EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62010CC0416

Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 19 april 2012.
Jozef Križan en anderen tegen Slovenská inšpekcia životného prostredia.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Najvyšší súd Slovenskej republiky - Slowakije.
Artikel 267 VWEU - Vernietiging van rechterlijke beslissing - Terugverwijzing naar betrokken rechter - Verplichting om te voldoen aan vernietigingsbeslissing - Prejudiciële verwijzing - Mogelijkheid - Milieu - Verdrag van Aarhus - Richtlijn 85/337/EEG - Richtlijn 96/61/EG - Inspraak van publiek bij besluitvorming - Aanleg van stortplaats van afvalstoffen - Aanvraag van vergunning - Zakengeheim - Niet-mededeling van stuk aan publiek - Gevolg voor geldigheid van besluit over vergunning voor stortplaats - Herstel - Milieueffectbeoordeling van project - Aan toetreding van lidstaat tot Unie voorafgaand eindadvies - Toepassing ratione temporis van richtlijn 85/337 - Beroep in rechte - Voorlopige maatregelen - Opschorting van tenuitvoerlegging - Nietigverklaring van bestreden besluit - Eigendomsrecht - Afbreuk.
Zaak C-416/10.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2012:218

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 19 april 2012 ( 1 )

Zaak C-416/10

Jozef Križan e.a.

tegen

Slovenská inšpekcia životného prostredia

[verzoek van het Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) om een prejudiciële beslissing]

„Milieu — Aanleg stortplaats — Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bevoegdheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof na arrest van nationaal grondwettelijk hof — Richtlijn 2008/1/EG — Geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging — Richtlijn 1999/31/EG — Stortplaatsen — Inspraak — Toegang tot een locatiebesluit — Doeltreffendheidsbeginsel — Correctie van procedurefouten — Richtlijn 85/337/EEG — Milieueffectbeoordeling bij bepaalde openbare en particuliere projecten — Actualiteit van de milieueffectbeoordeling — Bevoegdheid van de nationale rechter tot ambtshalve toetsing van de actualiteit van een milieueffectbeoordeling — Voorlopige maatregelen in milieuzaken — Eigendom”

Inhoud

 

I – Inleiding

 

II – Toepasselijke wetgeving

 

A – Verdrag van Aarhus

 

B – Unierecht

 

1. De IPPC-richtlijn

 

2. Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen

 

3. Richtlijn inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie

 

4. De MEB-richtlijn

 

C – Slowaaks recht

 

III – Feiten, hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing

 

A – De locatie

 

B – Milieueffectbeoordeling

 

C – Geïntegreerde vergunning voor de installatie

 

D – Gerechtelijke procedure

 

E – De prejudiciële vragen van het hooggerechtshof

 

IV – Juridische beoordeling

 

A – Eerste prejudiciële vraag – Verwijzingsbevoegdheid van het hooggerechtshof

 

B – Tweede prejudiciële vraag – Toegang tot het locatiebesluit in het kader van de geïntegreerde procedure

 

1. Ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag

 

2. Vereiste van toegang tot het locatiebesluit

 

a) Openbaarmaking van informatie in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure

 

b) Openbaarmaking locatiebesluit

 

3. Bescherming van zakengeheimen

 

4. Tijdstip van openbaarmaking

 

5. Antwoord op de tweede prejudiciële vraag

 

C – Derde prejudiciële vraag – Toepassing van de MEB-richtlijn

 

1. De MEB-richtlijn

 

a) Toepasselijkheid van de MEB-richtlijn

 

b) Criteria voor een verlenging van de geldigheid van het MEB-besluit

 

c) Inspraak in de besluitvorming over de toereikendheid van een oude milieueffectbeoordeling

 

d) Tussenconclusie

 

2. Rechtmatigheid van een ontkoppeling van de rechterlijke bescherming met betrekking tot uiteenlopende voorwaarden voor een vergunning

 

3. Ambtshalve toetsing van bepaalde rechtsvragen

 

4. Antwoord op de derde prejudiciële vraag

 

D – Vierde prejudiciële vraag – Voorlopige maatregelen

 

E – Vijfde prejudiciële vraag – Omvang van de bescherming van de eigendom

 

V – Conclusie

I – Inleiding

1.

Het hooggerechtshof van Slowakije, de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hierna: „hooggerechtshof” of „verwijzende rechter”), stelt het Hof diverse vragen die zijn gerezen in een zeer ingewikkeld geding inzake de vergunningverlening voor de aanleg van een stortplaats.

2.

Het gaat met name om de vraag of in het kader van de inspraak in een vergunningprocedure uit hoofde van de richtlijn inzake geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging ( 2 ) (hierna: „IPPC-richtlijn”) een besluit betreffende de aanwijzing van de locatie van een stortplaats moet worden voorgelegd, dat is vastgesteld in een procedure die losstaat van die vergunningprocedure.

3.

Daarnaast rijzen vragen met betrekking tot de richtlijn tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ( 3 ) (hierna: „MEB-richtlijn”), in het bijzonder de toepassing ratione temporis ervan, de actualiteit van de milieueffectbeoordeling en de inspraak van het publiek bij de toetsing van de actualiteit van die milieueffectbeoordeling.

4.

Deze milieurechtelijke vraagstukken zijn ingebed in problemen rond de verwezenlijking van het doeltreffendheidsbeginsel bij de organisatie van nationale procedures op het stuk van rechterlijke bescherming en bestuur.

5.

In verband met de toegang tot het locatiebesluit rijst bijvoorbeeld de vraag of de aanvankelijke, onrechtmatige weigering van die toegang later in de loop van de bestuursrechtelijke procedure kan worden gecorrigeerd.

6.

In verband met mogelijke tekortkomingen van de milieueffectbeoordeling moet worden onderzocht of het verenigbaar is met het Unierecht dat het nationale recht voorziet in een rechtsgang die losstaat van die voor de geïntegreerde vergunning voor de stortplaats en of de bevoegde nationale rechter in het geding betreffende de geïntegreerde vergunning tekortkomingen in de milieueffectbeoordeling ambtshalve kan respectievelijk moet aan de orde stellen.

7.

Voorts wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij bevoegd is voorlopige maatregelen te gelasten en of de toepassing van de twee genoemde richtlijnen en van het Verdrag van Aarhus ( 4 ) verenigbaar is met het grondrecht op eigendom.

II – Toepasselijke wetgeving

A – Verdrag van Aarhus

8.

Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus, dat de Gemeenschap op 25 juni 1998 te Aarhus (Denemarken) heeft ondertekend ( 5 ), bepaalt dat bij besluiten over bepaalde activiteiten de mogelijkheid van inspraak moet bestaan.

9.

Artikel 6, lid 4, van dat verdrag regelt de kwaliteit van die inspraak:

„Elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.”

10.

Artikel 6, lid 6, van het Verdrag van Aarhus bevat nadere bepalingen inzake de toegang tot informatie in het kader van de inspraak:

„Elke partij stelt aan de bevoegde overheidsinstanties de eis dat zij het betrokken publiek voor inzage toegang verschaffen, op verzoek wanneer het nationale recht dit vereist, kosteloos en zodra deze beschikbaar wordt, tot alle informatie die relevant is voor de in dit artikel bedoelde besluitvorming die beschikbaar is ten tijde van de inspraakprocedure, onverminderd het recht van partijen te weigeren bepaalde informatie bekend te maken in overeenstemming met artikel 4, leden 3 en 4. [...]”

11.

Artikel 9 van het Verdrag van Aarhus bevat bepalingen inzake de rechterlijke bescherming. In casu is lid 4 ervan van bijzonder belang:

„Aanvullend op en onverminderd het voorgaande lid 1, voorzien de in de voorgaande leden 1, 2 en 3, bedoelde procedures in passende en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een dwangmiddel tot rechtsherstel en zijn zij billijk, snel en niet onevenredig kostbaar. [...]”

B – Unierecht

1. De IPPC-richtlijn

12.

Het hoofdgeding heeft betrekking op een besluit van 18 augustus 2008. De meerdere malen gewijzigde richtlijn 96/61/EG ( 6 ) was blijkens artikel 22 van richtlijn 2008/1 reeds op 18 februari van dat jaar zonder overgangstermijn bij die richtlijn gecodificeerd, zonder inhoudelijke wijzigingen. Ik zal derhalve uitgaan van de IPPC-richtlijn in de versie van richtlijn 2008/1.

13.

Punt 11 van de considerans regelt de verhouding tot de MEB-richtlijn:

„De bepalingen van deze richtlijn moeten van toepassing zijn onverminderd richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Indien ingevolge de toepassing van deze laatste richtlijn verkregen informatie of conclusies bij het verlenen van een vergunning in aanmerking moeten worden genomen, mag de onderhavige richtlijn geen afbreuk doen aan de tenuitvoerlegging van die richtlijn.”

14.

Punt 24 van de considerans heeft betrekking op inspraak:

„Werkelijke inspraak bij het nemen van beslissingen moet het publiek de gelegenheid bieden zijn mening en bezorgdheid te uiten, die van belang kunnen zijn voor die beslissingen, en stelt de besluitvormers in staat daarmee rekening te houden, hetgeen de verantwoording en de transparantie van de besluitvorming vergroot en bijdraagt tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken en steun aan de genomen beslissingen. Het grote publiek moet met name toegang hebben tot informatie over de exploitatie van installaties en de mogelijke milieueffecten daarvan en, alvorens enige vergunning wordt afgegeven, tot informatie betreffende de aanvragen om een vergunning voor nieuwe installaties of belangrijke wijzigingen en tot de vergunningen zelf, de bijstellingen daarvan en de daarmee samenhangende controlegegevens.”

15.

Artikel 1 van de IPPC-richtlijn licht het doel ervan als volgt toe:

„Deze richtlijn heeft de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG en andere Gemeenschapsvoorschriften.”

16.

Welke eisen aan een aanvraag van een vergunning worden gesteld, volgt uit artikel 6 van de IPPC-richtlijn:

„1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de aanvraag van een vergunning bij de bevoegde autoriteit een beschrijving bevat van:

a)

de installatie en de aard en omvang van de activiteiten die daar plaatsvinden;

[...]

d)

de situatie van de plaats waar de installatie komt;

[...]

j)

een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven, voor zover deze bestaan.

