EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0032

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 14 maart 2013.
Allianz Hungária Biztosító Zrt. e.a. tegen Gazdasági Versenyhivatal.
Verzoek van de Magyar Köztársaság Legfelsőbb Bírósága om een prejudiciële beslissing.
Mededinging – Artikel 101, lid 1, VWEU – Toepassing van soortgelijke nationale regeling – Bevoegdheid van het Hof – Bilaterale overeenkomsten tussen verzekeringsmaatschappij en autoreparatiebedrijven met betrekking tot uurtarieven voor reparaties – Verhoging van tarieven afhankelijk van aantal verzekeringsovereenkomsten dat door bemiddeling van deze als tussenpersoon voor verzekeringsmaatschappij handelende reparatiebedrijven wordt gesloten – Begrip ,overeenkomst die naar de strekking ervan de mededinging beperkt’.
Zaak C‑32/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:160

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 maart 2013 ( *1 )

„Mededinging — Artikel 101, lid 1, VWEU — Toepassing van soortgelijke nationale regeling — Bevoegdheid van het Hof — Bilaterale overeenkomsten tussen verzekeringsmaatschappij en autoreparatiebedrijven met betrekking tot uurtarieven voor reparaties — Verhoging van tarieven afhankelijk van aantal verzekeringsovereenkomsten dat door bemiddeling van deze als tussenpersoon voor verzekeringsmaatschappij handelende reparatiebedrijven wordt gesloten — Begrip ‚overeenkomst met mededingingsbeperkende strekking’”

In zaak C-32/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Magyar Köztársaság Legfelsőbb Bírósága (Hongarije) bij beslissing van 13 oktober 2010, ingekomen bij het Hof op 21 januari 2011, in de procedure

Allianz Hungária Biztosító Zrt.,

Generali-Providencia Biztosító Zrt.,

Gépjármű Márkakereskedők Országos Szövetsége,

Magyar Peugeot Márkakereskedők Biztosítási Alkusz Kft.,

Paragon-Alkusz Zrt., rechtsopvolgster van Magyar Opelkereskedők Bróker Kft.,

tegen

Gazdasági Versenyhivatal,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), A. Borg Barthet, M. Safjan en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 juni 2012,

gelet op de opmerkingen van:

Allianz Hungária Biztosító Zrt., vertegenwoordigd door Z. Hegymegi-Barakonyi en P. Vörös, ügyvédek,

Generali-Providencia Biztosító Zrt., vertegenwoordigd door G. Fejes en L. Scheuer-Szabó, ügyvédek,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehrér, K. Szíjjártó en K. Molnár als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Bottka, L. Malferrari en M. Kellerbauer als gemachtigden,

de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, vertegenwoordigd door X. Lewis en M. Schneider als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 2012,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de ondernemingen Allianz Hungária Biztosító Zrt. (hierna: „Allianz”), Generali-Providencia Biztosító Zrt. (hierna: „Generali”), Magyar Peugeot Márkakereskedők Biztosítási Alkusz Kft. (hierna: „Peugeot Márkakereskedők”) en Paragon-Alkusz Zrt., rechtsopvolgster van Magyar Opelkereskedők Bróker Kft. (hierna: „Opelkereskedők”) en de vereniging Gépjármű Márkakereskedők Országos Szövetsége (hierna: „GÉMOSZ”) enerzijds en de Gazdasági Versenyhivatal (mededingingsautoriteit; hierna: „GVH”) anderzijds over een besluit van de GVH waarbij aan die ondernemingen en aan Porsche Biztosítási Alkusz Kft. (hierna: „Porsche Biztosítási”) geldboeten zijn opgelegd wegens het sluiten van een aantal overeenkomsten met een mededingingsbeperkend doel (hierna: „litigieus besluit”).

