EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62010CJ0029

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 maart 2011.
Heiko Koelzsch tegen État du Groot-Hertogdom Luxemburg.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour d'appel - Luxemburg.
Verdrag van Rome inzake recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst - Arbeidsovereenkomst - Keuze van partijen - Dwingende bepalingen van bij gebreke van rechtskeuze toepasselijke recht - Bepaling welk recht dat is - Begrip land waar de werknemer ‚gewoonlijk zijn arbeid verricht’ - Werknemer die arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht.
Zaak C-29/10.

Jurisprudentie 2011 I-01595

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2011:151

Zaak C‑29/10

Heiko Koelzsch

tegen

Groothertogdom Luxemburg

(verzoek van de Cour d’appel de Luxembourg om een prejudiciële beslissing)

„Verdrag van Rome inzake recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Arbeidsovereenkomst – Keuze van partijen – Dwingende bepalingen van bij gebreke van keuze toepasselijk recht – Bepaling welk recht dat is – Begrip land waar werknemer ‚gewoonlijk zijn arbeid verricht’ – Werknemer die arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht”

Samenvatting van het arrest

1.        Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Recht dat van toepassing is bij gebreke van keuze – Aanknopingscriteria – Arbeidsovereenkomst – Land waar arbeid gewoonlijk wordt verricht – Autonome uitlegging

(Verdrag van Rome van 19 juni 1980, art. 6, lid 2)

2.        Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Recht dat van toepassing is bij gebreke van keuze – Aanknopingscriteria – Arbeidsovereenkomst – Land waar arbeid gewoonlijk wordt verricht – Begrip – Arbeid verricht in verschillende verdragsluitende staten – Land waar of van waaruit werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen vervult

(Verdrag van Rome van 19 juni 1980, art. 6, lid 2)

1.        De regel van artikel 6, lid 2, sub a, van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, en met name het criterium van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht”, moet autonoom worden uitgelegd, in die zin dat de inhoud en de strekking van deze verwijzingsregel niet kunnen worden bepaald op basis van het nationale recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter van toepassing is, maar moeten worden vastgesteld volgens eenvormige en autonome criteria teneinde de volle werking van het Verdrag van Rome van 1980 te verzekeren, gelet op de doelstellingen die daarmee worden nagestreefd.

Voorts mag een dergelijke uitlegging de uitlegging betreffende de criteria van artikel 5, punt 1, van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Executieverdrag) niet buiten beschouwing laten voor zover deze criteria regels vaststellen voor de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid voor dezelfde materies en soortelijke begrippen gebruiken. Uit de preambule van het Verdrag van Rome van 1980 vloeit immers voort dat dit is gesloten ter voortzetting, op het gebied van het internationale privaatrecht, van de eenmaking van het recht waarmee was begonnen met de vaststelling van het Executieverdrag.

(cf. punten 31‑33)

2.        Artikel 6, lid 2, sub a, van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in die zin van deze bepaling, dat is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

Het in artikel 6, lid 2, sub a, van het Verdrag van Rome van 1980 vervatte criterium dient immers ook te worden toegepast in een geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft.

Gelet op het doel van artikel 6 van het Verdrag van Rome van 1980, te weten een passende bescherming van de werknemer te verzekeren, moet het in lid 2, sub a, van dat artikel genoemde criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, ruim worden uitgelegd. In navolging van de uitlegging door het Hof, in het kader van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van artikel 5, punt 1, daarvan, moet het criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, aldus worden opgevat dat het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de activiteiten, naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht. Een dergelijke uitlegging staat bovendien op één lijn met de bewoordingen van de nieuwe bepaling betreffende de collisieregels voor individuele arbeidsovereenkomsten, die is ingevoerd bij verordening nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), met name artikel 8 daarvan.

Wat arbeid betreft die wordt verricht in de sector van het internationale transport, moet de verwijzende rechter, om te bepalen in welke staat de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, rekening houden met alle specifieke kenmerken van die werkzaamheid. Daartoe moet hij met name vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Hij moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.