De aanvraag van een vergunning dient een niet-technische samenvatting van de sub a tot en met j genoemde gegevens te bevatten.

2.   Indien aan één van de eisen van dit artikel kan worden voldaan met gegevens overeenkomstig de eisen van richtlijn 85/337/EEG of [...] met andere informatie, verstrekt overeenkomstig andere wetgeving, kunnen die gegevens in de vergunningaanvraag worden opgenomen of daarbij worden gevoegd.”

17.

Artikel 9 van de IPPC-richtlijn bevat bepalingen inzake de inhoud van een vergunning:

„1.   De lidstaten controleren of de vergunning alle maatregelen omvat die ter vervulling van de vergunningvoorwaarden van de artikelen 3 en 10 nodig zijn om de bescherming van lucht, water en bodem te waarborgen en aldus een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken.

2.   In het geval van een nieuwe installatie of een belangrijke wijziging waarop artikel 4 van Richtlijn 85/337/EEG van toepassing is, moeten voor de verlening van de vergunning alle ingevolge de toepassing van de artikelen 5, 6 en 7 van die richtlijn verkregen relevante gegevens en conclusies in aanmerking worden genomen.

[...]

4.   Onverminderd artikel 10 zijn de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in lid 3, gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. De vergunningvoorwaarden bevatten in ieder geval bepalingen betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.”

18.

Artikel 15 van de IPPC-richtlijn regelt de inspraak van het publiek:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de besluitvormingsprocedure voor:

a)

de afgifte van een vergunning voor nieuwe installaties;

[...]

De procedure van bijlage V is voor deze inspraak van toepassing.

2.   [...]

3.   De leden 1 en 2 zijn van toepassing onverminderd de in artikel 4, leden 1, 2 en 4 van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie opgenomen beperkingen.”

19.

Artikel 16 van de IPPC-richtlijn bevat bijzondere bepalingen inzake de toegang tot de rechter, ter omzetting van artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus.

20.

Bijlage V verduidelijkt welke informatie toegankelijk moet worden gemaakt voor het publiek:

„1.

Het publiek wordt (door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze) in een vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure, en uiterlijk zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van het volgende:

a)

de aanvraag om een vergunning of, naargelang van het geval, het voorstel tot bijstelling van een vergunning of van vergunningvoorwaarden overeenkomstig artikel 15, lid 1, met de in artikel 6, lid 1, genoemde gegevens;

[...]

c)

nadere gegevens betreffende de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, waarbij relevante informatie kan worden verkregen, waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens betreffende de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;

[...]

f)

tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;

[...]

2.

De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn ter beschikking van het betrokken publiek wordt gesteld:

a)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met lid 1;

b)

overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2003/4/EG, andere informatie dan de in punt 1 bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 8 en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig punt 1 is geïnformeerd.”

21.

De raadpleging van het publiek is geregeld in bijlage V, punten 3 en 4:

„3.

Het betrokken publiek heeft het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde autoriteit voordat een besluit wordt genomen.

4.

De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van deze bijlage moeten naar behoren in aanmerking worden genomen bij de besluitvorming.”

2. Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen

22.

De richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen ( 7 ) (hierna: „afvalstortrichtlijn”) bevat regelingen betreffende de aanleg en de exploitatie van stortplaatsen.

23.

Artikel 1, lid 2, van de afvalstortrichtlijn noemt de technische voorschriften die gelden voor stortplaatsen die onder de IPPC-richtlijn vallen:

„Met betrekking tot de technische kenmerken van stortplaatsen bevat deze richtlijn ter concrete uitwerking van de algemene voorschriften van richtlijn 96/61/EG de technische voorschriften die gelden voor de stortplaatsen waarop die richtlijn van toepassing is. Aan de desbetreffende voorschriften van richtlijn 96/61/EG wordt geacht te zijn voldaan, indien aan de voorschriften van deze richtlijn is voldaan.”

24.

Artikel 7 van de afvalstortrichtlijn regelt de inhoud van aanvragen van een vergunning. Tot de hierin te verstrekken gegevens behoort met name:

„d)

de beschrijving van het terrein, met inbegrip van de hydrogeologische en geologische kenmerken”.

25.

De voorwaarden voor de verlening van een vergunning volgen uit artikel 8:

„De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a)

de bevoegde autoriteit geen stortplaatsvergunning verleent, tenzij te haren genoege is aangetoond dat:

i)

onverminderd artikel 3, leden 3 en 4, het stortplaatsproject voldoet aan alle desbetreffende eisen van deze richtlijn, met inbegrip van de bijlagen,

[...]”

26.

Bijlage I bij de afvalstortrichtlijn specificeert de aan de stortplaats en met name de ligging ervan te stellen eisen:

„1.

Plaats

1.1.

Bij de inrichting van een stortplaats moet rekening worden gehouden met voorschriften betreffende:

a)

de afstand tussen de grens van het terrein enerzijds en woon- en recreatiegebieden, waterwegen, watermassa’s en andere landbouw- en stadsgebieden anderzijds;

b)

de aanwezigheid van grondwater, kustwater of natuurbeschermingsgebieden in de omgeving;

c)

de geologische en hydrogeologische gesteldheid van het gebied;

d)

het gevaar van overstromingen, verzakkingen, aardverschuivingen of lawines op het terrein;

e)

de bescherming van het natuurlijke of culturele erfgoed in de omgeving.

1.2.

Er kan alleen toestemming voor een stortplaats worden verleend als blijkt dat de eigenschappen van de stortplaats met betrekking tot bovengenoemde voorschriften, of de te treffen corrigerende maatregelen, geen ernstig gevaar voor het milieu opleveren.”

3. Richtlijn inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie

27.

Artikel 15, lid 3, van de IPPC-richtlijn heeft betrekking op de richtlijn inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie ( 8 ) (hierna: „richtlijn milieu-informatie”). Artikel 4 ervan regelt de uitzonderingen:

„1.   [...]

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd, indien openbaarmaking van de informatie afbreuk doet aan een van de volgende punten:

[...]

d)

de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, wanneer deze vertrouwelijkheid bij de nationale of de communautaire wetgeving geboden wordt om een gewettigd economisch belang te beschermen, met inbegrip van het algemeen belang dat met statistische en fiscale geheimhouding is gediend;

[...]

De in de leden 1 en 2 genoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met voor het specifieke geval inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang. In elk afzonderlijk geval dient het algemene belang dat is gediend met openbaarmaking te worden afgewogen tegen het specifieke belang dat is gediend met de weigering om openbaar te maken. De lidstaten kunnen het bepaalde in lid 2, sub a, d, f, g en h, niet als grondslag aanzien om te bepalen dat een verzoek kan worden geweigerd indien het betrekking heeft op informatie over emissies in het milieu.

[...]

3.   [...]

4.   Milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen wordt beheerd, en waarom door een aanvrager is verzocht, wordt gedeeltelijk beschikbaar gesteld wanneer het mogelijk is informatie waarop lid 1, sub d en e, of lid 2, van toepassing is, van de overige gevraagde informatie te scheiden.”

4. De MEB-richtlijn

28.

Artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn definieert het begrip vergunning als:

„het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren.”

29.

Artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn legt vast dat uitvoering van een milieueffectbeoordeling principieel verplicht is:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.”

30.

Artikel 10 bis van de MEB-richtlijn bevat bijzondere bepalingen inzake de toegang tot de rechter, ter omzetting van artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus.

C – Slowaaks recht

31.

In Slowakije is de IPPC-richtlijn bij wet 245/2003 omgezet in nationaal recht. In casu is met name § 8, leden 3 en 4, relevant, dat de verhouding tot andere bestuurlijke procedures regelt:

„3.   Indien het gaat om een geïntegreerde exploitatievergunning die tevens de verlening van een vergunning voor de oprichting van een nieuw bouwwerk of een wijziging van een bestaand bouwwerk vereist, behoort tot de procedure ook een bouwvergunningprocedure. De stedenbouwkundige dienst heeft in het kader van de geïntegreerde vergunning de hoedanigheid van betrokken autoriteit (§ 10, lid 2).

4.   De procedure inzake het ruimtelijke-ordeningsplan, de beoordeling van de milieueffecten van de installatie en de vaststelling van de voorwaarden voor de preventie van ernstige industriële ongelukken maken geen deel uit van de geïntegreerde vergunning.”

32.

Relevant is voorts § 11, lid 2, sub g, dat bepaalt dat bij de indiening van een vergunningaanvraag een eventueel besluit betreffende de locatie van de stortplaats (hierna: „locatiebesluit”) moet worden overgelegd:

„Bij de aanvraag moet worden gevoegd:

[...]

„een besluit inzake de bestemming van de grond indien het een nieuw bedrijf of de uitbreiding van een bestaand bedrijf betreft,

[...]”

III – Feiten, hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing

33.

Het hoofdgeding heeft betrekking op de aanleg van een stortplaats in de Slowaakse stad Pezinok. De bedoeling is om op het terrein van een voormalige steenfabriek waar al tientallen jaren een oude stortplaats wordt geëxploiteerd, in een vroegere leemgroeve een nieuwe stortplaats aan te leggen.

34.

Blijkens de stukken zijn met betrekking tot dat project drie op elkaar opbouwende besluiten genomen, die elk in van elkaar losstaande bestuurlijke procedures zijn vastgesteld. De gemeente en de regionale stedenbouwkundige autoriteit hebben de locatie aangewezen, het ministerie van Milieu heeft een milieueffectbeoordeling verricht en de milieu-inspectie heeft ten slotte in een procedure in twee instanties een geïntegreerde vergunning voor de aanleg van de installatie verleend. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding over laatstgenoemd besluit.

A – De locatie

35.