Toepasselijke bepalingen

Hongaarse regeling

3

In de considerans van wet nr. LVII van 1996 inzake het verbod op oneerlijke en beperkende handelspraktijken (A tisztességtelen piaci magatartás és a versenykorlátozás tilalmáról szóló 1996. évi LVII. Törvény; hierna: „Tpvt”) wordt als volgt overwogen:

„Het publieke belang bij de handhaving van de mededinging op de markt, die de economische doelmatigheid en sociale ontwikkeling dient, en het belang van consumenten en van bedrijven die eerlijkheid in zaken doen in acht nemen, vereisen dat de overheid middels een wettelijke regeling zorgt voor gezonde en vrije concurrentie. Daartoe dienen mededingingsregels te worden gesteld die met eerlijke concurrentie strijdige of mededingingbeperkende marktpraktijken verbieden en concurrentieverstorende fusies beletten, waarbij aan de nodige organisatorische en procedurele voorwaarden moet worden voldaan. Ter verwezenlijking daarvan stelt het parlement – gelet op de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de regelgevingen van de Europese Gemeenschap en van de Hongaarse rechtstraditie op het gebied van de mededinging – de volgende wet vast [...]”.

4

Artikel 11, leden 1 en 2, Tpvt, „Verbod van mededingingsbeperkende overeenkomsten”, bepaalt:

„1.   Verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen en alle besluiten van ondernemersverenigingen, publiekrechtelijke lichamen, verenigingen en andere soortgelijke organisaties [...] die ertoe strekken of ten gevolge hebben of kunnen hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Tot deze overeenkomsten behoren niet de overeenkomsten gesloten tussen ondernemingen die niet onafhankelijk van elkaar zijn.

2.   Het verbod geldt met name voor:

a)

het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;

b)

het beperken of controleren van de productie, de distributie, de technische ontwikkeling of de investeringen;

c)

het verdelen van de leveringsmarkten, het beperken van de leverancierskeuze en het uitsluiten van bepaalde consumenten van het aankopen van bepaalde producten;

d)

het verdelen van de markten, het uitsluiten van verkoop of het beperken van de keuze van de wijze van verkoop;

[ingetrokken]

f)

het verhinderen van toegang tot de markt;

g)

gevallen waarin er ten aanzien van transacties met dezelfde waarde of kenmerken sprake is van discriminatie tussen de contractpartijen, met name wat betreft prijzen, betalingstermijnen en voorwaarden en methoden van aankoop of verkoop, waardoor voor bepaalde contractpartijen een concurrentienadeel ontstaat;

h)

het sluiten van contracten afhankelijk stellen van het aanvaarden van verplichtingen die naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van die contracten.”

5

Volgens de toelichting bij de Tpvt berustte het voorstel voor artikel 11 op de volgende overwegingen:

„De veranderingen die het meest ingrijpend zijn en die de belangrijkste economische effecten hebben, zullen zich in het kartelrecht voordoen. De voornaamste reden voor de wijzigingen is de harmonisatie van het recht. […] Artikel 85 van het EEG-Verdrag bevat een algemeen kartelverbod en verbiedt zowel horizontale als verticale kartels. […] Op kartelgebied wordt in het voorstel, net als in de wet op de kapitaalmarkten en artikel 85 van het EEG-Verdrag, van het verbodsbeginsel uitgegaan. Dat betekent dat de regeling berust op het beginsel dat kartels algemeen verboden zijn en dat aan dit beginsel uitzonderingen en afwijkingen worden gekoppeld. […] Anders dan de wet op de kapitaalmarkten verbiedt artikel 11, lid 1, van het voorstel niet slechts datgene wat de mededinging beperkt of uitsluit (verhindert), maar ook, overeenkomstig artikel 85 van het EEG-Verdrag, datgene wat de mededinging vervalst. […] Naast het algemene kartelverbod bevat het voorstel – naar analogie van de in de wet op de kapitaalmarkten en artikel 85 van het EEG-Verdrag gevolgde juridische benadering – ook een niet-uitputtende lijst van voorbeelden van typische mededingingsbeperkende overeenkomsten. De gegeven opsomming is ruimer dan die in de wet op de kapitaalmarkten en is vergelijkbaar met de in artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag opgenomen lijst van soorten mededingingsregelingen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6

De Hongaarse verzekeringsmaatschappijen, en in het bijzonder Allianz en Generali, komen met de reparatiebedrijven eenmaal per jaar voorwaarden en tarieven overeen voor de door de verzekeringsmaatschappijen te betalen reparaties in geval van schade aan verzekerde voertuigen. Deze bedrijven kunnen de reparaties daardoor direct uitvoeren volgens de met de verzekeringsmaatschappij overeengekomen voorwaarden en tarieven.

