EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62010TO0468

Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 april 2011.
Joseph Doherty tegen Europese Commissie.
Beroep tot nietigverklaring - Beroepstermijn - Tardiviteit - Geen overmacht - Geen verschoonbare dwaling - Kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-468/10.

European Court Reports 2011 II-01497

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2011:133

Zaak T‑468/10

Joseph Doherty

tegen

Europese Commissie

„Beroep tot nietigverklaring – Beroepstermijn – Tardiviteit – Geen overmacht – Geen verschoonbare dwaling – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Samenvatting van de beschikking

1.      Beroep tot nietigverklaring – Termijnen – Regels van openbare orde – Ambtshalve onderzoek door rechter van Unie – Begrip

(Art. 263, zesde alinea, VWEU; reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 102, lid 2)

2.      Procedure – Beroepstermijnen – Berekening – Inaanmerkingneming van datum en tijdstip van neerlegging ter griffie

(Protocol nr. 6 betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde instanties, organen, organisaties en diensten van de Europese Unie, gehecht aan het VEU, VWEU en het EGA-Verdrag, enig artikel; reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 43, lid 3, en 101, leden 1, alinea’s a en b, en 2)

3.      Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Toeval of overmacht – Begrip

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 45, tweede alinea)

4.      Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Verschoonbare dwaling – Begrip – Strekking

1.      Volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU moet een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de bestreden handeling, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. Die beroepstermijn is van openbare orde, aangezien deze is ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden, en het staat aan de rechter van de Unie om ambtshalve na te gaan of deze is nageleefd.

(cf. punten 10, 12)

2.      De tijd die voor de neerlegging van een verzoekschrift bij het Gerecht in aanmerking moet worden genomen, is de tijd die ter griffie van het Gerecht wordt geregistreerd. Aangezien volgens artikel 43, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor de procestermijnen alleen rekening wordt gehouden met de datum van de neerlegging ter griffie, moet worden geoordeeld dat voor de berekening van de termijnen alleen het tijdstip van de neerlegging ter griffie in aanmerking moet worden genomen. Daar het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn zetel te Luxemburg heeft, moet voor de neerlegging van een verzoekschrift ter griffie rekening worden gehouden met de Luxemburgse tijd.

(cf. punt 16)

3.      Van de regelingen inzake de beroepstermijnen kan slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie worden afgeweken, aangezien een strikte toepassing van deze regels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden.

De begrippen overmacht en toeval bevatten een objectief element, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de marktdeelnemer betreffen, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen, door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de marktdeelnemer het verloop van de ingeleide procedure nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen.

(cf. punten 18‑19)

4.      Een verschoonbare dwaling kan in buitengewone omstandigheden tot gevolg hebben dat de verzoeker geen termijnverzuim wordt aangerekend. Het begrip verschoonbare dwaling moet eng worden uitgelegd en kan slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kan veroorzaken.

Dit is niet het geval, zelfs al wordt aangenomen dat de griffie telefonisch informatie heeft gegeven over de modaliteiten van de neerlegging van verzoekschriften, aangezien enerzijds verzoeker zich dient te houden aan de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering betreffende de modaliteiten voor de neerlegging van verzoekschriften en de geldende termijnen, welke uitlegging geen bijzondere problemen oplevert en, anderzijds, de ambtenaren van de griffie niet bevoegd zijn om zich uit te spreken over de berekening van de termijn voor de instelling van een beroep. Problemen verband houdende met het functioneren en de organisatie van de diensten van verzoekers vertegenwoordiger kunnen evenmin een excuus opleveren voor de te late indiening van het verzoekschrift.

(cf. punten 27‑30)







BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

1 april 2011 (*)

„Beroep tot nietigverklaring – Beroepstermijn – Tardiviteit – Geen overmacht – Geen verschoonbare dwaling – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑468/10,

Joseph Doherty, wonende te Burtonport (Ierland), vertegenwoordigd door A. Collins, SC, N. Travers, barrister, en D. Barry, solicitor,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie,

verweerster,

betreffende een verzoek om nietigverklaring van beschikking C(2010) 4763 van de Commissie van 13 juli 2010 tot afwijzing van een aanvraag om capaciteitsverhoging om veiligheidsredenen betreffende een nieuw vissersvaartuig, de MFV Aine,

geeft

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, kamerpresident, V. Vadapalas en K. O’Higgins (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

