Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62010CJ0412

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 november 2011.
Deo Antoine Homawoo tegen GMF Assurances SA.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division - Verenigd Koninkrijk.
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Op niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht - Verordening (EG) nr. 864/2007 - Temporele werkingssfeer.
Zaak C-412/10.

European Court Reports 2011 -00000

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2011:747

Zaak C‑412/10

Deo Antoine Homawoo

tegen

GMF Assurances SA

[verzoek van de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division om een prejudiciële beslissing]

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Recht toepasselijk op niet-contractuele verbintenissen – Verordening (EG) nr. 864/2007 – Werkingssfeer ratione temporis”

Samenvatting van het arrest

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Recht toepasselijk op niet-contractuele verbintenissen – Verordening nr. 864/2007 – Werkingssfeer ratione temporis – Onderscheid tussen datum van inwerkingtreding en datum van toepassing – Strekking

(Art. 297 VWEU; verordening nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad, art. 31 en 32)

De artikelen 31 en 32 van verordening nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), gelezen in samenhang met artikel 297 VWEU, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie deze verordening slechts dient toe te passen op schade veroorzakende gebeurtenissen die zich vanaf 11 januari 2009 hebben voorgedaan, en dat de datum van de inleiding van de procedure tot schadevergoeding of de datum van de vaststelling van het toepasselijke recht door de rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, geen invloed op de bepaling van de temporele werkingssfeer van deze verordening heeft.

Verordening nr. 864/2007 bevat namelijk een artikel 31, met als opschrift „Temporele toepassing”, volgens hetwelk de verordening van toepassing is op schade veroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingtreding ervan, en een artikel 32, met als opschrift „Inwerkingtreding”, dat bepaalt dat de verordening in beginsel van toepassing is met ingang van 11 januari 2009. Bij gebreke van een specifieke bepaling tot vaststelling van een datum voor de inwerkingtreding van de verordening, moet deze datum dan ook worden bepaald overeenkomstig de algemene regel van artikel 297, lid 1, derde alinea, VWEU. Aangezien de verordening op 31 juli 2007 in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, is zij in werking getreden op de twintigste dag volgende op de dag van de bekendmaking ervan, te weten op 20 augustus 2007.

In die omstandigheden kan artikel 31 van de verordening niet worden uitgelegd zonder dat rekening wordt gehouden met de datum die in artikel 32 van de verordening voor de toepassing ervan is vastgesteld, namelijk 11 januari 2009. Alleen een dergelijke uitlegging verzekert de volledige verwezenlijking van de in de punten 6, 13, 14 en 16 van de considerans van de verordening neergelegde doelstellingen, te weten de voorspelbaarheid van de uitkomst van rechtsgedingen, de rechtszekerheid aangaande het toepasselijke recht en de uniforme toepassing van die verordening in alle lidstaten waarborgen. Die doelstellingen zouden daarentegen in gevaar komen indien de verordening werd toegepast op feiten die zich tussen de datum van de inwerkingtreding ervan en de in artikel 32 vastgestelde datum hebben voorgedaan.

(cf. punten 23, 30, 33‑35, 37 en dictum)







ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

17 november 2011 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Op niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht – Verordening (EG) nr. 864/2007 – Temporele werkingssfeer”

In zaak C‑412/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 27 juli 2010, ingekomen bij het Hof op 18 augustus 2010, in de procedure

Deo Antoine Homawoo

tegen

GMF Assurances SA,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, A. Prechal, K. Schiemann, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 juli 2011,

gelet op de opmerkingen van:

–        Deo Antoine Homawoo, vertegenwoordigd door J. Dingemans, QC, M. Zurbrugg en K. Deal, advocates, en I. Mitchell, solicitor,

–        GMF Assurances SA, vertegenwoordigd door N. Paines, QC, P. Janusz, advocate, en S. Ball en P. Thomas, solicitors,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Karipsiadis en T. Papadopoulou als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2011,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 31 en 32 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB L 199, blz. 40; hierna: „verordening”), gelezen in samenhang met artikel 297 VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen D. A. Homawoo, gedomicilieerd in het Verenigd Koninkrijk, slachtoffer van een auto-ongeval tijdens een verblijf in Frankrijk, en GMF Assurances SA (hierna: „GMF”), een in Frankrijk opgerichte en gevestigde verzekeringsmaatschappij.