7

Sinds eind 2002 onderhandelt GÉMOSZ, de nationale vereniging van merkdealers, in opdracht van en namens een groot aantal autodealers die tevens een reparatiebedrijf hebben, jaarlijks met de verzekeringsmaatschappijen over raamovereenkomsten met betrekking tot uurtarieven voor de reparatie van autoschade.

8

Deze dealers staan in een duale verhouding tot de verzekeringsmaatschappijen. Enerzijds repareren zij in geval van schade de verzekerde auto’s voor rekening van de verzekeringsmaatschappijen en anderzijds fungeren zij als tussenpersoon voor die verzekeringsmaatschappijen door in opdracht van hun eigen verzekeringsagenten of daarmee verbonden agenten klanten bij de verkoop of reparatie van een voertuig een autoverzekering aan te bieden.

9

In 2004 en 2005 sloten GÉMOSZ en Allianz raamovereenkomsten. Allianz sloot vervolgens op grond daarvan individuele overeenkomsten met de betrokken dealers. Daarin was bepaald dat de dealers voor de reparatie van autoschade een hoger tarief kregen indien de autoverzekeringen van Allianz een bepaald percentage van de door hen verkochte verzekeringen uitmaakten.

10

Tijdens die periode sloot Generali geen raamovereenkomsten met GÉMOSZ, maar wel individuele overeenkomsten met die dealers. Daarin was weliswaar geen sprake van schriftelijke bedingen over hogere tarieven zoals in de overeenkomsten van Allianz, maar de GVH heeft geconstateerd dat Generali in de praktijk vergelijkbare bonussen hanteerde.

11

Middels het litigieuze besluit heeft de GVH vastgesteld dat de genoemde overeenkomsten en andere door de vijf verzoeksters in het hoofdgeding en Porsche Biztosítási gesloten overeenkomsten in strijd waren met artikel 11 Tpvt. Deze overeenkomsten kunnen worden ingedeeld als volgt:

horizontale overeenkomsten in de vorm van drie door GÉMOSZ in de periode van 2003 tot 2005 genomen beslissingen, waarin de voor merkdealers bestemde en ten aanzien van de verzekeringsmaatschappijen te hanteren „adviesprijzen” voor autoreparaties werden vastgesteld;

de in 2004 en 2005 tussen GÉMOSZ en Allianz gesloten raamovereenkomsten en de in diezelfde periode gesloten individuele overeenkomsten tussen een aantal merkdealers en respectievelijk Allianz en Generali, waarin de hoogte van het uurtarief voor reparaties afhankelijk wordt gesteld van het bereikte resultaat met betrekking tot het afsluiten van verzekeringsovereenkomsten;

verschillende overeenkomsten gesloten in de periode 2000 tot 2005 respectievelijk tussen Allianz en Generali enerzijds en Peugeot Márkakereskedők, Opelkereskedők en Porsche Biztosítási als bemiddelaars inzake verzekeringen anderzijds, welke overeenkomsten erop zijn gericht het gedrag van Peugeot Márkakereskedők, Opelkereskedők en Porsche Biztosítási te beïnvloeden, met name door middel van een door de bemiddelaar in een bepaalde periode te behalen minimumaantal of -percentage autoverzekeringen en een vergoeding naar evenredigheid van het aantal voor de verzekeringsmaatschappij behaalde contracten.

12

De GVH was van mening dat dit samenstel van overeenkomsten, tezamen en afzonderlijk beschouwd, ertoe strekte de mededinging te beperken op de markt voor autoverzekeringen en op de markt voor autoreparaties. Volgens de GVH hadden deze overeenkomsten geen gevolgen voor de intracommunautaire handel, zodat artikel 101 VWEU daarop niet van toepassing was en hun onrechtmatigheid dus enkel uit het nationale mededingingsrecht volgde. Vanwege die onrechtmatigheid verbood zij de voortzetting van de betrokken praktijken en legde zij geldboeten op ter hoogte van 5319000000 HUF aan Allianz, 1046000000 HUF aan Generali, 360000000 HUF aan GÉMOSZ, 13600000 HUF aan Peugeot Márkakereskedők en 45000000 HUF aan Opelkereskedők.