De gemeente Pezinok keurde op 26 juni 1997 bij algemene regeling nr. 2/1997 een ruimtelijke-ordeningsplan goed, dat onder meer voorzag in de aanleg van een stortplaats in de voornoemde oude leemgroeve in de onmiddellijke nabijheid (ongeveer 300 meter) van de stad. De gemeente wijzigde dit plan echter in 2002 en stelde in 2006, nadat het Slowaakse Constitutionele Hof het bestaande plan ongrondwettig had verklaard, een nieuw plan vast. Zowel in 2002 als in 2006 besloot de gemeente dat op het betrokken terrein geen stortplaats mocht worden aangelegd.

36.

De onderneming Ekologická skládka a.s. (hierna: „Ekologická skládka”) had echter reeds op 7 augustus 2002 een aanvraag ingediend om aanwijzing van de locatie van de nieuwe stortplaats. De gemeente wees die aanvraag op 30 november 2006 af, maar de regionale stedenbouwkundige dienst van Bratislava wijzigde dat besluit op 7 mei 2007 en verleende een bestemmingsvergunning waarin de locatie van de stortplaats werd aangegeven.

37.

In het kader van die bestuurlijke procedure heeft een aantal bewoners (hierna: „Križan e.a.”) bezwaar aangetekend, met name wegens schending van het gewijzigde stedenbouwkundige plan uit 2006 en partijdigheid van het personeel van de regionale stedenbouwkundige dienst. Zij werden echter van de procedure uitgesloten omdat hun rechten in die fase van de procedure niet rechtstreeks werden geraakt. Bij het wijzigingsbesluit werd dus geen rekening gehouden met voornoemde bezwaren.

38.

Een beroep van de gemeente Pezinok tegen het wijzigingsbesluit werd afgewezen, aangezien zij in die procedure niet tegelijkertijd als bestuurlijke instantie in eerste aanleg en als partij kon fungeren. ( 9 ) Križan e.a. wijzen erop dat hun beroep tegen de uitsluiting van de procedure weliswaar is toegewezen ( 10 ), maar dat het locatiebesluit inmiddels definitief is geworden.

B – Milieueffectbeoordeling

39.

Op een verzoek van de vennootschap Pezinské tehelne a.s. (hierna: „Pezinské tehelne”) van 16 december 1998 heeft het Ministerie van Milieu een milieueffectbeoordeling voor het stortplaatsproject verricht en op 26 juli 1999 een definitief advies ter zake opgesteld.

40.

Parallel aan de procedure inzake de aanwijzing van de locatie van de stortplaats verlengde het Ministerie van Milieu op verzoek van Pezinské tehelne bij beschikking van 27 maart 2006 de geldigheid van het advies over de milieueffecten tot 1 februari 2008.

C – Geïntegreerde vergunning voor de installatie

41.

Nadat de twee genoemde procedures waren afgerond, opende de Slowaakse milieu-inspectie op een verzoek van Ekologická skládka van 25 september 2007 de geïntegreerde procedure van wet nr. 245/2003 waarbij de IPPC-richtlijn in nationaal recht is omgezet. De milieu-inspectie maakte de door haar ontvangen aanvraag op 17 oktober 2007 bekend en leidde de inspraakprocedure in.

42.

In de bestuursrechtelijke procedure in eerste aanleg voerden Križan e.a. en de gemeente Pezinok aan dat de aanvraag onvolledig was en niet, zoals wettelijk voorgeschreven, het locatiebesluit bevatte. Op verzoek van de milieu-inspectie legde Ekologická skládka weliswaar het definitief geworden besluit van de regionale stedenbouwkundige dienst over de locatie van de stortplaats over, maar voerde aan dat dit onder de bescherming van zakengeheimen viel en dus niet ter inzage kon worden gelegd.

43.

Op 22 januari 2008 verleende de milieu-inspectie de geïntegreerde vergunning voor de aanleg en exploitatie van de stortplaats.

44.

Tegen die beslissing tekenden Križan e.a. en de gemeente Pezinok bezwaar aan bij de milieu-inspectie. Zij stelden met name dat het stedenbouwkundige plan was geschonden en dat het besluit over de locatie van de stortplaats hun niet was meegedeeld. Ook was de geplande stortplaats huns inziens niet ver genoeg van de bebouwde kom verwijderd en onverenigbaar met een doeltreffende milieubescherming.

45.

In die procedure maakte de milieu-inspectie haar locatiebesluit bekend door aanplakking ervan in haar kantoren van 14 maart tot en met 14 april 2008. Het bezwaar wees zij bij beschikking van 18 augustus 2008 af. Aangaande het bezwaar van schending van het stedenbouwkundige plan stelde de milieu-inspectie vast dat dit in het kader van de procedure betreffende de aanwijzing van de locatie had moeten worden aangevoerd.

D – Gerechtelijke procedure

46.

Tegen de beschikking van de milieu-inspectie in tweede aanleg van 18 augustus 2008 hebben Križan e.a. en de gemeente Pezinok beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank Bratislava, dat door deze bij vonnis van 4 december 2008 is afgewezen.

47.

In hoger beroep schortte het hooggerechtshof in eerste instantie de werking van de geïntegreerde vergunning bij voorlopige beslissing van 6 april 2009 op en vernietigde die later bij arrest van 28 mei 2009. In de motivering verwees het naar de late bekendmaking van het locatiebesluit en laakte het de verlenging van het besluit over de milieubeoordeling van het project (hierna: „MEB-besluit”).

48.

Tegen die uitspraken heeft Ekologická skládka beroep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof. Dit vernietigde bij arrest van 27 mei 2010 de voorlopige beslissing van het hooggerechtshof van 6 april 2009 alsook diens arrest van 28 mei 2009 en verwees de zaak ter verdere afdoening terug aan het hooggerechtshof.

49.

Het Grondwettelijk Hof baseerde zijn uitspraak vooral hierop dat het hooggerechtshof in het bestreden arrest onvoldoende had onderzocht of in de bezwaarprocedure de inspraak van het publiek in de zin van de geïntegreerde vergunningprocedure voldoende gewaarborgd was. Het achtte dit procedurerechtelijk niet uitgesloten.

50.

Het Grondwettelijk Hof laakte bovendien de vaststellingen inzake de verlenging van het MEB-besluit. Dat besluit was zijns inziens geen voorwerp van de procedure aangezien de appellanten niet de onrechtmatigheid daarvan hadden gesteld en aangezien er voor de toetsing van MEB-besluiten een specifieke procedure bestaat.

E – De prejudiciële vragen van het hooggerechtshof

51.

Na de verwijzing is de zaak thans weer aanhangig bij het hooggerechtshof, dat de volgende prejudiciële vragen voorlegt aan het Hof:

„1)

Verplicht het Unierecht (meer bepaald artikel 267 VWEU) het hooggerechtshof van een lidstaat, of staat het dit toe, ambtshalve een prejudiciële vraag naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te verwijzen, zelfs in een stand van de procedure waarin het grondwettelijk hof een beslissing van het hooggerechtshof heeft vernietigd wegens met name de toepassing van het Unierecht inzake milieubescherming, en dit laatste de verplichting heeft opgelegd om zich te houden aan de rechtsoordelen van het grondwettelijk hof ten aanzien van de schending van procedurele en materiële grondrechten van een bij een gerechtelijke procedure betrokken partij, zonder rekening te houden met de communautaire dimensie van het geschil; of anders gezegd, wanneer het grondwettelijk hof, dat in laatste instantie uitspraak doet, in die procedure niet tot de noodzaak van het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geconcludeerd en provisoir de toepassing van het recht op een passend milieu en de bescherming daarvan heeft uitgesloten?

2)

Kan de fundamentele doelstelling van geïntegreerde preventie, die volgt uit onder meer de punten 8, 9 en 23 van de considerans en de artikelen 1 en 15 van richtlijn [96/61] alsmede uit het milieubeleid van de Unie in het algemeen, namelijk te komen tot preventie en bestrijding van milieuverontreiniging door ook het publiek daarbij te betrekken om zo een hoog niveau van milieubescherming te verwezenlijken, worden bereikt wanneer het publiek bij de aanvang van de procedure ter zake van de geïntegreerde preventie geen toegang tot alle relevante documenten wordt verleend (artikel 6 juncto artikel 15 van richtlijn [96/61]), en meer bepaald tot het besluit betreffende de locatie van een stortplaats, en dit document vervolgens door de aanvrager in de procedure in eerste aanleg wordt overgelegd onder de voorwaarde dat het niet aan de overige partijen in de procedure ter inzage wordt gegeven omdat het een zakengeheim betreft, terwijl redelijkerwijs kan worden verondersteld dat het besluit betreffende de locatie van een installatie (met name de motivering ervan) een wezenlijke invloed zal hebben op de aan te voeren argumenten, zienswijzen en overige opmerkingen?

3)

Worden de doelstellingen van de MEB-richtlijn bereikt, met name vanuit het oogpunt van het milieubeleid van de Unie en meer concreet vanuit het oogpunt van de in artikel 2 neergelegde voorwaarde dat bepaalde projecten voorafgaand aan de vergunningverlening op hun milieueffecten worden beoordeeld, wanneer het aanvankelijke advies van het ministerie van Milieu, dat in 1999 is opgesteld na afronding van de procedure ter zake van de milieueffectbeoordeling, verscheidene jaren later bij eenvoudig besluit is verlengd zonder dat een nieuwe milieueffectbeoordeling wordt verricht? Anders gezegd, is een besluit krachtens de MEB-richtlijn, wanneer dat eenmaal is vastgesteld, onbeperkt geldig in de tijd?

4)

Omvat de voorwaarde die in het algemeen uit de IPPC-richtlijn (met name de considerans en de artikelen 1 en 15 bis ervan) voortvloeit, te weten dat de lidstaten de preventie en de bestrijding van milieuverontreiniging waarborgen door er onder meer voor te zorgen dat het publiek eerlijke, billijke en snelle bestuursrechtelijke en gerechtelijke procedures ter beschikking staan, gelezen in samenhang met artikel 10 van de MEB-richtlijn en de artikelen 6 en 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus, ook de mogelijkheid voor het publiek om krachtens nationaal recht om een bestuursrechtelijke of gerechtelijke voorlopige maatregel te verzoeken (bijvoorbeeld opschorting van de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde beschikking), op grond waarvan de aanleg van de installatie tijdelijk, tot aan de beslissing ten gronde, kan worden stilgelegd?

