeeld moet de werkingssfeer van richtlijn 2000/78, gelet op artikel 3, lid 1, sub c, en lid 3, gelezen in samenhang met punt 13 van de considerans ervan, aldus worden begrepen dat daaronder niet de stelsels voor sociale zekerheid en voor sociale bescherming vallen waarvan de uitkeringen niet worden gelijkgesteld met een „beloning” in de betekenis die voor de toepassing van artikel 157 VWEU aan deze term wordt gegeven (arrest Maruko, reeds aangehaald, punt 41, en arrest van 10 mei 2011, Römer, C-147/08, Jurispr. blz. I-3591, punt 32).

32

Hieruit volgt dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78 niet in die zin kan worden uitgelegd dat een in geval van ziekte aan een ambtenaar uitgekeerde geldelijke prestatie die een „beloning” in de zin van artikel 157 VWEU zou vormen, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie in die zin arrest Römer, reeds aangehaald, punt 33).

33

Bepaald moet dus worden of een geldelijke prestatie die wordt toegekend uit hoofde van een stelsel van bescherming bij ziekte zoals dat wat is voorzien voor de Duitse federale ambtenaren, kan worden gelijkgesteld met een „beloning” in de zin van artikel 157 VWEU.

34

Overeenkomstig artikel 157, lid 2, VWEU moet onder „beloning” worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

35

Wat in de eerste plaats het materiële bestanddeel van de beloning betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip „beloning” in de zin van artikel 157 VWEU ruim moet worden uitgelegd. Het omvat met name alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden toegekend, ongeacht of dit op basis van een arbeidsovereenkomst, uit hoofde van wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig gebeurt (zie arresten van 4 juni 1992, Bötel, C-360/90, Jurispr. blz. I-3589, punt 12, en 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez, C-167/97, Jurispr. blz. I-623, punt 29).

36

Een geldelijke prestatie, zoals de aan de Duitse federale ambtenaren in geval van ziekte betaalde toelage, krachtens welke 50 % tot 80 % van de in aanmerking komende gezondheidskosten van de ambtenaar of van bepaalde gezinsleden worden vergoed, valt dus materieel gezien onder het begrip „beloning” in de zin van artikel 157 VWEU.

37

In de tweede plaats moet worden onderzocht of de betrokken toelage aan de ambtenaar wordt betaald uit hoofde van zijn dienstbetrekking. Blijkens vaste rechtspraak kan immers voor de beoordeling of een prestatie binnen de werkingssfeer van artikel 157 VWEU valt, enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling dat de prestatie aan de werknemer wordt betaald op grond van zijn arbeidsverhouding, beslissend zijn, temeer daar dit het enige aan de bewoordingen van deze bepaling ontleende criterium is (zie met betrekking tot het ouderdomspensioen arrest Maruko, reeds aangehaald, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

De door het Hof ontwikkelde specifieke criteria voor de beoordeling van de kwalificatie van een ouderdomsprestatie als beloning in de zin van artikel 157 VWEU, in het bijzonder de criteria dat die prestatie rechtstreeks afhankelijk moet zijn van het aantal dienstjaren en dat het bedrag ervan moet zijn berekend op basis van het laatste loon (zie arrest Maruko, reeds aangehaald, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zijn irrelevant met betrekking tot een prestatie zoals aan de orde in de hoofdgedingen, die niet beoogt de belanghebbende een uitgesteld inkomen te verschaffen na de beëindiging van zijn arbeidsverhouding, maar beoogt de gezondheidskosten te dekken die tijdens of na die arbeidsverhouding zijn gemaakt.

39

Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de in punt 37 van het onderhavige arrest genoemde causale component in casu aanwezig. De betrokken toelage wordt immers uitsluitend toegekend aan Duitse federale ambtenaren of voormalig ambtenaren, die een specifieke categorie werknemers vormen (zie in die zin arrest van 13 november 2008, Commissie/Italië, C-46/07, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak), op grond van hun dienstbetrekking met de Staat. Genoemde toelage blijkt aldus onlosmakelijk te zijn verbonden met de status van Duits federaal ambtenaar, en volgens § 2, lid 2, BBhV geldt voor de verkrijging ervan de voorwaarde dat aan de rechthebbende een beloning, of een prestatie in plaats daarvan, wordt betaald. Het verband tussen de betrokken toelage en de dienstbetrekking blijkt tevens uit het feit dat overeenkomstig deze bepaling de ambtenaar die onbetaald verlof heeft, niet in aanmerking kan komen voor die toelage indien het verlof langer dan één maand duurt.

40

In de derde plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 157 VWEU dat een door de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking ontvangen prestatie slechts een „beloning” in de zin van deze bepaling vormt, indien zij door de werkgever zelf wordt betaald.

41

Wat de hoofdgedingen betreft, is de door verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat de betrokken toelage wettelijk is geregeld en dat zij geen aanvulling vormt op een krachtens een algemeen toepasselijke regeling verschuldigde sociale prestatie, niet van dien aard dat daardoor wordt afgedaan aan de kwalificatie als beloning die deel uitmaakt van een door de Staat als werkgever uit hoofde van een dienstbetrekking betaalde prestatie (zie in die zin arresten van 28 september 1994, Beune, C-7/93, Jurispr. blz. I-4471, punten 26-29 en 37; 29 november 2001, Griesmar, C-366/99, Jurispr. blz. I-9383, punt 37, en 12 september 2002, Niemi, C-351/00, Jurispr. blz. I-7007, punten 41 en 42).

42

Blijkens de door verzoekers in de hoofdgedingen en door de Bundesrepublik Deutschland in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof verstrekte informatie wordt genoemde toelage door de betrokken overheidsdienst van de Staat in zijn hoedanigheid van werkgever gefinancierd uit hoofde van personeelskosten en niet door de begroting van de sociale zekerheid. Het staat echter aan de nationale rechter om na te gaan of dit inderdaad het geval is.

43

Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, sub c, en lid 3, van richtlijn 2000/78 in die zin moet worden uitgelegd dat een in geval van ziekte aan ambtenaren betaalde toelage, zoals die welke aan de ambtenaren van de Bundesrepublik Deutschland wordt toegekend uit hoofde van de wet op de federale ambtenaren, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt indien deze toelage wordt gefinancierd door de staat als publiekrechtelijke werkgever, hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat.

Kosten

44

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 3, lid 1, sub c, en lid 3, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, moet in die zin worden uitgelegd dat een in geval van ziekte aan ambtenaren betaalde toelage, zoals die welke aan de ambtenaren van de Bundesrepublik Deutschland wordt toegekend uit hoofde van het Bundesbeamtengesetz (wet op de federale ambtenaren), binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt indien deze toelage wordt gefinancierd door de staat als publiekrechtelijke werkgever, hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top