13

Naar aanleiding van het door verzoeksters in het hoofdgeding ingestelde beroep tot nietigverklaring wijzigde de Fővárosi Bíróság (rechtbank te Boedapest) het litigieuze besluit gedeeltelijk, maar in hoger beroep werd het besluit bevestigd bij beslissing van de Fővárosi Ítélőtábla (hof van beroep te Boedapest).

14

Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Legfelsőbb Bíróság (hof van cassatie), daartoe met name stellende dat de betrokken overeenkomsten niet ertoe strekten de mededinging te beperken.

15

De Legfelsőbb Bíróság merkt ten eerste op dat de formulering van artikel 11, lid 1, Tpvt nagenoeg gelijkluidend is aan die van artikel 101, lid 1, VWEU en dat de met betrekking tot de betrokken overeenkomsten uiteindelijk gegeven uitlegging van artikel 11 Tpvt in de toekomst ook gevolgen zal hebben voor de uitlegging van artikel 101 VWEU in die lidstaat. Deze rechterlijke instantie wijst verder op het evidente belang van een uniforme uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen en begrippen. De Legfelsőbb Bíróság stel ten tweede vast dat het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of overeenkomsten als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, kunnen worden aangemerkt als „overeenkomsten die naar hun aard ertoe strekken de mededinging te beperken”.

16

Daarop heeft de Legfelsőbb Bíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Kunnen bilaterale overeenkomsten tussen een verzekeringsonderneming en bepaalde autoreparatiebedrijven of tussen een verzekeringsonderneming en een vereniging van autoreparatiebedrijven, krachtens welke het door de verzekeringsonderneming aan de reparateur betaalde uurtarief voor reparaties aan bij haar verzekerde voertuigen onder meer afhankelijk is van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de verzekeringsonderneming door bemiddeling van de als haar bemiddelaar inzake verzekeringen handelende reparateur afsluit, worden beschouwd als overeenkomsten die ertoe strekken dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en derhalve als in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?”

Bevoegdheid van het Hof

17

Volgens Allianz, Generali, de Hongaarse regering en de Europese Commissie is het Hof bevoegd om de prejudiciële vraag te beantwoorden hoewel artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing is op het hoofdgeding omdat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten geen gevolgen voor de intracommunautaire handel hebben.

18

De Commissie stelt, daarin ter terechtzitting ondersteund door Generali en de Hongaarse regering, dat er een bijzonder verband bestaat tussen artikel 101 VWEU en artikel 11 Tpvt, hetgeen niet alleen blijkt uit het gebruik van dezelfde begrippen, maar ook uit het systeem van gedecentraliseerde handhaving van het mededingingsrecht dat is ingevoerd bij verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1). Uit de verwijzingsbeslissing volgt bovendien dat de Legfelsőbb Bíróság de richtsnoeren van het Hof in acht zal nemen en daarvan gebruik zal maken bij zowel zuiver interne situaties als situaties waarin artikel 101 VWEU ook van toepassing is. Allianz betoogt met name dat de Unie er belang bij heeft dat een uit het Unierecht overgenomen bepaling, zoals artikel 11 Tpvt, op uniforme wijze wordt uitgelegd.

19

Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en van de handelingen van de instellingen van de Unie. In het kader van de in dit artikel neergelegde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties staat het uitsluitend aan de nationale rechter om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de door de nationale rechterlijke instanties voorgelegde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arrest van 21 december 2011, Cicala, C-482/10, Jurispr. blz. I-14139, punten 15 en 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20

Overeenkomstig die rechtspraak heeft het Hof zich herhaaldelijk bevoegd verklaard om uitspraak te doen over verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende Unierechtelijke bepalingen in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de directe werkingssfeer van het Unierecht vielen, maar waarin deze bepalingen toepasselijk waren gemaakt door de nationale wettelijke regeling, die zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeerde aan de in het Unierecht gekozen oplossingen. In dergelijke gevallen heeft de Unie er immers stellig belang bij dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst de overgenomen bepalingen of begrippen van Unierecht op uniforme wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (zie in die zin met name arresten van 18 oktober 1990, Dzodzi, C-297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763, punt 37; 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, punten 27 en 32; 11 januari 2001, Kofisa Italia, C-1/99, Jurispr. blz. I-207, punt 32; 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio, C-217/05, Jurispr. blz. I-11987, punt 19; 11 december 2007, ETI e.a., C-280/06, Jurispr. blz. I-10893, punt 21; 20 mei 2010, Modehuis A. Zwijnenburg, C-352/08, Jurispr. blz. I-4303, punt 33, en 18 oktober 2012, Pelati, C-603/10, punt 18).