5)

Is het mogelijk dat door middel van een gerechtelijke beslissing die voldoet aan de voorwaarden van de IPPC-richtlijn, de MEB-richtlijn of artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus, waarbij toepassing wordt gegeven aan het in die bepalingen neergelegde recht op billijke rechterlijke bescherming in de zin van artikel 191, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzake het milieubeleid van de Unie, onrechtmatig wordt ingegrepen in het eigendomsrecht van de exploitant van een installatie, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 1 van het Aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bijvoorbeeld doordat in een gerechtelijke procedure de aan een aanvrager geldig verleende vergunning voor een nieuwe exploitatie nietig wordt verklaard?”

52.

Križan e.a., de gemeente Pezinok, de milieu-inspectie Bratislava, Ekologická skládka, de Tsjechische Republiek, de Republiek Oostenrijk, de Slowaakse Republiek en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Aan de terechtzitting op 17 januari 2012 is bovendien deelgenomen door de Franse Republiek, maar niet door Ekologická skládka.

IV – Juridische beoordeling

A – Eerste prejudiciële vraag – Verwijzingsbevoegdheid van het hooggerechtshof

53.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het arrest van het Grondwettelijk Hof in de weg staat aan het verzoek om een prejudiciële beslissing. Het hooggerechtshof is namelijk volgens nationaal recht verplicht om bij de beslechting van het hoofdgeding de opvatting van het Grondwettelijk Hof in aanmerking te nemen. Bovendien wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij het verzoek ambtshalve kan indienen, dat wil zeggen zonder door partijen hierom te zijn gevraagd.

54.

Het in de motivering van de verwijzingsbeschikking eveneens aangekaarte vraagstuk of het Unierecht voorziet in de mogelijkheid, of zelfs de verplichting, dat het hooggerechtshof bepaalde rechtsvragen ambtshalve aan de orde stelt, zal ik daarentegen in het kader van de derde prejudiciële vraag onderzoeken. ( 11 ) Volgens vaste rechtspraak kan de betrokken regeling zelf namelijk een doorslaggevende rol spelen met betrekking tot de vraag of zij ambtshalve moet worden getoetst. ( 12 ) Het hooggerechtshof vermeldt echter alleen in verband met de in de derde prejudiciële vraag aan de orde gestelde rechtsvragen de mogelijkheid om deze ambtshalve in het geding te brengen.

55.

Volgens vaste rechtspraak staan noch de vaststellingen van het Grondwettelijk Hof, noch het feit dat partijen niets hebben gesteld inzake verwijzing naar het Hof, in de weg aan een verzoek om een prejudiciële beslissing.

56.

De nationale rechterlijke instanties bezitten volgens artikel 267 VWEU een onbeperkte – dat wil zeggen ambtshalve of op verzoek van partijen uit te oefenen ( 13 ) – bevoegdheid om zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen opwerpt die een uitlegging of een beoordeling van de geldigheid van bepalingen van Unierecht verlangen en ter zake waarvan zij een beslissing moeten nemen. ( 14 )

57.

Een rechterlijke instantie waarvan de uitspraken volgens nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is volgens artikel 267, derde alinea, VWEU verplicht het Hof een prejudiciële vraag te stellen indien zij geconfronteerd wordt met vragen betreffende de uitlegging van Unierecht. Een rechtsmiddel in de zin van die bepaling moet betrekking kunnen hebben op de juiste toepassing van het Unierecht ( 15 ), aangezien de verwijzingsplicht van rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, ertoe dient te voorkomen dat zich in een lidstaat een nationale rechtspraak ontwikkelt die niet strookt met de regels van Unierecht. ( 16 )

58.

Ik ga uit van de veronderstelling dat het hooggerechtshof van Slowakije – althans in het hoofdgeding – een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU. Zijn beslissingen kunnen weliswaar door het Slowaaks Grondwettelijk Hof worden getoetst, maar deze waarborgt alleen de naleving van de Slowaakse grondwet en heeft niet tot taak te controleren of de nationale instanties en rechters het Unierecht eerbiedigen. ( 17 )

59.

Het Hof heeft vastgesteld dat een regel van nationaal recht op grond waarvan rechterlijke instanties die niet in laatste aanleg uitspraak doen, zijn gebonden aan het rechtsoordeel van de hogere rechterlijke instantie, eerstgenoemde instanties niet de bevoegdheid ontneemt, het Hof vragen voor te leggen over de uitlegging van het Unierecht waar bedoeld oordeel betrekking op heeft. De rechter die niet in laatste aanleg uitspraak doet, moet vrij zijn zich met zijn vragen tot het Hof te wenden, met name indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het Unierecht strijdige beslissing zou kunnen brengen. ( 18 )

60.

Volgens vaste rechtspraak kan het stelsel van samenwerking de voorrang van het Unierecht alleen verzekeren indien de nationale rechter vrij is om in elke fase van het geding waarin hij dat passend acht – ook na een incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing – alle naar zijn oordeel noodzakelijke prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen. ( 19 )

61.

Overigens is een prejudicieel arrest van het Hof bindend voor de nationale rechter bij de beslechting van het hoofdgeding. Daaruit volgt dat de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden is aan de door het Hof gegeven uitlegging van de betrokken bepalingen en dat hij in voorkomend geval het oordeel van de hogere rechter naast zich neer moet leggen indien hij, gelet op die uitlegging, meent dat dit oordeel in strijd is met het recht van de Unie. ( 20 )

62.

Alhoewel die overwegingen betrekking hadden op rechterlijke instanties die niet in laatste aanleg uitspraak doen, zijn zij al helemaal van toepassing op rechters die over Unierechtelijke vraagstukken in laatste aanleg uitspraak doen, maar met betrekking tot de naleving van het nationale grondwettelijke recht onderworpen zijn aan het toezicht van een grondwettelijk hof. Ook al kan nationaal grondwettelijk recht voorrang genieten boven het commune recht, kan het niet in de weg staan aan de toepassing van het Unierecht. ( 21 )

63.

Op de eerste prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 267 VWEU een rechterlijke instantie van een lidstaat waarvan een beslissing inzake de uitlegging van Unierecht niet vatbaar is voor hoger beroep, ertoe verplicht om bij twijfel omtrent de toepassing van het Unierecht in een aanhangig geding, ook zonder door partijen daarom te zijn gevraagd, ambtshalve een prejudicieel verzoek voor te leggen aan het Hof, ofschoon het grondwettelijk hof van die lidstaat reeds uitspraak heeft gedaan in het geding en de eerstgenoemde rechter heeft opgedragen de zaak overeenkomstig zijn oordelen betreffende het nationale grondwettelijke recht te beslechten.

B – Tweede prejudiciële vraag – Toegang tot het locatiebesluit in het kader van de geïntegreerde procedure

64.

De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de toegang tot het besluit betreffende de locatie van de stortplaats in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure.

65.

In de bestuursrechtelijke procedure in eerste aanleg werd dit besluit eerst als zakengeheim beschouwd en derhalve niet bekendgemaakt. In de bestuursrechtelijke procedure in tweede aanleg werd het echter toegankelijk gemaakt voor het publiek. Het hooggerechtshof wenst te vernemen of deze gang van zaken verenigbaar is met de IPPC-richtlijn.

66.

Ik zal derhalve onderzoeken of het locatiebesluit tot de gegevens behoort die in de geïntegreerde vergunningprocedure principieel moeten worden bekendgemaakt aan het publiek (zie hierna, punt 2), vervolgens nagaan in hoeverre de bescherming van zakengeheimen een uitzondering op de bekendmaking rechtvaardigt (zie hierna, punt 3) en vervolgens aandacht besteden aan de vraag of de bekendmaking in de bestuursrechtelijke procedure in tweede aanleg voldeed aan de eisen van het Unierecht of te laat plaatsvond (zie hierna, punt 4). Om te beginnen zal ik echter ingaan op de twijfels omtrent de ontvankelijkheid van deze vraag (zie hierna, punt 1).

1. Ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag

67.

Ekologická Skládka voert aan dat het locatiebesluit naar Slowaaks recht losstaat van de geïntegreerde vergunning voor een installatie (§ 8, lid 4, van wet nr. 245/2003). Aangezien het locatiebesluit in de geïntegreerde procedure niet meer kan worden bestreden, was bekendmaking niet noodzakelijk. Ekologická Skládka stelt derhalve zelfs dat de tweede vraag niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding en dus niet-ontvankelijk is.

68.

Er rust echter een vermoeden van relevantie op de vragen die de nationale rechter betreffende de uitlegging van het Unierecht heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die het nodig heeft om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. ( 22 )

69.

De vraag of en onder welke voorwaarden het locatiebesluit in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure voor een installatie moet worden bekendgemaakt, houdt duidelijk verband met een geschil over de rechtmatigheid van de vergunning. Een fout bij de bekendmaking kan namelijk een procedurefout impliceren. De tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter is derhalve ontvankelijk.

2. Vereiste van toegang tot het locatiebesluit

70.

Welke informatie in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure toegankelijk moet worden gemaakt voor het publiek, moet worden beoordeeld in het licht van artikel 15, lid 1, artikel 6 en bijlage V bij de IPPC-richtlijn.

a) Openbaarmaking van informatie in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure

71.

Volgens artikel 15, lid 1, sub a, van de IPPC-richtlijn dient het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak te krijgen bij de besluitvormingsprocedure voor de afgifte van vergunningen voor nieuwe installaties. Met betrekking tot deze inspraak is de procedure van bijlage V van toepassing

72.

Bijlage V, punt 1, van de IPPC-richtlijn bepaalt dat het publiek in een vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure en uiterlijk zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis wordt gesteld van bepaalde feiten. Hiertoe behoort met name de vergunningaanvraag met inbegrip van de in artikel 6, lid 1, vermelde gegevens.

73.

Volgens bijlage V, punt 2, wordt bepaalde informatie binnen een redelijke termijn aan het betrokken publiek ter beschikking gesteld. Hierbij gaat het ten eerste om de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met lid 1 (sub a), en ten tweede om andere informatie dan de in punt 1 bedoelde die relevant is voor het vergunningbesluit en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig punt 1 is geïnformeerd (sub b).