 Feiten en procesverloop

1        Op 16 juli 2010 ontving verzoeker, J. Doherty, kennisgeving van de aan Ierland gerichte beschikking C(2010) 4763 van de Commissie van 13 juli 2010 tot afwijzing van een aanvraag om capaciteitsverhoging om veiligheidsredenen betreffende een nieuw vaartuig, de MFV Aine (hierna: „bestreden beschikking”). Deze beschikking vervangt die welke is opgenomen in artikel 2 van en in bijlage II bij beschikking 2003/245/EG van de Commissie van 4 april 2003 inzake de door de Commissie ontvangen aanvragen tot verhoging van MOP IV-doelstellingen in verband met maatregelen ter verbetering van de veiligheid, de navigatie op zee, de hygiëne, de productkwaliteit en de arbeidsomstandigheden voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 12 m (PB L 90, blz. 48).

2        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht bij e-mail van 28 september 2010, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld. Het origineel van het verzoekschrift is binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 6 oktober 2010.

3        Bij brief van de griffier van 5 november 2010 is verzoeker ervan op de hoogte gesteld dat het onderhavige beroep niet was ingesteld binnen de termijn voorzien in artikel 263 VWEU en is hij verzocht, de redenen voor de te late neerlegging van het verzoekschrift uiteen te zetten.

4        Bij brief van 22 november 2010 heeft verzoeker geantwoord dat zijn beroep vóór het verstrijken van de beroepstermijn was ingesteld, aangezien hij het verzoekschrift op 27 september 2010, kort voor middernacht, Ierse tijd, per e-mail had verzonden. Mocht het Gerecht van oordeel zijn dat rekening moet worden gehouden met het tijdstip waarop het verzoekschrift door de griffie in Luxemburg is ontvangen, dan stelt verzoeker dat er sprake was van buitengewone omstandigheden die een geval van toeval of overmacht opleveren en die zijns inziens de te late neerlegging van het verzoekschrift rechtvaardigen.

5        Bij brief van 15 december 2010 heeft het Gerecht verzoeker twee schriftelijke vragen gesteld, waarbij hem werd verzocht om aanvullende preciseringen te geven over de problemen die hij met het faxapparaat van de griffie van het Gerecht had ondervonden.

6        Op 10 januari 2011 heeft verzoeker die vragen beantwoord.

 Conclusies van verzoeker

7        Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

–        de bestreden beschikking nietig te verklaren;

–        de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.

 In rechte 

8        Krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk ongegrond is, beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.

9        In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht en beslist het krachtens dit artikel om uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

10      Volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU moet een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de bestreden handeling, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

11      Volgens artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dient de termijn voor het instellen van een beroep te worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.

12      Volgens vaste rechtspraak is die beroepstermijn van openbare orde, aangezien deze is ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden, en staat het aan de rechter van de Unie om ambtshalve na te gaan of deze is nageleefd (arrest Hof van 23 januari 1997, Coen, C‑246/95, Jurispr. blz. I‑403, punt 21, en arrest Gerecht van 18 september 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑121/96 en T‑151/96, Jurispr. blz. II‑1355, punten 38 en 39).

13      In casu is de beroepstermijn volgens artikel 101, leden 1, sub a en b, en 2, van het Reglement voor de procesvoering beginnen te lopen op 17 juli 2010, de dag volgende op de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking, en is deze verstreken op 27 september 2010 om middernacht, de termijn wegens afstand inbegrepen, gelet op het feit dat 26 september 2010 een zondag was, hetgeen door verzoeker niet wordt betwist.

14      Daar het verzoekschrift op 28 september om 00.59 uur (Luxemburgse tijd) per e-mail bij de griffie is binnengekomen en het origineel op 6 oktober 2010 is neergelegd, is het onderhavige beroep na het verstrijken van de beroepstermijn en dus te laat ingesteld.

15      In zijn brief van 22 november 2010 stelt verzoeker echter dat hij zijn verzoekschrift vóór het verstrijken van de beroepstermijn aan de griffie heeft gezonden, aangezien hij zijn e-mail heeft verstuurd om 23.59 uur, Ierse tijd.