21

Wat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, moet erop worden gewezen dat artikel 11, leden 1 en 2, Tpvt een getrouwe weergave is van de wezenlijke inhoud van artikel 101, lid 1, VWEU. Bovendien blijkt uit de considerans van en de toelichting bij de Tpvt duidelijk dat de Hongaarse wetgever het nationale mededingingsrecht wilde harmoniseren met dat van de Unie en in het bijzonder dat artikel 11, lid 1, tot doel heeft om „overeenkomstig artikel 85 van het EEG-Verdrag”, thans artikel 101 VWEU, „datgene wat de mededinging vervalst” te verbieden. Bijgevolg staat vast dat die wetgever heeft beslist dat interne situaties en door het Unierecht beheerste situaties op dezelfde wijze worden behandeld.

22

Verder volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de Legfelsőbb Bíróság van oordeel is dat aan de begrippen in artikel 11, lid 1, Tpvt daadwerkelijk dezelfde uitlegging dient te worden gegeven als aan de overeenkomstige begrippen in artikel 101, lid 1, VWEU en dat hij in dit verband is gebonden aan de door het Hof gegeven uitlegging daarvan.

23

Vastgesteld moet dus worden dat het Hof bevoegd is om de gestelde vraag over artikel 101, lid 1, VWEU te beantwoorden, ook al wordt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie niet direct door deze bepaling beheerst.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

24

De Hongaarse regering betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op de grond dat de door de verwijzende rechter uiteengezette feiten niet alle noodzakelijke gegevens bevatten om het Hof in staat te stellen op zinvolle wijze de gestelde vraag te beantwoorden. Deze regering voert in het bijzonder aan dat ter beoordeling of de in de prejudiciële vraag genoemde bilaterale overeenkomsten al dan niet een mededingingsbeperkende strekking hadden, niet alleen rekening dient te worden gehouden met die overeenkomsten, maar met het gehele samenstel van overeenkomsten en het feit dat de overeenkomsten elkaar wederzijds versterken.

25

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA wijst er, zonder te stellen dat het verzoek niet-ontvankelijk is, eveneens op dat de verwijzende rechter niet de economische en juridische context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten uiteenzet, zodat het moeilijk is om hem een zinvol antwoord te geven.

26

Volgens vaste rechtspraak kan het Hof een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C-379/98, Jurispr. blz. I-2099, punt 39; 5 december 2006, Cipolla e.a., C-94/04 en C-202/04, Jurispr. blz. I-11421, punt 25, en 15 november 2012, Bericap Záródástechnikai, C-180/11, punt 58).

27

Wat meer bepaald de gegevens betreft die in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof moeten worden verstrekt, deze gegevens dienen niet enkel om het Hof in staat te stellen een zinvol antwoord te geven aan de verwijzende rechter, maar moeten daarnaast de regeringen van de lidstaten en andere belanghebbenden de mogelijkheid bieden overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van de Europese Unie opmerkingen te maken. Daartoe dient de nationale rechter een omschrijving te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteen te zetten waarop deze vragen zijn gebaseerd (zie arrest van 16 februari 2012, Varzim Sol, C-25/11, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

In de verwijzingsbeslissing wordt het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding voldoende omschreven, en de reikwijdte van de gestelde vraag kan worden afgeleid uit de gegevens die de verwijzende rechter heeft verstrekt. Bijgevolg heeft deze verwijzingsbeslissing de belanghebbenden daadwerkelijk de mogelijkheid geboden om overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken, zoals overigens ook blijkt uit de inhoud van de bij het Hof ingediende opmerkingen.