74.

Die bepalingen zouden eng kunnen worden geïnterpreteerd in die zin dat alleen toegang moet worden verleend tot de in bijlage V, punt 2, van de IPPC-richtlijn vermelde gegevens, terwijl de onder punt 1 vallende informatie bij de inleiding van de vergunningprocedure in een bekendmaking wordt meegedeeld. De betrokken originele stukken – met name de vergunningaanvraag – zouden echter volgens die interpretatie niet behoeven te worden vrijgegeven.

75.

Reeds gezien de volgens bijlage V, punt 1, sub c en f, bekend te maken informatie is echter een ruimere toegang tot de originele stukken vereist. Volgens die bepalingen dient namelijk te worden meegedeeld bij welke instanties, wanneer, waar en op welke wijze de relevante informatie toegankelijk is. Dat betekent dat de informatie van het publiek in de zin van punt 1 niet definitief is, maar de deur moet openen naar verdere informatie die voor de vergunningprocedure van belang is.

76.

Het zou ook niet logisch zijn volgens bijlage V, punt 2, sub b, wel toegang te verlenen tot op een later tijdstip beschikbare informatie die voor de vergunning van belang is, maar niet tot van begin af aan beschikbare gegevens.

77.

Bovendien zou het achterhouden van de vergunningaanvraag en de bijlagen ervan impliceren dat de informatie van het publiek wordt ingeperkt ten opzichte van de oorspronkelijke versie van de IPPC-richtlijn, die in artikel 15, lid 1, ervan uitdrukkelijk voorzag in de toegang van het publiek tot de vergunningaanvraag. De wetgever beoogde bij de herziening van artikel 15, lid 1, van de IPPC-richtlijn door richtlijn 2003/35 ( 23 ) echter niet de transparantie in te perken, maar wilde de IPPC-richtlijn blijkens de punten 10 en 11 van de considerans van de wijzigingsrichtlijn slechts aanpassen aan de verdergaande eisen van het Verdrag van Aarhus.

78.

Dat verdrag heeft niet tot doel de informatie van het publiek in te perken, maar bepaalt in artikel 6, lid 6, ervan uitdrukkelijk dat het publiek voor inzage toegang moet worden verschaft tot alle informatie die relevant is voor de in dat artikel bedoelde besluitvorming die beschikbaar is ten tijde van de inspraakprocedure. De bepalingen van de IPPC-richtlijn inzake de informatie van het publiek moeten voor zover mogelijk worden uitgelegd in het licht van de uit het Verdrag van Aarhus voortvloeiende volkenrechtelijke verplichtingen van de Unie, die onder meer door die richtlijn worden verwezenlijkt. ( 24 ) Dat betekent dat zij aldus moeten worden begrepen dat in beginsel toegang moet worden geboden tot alle informatie die voor de geïntegreerde vergunningprocedure relevant is.

b) Openbaarmaking locatiebesluit

79.

Uit het voorgaande volgt dat in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure principieel toegang had moeten worden verleend tot het locatiebesluit, indien dit besluit voor de vergunning relevant was.

80.

Spontaan zou men kunnen verwachten dat tot een geïntegreerde vergunningprocedure voor een installatie ook de aanwijzing van de locatie ervan behoort. Het bijvoorbeeld volgens artikel 1 en artikel 9, lid 1, van de IPPC-richtlijn te bereiken hoge niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel zou beslist worden bevorderd indien de locatie zo werd gekozen dat negatieve gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk beperkt blijven.

81.

De IPPC-richtlijn integreert echter niet de vergunning voor een installatie in zijn geheel, maar (alleen) de noodzakelijke maatregelen ter bescherming van de verschillende betrokken milieucomponenten, met name lucht, water en bodem. Zij heeft in eerste instantie betrekking op de exploitatie van de installatie en de best beschikbare technieken die daarbij moeten worden ingezet. Het locatiebesluit kan van invloed zijn op de geïntegreerde vergunning, aangezien artikel 9, lid 4, van de IPPC-richtlijn bepaalt dat bij de vergunningvoorwaarden aandacht moet worden besteed aan de geografische ligging van de installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden. Maar de richtlijn schrijft niet voor dat in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure de locatie wordt vastgelegd of een bestaand locatiebesluit wordt getoetst. Het locatiebesluit kan derhalve hooguit bij uitzondering en indirect ter discussie worden gesteld, in gevallen waarin op grond van de omstandigheden op de vastgelegde locatie geen vergunning voor de installatie mag worden verleend.

82.

Ten aanzien van stortplaatsen gelden echter bijzondere regelingen, die zijn neergelegd in de afvalstortrichtlijn. Voor zover stortplaatsen onder de IPPC-richtlijn vallen, voorziet de afvalstortrichtlijn volgens artikel 1, lid 2, ervan in de „technische voorschriften” om de algemene bepalingen van de IPPC-richtlijn te concretiseren. Aan de desbetreffende voorschriften van de IPPC-richtlijn wordt geacht te zijn voldaan, indien aan de voorschriften van de afvalstortrichtlijn is voldaan.

83.

Bijlage I, punt 1, van de afvalstortrichtlijn regelt de keuze van de locatie van een stortplaats. Punt 1.1, sub a, van die bijlage bepaalt met name dat rekening moet worden gehouden met de afstand tussen enerzijds de grens van het terrein en anderzijds woon- en recreatiegebieden en stadsgebieden. Volgens punt 1.2 kan er alleen toestemming voor een stortplaats worden verleend als blijkt dat de eigenschappen ervan geen ernstig gevaar voor het milieu opleveren.

84.

Nu kan in het midden blijven of de regels van de afvalstortrichtlijn inzake de keuze van de locatie neerkomen op een concretisering van de „technische voorschriften” van de IPPC-richtlijn in de zin van artikel 1, lid 2, van de afvalstortrichtlijn. Feit is dat een stortplaatsvergunning volgens artikel 8, sub a, punt i, van de afvalstortrichtlijn slechts wordt verleend indien aan alle eisen van die richtlijn is voldaan. Dat betekent dat geen geïntegreerde vergunning voor een stortplaats mag worden verleend wanneer de eisen betreffende de keuze van de locatie niet zijn geëerbiedigd.

85.

Zelfs indien de eisen die de afvalstortrichtlijn aan de locatie van een stortplaats stelt, in de geïntegreerde vergunningprocedure niet in aanmerking zouden worden genomen, zou het locatiebesluit onverminderd relevant zijn. In het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure moeten namelijk verschillende omstandigheden in aanmerking worden genomen die verband houden met de locatie. Reeds de vergunningaanvraag dient volgens artikel 7, sub d, van de afvalstortrichtlijn een beschrijving te bevatten van het terrein, met inbegrip van de hydrogeologische en geologische kenmerken. ( 25 ) En ook de eisen aan de bescherming van de bodem en het water van bijlage I, punt 3, houden verband met de omstandigheden van de locatie. Een bestuurlijke beslissing over de locatie van een stortplaats zou eveneens rekening moeten houden met die aspecten en dus informatie ter zake moeten bevatten.

86.

Ten slotte is een vooraf genomen besluit over de locatie van een stortplaats in de geïntegreerde vergunningprocedure ook interessant voor zover dit volgens nationaal recht een kader voor de geïntegreerde vergunning vastlegt.

87.

Hieruit volgt dat een locatiebesluit in elk geval tot de informatie behoort die voor de geïntegreerde vergunningprocedure relevant is. § 11, lid 2, sub g, van de Slowaakse wet nr. 245/2003 bepaalt dan ook uitdrukkelijk dat het locatiebesluit samen met de vergunningaanvraag moet worden overgelegd. Derhalve moet in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure ook principieel toegang worden verleend tot een in eerder stadium genomen bestuurlijk besluit over de locatie van de installatie.

3. Bescherming van zakengeheimen

88.

De toegang tot informatie kan evenwel worden geweigerd wanneer bepaalde, voor bescherming in aanmerking komende belangen in de weg staan aan openbaarmaking. Volgens artikel 15, lid 3, van de IPPC-richtlijn gelden de in artikel 15, lid 1, vastgelegde bepalingen inzake inspraak van het publiek onder voorbehoud van de beperkingen van artikel 4, leden 1, 2 en 4, van de richtlijn milieu-informatie.

89.

Volgens artikel 4, lid 2, sub d, van de richtlijn milieu-informatie kunnen de lidstaten de toegang tot informatie weigeren wanneer de openbaarmaking ervan negatieve gevolgen zou hebben voor de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, voor zover die vertrouwelijkheid bij de nationale of de communautaire wetgeving geboden wordt om een gewettigd economisch belang te beschermen, met inbegrip van het algemeen belang dat met statistische en fiscale geheimhouding is gediend.

90.

De redenen voor weigering van toegang dienen echter volgens artikel 4, lid 2, van de richtlijn milieu-informatie eng te worden uitgelegd, waarbij het openbare belang bij openbaarmaking in het concrete geval in aanmerking moet worden genomen. ( 26 ) Dat betekent dat zelfs wanneer documenten zakengeheimen bevatten, volgens artikel 4, lid 4, ten minste toegang moet worden geboden tot de delen ervan die niet als zakengeheimen worden beschermd.

91.

In hoeverre het locatiebesluit in casu vanwege zakengeheimen vertrouwelijk diende te worden behandeld, kan het Hof niet definitief beoordelen, aangezien het hooggerechtshof niet nader op eventuele zakengeheimen is ingegaan. Deze vraag dient derhalve door de nationale rechter te worden beoordeeld.

92.

Het feit dat het locatiebesluit door de bestuurlijke instantie in tweede aanleg bekend is gemaakt, duidt echter erop dat dit geen zakengeheimen bevatte. Tot dusver heeft geen van de partijen, met inbegrip van Ekologická Skládka, gegevens voorgelegd waaruit zou blijken dat het besluit überhaupt voor bescherming in aanmerking komende informatie bevat. Daarentegen bestaat er een groot openbaar belang bij informatie over de locatie van een stortplaats. Dit belang weegt normaliter zwaarder dan het belang van een onderneming bij bescherming van de haar betreffende informatie.

