EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62010CJ0347

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 januari 2012.
A. Salemink tegen Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Verzoek van de Rechtbank Amsterdam om een prejudiciële beslissing.
Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Verordening (EEG) nr. 1408/71 — Werknemer werkzaam op gasboorplatform op Nederlands gedeelte van continentaal plat — Verplichte verzekering — Weigering om arbeidsongeschiktheidsuitkering te betalen.
Zaak C‑347/10.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2012:17

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

17 januari 2012 ( *1 )

„Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Verordening (EEG) nr. 1408/71 — Werknemer tewerkgesteld op gasboorplatform op Nederlands gedeelte van continentaal plat — Verplichte verzekering — Weigering van betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering”

In zaak C-347/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 5 juli 2010, ingekomen bij het Hof op 8 juli 2010, in de procedure

A. Salemink

tegen

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts en J.-C. Bonichot, kamerpresidenten, R. Silva de Lapuerta, K. Schiemann (rapporteur), E. Juhász, G. Arestis, D. Šváby en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 juni 2011,

gelet op de opmerkingen van:

A. Salemink, vertegenwoordigd door R. E. Zalm, jurist,

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vertegenwoordigd door I. Eijkhout als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. M. Wissels en M. Noort als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Vodina, E.-M. Mamouna en G. Karipsiadis als gemachtigden,

de Spaanse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Plaza Cruz, vervolgens door S. Centeno Huerta als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en V. Kreuschitz als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2011,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 39 EG en 299 EG, en van de titels I en II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998 (PB L 209, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Salemink, een in Spanje wonend Nederlandse staatsburger die werkzaam was op een gasboorplatform op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, over de weigering van laatstgenoemde om aan Salemink een arbeidsongeschiktheidsuitkering te betalen.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3

Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, dat op 10 december 1982 te Montego Bay (Jamaica) is ondertekend, op 16 november 1994 in werking is getreden, op 28 juni 1996 door het Koninkrijk der Nederlanden is geratificeerd en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 (PB L 179, blz. 1; hierna: „Zeerechtverdrag”), bepaalt in artikel 60, met het opschrift „Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen in de exclusieve economische zone”:

„1.   In de exclusieve economische zone heeft de kuststaat het uitsluitende recht te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik te machtigen en te regelen van:

a)

kunstmatige eilanden;

b)

installaties en inrichtingen voor de doeleinden bepaald in artikel 56 en voor andere economische doeleinden;

c)

installaties en inrichtingen die inbreuk kunnen maken op de uitoefening van de rechten van de kuststaat in de zone.

2.   De kuststaat bezit uitsluitende rechtsmacht over zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, met inbegrip van rechtsmacht met betrekking tot de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, volksgezondheid, veiligheid en immigratie.

[...]”

4

Artikel 77 van het Zeerechtverdrag, met het opschrift „Rechten van de kuststaat op het continentale plat”, bepaalt:

„1.   De kuststaat oefent over het continentale plat soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat.

2.   De in lid 1 bedoelde rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentale plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.

3.   De rechten van de kuststaat op het continentale plat zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie.

[...]”

5

In artikel 80 van datzelfde verdrag, met het opschrift „Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat”, wordt bepaald:

„Artikel 60 is mutatis mutandis van toepassing op kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.”

Wettelijke regeling van de Unie

6

Artikel 13 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift „Algemene regels”, bepaalt:

„1.   Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2.   Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a)

is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;

[...]”

Nationale regeling

7

In artikel 3 van de Ziektewet (hierna: „ZW”) wordt bepaald:

„1.   Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

2.   Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is.”

8

Artikel 7, lid 1, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, in werking getreden op 1 januari 2006 (hierna: „WIA”), bepaalt dat „[de] werknemer [verplicht verzekerd is]”.

9

In artikel 8, lid 1, WIA wordt bepaald dat „[w]erknemer is de werknemer in de zin van de [ZW] met uitzondering van de werknemer die zijn werknemerschap ontleent aan artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet”.

10

Ingevolge artikel 18, leden 1 en 2, WIA is tot de vrijwillige verzekering toegelaten, de persoon jonger dan 65 jaar die niet als werknemer in de zin van artikel 3, leden 2 en 5, van de ZW kan worden beschouwd, wiens verplichte verzekering is geëindigd, die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van de verplichte verzekering een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is.