(cf. punten 42‑50 en dictum)







ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

15 maart 2011 (*)

„Verdrag van Rome inzake recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Arbeidsovereenkomst – Keuze van partijen – Dwingende bepalingen van bij gebreke van rechtskeuze toepasselijke recht – Bepaling welk recht dat is – Begrip land waar werknemer ‚gewoonlijk zijn arbeid verricht’ – Werknemer die arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht”

In zaak C‑29/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens het Eerste Protocol van 19 december 1988 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ingediend door de Cour d’appel de Luxembourg (Luxemburg) bij beslissing van 13 januari 2010, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2010, in de procedure

Heiko Koelzsch

tegen

Groothertogdom Luxemburg,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts en J.‑C. Bonichot, kamerpresidenten, A. Borg Barthet, M. Ilešič, J. Malenovský, U. Lõhmus, P. Lindh en C. Toader (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2010,

gelet op de opmerkingen van:

–        H. Koelzsch, vertegenwoordigd door P. Goergen, avocat,

–        Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door G. Neu en A. Corre, avocats,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door T. Papadopoulou en K. Georgiadis als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 december 2010,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 2, sub a, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: „verdrag van Rome van 1980”), welk artikel betrekking heeft op individuele arbeidsovereenkomsten.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een aansprakelijkheidsvordering van H. Koelzsch tegen het Groothertogdom Luxemburg, gebaseerd op vermeende schending van die bepaling van het verdrag van Rome van 1980 door de rechterlijke autoriteiten van deze staat. Die autoriteiten was verzocht te oordelen over een schadevordering van verzoeker in het hoofdgeding tegen het internationaal transportbedrijf Ove Ostergaard Luxembourg SA, voorheen Gasa Spedition Luxembourg (hierna: „Gasa”), gevestigd te Luxemburg, waarmee hij een arbeidsovereenkomst had gesloten.

 Toepasselijke bepalingen

 Regels betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst en betreffende de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken

 Verdrag van Rome van 1980

3        Artikel 3, lid 1, van het verdrag van Rome van 1980 bepaalt:

„Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.”

4        Artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980, met het opschrift „Individuele arbeidsovereenkomsten”, luidt als volgt:

„1.      Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.

2.      Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:

a)      het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land tewerk is gesteld, of

b)      het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,

tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.”

5        Artikel 2 van het Eerste Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1998, C 27, blz. 47; hierna: „Eerste Protocol betreffende de uitlegging van het verdrag van Rome”) luidt:

„Elke hierna genoemde rechterlijke instantie kan het Hof van Justitie verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag die in een bij deze instantie aanhangige zaak aan de orde is gekomen en die betrekking heeft op de uitlegging van de in artikel 1 genoemde teksten, indien deze rechterlijke instantie een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis:

[...]

b)      de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten wanneer zij in beroep uitspraak doen.”

 Verordening (EG) nr. 593/2008

6        Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6) heeft het verdrag van Rome van 1980 vervangen. Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten.

7        In artikel 8 van verordening nr. 593/2008, met het opschrift „Individuele arbeidsovereenkomsten”, is bepaald:

„1.      Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.

2.      Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.

3.      Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.

4.      Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.”

 Executieverdrag

8        Artikel 5 van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”), is als volgt geformuleerd:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1.      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen;

[...]”

 Verordening (EG) nr. 44/2001

9        Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) heeft het Executieverdrag vervangen.

10      Artikel 19 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of

2.      in een andere lidstaat:

a)      voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of

b)      wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.”

 Nationale wettelijke regelingen

11      Artikel 34, lid 1, van de Luxemburgse wet van 18 mei 1979 houdende hervorming van de personeelsvertegenwoordigingen (Mémorial A 1979, nr. 45, blz. 948) luidt:

„Gedurende hun mandaat kunnen gewone en plaatsvervangende leden van de verschillende personeelsvertegenwoordigingen niet worden ontslagen; het ontslag waarvan door de werkgever kennis wordt gegeven aan een vertegenwoordiger van het personeel moet als nietig worden beschouwd.”

12      In de Duitse wet inzake ontslagbescherming (Kündigungsschutzgesetz) is in § 15, lid 1, bepaald:

„Het ontslag van een lid van een ondernemingsraad [...] is onwettig, tenzij de werkgever op grond van bepaalde feiten mag overgaan tot ontslag op staande voet wegens een dringende reden en de krachtens § 103 van het Betriebsverfassungsgesetz [wet bedrijfsorganisatie] vereiste toestemming is gegeven of is vervangen door een uitspraak van de rechter. Na afloop van het mandaat is ontslag van een lid van een ondernemingsraad [...] onwettig, tenzij de werkgever op grond van bepaalde feiten mag overgaan tot ontslag op staande voet wegens een dringende reden; deze bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de beëindiging van dat lidmaatschap op een uitspraak van de rechter berust.