93.

Ik ga bij mijn beoordeling derhalve ervan uit dat het locatiebesluit geheel of gedeeltelijk geen bescherming vanwege zakengeheimen geniet.

4. Tijdstip van openbaarmaking

94.

Thans moet derhalve worden onderzocht of de openbaarmaking van het locatiebesluit door de bestuurlijke instantie in tweede aanleg voldeed aan de eisen van de IPPC-richtlijn dan wel te laat was.

95.

Artikel 15, lid 1, van de IPPC-richtlijn bepaalt dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak moet krijgen in de besluitvormingsprocedure voor de afgifte van een vergunning voor een nieuwe installatie. Nog duidelijker is artikel 6, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, dat de richtlijn wil omzetten. Volgens die bepaling dient te worden voorzien in inspraak op een vroeg tijdstip, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

96.

De loutere openbaarmaking van informatie is echter nog niet voldoende. Bijlage V, punt 3, van de IPPC-richtlijn geeft het betrokken publiek het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde autoriteit voordat een besluit wordt genomen. Volgens bijlage V, punt 4, moeten de resultaten van de raadplegingen naar behoren in aanmerking worden genomen bij de besluitvorming. Dit komt overeen met artikel 6, leden 7 en 8, van het Verdrag van Aarhus.

97.

Indien het locatiebesluit niet volledig onder de bescherming van het zakengeheim viel – waarvan moet worden uitgegaan – en derhalve toegankelijk had moeten zijn, voldeed de procedure inzake het in eerste aanleg genomen geïntegreerde vergunningbesluit derhalve niet aan de eisen van de IPPC-richtlijn. Het publiek had geen toegang tot het locatiebesluit en kon zich niet uitspreken over de vraag of het geëerbiedigd werd, noch over de vraag of het voldeed aan de voorwaarden van bijlage I, punt 1, bij de afvalstortrichtlijn.

98.

Het hooggerechtshof is tegen die achtergrond van mening dat het locatiebesluit te laat is bekendgemaakt en dat derhalve geen toereikende inspraak is geboden.

99.

In de bestuurlijke procedure in tweede aanleg is het locatiebesluit echter bekendgemaakt en had het publiek volgens het in die procedure gewijzigde geïntegreerde vergunningbesluit 30 dagen de tijd om zijn zienswijzen kenbaar te maken. Het Slowaaks Grondwettelijk Hof acht het mogelijk dat die openbaarmaking de procedurefout corrigeerde. Het benadrukt dat volgens de algemene beginselen van de Slowaakse bestuurlijke procedure de bestuurlijke instantie in tweede aanleg het bestuurlijke besluit in zijn geheel kan wijzigen en ook verplicht is het publiek naar behoren te raadplegen.

100.

De IPPC-richtlijn noch de afvalstortrichtlijn bevat regelingen voor de correctie van procedurefouten. De mogelijkheid van een dergelijke correctie wordt in het Unierecht evenwel principieel erkend ( 27 ), en ook de IPPC-richtlijn en de afvalstortrichtlijn kunnen niet zo worden opgevat als zouden zij de correctie van procedurefouten uitsluiten. Hierop wijst het arrest Wells, waarin het Hof heeft vastgesteld dat de opschorting van een reeds verleende vergunning met als doel het betrokken project alsnog aan een (achterwege gebleven) milieueffectbeoordeling in de zin van de MEB-richtlijn te onderwerpen, als geschikte maatregel kan worden beschouwd om een schending van die richtlijn te corrigeren. ( 28 )

101.

Aangezien een Unierechtelijke regeling inzake de correctie van procedurefouten in de geïntegreerde vergunningprocedure voor stortplaatsen ontbreekt, zijn in dat verband de nationale regels van toepassing. De procedureregels voor de vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mogen echter niet ongunstiger dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). ( 29 )

102.

Indien de gebruikelijke nationale bepalingen inzake de correctie van procedurefouten worden toegepast, wordt het gelijkwaardigheidsbeginsel geëerbiedigd. Volgens het doeltreffendheidsbeginsel moet de corrigerende maatregel de betrokkenen terugbrengen in de positie waarin zij zich hadden bevonden indien de procedurefout niet zou zijn opgetreden. ( 30 ) Bovendien mag de corrigerende maatregel geen gelegenheid bieden om het Unierecht te omzeilen of niet toe te passen, en moet zij de uitzondering blijven. ( 31 ) Zo niet, zouden de rechthebbenden hun rechten feitelijk niet of slechts met buitensporige moeite kunnen doen gelden.

103.

Het feit dat in de bestuurlijke procedure in tweede aanleg toegang is verleend tot de oorspronkelijk ontbrekende informatie en gelegenheid tot het kenbaar maken van zienswijzen is geboden en dat de bestuurlijke instantie in tweede aanleg bevoegd was het besluit van de instantie in eerste aanleg in het licht van de raadpleging te wijzigen, zijn dus weliswaar noodzakelijke, maar geen toereikende voorwaarden voor de correctie van de procedurefout.

104.

Voorwaarde voor een correctie is namelijk ook dat op het tijdstip waarop de inspraak alsnog mogelijk werd gemaakt, alle opties daadwerkelijk nog open waren. Zoniet, zou de alsnog genomen procedurele maatregel neerkomen op een puur formele handeling waarmee geen echte inspraak wordt verwezenlijkt.

105.

Of in de aanvullende inspraakronde daadwerkelijk nog alle opties open waren, moet door de nationale rechter worden beoordeeld. In dat verband kan deze bijvoorbeeld onderzoeken welke gevolgen het wegvallen van een fase van de bestuurlijke procedure heeft. Hij zou ook als uitgangspunt kunnen nemen of op het tijdstip van correctie het besluit van de bestuurlijke instantie in eerste aanleg feitelijk reeds werd uitgevoerd en dus voldongen feiten waren geschapen, of dat de bestuurlijke instantie in tweede aanleg op een open en objectieve wijze op eventuele bezwaren is ingegaan. Aangezien het de locatie van een stortplaats betreft, mag in zoverre vooral worden verwacht dat aandacht wordt besteed aan de in bijlage I, punt 1, bij de stortplaatsrichtlijn gestelde eisen betreffende de keuze van de locatie van stortplaatsen.

5. Antwoord op de tweede prejudiciële vraag

106.

Samenvattend moet derhalve op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat het publiek in de geïntegreerde vergunningprocedure voor een stortplaats in de zin van artikel 15, lid 1, van en bijlage V bij de IPPC-richtlijn toegang moet worden verleend tot een vóór die procedure genomen besluit over de locatie van de stortplaats, voor zover aan die toegang geen zwaarder wegende redenen, bijvoorbeeld zakengeheimen, in de weg staan. Indien de toegang tot het betrokken document in eerste instantie zonder toereikende rechtvaardiging wordt geweigerd, kan die fout in een later stadium op basis van het nationale recht in de bestuurlijke procedure worden gecorrigeerd, mits het publiek door de latere toegang in de positie wordt gebracht waarin het zich zou hebben bevonden wanneer de toegang reeds in het begin was verleend.

C – Derde prejudiciële vraag – Toepassing van de MEB-richtlijn

107.

Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de geldigheid van het in 1999 vastgestelde oorspronkelijke MEB-besluit voor het stortplaatsproject in 2006 mocht worden verlengd zonder dat de milieueffecten nogmaals werden onderzocht.

108.

Ekologická Skládka betwijfelt dat dit vraagstuk voor de beslechting van het hoofdgeding relevant is. Het Grondwettelijk Hof heeft namelijk reeds vastgesteld dat eventuele tekortkomingen van de milieueffectbeoordeling niet het voorwerp zijn van het hoofdgeding. Deze kunnen alleen in een specifieke procedure ter zake worden getoetst en zijn in het hoofdgeding door de partijen ook niet aan de orde gesteld.

109.

Dit bezwaar houdt verband met een aspect waarop ik bij de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag nog niet ben ingegaan, namelijk of het Unierecht voorziet in de mogelijkheid of de verplichting dat een nationale rechter bepaalde milieurechtelijke vraagstukken ambtshalve toetst ofschoon het nationale recht hierin niet voorziet. ( 32 ) Waar het in de derde vraag in combinatie met de eerste vraag dus om gaat, is of de MEB-richtlijn toestaat dat de geldigheid van een MEB-besluit wordt verlengd zonder dat de milieueffecten nogmaals worden onderzocht (zie hierna, punt 1), of dat vraagstuk in de context van de geïntegreerde vergunning moet worden onderzocht ofschoon het nationale recht voorziet in een bijzondere procedure voor bezwaren omtrent tekortkomingen van de milieueffectbeoordeling (zie hierna, punt 2), en of volgens Unierecht een verplichting of mogelijkheid tot ambtshalve toetsing van dit punt bestaat (zie hierna, punt 3).

1. De MEB-richtlijn

a) Toepasselijkheid van de MEB-richtlijn

110.

Om te beoordelen of het MEB-besluit uit 1999 in 2006 mocht worden verlengd zonder dat de milieueffecten opnieuw werden onderzocht, moet eerst worden nagegaan of de MEB-richtlijn überhaupt van toepassing is.

111.

Volgens vaste rechtspraak is volgens de MEB-richtlijn in gevallen waarin een vergunning na de termijn voor de omzetting ervan in nationaal recht is verleend, maar de vergunningprocedure reeds vóór dat tijdstip formeel was ingeleid (zogenoemde „pipeline”-projecten), geen onderzoek van de milieueffecten vereist. ( 33 )

112.

Volgens artikel 2 van de Toetredingsakte ( 34 ) diende de MEB-richtlijn in Slowakije op de datum van de toetreding, dat wil zeggen 1 mei 2004, te zijn omgezet.

113.

Als tijdstip van formele inleiding van de vergunningprocedure zou op het eerste gezicht het tijdstip van indiening van de aanvraag van een geïntegreerde vergunning kunnen worden beschouwd. Aangezien die aanvraag op 25 september 2007 is ingediend, zou de MEB-richtlijn in dat geval van toepassing zijn.

114.