11

Krachtens artikel 47, lid 1, WIA ontstaat er voor de verzekerde die ziek wordt, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij de wachttijd heeft doorlopen, hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

12

Artikel 3 van de Wet arbeid mijnbouw Noordzee bepaalt:

„1.   Dit artikel is van toepassing op werknemers die niet verzekerd zijn ingevolge de [ZW] en op wie niet enige daarmee overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat van de Europese Unie van toepassing is en op wier arbeidsovereenkomst het Nederlandse arbeidsovereenkomstenrecht van toepassing is althans de dwingendrechtelijke bepalingen daarvan.

2.   De werknemer die ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, heeft het in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde recht op loon gedurende een tijdvak van 104 weken, ongeacht of zijn arbeidsovereenkomst gedurende dat tijdvak eindigt.”

Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

13

Salemink, die de Nederlandse nationaliteit heeft, was vanaf 1996 werkzaam als verpleegkundige, en deels als radiografist, op een gasboorplatform van de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Het betrokken platform is gelegen buiten de Nederlandse territoriale wateren, binnen het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, op een afstand van ongeveer 80 km van de Nederlandse kust.

14

Op 10 september 2004 is Salemink naar Spanje verhuisd.

15

Vóór zijn vertrek naar Spanje, was Salemink verplicht verzekerd overeenkomstig de ZW, waarvan artikel 3, lid 2, bepaalt dat wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, niet als werknemer wordt beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in die lidstaat woont of gevestigd is.

16

Na zijn verhuizing naar Spanje voldeed Salemink niet meer aan het in artikel 3, lid 2, gestelde woonplaatsvereiste en was hij bijgevolg niet langer verplicht verzekerd, met name tegen arbeidsongeschiktheid.

17

Vanaf 4 oktober 2004 werd Salemink toegelaten tot de vrijwillige verzekering, die echter nadien werd beëindigd wegens het uitblijven van betaling van de premies. De latere pogingen die Salemink in de loop van 2006 ondernam om weer tot de vrijwillige verzekering te worden toegelaten, faalden omdat de verzoeken te laat werden ingediend.

18

Aangezien Salemink zich op 24 oktober 2006 ziek had gemeld, heeft hij op 11 september 2007 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WIA aangevraagd, met ingang van 24 oktober 2008.

19

Die aanvraag werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: „UWV”) afgewezen op grond dat Salemink ten tijde van het begin van de arbeidsongeschiktheid, op 24 oktober 2006, niet verplicht verzekerd was. Omdat Salemink vanaf 10 september 2004 buiten Nederland woonachtig was, werd hij door het UWV vanaf die datum niet meer verplicht verzekerd geacht.

20

Voor de Rechtbank Amsterdam stelt Salemink op grond van verordening nr. 1408/71 in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens hem is die verordening van toepassing binnen het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, welk gedeelte moet worden aangemerkt als deel uitmakend van het Nederlandse grondgebied.

21

Dienaangaande beroept hij zich op het beleid van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van na 1 januari 2006, dat is gebaseerd op het arrest van het Hof van 29 juni 1994, Aldewereld (C-60/93, Jurispr. blz. I-2991), volgens hetwelk werknemers die werkzaam zijn binnen het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat moeten worden beschouwd als verzekerd ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen.

22

De verwijzende rechter omschrijft dat beleid als volgt:

„De SVB gaat ervan uit dat titel II van [verordening nr. 1408/71] van toepassing is als een werknemer op het grondgebied van de Gemeenschap woont maar buiten het grondgebied van de Gemeenschap werkt voor een binnen de Gemeenschap gevestigde werkgever. Daarbij ontleent de SVB aan de overwegingen van [het arrest van het Hof van 12 juli 1984, Prodest, 237/83, Jurispr. blz. 3153] en [het reeds aangehaalde arrest] Aldewereld de voorwaarde dat de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de buiten de Gemeenschap verrichte arbeid verzekerd moet zijn in de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd dan wel dat de werknemer op grond van de nationale wetgeving van die lidstaat verzekerd is tijdens de arbeid buiten de Gemeenschap. Indien aan een van deze voorwaarden wordt voldaan gaat de SVB ervan uit dat de wetgeving van de lidstaat van de werkgever als toepasselijk is aangewezen gedurende de periode dat buiten de Gemeenschap arbeid wordt verricht.”

23

Het UWV was van mening dat Salemink na zijn verhuizing naar Spanje niet meer aan de voorwaarden van de verplichte verzekering voldeed.