Na afloop van het mandaat is ontslag gedurende één jaar verboden.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

13      Middels een op 16 oktober 1998 te Luxemburg ondertekende arbeidsovereenkomst is Koelzsch, vrachtwagenchauffeur, woonachtig te Osnabrück (Duitsland), als internationaal chauffeur in dienst getreden van Gasa. Deze overeenkomst bevat een clausule die naar de Luxemburgse wet van 24 mei 1989 inzake de arbeidsovereenkomst (Mémorial A 1989, nr. 35, blz. 612) verwijst, alsmede een clausule waarbij de uitsluitende bevoegdheid aan de gerechten van deze staat wordt toegekend.

14      Gasa is een dochtermaatschappij van de vennootschap naar Deens recht Gasa Odense Blomster amba. Zij vervoert bloemen en planten vanuit Odense (Denemarken) naar bestemmingen voornamelijk gelegen in Duitsland maar ook in andere Europese landen. Zij maakt daarbij gebruik van vrachtwagens met standplaats in Duitsland, meer bepaald in Kassel, in Neukirchen/Vluyn en in Osnabrück. In die lidstaat heeft Gasa geen zetel en geen kantoren. De vrachtwagens zijn geregistreerd in Luxemburg en de chauffeurs zijn aangesloten bij de Luxemburgse sociale zekerheid.

15      Na de aankondiging van de herstructurering van Gasa en de vermindering van de activiteiten met voertuigen vanuit Duitsland hebben de werknemers van deze onderneming op 13 januari 2001 in deze staat een ondernemingsraad („Betriebsrat”) opgericht, waarvoor Koelzsch op 5 maart 2001 tot plaatsvervangend lid is gekozen.

16      Bij brief van 13 maart 2001 heeft de directeur van Gasa de arbeidsovereenkomst van Koelzsch per 15 mei 2001 opgezegd.

 Vordering tot nietigverklaring van het ontslagbesluit en vordering tot schadevergoeding tegen Gasa

17      Verzoeker is om te beginnen in Duitsland opgekomen tegen het ontslagbesluit bij het Arbeitsgericht Osnabrück, dat zich bij uitspraak van 4 juli 2001 territoriaal onbevoegd heeft verklaard. Koelzsch is daartegen in hoger beroep gegaan bij het Landesarbeitsgericht Osnabrück, maar dit hoger beroep werd verworpen.

18      Vervolgens heeft Koelzsch bij verzoekschrift van 24 juli 2002 Ove Ostergaard Luxembourg SA, de rechtsopvolgster van Gasa, voor het Tribunal du travail de Luxembourg gedaagd, opdat zij zou worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag en van een opzeggingsvergoeding en achterstallig loon. Hij betoogde dat, niettegenstaande de keuze van het Luxemburgse recht als lex contractus, de dwingende bepalingen van Duits recht die de leden van de ondernemingsraad („Betriebsrat”) beschermen, op het geding van toepassing zijn, in de zin van artikel 6, lid 1, van het verdrag van Rome van 1980, omdat bij gebreke van een keuze van partijen het Duitse recht het op de overeenkomst toepasselijke recht is. Bijgevolg is zijn ontslag onregelmatig, omdat § 15 van de Duitse wet inzake ontslagbescherming verbiedt dat leden van die „Betriebsrat” worden ontslagen, en dit verbod volgens de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht (federale arbeidsrechter) tevens vervangende leden omvat.

19      In zijn arrest van 4 maart 2004 heeft het Tribunal du travail de Luxembourg geoordeeld dat op het geschil uitsluitend het Luxemburgse recht van toepassing was. Bijgevolg heeft het met name de wet van 18 mei 1979 houdende hervorming van de personeelsvertegenwoordigingen toegepast.

20      Deze uitspraak is ten gronde bevestigd bij het arrest van de Cour d’appel de Luxembourg van 26 mei 2005. Deze rechter oordeelde bovendien dat het verzoek van Koelzsch om genoemde Duitse wet op al zijn vorderingen toe te passen, nieuw was en dus niet-ontvankelijk. De Cour de cassation de Luxembourg heeft ook het cassatieberoep tegen die beslissing bij arrest van 15 juni 2006 afgewezen.