In het licht van de Toetredingsakte moet echter ook worden onderzocht of de drie op elkaar volgende procedures, namelijk de milieueffectbeoordeling, het besluit betreffende de locatie en de geïntegreerde vergunning, moeten worden gekwalificeerd als uniforme procedure in de zin van de MEB-richtlijn. ( 35 ) In dat geval zou de reeds op 16 december 1998 ingediende aanvraag inzake inleiding van de milieueffectbeoordeling als formele inleiding van de vergunningprocedure in de zin van de MEB-richtlijn moeten worden beschouwd, hetgeen zou betekenen dat die richtlijn niet van toepassing is.

115.

Hiervoor pleit met name dat de beoordeling van de milieueffecten juist met het oog op de aanleg van een stortplaats is verricht. Het feit dat volgens Slowaaks recht de milieueffecten los van de eigenlijke vergunningprocedure worden onderzocht, zou niet tot gevolg mogen hebben dat de temporele werkingssfeer van de MEB-richtlijn wordt uitgebreid.

116.

Aangezien de procedure voor de beoordeling van de milieueffecten een formeel bestuursrechtelijk karakter heeft, verschilt zij van informele contacten ter voorbereiding van een vergunningaanvraag, die volgens het Hof niet als inleiding van een vergunningprocedure kunnen worden beschouwd. ( 36 )

117.

Dat betekent dat slechts dan niet kan worden aangenomen dat de milieueffectbeoordeling impliceert dat de vergunningprocedure is ingeleid, wanneer die beoordeling betrekking had op een ander project dat feitelijk nooit van start is gegaan. ( 37 ) Doorslaggevend is in dat verband of het stortplaatsproject continu is voortgezet of tussentijds is opgegeven. ( 38 )

118.

De gemeente Pezinok heeft haar plannen in de tussentijd meerdere malen gewijzigd en zich inmiddels tegen de aanleg van een stortplaats uitgesproken, maar kennelijk hebben deze beslissingen naar Slowaaks recht niet tot gevolg gehad dat het project is stopgezet. Alhoewel deze zaak en de aan het arrest Gedeputeerde Staten van Noord-Holland ten grondslag liggende feiten op het eerste gezicht gelijkenissen vertonen, verschillen beide zaken van elkaar. Ook in laatstgenoemde zaak had een gemeente bepaalde plannen meerdere malen ingrijpend gewijzigd. Volgens het Hof diende derhalve de laatste planningsmaatregel als nieuw project te worden beschouwd. ( 39 ) In die procedure was de gemeente echter zelf opdrachtgever en had zij derhalve telkens een nieuwe vergunningprocedure ingeleid. ( 40 )

119.

In casu is de aanvraag ingediend door Ekologická Skládka. Uit haar opmerkingen valt op te maken dat zij het project continu heeft voortgezet, aangezien de vertragingen ten opzichte van het oorspronkelijke tijdschema vooral te wijten waren aan het verzet van de gemeente Pezinok.

120.

Nu werd de aanvraag om inleiding van de procedure ter beoordeling van de milieueffecten ingediend door een andere onderneming, Pezinské tehelne. Kennelijk zijn de twee ondernemingen echter met elkaar verbonden en ondersteunt Pezinské tehelne de uitvoering van het project, aangezien zij om verlenging van de geldigheid van het MEB-besluit heeft verzocht terwijl Ekologická Skládka reeds stappen had ondernomen in de locatieprocedure. De twee ondernemingen hebben bovendien gezamenlijk het bestuursrechtelijk bezwaar ingediend dat tot de vaststelling van het locatiebesluit heeft geleid.

121.

En zelfs wanneer een heel andere onderneming een project wenst uit te voeren, zou dit niet per se betekenen dat het project tijdelijk is opgegeven. Het is namelijk denkbaar dat het economische belang bij een project van de ene onderneming op de andere wordt overgedragen zonder dat het project zelf wezenlijk wordt gewijzigd.

122.

Uiteindelijk staat het echter aan de nationale rechter na te gaan of het stortplaatsproject continu is voortgezet of dat dit in de tussentijd is opgegeven en later opnieuw op stapel is gezet. Reeds om deze reden dient de onderhavige vraag ondanks de twijfel omtrent de toepasselijkheid ratione temporis van de MEB-richtlijn nader te worden onderzocht.

123.

Overigens duidt het feit dat Slowakije, zoals door meerdere partijen is aangevoerd, reeds voor de toetreding tot de Unie haar nationale recht in overeenstemming met de MEB-richtlijn heeft georganiseerd en toegepast, erop dat een antwoord op deze vraag voor het hooggerechtshof van belang is. Het zou daarom voor de hand liggen een om temporele redenen uitsluitend volgens nationaal recht verrichte milieueffectbeoordeling net zo te behandelen als een reeds onder de MEB-richtlijn vallende beoordeling. ( 41 ) Het arrest Ynos ( 42 ) zou zich niet tegen een dergelijke benadering verzetten, aangezien de vergunningprocedure weliswaar vóór de toetreding van Slowakije op gang is gekomen, maar pas veel later is afgerond.

b) Criteria voor een verlenging van de geldigheid van het MEB-besluit

124.

Indien mocht blijken dat de MEB-richtlijn van toepassing is op de vergunning voor het stortplaatsproject of dat het nationale recht overeenkomstige toepassing van de bepalingen van die richtlijn op het project vereist, rijst de vraag of de verlenging, in 2006, van het MEB-besluit van 1999 verenigbaar was met de richtlijn.

125.

De nationale rechter zou derhalve om te beginnen moeten onderzoeken of de in 1999 verrichte beoordeling reeds aan alle voorwaarden van de MEB-richtlijn voldeed. Een ontoereikende beoordeling kan namelijk ook in het geval van verlenging van de geldigheid van het MEB-besluit niet als een beoordeling in de zin van de richtlijn worden beschouwd.

126.

De vraag of de geldigheid van een inhoudelijk adequate beoordeling kan worden verlengd, wordt door de MEB-richtlijn niet uitdrukkelijk geregeld. Doorslaggevend dient echter het in artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn vastgelegde doel van milieueffectbeoordelingen te zijn. Dit bestaat erin dat voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, een beoordeling van hun effecten plaatsvindt. Die beoordeling kan zich niet beperken tot de effecten die bij de uitvoering van het project op een bepaald tijdstip in het verleden zouden zijn ontstaan. Zij dient veeleer alle effecten te bestrijken die op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, daadwerkelijk moeten worden verwacht.

127.

Dit volgt overigens ook uit bijlage II, punt 13, bij de MEB-richtlijn die betrekking heeft op de wijziging van projecten ( 43 ), waarbij het begrip wijziging ruim moet worden geïnterpreteerd. ( 44 )

128.

Indien de milieuomstandigheden of het project zelf in de tussenliggende periode zijn veranderd, zodat andere aanzienlijke milieueffecten mogelijk zijn, moet de milieueffectbeoordeling worden gecompleteerd of zelfs geheel opnieuw worden verricht. Derhalve kan het noodzakelijk zijn na te gaan of de milieueffectbeoordeling op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, nog een juist beeld geeft van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten. ( 45 ) Dat betekent dat een soort actualiteitstoetsing moet worden verricht om vast te stellen of een aanvullende milieueffectbeoordeling vereist is.

129.

In het hoofdgeding zouden meerdere aspecten voor de noodzaak van een actualiteitstoetsing kunnen pleiten.

130.

Ten eerste is er de chronologie van de feiten. In beginsel dient de milieueffectbeoordeling reeds rekening te houden met de concrete vorm van het project zoals die uit de geïntegreerde vergunning valt op te maken. ( 46 ) Het zou niet verrassend zijn als de milieueffecten van het project ten opzichte van de milieueffectbeoordeling waren veranderd. Zo is de afvalstortrichtlijn pas vastgesteld in het jaar waarin het MEB-besluit werd genomen, maar diende in de geïntegreerde vergunning reeds rekening te worden gehouden met de in die richtlijn vastgelegde eisen. Zelfs indien Slowakije in 1999 het Unierecht voorafgaand aan de toetreding al toepaste, ligt het niet voor de hand dat de milieueffectbeoordeling reeds rekening hield met de gevolgen die de stortplaatsrichtlijn voor de beoordeling van de milieueffecten van de stortplaats had.

131.

Bovendien heeft de gemeente Pezinok haar plannen sinds de milieueffectbeoordeling gewijzigd. Daarom kan met name niet worden uitgesloten dat de milieueffecten van het stortplaatsproject opnieuw moeten worden beoordeeld omdat aan in de nabijheid gelegen percelen inmiddels een andere bestemming is toegekend. Het is mogelijk dat die bestemmingen gevoeliger zijn voor de effecten van een stortplaats, of de cumulatieve effecten ten opzichte van de oorspronkelijke beoordeling juist versterken. ( 47 )

132.

Maar van een versterking van de cumulatieve effecten zou ook sprake kunnen zijn omdat de bestaande stortplaats van Pezinok niet, zoals in de milieueffectbeoordeling werd aangenomen, in 2001 is gesloten, maar ten minste nog tot 31 oktober 2007 en wellicht nog langer in gebruik was. Dit zou tot een sterkere initiële aantasting van het milieu hebben kunnen geleid.

c) Inspraak in de besluitvorming over de toereikendheid van een oude milieueffectbeoordeling

133.

Blijkens de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de verwijzende rechter ook te vernemen of de actualiteitstoetsing op grond van enkel een verzoek van de opdrachtgever mocht worden verricht, zonder dat nogmaals de mogelijkheid van inspraak werd geboden.

134.

Ik herinner in dit verband eraan dat met de actualiteitstoetsing wordt beoogd vast te stellen of een nieuwe inspraakronde vereist is. Hier moet een afweging worden gemaakt tussen het belang bij een doeltreffende en vlotte bestuursrechtelijke procedure enerzijds en de rechten van het publiek anderzijds. Inspraak zou de procedure logger maken, te meer aangezien in de loop van de vergunningprocedure wellicht meerdere malen moet worden onderzocht of de milieueffectbeoordeling in het licht van tussentijdse wijzigingen van de omstandigheden nog actueel genoeg is.

135.