24

De verwijzende rechter betwijfelt of de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 kan worden uitgebreid tot het betrokken continentaal plat. Hij vraagt zich af of er onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, het grondgebied waarop een lidstaat soeverein is, en, anderzijds, het grondgebied waarop hij bevoegd is beperkte soevereine rechten uit te oefenen maar tevens bevoegd is die rechten niet uit te oefenen — zoals volgens de verwijzende rechter de Nederlandse Staat dat met betrekking tot de socialezekerheidswetgeving op het continentaal plat heeft gedaan. Bijgevolg rijst de vraag of een lidstaat gerechtigd is om, binnen de grenzen van de functionele bevoegdheid die hij op het continentaal plat uitoefent, de op dat continentaal plat werkzame werknemers anders te behandelen dan werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van die lidstaat.

25

De verwijzende rechter erkent dat de weigering door het UWV onverenigbaar kan zijn met het beginsel van vrij verkeer van werknemers, gelet op het feit dat aan Salemink een voordeel dat hij genoot toen hij in Nederland woonde, is komen te ontvallen. Niettemin vraagt hij zich af of deze onverenigbaarheid mogelijkerwijs wordt afgezwakt door het feit dat Salemink in de gelegenheid is geweest om zich vrijwillig te verzekeren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt.

26

Ten slotte wijst de verwijzende rechter erop dat het woonplaatsvereiste zoals dat wordt gesteld in artikel 3, lid 2, ZW een problematisch criterium is omdat het kan leiden tot discriminatie op grond van nationaliteit.

27

In die omstandigheden heeft de Rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Staan de van het Europese gemeenschapsrecht deel uitmakende regels, die ertoe strekken het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen, inzonderheid de regels die zijn neergelegd in de titels I en II van verordening nr. 1408/71, alsmede de artikelen 39 [EG] en 299 [EG] [...], eraan in de weg dat de werknemer die werkzaam is buiten het Nederlandse grondgebied op een vaste installatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, voor een in Nederland gevestigde werkgever, niet verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in Nederland, maar in een andere lidstaat (in casu: Spanje), ook indien hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en ook indien hem de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering is geboden tegen in essentie dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de verplichte verzekering?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

28

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van verordening nr. 1408/71 en artikel 39 EG in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.

29

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.

30

Desalniettemin betwist zowel de Nederlandse regering als het UWV dat artikel 13, lid 2, sub a, alsmede het Unierecht in het algemeen, op een zaak als die in het hoofdgeding van toepassing zijn, aangezien de betrokken werkzaamheden werden uitgeoefend op een gasboorplatform op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, dat buiten de Nederlandse territoriale wateren ligt. De Nederlandse regering en het UWV hebben in dit verband betoogd dat de territoriale reikwijdte van verordening nr. 1408/71 is beperkt tot het nationale grondgebied. De verwijzende rechter heeft voorts twijfels over de toepasselijkheid van het Unierecht op het betrokken continentaal plat.

31

Dienaangaande moet worden gewezen op de regels en de beginselen van internationaal recht die betrekking hebben op het rechtssysteem van het continentaal plat.

32

In zijn arrest van 20 februari 1969 (de zogenoemde „North Sea Continental Shelf Cases”, Reports of Judgments, Advisory Opinions and Orders 1969, blz. 3, punt 19) heeft het Internationaal Gerechtshof zich moeten uitspreken over de rechten van de kuststaat met betrekking tot het gedeelte van het continentaal plat dat een natuurlijke verlenging van zijn grondgebied onder zee vormt. Het Gerechtshof oordeelde dat deze rechten ipso facto en ab initio bestaan op grond van de soevereiniteit van de staat op dit grondgebied en door een uitbreiding van die soevereiniteit in de vorm van de uitoefening van soevereine rechten voor de exploratie van de bodem van de zee en de exploitatie van haar natuurlijke rijkdommen.

33

Uit artikel 77 van het Zeerechtverdrag volgt dat de kuststaat over het continentaal plat soevereine rechten uitoefent ter exploratie van het plat en ter exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan. Die rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentaal plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.

34

Wat de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentaal plat betreft, heeft de kuststaat krachtens artikel 80 van het Zeerechtverdrag juncto artikel 60 van datzelfde verdrag het uitsluitende recht om deze te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik ervan te machtigen en te regelen. De kuststaat bezit uitsluitende rechtsmacht over die kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.

35

Aangezien het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat onder de, zij het functionele en beperkte, soevereiniteit van die staat valt (zie in die zin arrest van 29 maart 2007, Aktiebolaget NN, C-111/05, Jurispr. blz. I-2697, punt 59), moet arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen verricht, voor de toepassing van het Unierecht worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat (zie in die zin arresten van 27 februari 2002, Weber, C-37/00, Jurispr. blz. I-2013, punt 36, en 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-6/04, Jurispr. blz. I-9017, punt 117).