29

Aan de hand van de gegevens in de verwijzingsbeslissing kan het Hof bovendien een zinvol antwoord geven aan de Legfelsőbb Bíróság. In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de rol van het Hof beperkt is tot het uitleggen van de Unierechtelijke bepalingen waarover hem een vraag wordt gesteld, in casu artikel 101, lid 1, VWEU. Bijgevolg is het niet aan het Hof, maar aan de Legfelsőbb Bíróság om die uitlegging op het onderhavige geval toe te passen en dus om definitief te beoordelen of de betrokken overeenkomsten ertoe strekken de mededinging te beperken, gelet op alle relevante gegevens van de situatie in het hoofdgeding en haar economische en juridische context. Dus ook al zouden die gegevens en context in de verwijzingsbeslissing niet voldoende gedetailleerd zijn om dat te kunnen beoordelen, dan nog zou deze leemte er geen afbreuk aan doen dat het Hof de hem bij artikel 267 VWEU toebedeelde taak vervult.

30

Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dan ook ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

31

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat overeenkomsten waarbij autoverzekeraars bilaterale afspraken maken met autodealers die een reparatiebedrijf hebben, of met een vereniging die deze autodealers vertegenwoordigt, over het door de verzekeringsmaatschappij te betalen uurtarief voor reparaties aan bij haar verzekerde voertuigen en dat tarief onder meer afhankelijk maken van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de dealer als tussenpersoon voor die verzekeringsmaatschappij heeft afgesloten, kunnen worden aangemerkt als „naar hun strekking” mededingingsbeperkend in de zin van die bepaling.

32

Volgens Allianz en Generali zijn dergelijke overeenkomsten niet „naar hun strekking” beperkend, zodat zij slechts kunnen worden aangemerkt als overeenkomsten die in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU voor zover wordt aangetoond dat zij daadwerkelijk mededingingsbeperkende effecten kunnen hebben. De Hongaarse regering en de Commissie daarentegen geven in overweging de prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden. De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is van mening dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de mate waarin de overeenkomsten de mededinging verstoren, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

33

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat een overeenkomst slechts onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU kan vallen wanneer zij „ertoe [strekt] of tot gevolg [heeft] dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst”. Volgens vaste rechtspraak sinds het arrest van 30 juni 1966, LTM (56/65, Jurispr. blz. 392), volgt uit het alternatieve karakter van deze voorwaarde, dat blijkt uit het voegwoord „of”, in de eerste plaats dat moet worden gelet op de strekking van de overeenkomst, rekening houdend met de economische context waarin zij moet worden toegepast.

34

Wanneer de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, behoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging niet te worden onderzocht. Wanneer echter uit de inhoud van de overeenkomst niet blijkt dat de mededinging in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (zie arresten van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C-8/08, Jurispr. blz. I-4529, punten 28 en 30; 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C-501/06 P, C-513/06 P, C-515/06 P en C-519/06 P, Jurispr. blz. I-9291, punt 55; 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C-403/08 en C-429/08, Jurispr. blz. I-9083, punt 135, en 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, C-439/09, Jurispr. blz. I-9419, punt 34).

35

Het onderscheid tussen „inbreuken naar strekking” en „inbreuken naar gevolg” houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C-209/07, Jurispr. blz. I-8637, punt 17; arrest T-Mobile Netherlands e.a., reeds aangehaald, punt 29, en arrest van 13 december 2012, Expedia, C-226/11, punt 36).

36

Bij de beoordeling of een overeenkomst „naar haar strekking” mededingingsbeperkend is, moet worden gelet op de bewoordingen en doelen ervan, alsmede op de economische en juridische context (zie reeds aangehaalde arresten GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., punt 58; Football Association Premier League e.a., punt 136, en Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, punt 35). Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie arrest Expedia, reeds aangehaald, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

Voorts is de bedoeling van de partijen weliswaar geen noodzakelijke factor om te bepalen of een overeenkomst beperkend is, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om daar rekening mee te houden (zie in die zin arrest GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., reeds aangehaald, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Het Hof heeft bovendien reeds vastgesteld dat van een mededingingsbeperkende strekking reeds sprake is wanneer de overeenkomst negatieve gevolgen voor de mededinging kan hebben, dus wanneer zij concreet de mededinging binnen de interne markt kan verhinderen, beperken of vervalsen. De vraag of en in welke mate een dergelijk gevolg daadwerkelijk intreedt, kan slechts relevant zijn voor de berekening van de hoogte van de geldboeten en voor de bepaling van de rechten op schadevergoeding (zie arrest T-Mobile Netherlands e.a., reeds aangehaald, punt 31).