16      Opgemerkt zij echter dat de tijd die voor de neerlegging van het verzoekschrift in aanmerking moet worden genomen, de tijd is die ter griffie van het Gerecht wordt geregistreerd. Aangezien volgens artikel 43, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering voor de procestermijnen alleen rekening wordt gehouden met de datum van de neerlegging ter griffie, moet worden geoordeeld dat voor de berekening van de termijnen alleen het tijdstip van de neerlegging ter griffie in aanmerking moet worden genomen. Daar het Hof van Justitie van de Europese Unie volgens het enige artikel van protocol nr. 6 bij het VWEU betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde instanties, organen, organisaties en diensten van de Europese Unie zijn zetel te Luxemburg heeft, moet dus rekening worden gehouden met de Luxemburgse tijd.

17      Verzoeker beroept zich op het bestaan van een geval van overmacht in de zin van artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hij stelt in dit verband dat hij na 21.35 uur (volgens de tijd van zijn eigen faxapparaat) problemen had met het faxapparaat van de griffie, en dat hij tevergeefs heeft getracht om dat verzoekschrift per fax toe te zenden, nadat zeven verzoekschriften wel met succes aan de griffie waren verzonden. Hij heeft op dit punt twee rapporten inzake de bevestiging van verzending van zijn eigen faxapparaat bijgevoegd, waaruit blijkt dat het faxapparaat van het Gerecht van 21.53 uur tot 21.57 uur (de tijd van zijn faxapparaat), tijdens zijn poging om het verzoekschrift in zaak T‑471/10, Gill/Commissie, te verzenden, niet bereikbaar was. Hij heeft gepreciseerd dat hij de andere verzoekschriften per e-mail heeft gestuurd, waarvan er vier vóór 22.35 uur zijn verzonden, en dat hij eveneens problemen heeft gehad met het mailsysteem van de griffie van het Gerecht.

18      Er zij aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat van de regelingen inzake de beroepstermijnen slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan worden afgeweken, aangezien een strikte toepassing van deze regels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (zie beschikking Hof van 8 november 2007, België/Commissie, C‑242/07, Jurispr. blz. I‑9757, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19      Het Hof heeft eveneens reeds de gelegenheid gehad om te preciseren dat de begrippen overmacht en toeval een objectief element bevatten, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de marktdeelnemer betreffen, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen, door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de marktdeelnemer het verloop van de ingeleide procedure nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen (zie beschikking België/Commissie, reeds aangehaald, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20      In casu heeft verzoeker aangetoond dat het faxapparaat van de griffie van 21.53 uur tot 21.57 uur (volgens de tijd van zijn faxapparaat) tijdens de verzending van een ander verzoekschrift (zaak T‑471/10) tijdelijk niet bereikbaar was. Om aan het Gerecht, ondanks een schriftelijke vraag die specifiek daartoe was gesteld, niet uiteengezette redenen, liep de tijdklok van zijn faxapparaat echter twee uur achter op die van het faxapparaat van de griffie van het Gerecht, hetgeen blijkt uit het rapport van laatstgenoemd faxapparaat.

21      Er is echter slechts één uur tijdverschil tussen Ierland en Luxemburg. Het tweede uur verschil kan niet het gevolg zijn van de tijd van verzending van de faxen, aangezien uit de verzendrapporten van de faxen van de andere ingestelde beroepen (T‑461/10, Boyle/Commissie, T‑464/10, Fitzpatrick/Commissie, T‑459/10, Hugh McBride/Commissie, T‑463/10, Ocean Trawlers Ltd/Commissie, T‑467/10, Murphy/Commissie, T‑466/10, Hannigan/Commissie, en T‑462/10, Flaherty/Commissie) blijkt dat de gemiddelde verzendtijd van een verzoekschrift slechts circa zes tot zeven minuten was, hetgeen verzoeker bevestigt.

22      Hieruit volgt dat de tijdstippen waarnaar verzoeker verwijst ten bewijze van het feit dat het faxapparaat van het Gerecht bij de verzending van het verzoekschrift in zaak T‑471/10 niet bereikbaar was, moeten worden aangemerkt als de tijdstippen 23.53 uur en 23.57 uur in Luxemburg. Derhalve moet worden vastgesteld dat, rekening houdend met de gemiddelde verzendtijd van zeven verzoekschriften (zie punt 21 hierboven) en zelfs al had het faxapparaat van de griffie normaal gefunctioneerd, alleen het beroep in zaak T‑471/10 nog vóór middernacht, het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek, kon worden verzonden.