 Vordering tot vaststelling van overheidsaansprakelijkheid wegens schending van het verdrag van Rome van 1980 door de rechterlijke autoriteiten

21      Daar deze eerste procedure voor de Luxemburgse rechter definitief was beëindigd, heeft Koelzsch op 1 maart 2007 op grondslag van artikel 1, eerste alinea, van de wet van 1 september 1988 inzake de wettelijke aansprakelijkheid van de Staat en de overheidsinstanties (Mémorial A 1988, nr. 51, blz. 1000) een schadevordering ingesteld tegen het Groothertogdom Luxemburg, met een beroep op het gebrekkig functioneren van zijn gerechtelijke diensten.

22      Koelzsch betoogde met name dat genoemde rechterlijke uitspraken artikel 6, leden 1 en 2, van het verdrag van Rome van 1980 hadden geschonden, door te verklaren dat de dwingende bepalingen van de Duitse wet inzake ontslagbescherming niet van toepassing waren op zijn arbeidsovereenkomst en door zijn verzoek af te wijzen om het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen opdat zou worden gepreciseerd wat gelet op de gegevens van het onderhavige geval het criterium is voor de plaats waar gewoonlijk de arbeid wordt verricht.

23      Bij uitspraak van 9 november 2007 heeft het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg (Luxemburg) het beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Wat in het bijzonder de vraag van de bepaling van het toepasselijke recht betreft, stelde deze rechtbank vast dat de rechterlijke instanties waarbij het geding tussen Koelzsch en zijn werkgever aanhangig was gemaakt, terecht hadden geoordeeld dat de partijen bij de overeenkomst het Luxemburgse recht als het toepasselijke recht hadden aangewezen, zodat artikel 6, lid 2, van het verdrag van Rome van 1980 niet in aanmerking diende te worden genomen. Voorts stelde deze rechter vast dat de personeelsvertegenwoordigende instellingen worden beheerst door de dwingende voorschriften van het land van de zetel van de werkgever.

24      Op 17 juni 2008 heeft Koelzsch voor de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

25      De Cour d’appel de Luxembourg meent dat het bezwaar van appellant tegen de uitlegging van artikel 6, lid 1, van het verdrag van Rome van 1980 door de Luxemburgse rechterlijke instanties niet volledig ongegrond lijkt omdat zij niet op basis van dit voorschrift hebben bepaald wat bij gebreke van een keuze door partijen het toepasselijke recht was.

26      De Cour d’appel merkt op dat indien het Luxemburgse recht, bij gebreke van een keuze, moet worden aangemerkt als het op de overeenkomst toepasselijke recht, het niet nodig is een vergelijking te maken tussen dit recht en de bepalingen van de Duitse wet die door verzoeker zijn aangevoerd om aan te tonen welke gunstiger is voor de werknemer in de zin van artikel 6, lid 1, van het verdrag van Rome van 1980. Indien daarentegen laatstgenoemde wet moet worden beschouwd als het toepasselijke recht bij gebreke van een keuze van partijen, dan zou de dwingende aard van de regels van het Luxemburgse recht niet in de weg mogen staan aan toepassing van het Duitse recht inzake de bijzondere ontslagbescherming voor leden van personeelsvertegenwoordigingen.

27      In dit verband kan volgens de verwijzende rechter op basis van de aanknopingscriteria van artikel 6, lid 2, van het verdrag van Rome van 1980, met name dat van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, anders dan de oplossing die het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg in zijn uitspraak heeft gekozen, het Duitse recht niet zonder meer worden uitgesloten als lex contractus.

28      De verwijzende rechter is van oordeel dat het begrip „recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” in artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980, omwille van de coherentie moet worden uitgelegd in het licht van het begrip in artikel 5, lid 1, van het Executieverdrag en rekening gehouden met de formulering in artikel 19 van verordening nr. 44/2001, alsmede in artikel 8 van verordening nr. 593/2008, waarin wordt verwezen niet alleen naar het land waar de arbeid wordt verricht, maar tevens naar het land van waaruit de werknemer zijn activiteiten verricht.