 Rechtskader

 Recht van de Unie

3        De punten 6, 13, 14 en 16 van de considerans van de verordening preciseren:

„(6)      De goede werking van de interne markt vereist, ter bevordering van de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid en het vrije verkeer van vonnissen, dat de in de lidstaten geldende collisieregels hetzelfde nationale recht aanwijzen, ongeacht bij welke rechter het geding aanhangig wordt gemaakt.

[...]

(13)      Eenvormige regels die worden toegepast ongeacht het recht dat zij aanwijzen, kunnen concurrentievervalsing tussen communautaire justitiabelen voorkomen.

(14)      De eis van rechtszekerheid en de noodzaak om recht te doen in individuele gevallen zijn wezenlijke onderdelen van een ruimte van rechtvaardigheid. [...]

[...]

(16)      Eenvormigheid van de regels moet de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken vergroten en een redelijk evenwicht garanderen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt. [...]”

4        Artikel 4, lid 1, van de verordening luidt:

„Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.”

5        Artikel 15 van de verordening, met als opschrift „Werkingssfeer van het toepasselijke recht”, bepaalt:

„Het recht dat krachtens deze verordening op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is, regelt met name:

[...]

c)      het bestaan, de aard en de begroting van de schade of het gevorderde;

[...]”

6        Artikel 28 van de verordening, met als opschrift „Verhouding tot bestaande internationale overeenkomsten”, bepaalt:

„1.      Deze verordening laat onverlet de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen.

2.      Deze verordening heeft echter tussen de lidstaten voorrang op uitsluitend tussen lidstaten gesloten overeenkomsten, voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden waarop deze verordening van toepassing is.”

7        Artikel 29 van de verordening betreffende de lijst van overeenkomsten bepaalt in lid 1:

„De lijst van de in artikel 28, lid 1, bedoelde overeenkomsten wordt door de lidstaten uiterlijk op 11 juli 2008 aan de Commissie bezorgd. Zij delen aan de Commissie elke na die datum gedane opzegging van een overeenkomst mee.”

8        Artikel 30, lid 2, van de verordening luidt:

„Uiterlijk op 31 december 2008 legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een studie voor naar de situatie op het gebied van het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten, met inachtneming van regels inzake persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in de media en kwesties inzake collisie in verband met richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [(PB L 281, blz. 31)].”

9        Artikel 31 van de verordening, met als opschrift „Temporele toepassing”, bepaalt:

„Deze verordening is van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingtreding van de verordening.”

10      Artikel 32 van de verordening, met als opschrift „Inwerkingtreding”, bepaalt:

„Deze verordening is van toepassing met ingang van 11 januari 2009, met uitzondering van artikel 29, dat van toepassing is met ingang van 11 juli 2008.”

 Nationale regeling

11      Naar Engels recht zijn de collisieregels inzake onrechtmatige daad blijkens de verwijzingsbeslissing neergelegd in deel III van de wet van 1995 betreffende het internationaal privaatrecht (diverse bepalingen) [Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995]. Deze regels bepalen dat het toepasselijke recht het recht is van het land waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordoet. Met betrekking tot lichamelijk letsel bepaalt artikel 11, lid 2, sub a, van die wet van 1995 dat het toepasselijke recht dat is van de plaats waar de persoon zich bevond op het moment dat hij schade heeft geleden.