36

Een lidstaat die voordeel trekt uit de economische voorrechten van de exploratie en/of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op het tot die lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, kan zich derhalve niet onttrekken aan de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen die het vrije verkeer waarborgen van werknemers die hun beroepsactiviteit uitoefenen op dergelijke installaties.

37

Nu is vastgesteld dat het Unierecht, en met name verordening nr. 1408/71, van toepassing is op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, dient te worden onderzocht of die verordening en de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van werknemers zich ertegen verzetten dat een persoon in de situatie van Salemink, nadat hij zijn woonplaats naar Spanje heeft verplaatst, wordt uitgesloten van het stelsel van verplichte verzekering.

38

Dienaangaande moet worden beklemtoond dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 slechts bepaalt welke nationale wettelijke regeling van toepassing is op degenen die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefenen. Het bepaalt niet zelf onder welke voorwaarden het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat. Zoals het Hof in zijn rechtspraak herhaaldelijk heeft overwogen, staat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen (zie met name arresten van 23 september 1982, Koks, 275/81, Jurispr. blz. 3013, en 7 juli 2005, Van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03, Jurispr. blz. I-6101, punt 33).

39

Niettemin moeten de lidstaten, die weliswaar bevoegd blijven om de voorwaarden voor aansluiting bij hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van het Verdrag die betrekking hebben op het vrije verkeer van werknemers (zie in die zin arresten van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 20, en 23 november 2000, Elsen, C-135/99, Jurispr. blz. I-10409, punt 33).

40

Bijgevolg mogen, enerzijds, die voorwaarden niet tot gevolg hebben dat van het toepassingsgebied van een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, worden uitgesloten de personen op wie diezelfde wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is, en moeten, anderzijds, de stelsels van aansluiting bij verplichte verzekeringen verenigbaar zijn met artikel 39 EG (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Kits van Heijningen, punt 20, en Van Pommeren-Bourgondiën, punt 39).

41

Artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 bepaalt uitdrukkelijk dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, „zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont”. Deze bepaling zou niet worden geëerbiedigd indien het woonplaatsvereiste, waarvan de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werkzaamheden in loondienst worden verricht, de aansluiting bij de aldaar geldende verplichte verzekeringsregeling afhankelijk stelt, kan worden tegengeworpen aan de in voornoemd artikel 13, lid 2, sub a, bedoelde personen. Die bepaling heeft tot gevolg, dat het woonplaatsvereiste voor deze personen wordt vervangen door een voorwaarde die berust op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van de betrokken lidstaat (zie reeds aangehaald arrest Kits van Heijningen, punt 21).

42

Derhalve is een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, krachtens welke de woonplaats bepalend is voor de vraag of een werknemer die werkzaam is op een gasboorplatform dat is gelegen op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, al dan niet in aanmerking komt voor een verplichte verzekering in die lidstaat, in strijd met artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71.

43

Bovendien moet worden vastgesteld dat een dergelijke nationale wettelijke regeling niet-ingezeten werknemers, zoals Salemink, wat hun sociale verzekering in Nederland betreft, in een minder gunstige situatie plaatst dan ingezeten werknemers, en daardoor inbreuk maakt op het in artikel 39 EG gegarandeerde beginsel van vrij verkeer.

44

Hoewel het Hof in punt 40 van het reeds aangehaalde arrest Van Pommeren-Bourgondiën niet heeft uitgesloten dat het woonplaatsvereiste dat wordt gesteld om verplicht verzekerd te blijven voor bepaalde takken van sociale zekerheid, verenigbaar zou kunnen zijn met artikel 39 EG, kan de mogelijkheid voor Salemink om zich vrijwillig te verzekeren niet afdoen aan de vaststelling in punt 43 van het onderhavige arrest. De stappen die niet-ingezeten werknemers die zich vrijwillig wensen te verzekeren, op eigen initiatief moeten ondernemen, alsmede de aan een dergelijke verzekering verbonden verplichtingen, zoals de inachtneming van termijnen voor het indienen van een verzekeringsaanvraag, vormen immers elementen die niet-ingezeten werknemers — die enkel de mogelijkheid hebben om zich vrijwillig te verzekeren — in een minder gunstige positie plaatsen dan ingezetenen, die onder de verplichte verzekering vallen.

45

Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 en artikel 39 EG in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.

Kosten

46

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 13, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998, en artikel 39 EG moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een werknemer die werkzaam is op een vaste installatie op het tot een lidstaat behorende gedeelte van het continentaal plat, in die lidstaat niet verplicht verzekerd is ingevolge de nationale wettelijke werknemersverzekeringen, uitsluitend omdat hij niet woonachtig is in die lidstaat, maar in een andere lidstaat.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top