29      Gelet op het bovenstaande, heeft de Cour d’appel de Luxembourg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dient de collisieregel van artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van [1980], die stelt dat de arbeidsovereenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, aldus te worden uitgelegd dat indien de werknemer zijn arbeid in verschillende landen verricht, maar systematisch naar één van deze landen terugkeert, dit land dient te worden beschouwd als het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

30      Daar de vraag is gesteld door een appèlrechter is het Hof bevoegd uitspraak te doen over het verzoek om een prejudiciële beslissing, krachtens het op 1 augustus 2004 in werking getreden eerste protocol betreffende de uitlegging van het verdrag van Rome van 1980.

31      Om de gestelde vraag te beantwoorden dient de regel van artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 te worden uitgelegd, en met name het criterium van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht”.

32      Zoals de Europese Commissie terecht heeft beklemtoond, moet dit criterium autonoom worden uitgelegd, in die zin dat de inhoud en de strekking van deze verwijzingsregel niet kunnen worden bepaald op basis van het recht van de aangezochte rechter, maar moeten worden vastgesteld volgens eenvormige criteria teneinde de volle werking van het verdrag van Rome van 1980 te verzekeren, gelet op de doelstellingen die daarmee worden nagestreefd (zie naar analogie arrest van 13 juli 1993 Mulox IBC, C‑125/92, Jurispr. blz. I‑4075, punten 10 en 16).

33      Voorts mag een dergelijke uitlegging de uitlegging betreffende de criteria van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag niet buiten beschouwing laten voor zover deze criteria regels vaststellen voor de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid voor dezelfde materies en soortelijke begrippen gebruiken. Uit de preambule van het verdrag van Rome van 1980 vloeit immers voort dat dit is gesloten ter voortzetting, op het gebied van het internationale privaatrecht, van de eenmaking van het recht waarmee was begonnen met de vaststelling van het Executieverdrag (zie arrest van 6 oktober 2009, ICF, C‑133/08, Jurispr. blz. I‑9687, punt 22).

34      Wat de inhoud van artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 betreft, dit artikel geeft speciale collisieregels in verband met individuele arbeidsovereenkomsten. Deze regels vormen een afwijking van de algemene regels van de artikelen 3 en 4 van dit verdrag, die betrekking hebben op respectievelijk de vrije keuze van het toepasselijke recht en de criteria ter bepaling daarvan bij gebreke van een dergelijke keuze.

35      Artikel 6, lid 1, van genoemd verdrag beperkt de vrijheid van de keuze van het toepasselijke recht. Het bepaalt dat de partijen bij de overeenkomst niet in onderlinge overeenstemming de toepassing van de dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze op de overeenkomst van toepassing zou zijn, kunnen uitsluiten.

36      Artikel 6, lid 2, van dat verdrag geeft specifieke aanknopingscriteria, te weten ofwel dat van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” (sub a), ofwel, bij gebreke van een dergelijke plaats, dat van de zetel van „de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen” (sub b). Voorts bepaalt dit lid dat deze twee aanknopingscriteria niet van toepassing zijn wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.

37      In zijn verwijzingsbeslissing wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welk van de eerste twee criteria van toepassing is de op arbeidsovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is.

38      Volgens het Groothertogdom Luxemburg blijkt uit de bewoordingen van artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 dat het in de prejudiciële vraag bedoelde geval, dat betrekking heeft op arbeid in de transportsector, het geval is waarnaar het criterium van artikel 6, lid 2, sub b, verwijst. Dat wordt aanvaard dat op een dergelijke overeenkomst de aanknopingsregel van artikel 6, lid 2, sub a, moet worden toegepast, zou erop neerkomen dat de bepaling van lid 2, sub b, wordt uitgehold, die juist doelt op het geval waarin de werknemer niet gewoonlijk zijn arbeid in een en hetzelfde land verricht.

39      Volgens verzoeker in het hoofdgeding, de Griekse regering en de Commissie, blijkt daarentegen uit de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag dat de systematische uitlegging van het criterium van de plaats waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” ertoe leidt dat wordt toegelaten dat deze regel tevens wordt toegepast in gevallen waarin de arbeid in verschillende lidstaten wordt verricht. In het bijzonder merken zij op dat het Hof voor het vaststellen van deze plaats in het concrete geval heeft verwezen naar de plaats van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult (arrest Mulox IBC, reeds aangehaald, punten 21‑23) of naar de plaats waar hij het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden heeft gevestigd (arrest van 9 januari 1997, Rutten, C‑383/95, Jurispr. blz. I‑57, punt 23), of, bij gebreke van een kantoor, naar de plaats waar de werknemer het grootste gedeelte van zijn arbeid verricht (arrest van 27 februari 2002, Weber, C‑37/00, Jurispr. blz. I‑2013, punt 42).