12      Artikel 15A van deze wet van 1995, ingevoegd bij de verordening van 2008 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Engeland, Wales en Noord-Ierland) [Law Applicable to Non-Contractual Obligations (England and Wales and Northern Ireland) Regulations 2008, SI 2008 nr. 2986] bepaalt dat geen enkele bepaling van deel III van die wet van 1995 „tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan beslissingen over vraagstukken inzake onrechtmatige daad waarop de [verordening] van toepassing is.”

13      Aangaande de begroting van de schade bepaalt de nationale rechtspraak, en meer bepaald de beslissing van het House of Lords in de zaak Harding v Wealands [(2007) 2 AC 1], dat de begroting van de schade die recht geeft op schadevergoeding een procedurekwestie is die wordt beheerst door het Engelse recht als de lex fori.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Tijdens een verblijf in Frankrijk is Homawoo op 29 augustus 2007 slachtoffer geworden van een ongeval dat is veroorzaakt door een voertuig waarvan de bestuurder verzekerd was bij GMF.

15      Op 8 januari 2009 heeft Homawoo bij de High Court of Justice met name tegen GMF een vordering tot schadevergoeding van lichamelijke en indirecte schade ingesteld.

16      Voor de verwijzende rechter heeft verzoeker in het hoofdgeding aangevoerd dat de begroting van de schade wordt beheerst door het Engelse recht, dat op grond van de collisieregels van de lex fori het recht is dat van toepassing is op het hoofdgeding. Verzoeker was immers van mening dat de verordening temporeel niet van toepassing was aangezien deze verordening overeenkomstig de artikelen 31 en 32 niet van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich, zoals in het hoofdgeding het geval is, hebben voorgedaan vóór 11 januari 2009, de voor de inwerkingtreding van de verordening vastgestelde datum. Subsidiair heeft verzoeker betoogd dat de verordening niet van toepassing was, aangezien de betrokken procedure vóór die datum is ingeleid, ongeacht de datum waarop de schade zich heeft voorgedaan.

17      Ook al betwistte GMF niet dat verzoekers vordering tot schadevergoeding gegrond was, zij stelde dat de begroting van die schade overeenkomstig de door de verordening vastgestelde collisieregels naar Frans recht diende te worden verricht. Volgens GMF is de verordening overeenkomstig het in artikel 297 VWEU neergelegde voorschrift immers in werking getreden op de twintigste dag volgende op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. De verordening zou dus op het hoofdgeding van toepassing zijn, aangezien de gebeurtenis waardoor de bedoelde schade is veroorzaakt zich ná die datum heeft voorgedaan en de nationale rechterlijke instantie ná 11 januari 2009 diende te bepalen welk recht van toepassing was.

18      De High Court of Justice is om te beginnen van oordeel dat artikel 32 van die verordening niet verwijst naar de datum van het instellen van een vordering in rechte of naar de datum van het wijzen van een rechterlijke beslissing en dat niets dus rechtvaardigt dat deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat de verordening van toepassing is op elke vordering die vanaf de in die bepaling vastgestelde datum wordt ingeleid. Verder doet zij opmerken dat een uitlegging volgens welke de verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vanaf 11 januari 2009 hebben voorgedaan de rechtszekerheid zou kunnen waarborgen, aangezien zij in een vaste datum zou voorzien, los van het instellen van een rechtsgeding. In het licht van de bewoordingen van artikel 31 van de verordening twijfelt zij echter of een dergelijke uitlegging kan slagen.

19      In die omstandigheden heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende prejudiciële vragen:

„1)      Moeten de artikelen 31 en 32 van de [verordening], gelezen in samenhang met artikel 297 VWEU, aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie [die verordening], in het bijzonder artikel 15, sub c, [ervan], moet toepassen in een zaak waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis zich op 29 augustus 2007 heeft voorgedaan?