23      Verzoekers argument betreffende de problemen die hij met het mailsysteem van de griffie heeft ondervonden moet worden afgewezen, daar het slechts om een niet door bewijsmateriaal onderbouwde bewering gaat.

24      Bovendien moet worden opgemerkt dat op grond van geen enkel element kan worden aangenomen dat verzoeker de griffie van het Gerecht op de hoogte heeft gesteld van de problemen die hij met het faxapparaat of met het mailsysteem van de griffie had ondervonden.

25      Hieruit volgt dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden die een geval van overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof opleveren.

26      Verzoeker beroept zich eveneens op een verschoonbare dwaling. In zijn antwoord van 10 januari 2011 op de vragen van het Gerecht heeft hij hieraan toegevoegd dat de griffie van het Gerecht zijn vertegenwoordiger tijdens een telefoongesprek in de middag van 27 september 2010 had verzekerd, dat het beroep in zaak T‑461/10, Boyle/Commissie, aldaar per fax was binnengekomen en dat het tijdstip van ontvangst van dat verzoekschrift in aanmerking zou worden genomen voor de ontvangst van alle andere verzoekschriften die later zouden worden verzonden.

27      Het is vaste rechtspraak dat een verschoonbare dwaling in buitengewone omstandigheden tot gevolg kan hebben dat de verzoeker geen termijnverzuim wordt aangerekend (zie beschikking Gerecht van 13 januari 2009, SGAE/Commissie, T‑456/08, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Het begrip verschoonbare dwaling moet eng worden uitgelegd en kan slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kan veroorzaken (zie beschikking Gerecht van 15 maart 2007, België /Commissie, T‑5/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      In casu kan echter geen sprake zijn van een verschoonbare dwaling. Zelfs al wordt aangenomen dat de griffie telefonisch informatie heeft gegeven over de modaliteiten van de neerlegging van verzoekschriften, hetgeen op geen enkele wijze is aangetoond, dan nog diende verzoeker zich te houden aan de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering betreffende de modaliteiten voor de neerlegging van verzoekschriften en de geldende termijnen, welke uitlegging geen bijzondere problemen oplevert (zie in die zin arrest Gerecht van 28 januari 2004, OPTUC/Commissie, T‑142/01 en T‑283/01, Jurispr. blz. II‑329, punt 44, en beschikking Gerecht van 30 november 2009, Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert/Commissie, T‑2/09, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21). Bovendien zijn de ambtenaren van de griffie niet bevoegd om zich uit te spreken over de berekening van de termijn voor de instelling van een beroep (beschikking SGAE/Commissie, reeds aangehaald, punt 21). Voorts moet worden opgemerkt dat verzoeker dit argument, na diverse briefwisselingen met de griffie, alleen op 10 januari 2011 heeft aangevoerd in zijn antwoord op de vragen van het Gerecht waarbij hem werd verzocht om aanvullende preciseringen te geven over de problemen die hij met het faxapparaat van de griffie van het Gerecht had ondervonden.

30      Evenmin kan de rechtvaardiging worden aanvaard dat verzoekers vertegenwoordiger pas in de loop van de middag en de avond van 27 september 2010 in staat was geweest om het onderhavige beroep aan de griffie van het Gerecht te zenden, omdat zijn cliënt en de scheepsarchitect in de laatste maanden moeilijk bereikbaar waren, daar zij voor hun werk het grootste deel van de tijd op zee waren. Problemen verband houdende met het functioneren en de organisatie van de diensten van verzoekers vertegenwoordiger kunnen immers geen excuus opleveren voor de te late indiening van het verzoekschrift [zie in die zin beschikking Gerecht van 28 april 2008, Publicare Marketing Communications/BHIM (Publicare), T‑358/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 17].

31      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat dit aan de Commissie behoeft te worden betekend.

 Kosten

32      Daar deze beschikking wordt gegeven vóór de kennisgeving van het verzoekschrift aan de Commissie en voordat deze kosten heeft kunnen maken, hoeft slechts te worden beslist dat verzoeker zijn eigen kosten zal dragen, overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.


HET GERECHT (Vijfde kamer)

beschikt:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Joseph Doherty zal zijn eigen kosten dragen.

Luxemburg, 1 april 2011.

De griffier

 

       De president van de Vijfde kamer

E. Coulon

 

       S. Papasavvas


* Procestaal: Engels.

Top