39

Wat de in de prejudiciële vraag genoemde overeenkomsten betreft, moet worden vastgesteld dat zij betrekking hebben op het uurtarief dat autodealers met een reparatiebedrijf van de verzekeringsmaatschappij krijgen voor reparaties aan voertuigen in geval van schade. Volgens deze overeenkomsten wordt dat tarief verhoogd afhankelijk van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de dealer voor die verzekeringsmaatschappij heeft afgesloten.

40

Dergelijke overeenkomsten koppelen de vergoeding voor de reparatie van beschadigde voertuigen dus aan die voor de bemiddeling inzake autoverzekeringen. Die koppeling van twee verschillende diensten is mogelijk door de bijzonderheid dat de dealers tegenover de verzekeraars een dubbele rol hebben, namelijk enerzijds als tussenpersoon of bemiddelaar die zijn klanten bij de verkoop of reparatie van een voertuig een autoverzekering aanbiedt, en anderzijds als bedrijf dat beschadigde voertuigen repareert voor rekening van de verzekeraar.

41

Weliswaar houdt de omstandigheid dat twee in beginsel van elkaar losstaande activiteiten worden gekoppeld, niet automatisch in dat de betrokken overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken, maar dit kan wel een belangrijke factor zijn om te bepalen of deze overeenkomst naar haar aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, hetgeen met name het geval is wanneer die werking vereist dat die activiteiten los van elkaar staan.

42

Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat een dergelijke overeenkomst niet één, maar twee markten ongunstig kan beïnvloeden, in casu de autoverzekeringsmarkt en de autoreparatiemarkt, en dat haar strekking dus dient te worden beoordeeld ten aanzien van beide betrokken markten.

43

In dit verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat, anders dan Allianz en Generali lijken aan te nemen, de omstandigheid dat het in beide gevallen om verticale relaties gaat, geenszins uitsluit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst „naar haar strekking” mededingingsbeperkend is. Ofschoon verticale overeenkomsten naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale overeenkomsten, kunnen zij niettemin onder bepaalde omstandigheden immers ook een zeer groot mededingingsbeperkend potentieel hebben. Het Hof heeft dan ook reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een verticale overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking had (zie arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450; 1 februari 1978, Miller International Schallplatten/Commissie, 19/77, Jurispr. blz. 131, en 3 juli 1985, Binon, 243/83, Jurispr. blz. 2015, en arrest Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, reeds aangehaald).

44

Voorts moet bij de beoordeling van de strekking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten voor de autoverzekeringsmarkt worden vastgesteld dat verzekeringsmaatschappijen zoals Allianz en Generali met dergelijke overeenkomsten ernaar streven hun marktaandeel te behouden of uit te breiden.

45

Vaststaat dat indien tussen die twee verzekeringsmaatschappijen sprake zou zijn van een horizontale overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging bedoeld om de markt te verdelen, die overeenkomst of gedraging zou moeten worden aangemerkt als naar haar strekking beperkend en tevens zou leiden tot de onrechtmatigheid van de verticale afspraken die zijn gemaakt ter uitvoering van die overeenkomst of gedraging. Allianz en Generali betwisten evenwel dat tussen hen afspraken zijn gemaakt of onderlinge afstemming heeft plaatsgevonden en stellen dat volgens het litigieuze besluit niet is gebleken van een dergelijke overeenkomst of gedraging. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit juist is en, voor zover het nationale recht dat toelaat, om te beoordelen of er voldoende bewijs is om het bestaan van een overeenkomst of onderlinge afstemming tussen Allianz en Generali vast te stellen.

46

Ook al zou er tussen die verzekeringsmaatschappijen geen overeenkomst of onderlinge afstemming zijn, dan dient toch nog te worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verticale overeenkomsten, gelet op hun economische en juridische context, de mededinging op de autoverzekeringsmarkt in voldoende mate verstoren om te kunnen spreken van overeenkomsten die naar hun strekking mededingingsbeperkend zijn.