2)      Heeft een van de volgende feiten een invloed op het antwoord op de eerste vraag:

i)      dat de procedure tot schadevergoeding op 8 januari 2009 is ingeleid;

ii)      dat de nationale rechterlijke instantie geen beslissing over het toepasselijke recht had genomen vóór 11 januari 2009?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

20      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of de artikelen 31 en 32 van de verordening, gelezen in samenhang met artikel 297 VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie de verordening enkel dient toe te passen op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vanaf 11 januari 2009 hebben voorgedaan, alsook of de datum van de inleiding van de procedure tot schadevergoeding en de datum van de vaststelling van het toepasselijke recht door de rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, een invloed hebben op de bepaling van de temporele werkingssfeer van die verordening.

21      Om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te kunnen beantwoorden, moeten in de onderhavige zaak die twee bepalingen van de verordening worden onderzocht teneinde vast te stellen op welke datum de verordening in werking is getreden en vanaf welke datum zij van toepassing is.

22      Wat de datum van inwerkingtreding van de verordening betreft, zij eraan herinnerd dat wetgevingshandelingen volgens artikel 297, lid 1, derde alinea, VWEU in werking treden op de datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

23      In casu bevat de verordening, hoewel zij niet uitdrukkelijk in een datum van inwerkingtreding voorziet, enerzijds een artikel 31, met als opschrift „Temporele toepassing”, naar luid waarvan de verordening van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingtreding ervan, en anderzijds een artikel 32, met als opschrift „Inwerkingtreding”, volgens hetwelk de verordening van toepassing is met ingang van 11 januari 2009, met uitzondering van een artikel dat in het hoofdgeding niet aan de orde is.

24      In dit verband dient te worden opgemerkt dat de wetgever een onderscheid mag maken tussen de datum van inwerkingtreding en de datum van toepassing van de door hem vastgestelde regeling, door laatstgenoemde datum op een later tijdstip dan eerstgenoemde vast te stellen. Een dergelijke werkwijze biedt de lidstaten of de instellingen van de Unie met name de mogelijkheid om, nadat de handeling in werking is getreden en dus nadat deze in de rechtsorde van de Unie is opgenomen, op grond van deze handeling de op hen rustende voorafgaande verplichtingen te vervullen die noodzakelijk zijn om deze handeling nadien volkomen te kunnen toepassen op alle rechtssubjecten op wie zij betrekking heeft.

25      Zoals de advocaat-generaal in punt 21 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de wetgever op die manier tewerk gegaan voor verschillende handelingen die hij op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken heeft vastgesteld, zoals onder meer verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6).

26      Wat de verordening betreft, staat vast dat noch artikel 31 noch artikel 32 een datum voor de inwerkingtreding ervan bepalen.

27      Weliswaar drie taalversies van het opschrift van artikel 32 van de verordening („Inwerkingtreding”, „Data intrării în vigoare” en „Entrada en vigor”) verwijzen naar het begrip „inwerkingtreding”, maar zelfs in die drie versies is in dat artikel 11 januari 2009 als datum van toepassing van de verordening vermeld.

28      Zoals door de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie in herinnering is gebracht, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het vereiste van een uniforme uitlegging van de handelingen van de Unie meebrengt dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (zie met name arresten van 12 juli 1979, Koschniske, 9/79, Jurispr. blz. 2717, punt 6, en 10 september 2009, Eschig, C‑199/08, Jurispr. blz. I‑8295, punt 54).

29      In casu moet worden vastgesteld dat, gelet op de identieke inhoud van deze bepaling in alle taalversies, artikel 32 van de verordening niet de datum van inwerkingtreding, maar de datum van toepassing van de verordening aangeeft.

30      Bij gebreke van een specifieke bepaling tot vaststelling van een datum voor de inwerkingtreding van de verordening, moet deze datum dan ook worden bepaald overeenkomstig de algemene regel die in artikel 297, lid 1, derde alinea, VWEU is neergelegd. Aangezien de verordening op 31 juli 2007 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd, is zij in werking getreden op de twintigste dag volgende op de dag van de bekendmaking ervan, te weten op 20 augustus 2007.