40      Uit het rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, door M. Giuliano en P. Lagarde (PB 1980, C 282, blz. 1) blijkt dat artikel 6 daarvan is ontworpen om te voldoen aan de „behoefte aan een regeling die toegespitst is op de onderhavige onderwerpen, waarbij de ene partij overwicht heeft op de andere[, zodat] de partij die in sociaal-economisch opzicht in de contractuele relatie de zwakkere is, tegelijkertijd beter [wordt] beschermd”.

41      Het Hof heeft zich eveneens door deze beginselen laten leiden in de uitlegging van de bevoegdheidsregels betreffende deze overeenkomsten, die zijn vastgelegd in het Executieverdrag. Het heeft immers geoordeeld dat in een geval waarin, zoals in het hoofdgeding, de werknemer zijn beroepswerkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, naar behoren rekening moet worden gehouden met het streven naar een passende bescherming van de werknemer als de sociaal zwakste contractpartij (zie in die zin arrest Rutten, reeds aangehaald, punt 22, en arrest van 10 april 2003, Pugliese, C‑437/00, Jurispr. blz. I‑3573, punt 18).

42      Aangezien de doelstelling van artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 een passende bescherming van de werknemer is, volgt daaruit dat deze bepaling moet worden opgevat als een waarborg dat eerder het recht van de staat waarin hij zijn beroepswerkzaamheden verricht, van toepassing is dan dat van de staat van de zetel van de werkgever. De werknemer oefent zijn economische en sociale functie immers in eerstgenoemde staat uit en, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft beklemtoond, zijn arbeid ondergaat ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat. Bijgevolg moet de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk worden gewaarborgd.

43      Gelet op de met artikel 6 van het verdrag van Rome van 1980 nagestreefde doelstelling moet het in lid 2, sub a, daarvan genoemde criterium van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” dus ruim worden uitgelegd, terwijl het in lid 2, sub b, van dat artikel bedoelde criterium van de zetel van de „de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen” toepassing zou moeten vinden wanneer de aangezochte rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht.

44      Uit het voorgaande vloeit voort dat het in artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 vervatte criterium ook dient te worden toegepast in een geval, zoals dat aan de orde in het hoofdgeding, waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft.

45      Volgens de in punt 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, die relevant blijft bij de analyse van artikel 6, lid 2, van het verdrag van Rome van 1980, moet het criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, wanneer de arbeid in meer dan één lidstaat wordt verricht, ruim worden uitgelegd en aldus worden opgevat dat het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de activiteiten, naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.

46      Deze uitlegging staat bovendien op één lijn met de bewoordingen van de nieuwe bepaling betreffende de collisieregels voor individuele arbeidsovereenkomsten, die is ingevoerd bij verordening nr. 593/2008, die ratione temporis in casu niet van toepassing is. Artikel 8 van deze verordening bepaalt immers dat voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Dit recht blijft ook van toepassing wanneer de werknemer tijdelijk werkzaamheden in een andere staat verricht. Zoals voorts punt 23 van de considerans van deze verordening vermeldt, moet de uitlegging van deze bepaling worden ingegeven door de beginselen van favor laboratoris, want de zwakkere partijen moeten worden beschermd „door collisieregels die gunstiger zijn”.

47      Blijkens het voorgaande moet de verwijzende rechter het aanknopingscriterium van artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 ruim uitleggen om vast te stellen of verzoeker in het hoofdgeding gewoonlijk zijn arbeid in een van de verdragsluitende staten verricht en om te bepalen welke van die staten dat is.

48      Hiertoe moet de verwijzende rechter vanwege de aard van de arbeid in de sector van het internationale transport, als aan de orde in het hoofdgeding, zoals de advocaat-generaal in de punten 93 tot en met 96 van haar conclusie heeft gesuggereerd, rekening houden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken.

49      Hij moet met name vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Hij moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.

50      In die omstandigheden dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, sub a, van het verdrag van Rome van 1980 aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in die zin van deze bepaling, dat is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 2, sub a, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in die zin van deze bepaling, dat is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.

Top