47

Dat zou met name het geval kunnen zijn indien, zoals de Hongaarse regering stelt, de rol die het nationale recht toebedeelt aan als tussenpersoon of bemiddelaar inzake verzekeringen handelende dealers, vereist dat zij onafhankelijk zijn van de verzekeringsmaatschappijen. Deze regering merkt in dit verband op dat die dealers niet namens een verzekeraar, maar namens de verzekeringnemer handelen en hem uit het aanbod van verschillende verzekeringsmaatschappijen de verzekering die het beste bij hem past, moeten aanbieden. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of, in die omstandigheden en gelet op de verwachtingen van die verzekeringnemers, de goede werking van de autoverzekeringsmarkt aanzienlijk kan worden verstoord door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten.

48

Bovendien zouden die overeenkomsten ook naar hun strekking mededingingsbeperkend zijn indien de verwijzende rechter zou vaststellen dat het, gelet op de economische context, waarschijnlijk is dat de mededinging op die markt als gevolg van het sluiten van die overeenkomsten zou worden uitgeschakeld of ernstig zou worden verzwakt. Ter beoordeling van het risico van een dergelijke uitkomst dient de verwijzende rechter met name de structuur van die markt, de beschikbaarheid van alternatieve distributiekanalen en hun relatieve belang, alsmede de marktmacht van de betrokken verzekeringsmaatschappijen in aanmerking te nemen.

49

Ten slotte moet bij de beoordeling van de strekking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten voor de autoreparatiemarkt rekening worden gehouden met het feit dat deze overeenkomsten blijkbaar zijn gesloten op basis van „adviesprijzen” die waren vastgesteld in drie door GÉMOSZ in de periode van 2003 tot 2005 genomen beslissingen. Tegen deze achtergrond staat het aan de verwijzende rechter om de aard en precieze reikwijdte van die beslissingen te bepalen (zie in die zin arrest van 2 april 2009, Pedro IV Servicios, C-260/07, Jurispr. blz. I-2437, punten 78 en 79).

50

Mocht de verwijzende rechter vaststellen dat de door GÉMOSZ in die periode genomen beslissingen door het gelijktrekken van de uurtarieven voor reparaties aan voertuigen daadwerkelijk ertoe strekten de mededinging te beperken en dat de verzekeringsmaatschappijen die besluiten door de litigieuze overeenkomsten bewust hebben bekrachtigd, hetgeen aannemelijk is wanneer de verzekeringsmaatschappij rechtstreeks met GÉMOSZ een overeenkomst heeft gesloten, dan zou de onrechtmatigheid van die besluiten ook op die overeenkomsten slaan, zodat ook de overeenkomsten zouden moeten worden aangemerkt als naar hun strekking mededingingsbeperkend.

51

Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat overeenkomsten waarbij autoverzekeraars bilaterale afspraken maken met autodealers die een reparatiebedrijf hebben, of met een vereniging die deze autodealers vertegenwoordigt, over het door de verzekeringsmaatschappij te betalen uurtarief voor reparaties aan bij haar verzekerde voertuigen en dat tarief onder meer afhankelijk maken van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de dealer als tussenpersoon voor die verzekeringsmaatschappij heeft afgesloten, kunnen worden aangemerkt als „naar hun strekking” mededingingsbeperkend in de zin van deze bepaling wanneer na een individueel en concreet onderzoek van de inhoud en het doel van deze overeenkomsten en hun economische en juridische context blijkt dat zij naar hun aard schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging op een van de twee betrokken markten.

Kosten

52

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat overeenkomsten waarbij autoverzekeraars bilaterale afspraken maken met autodealers die een reparatiebedrijf hebben, of met een vereniging die deze autodealers vertegenwoordigt, over het door de verzekeringsmaatschappij te betalen uurtarief voor reparaties aan bij haar verzekerde voertuigen en dat tarief onder meer afhankelijk maken van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de dealer als tussenpersoon voor die verzekeringsmaatschappij heeft afgesloten, kunnen worden aangemerkt als „naar hun strekking” mededingingsbeperkend in de zin van deze bepaling wanneer na een individueel en concreet onderzoek van de inhoud en het doel van deze overeenkomsten en hun economische en juridische context blijkt dat zij naar hun aard schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging op een van de twee betrokken markten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Top