31      Deze vaststelling wordt bevestigd door de omstandigheid dat de verordening de lidstaten en de Commissie vanaf die datum bepaalde verplichtingen heeft opgelegd. Zo moesten de lidstaten volgens artikel 29 van de verordening, vóór de datum van toepassing van de verordening, meer bepaald vóór 11 juli 2008, de Commissie de lijst bezorgen van de internationale overeenkomsten die ter zake waren gesloten en waarbij zij partij waren en diende de Commissie de lijst van die overeenkomsten bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

32      Bovendien moest de Commissie krachtens artikel 30, lid 2, van de verordening uiterlijk op 31 december 2008 aan het Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een studie voorleggen betreffende de situatie op het gebied van het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen. Die verplichtingen moesten dus worden vervuld vóór 11 januari 2009, te weten de datum die in artikel 32 van de verordening is vastgesteld voor de toepassing ervan op alle rechtssubjecten.

33      In die omstandigheden kan artikel 31 van de verordening, dat volgens het opschrift ervan de „temporele toepassing” van de verordening regelt, niet worden uitgelegd zonder dat rekening wordt gehouden met de datum die in artikel 32 voor de toepassing van de verordening is vastgesteld, namelijk 11 januari 2009. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verordening krachtens artikel 31 ervan van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vanaf die datum hebben voorgedaan.

34      Enkel een dergelijke uitlegging verzekert de volledige verwezenlijking van de in de punten 6, 13, 14 en 16 van de considerans van de verordening neergelegde doelstellingen, te weten de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid aangaande het toepasselijke recht en de uniforme toepassing van die verordening in alle lidstaten waarborgen.

35      Die doelstellingen zouden daarentegen in gevaar komen indien de verordening werd toegepast op feiten die zich tussen de datum van de inwerkingtreding ervan en de in artikel 32 vastgestelde datum hebben voorgedaan. Zoals verzoeker in het hoofdgeding, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben aangevoerd, is het immers niet uitgesloten dat twee gebeurtenissen die zich op dezelfde dag, vóór 11 januari 2009, hebben voorgedaan, dus door verschillende wetten worden beheerst naargelang van de datum van het instellen van de procedure tot schadevergoeding of de datum van het bepalen van het toepasselijke recht door de rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is gemaakt. Voorts kunnen de verplichtingen die voortvloeien uit een gebeurtenis die op dezelfde plaats aan verschillende personen schade heeft veroorzaakt door verschillende wetten worden beheerst naargelang van de uitkomst van de verschillende gerechtelijke procedures.

36      Bijgevolg zijn noch de datum waarop de zaak wordt ingeleid, noch de datum waarop door de nationale rechterlijke instantie het toepasselijke recht wordt vastgesteld, van belang voor de bepaling van de temporele werkingssfeer van de verordening. Zoals uit artikel 31 van de verordening volgt, is het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan het enige in aanmerking te nemen tijdstip.

37      In die omstandigheden moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de artikelen 31 en 32 van de verordening, gelezen in samenhang met artikel 297 VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie deze verordening enkel dient toe te passen op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vanaf 11 januari 2009 hebben voorgedaan en dat de datum van de inleiding van de procedure tot schadevergoeding of de datum van de vaststelling van het toepasselijke recht door de rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, geen invloed op de bepaling van de temporele werkingssfeer van deze verordening heeft.

 Kosten

38      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 31 en 32 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”), gelezen in samenhang met artikel 297 VWEU, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie deze verordening enkel dient toe te passen op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich vanaf 11 januari 2009 hebben voorgedaan en dat de datum van de inleiding van de procedure tot schadevergoeding of de datum van de vaststelling van het toepasselijke recht door de rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, geen invloed op de bepaling van de temporele werkingssfeer van deze verordening heeft.

ondertekeningen


*Procestaal: Engels.

Top