Zelfs wanneer bij een actualiseringsbesluit geen mogelijkheid van inspraak wordt geboden, betekent dit niet dat het publiek geen rechten zou hebben. Het actualiseringsbesluit vertoont parallellen met het vooronderzoek dat moet worden verricht ter beoordeling van de vraag of projecten van geringe omvang, die in bijlage II bij de MEB-richtlijn zijn vermeld, überhaupt beoordelingsplichtig zijn. Bij dat vooronderzoek dienen de bevoegde instanties te waarborgen dat geen enkel project dat aanzienlijke milieueffecten in de zin van de richtlijn kan hebben, van de beoordeling wordt uitgesloten, tenzij het specifieke project op grond van een algemene beoordeling kan worden geacht geen aanzienlijk milieueffect te hebben. ( 48 ) De belanghebbende particulieren, evenals overigens de andere betrokken nationale autoriteiten, moeten de naleving van deze op de bevoegde autoriteit rustende verificatieverplichting kunnen doen verzekeren, zonodig via de rechter. ( 49 ) Met het oog op een doelmatige rechterlijke bescherming is de bevoegde nationale instantie gehouden het publiek en de autoriteiten in kennis te stellen van de beweegredenen van haar weigering, hetzij in de beslissing zelf, hetzij in een latere, op hun verzoek verstrekte mededeling. ( 50 )

136.

Deze beginselen dienen ook ten aanzien van een actualiteitstoetsing te gelden, aangezien ook die tot doel heeft nog niet voldoende onderzochte aanzienlijke milieueffecten in kaart te brengen. Tegen deze achtergrond staat het aan de lidstaten te beoordelen of, en zo ja, hoe zij het publiek bij een actualiteitsbesluit wensen te betrekken. ( 51 )

d) Tussenconclusie

137.

Samenvattend stel ik vast dat, indien de MEB-richtlijn ratione temporis toepasselijk is, een eerder verrichte milieueffectbeoordeling geldig blijft indien zij een juist beeld geeft van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het project op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Bij de beoordeling van de vraag of de milieuomstandigheden of het project in de tussentijd zo sterk zijn veranderd dat andere aanzienlijke negatieve milieueffecten mogelijk zijn, behoeft niet per se de mogelijkheid tot inspraak te worden geboden.

2. Rechtmatigheid van een ontkoppeling van de rechterlijke bescherming met betrekking tot uiteenlopende voorwaarden voor een vergunning

138.

Voor het hoofdgeding zijn de bovengenoemde overwegingen slechts relevant indien tekortkomingen van de milieueffectbeoordeling in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure überhaupt aan de kaak kunnen worden gesteld. Volgens Slowaaks recht is dit kennelijk niet mogelijk, aangezien het Grondwettelijk Hof in dat verband naar een aparte procedure in rechte verwijst. Derhalve moet worden nagegaan of het met het Unierecht verenigbaar is dat de toetsing van eventuele tekortkomingen van een in een eerdere fase verrichte milieueffectbeoordeling wordt uitgesloten van de gerechtelijke procedure inzake toetsing van de geïntegreerde vergunning voor de stortplaats, en in een afzonderlijke gerechtelijke procedure moet plaatsvinden.

139.

De IPPC-richtlijn eist niet dat de milieueffectbeoordeling als onderdeel van de geïntegreerde vergunningprocedure moet worden verricht. Alhoewel de in het kader van de milieueffectbeoordeling verkregen informatie volgens artikel 9, lid 2, van de IPPC-richtlijn in aanmerking moet worden genomen, wordt die richtlijn volgens artikel 1 en punt 11 van de considerans ervan voor het overige onverminderd de MEB-richtlijn toegepast. De IPPC-richtlijn biedt de lidstaten derhalve in beginsel de mogelijkheid om beide richtlijnen door middel van aparte procedures uit te voeren en ook de rechterlijke controle op die procedures van elkaar te scheiden.

140.

De geïntegreerde vergunning voor de stortplaats behelst volgens Slowaaks recht echter zowel een vergunning voor de exploitatie van een stortplaats in de zin van de IPPC-richtlijn als een vergunning voor de aanleg van een stortplaats (§ 8, lid 3, van de Slowaakse wet nr. 245/2003). De vergunning voor de aanleg van een stortplaats is evenwel een vergunning in de zin van artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn en mag daarom alleen na verrichting van een milieueffectbeoordeling worden verleend. Dat betekent dat de koppeling tussen de milieueffectbeoordeling en de geïntegreerde vergunning voortvloeit uit het Slowaakse recht, maar volgens het Unierecht niet vereist is.

141.

Volgens artikel 10 bis van de MEB-richtlijn moeten leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van die richtlijn aan te vechten. De rechterlijke toetsing van de vergunning voor de aanleg van een stortplaats dient derhalve ook betrekking te hebben op de milieueffectbeoordeling.

142.

De noodzaak van een toetsingsprocedure sluit echter niet automatisch uit dat afzonderlijke aspecten van die toetsing – bijvoorbeeld de milieueffectbeoordeling – in specifieke toetsingsprocedures aan de orde worden gesteld.

143.

Het Unierecht regelt namelijk niet in detail hoe de toetsingsprocedure eruit dient te zien. Dit is een zaak van de lidstaten. De procedurele modaliteiten van de rechtsmiddelen die de bescherming dienen te waarborgen van de rechten die de burgers op grond van het Unierecht genieten, mogen alleen niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). ( 52 )

144.

Er kunnen gegronde redenen bestaan voor het creëren van aparte procedures voor afzonderlijke aspecten van de toetsing. Eén van de voornaamste redenen zou kunnen zijn dat de aanvragers rechtszekerheid verkrijgen wanneer bepaalde vraagstukken eerst definitief worden opgehelderd voordat verdere grootscheepse procedures worden ingeleid.

145.

Gezien het wezen van de milieueffectbeoordeling leent zij zich echter niet zonder meer voor een rechtszekerheid biedende opsplitsing. Bij een milieueffectbeoordeling dient namelijk aandacht te worden besteed aan de milieueffecten die voortvloeien uit het project waarvoor de vergunning is verleend en de toestand van het betrokken milieu op dat tijdstip. ( 53 ) Hiermee zou het onverenigbaar zijn indien op een vroeg tijdstip in de procedure reeds definitieve vaststellingen over de milieueffecten zouden worden gedaan. Althans de tekortkomingen van een milieueffectbeoordeling die pas later ontstaan of blijken, moeten op dat latere tijdstip ook aan de kaak kunnen worden gesteld.

146.

Bovendien moeten tekortkomingen in van elkaar losgekoppelde stappen van de procedure ook gevolgen hebben voor latere stappen. Wordt bijvoorbeeld in een geding vastgesteld dat een milieueffectbeoordeling gebreken vertoont, mag het betrokken project niet gedurende die gerechtelijke procedure definitief worden goedgekeurd of uitgevoerd. ( 54 ) Tegelijkertijd mag de opsplitsing van de rechterlijke bescherming niet tot gevolg hebben dat personen of organisaties die volgens artikel 10 bis van de MEB-richtlijn recht hebben op rechterlijke toetsing van de materiële en formele rechtmatigheid van een besluit, van de toetsing van bepaalde; van elkaar losgekoppelde procedurele stappen worden uitgesloten. Een dergelijk systeem mag ten slotte niet ertoe leiden dat de moeite die het publiek moet doen om tegen een project bezwaar aan te tekenen, buitensporig wordt vergroot.

147.

Een nationaal systeem van rechterlijke bescherming dat niet aan die eisen voldoet, zou niet verenigbaar zijn met het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien het de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

148.

In dat geval zou het nuttig effect van de betrokken richtlijn vereisen dat in het kader van een geding betreffende latere procedurele stappen de fouten die bij de uitvoering van de eerdere stappen zijn gebleken, worden onderzocht. ( 55 ) Dit zou in het bijzonder noodzakelijk zijn wanneer het gedrag van de nationale autoriteiten in combinatie met de bepalingen inzake rechterlijke bescherming tot gevolg had dat een persoon iedere mogelijkheid wordt ontnomen om haar rechten voor de nationale rechter te doen gelden ( 56 ), bijvoorbeeld wanneer de bevoegde instanties de mogelijkheden van rechterlijke bescherming versluieren.

149.

Het Hof beschikt niet over voldoende informatie om in casu definitief te kunnen vaststellen of de vorm waarin de rechterlijke bescherming in Slowakije is gegoten of de wijze waarop die bescherming in de betrokken procedures is toegepast, verenigbaar is met het doeltreffendheidsbeginsel. In het licht van het verzoek om een prejudiciële beslissing moet dit echter worden betwijfeld. Blijkens de motivering van het hooggerechtshof zijn er namelijk aanwijzingen voor geheime afspraken tussen Ekologická skládka en de bevoegde autoriteiten:

Kennelijk is aangevoerd dat het hoofd van de instantie die het locatiebesluit heeft vastgesteld, eigenaar was van percelen binnen het projectgebied en samen met zijn zuster deel uitmaakte van de raad van toezicht van Ekologická skládka. ( 57 )

Križan e.a. zijn van de locatieprocedure uitgesloten aangezien hun rechten nog niet rechtstreeks waren geraakt, terwijl hun vervolgens in de geïntegreerde vergunningprocedure werd meegedeeld dat het locatiebesluit definitief was. ( 58 )

In de geïntegreerde vergunningprocedure in eerste aanleg is het besluit inzake de locatie van de stortplaats zonder duidelijke reden geheim gehouden. ( 59 )

150.

Het concrete onderzoek van die feiten is een zaak van de nationale rechter, die in geval van twijfel gebruik kan maken van de prejudiciële procedure om duidelijkere inlichtingen te verkrijgen omtrent de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel op bepaalde feitelijke situaties.

151.

Samenvattend stel ik vast dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat de toetsing van eventuele tekortkomingen van een in een eerder stadium verrichte milieueffectbeoordeling wordt uitgesloten van de gerechtelijke procedure inzake toetsing van de geïntegreerde vergunning voor de aanleg van een stortplaats, en dat deze in een afzonderlijke gerechtelijke procedure plaatsvindt, mits door die ontkoppeling van de rechterlijke bescherming de rechterlijke toetsing van de geïntegreerde vergunning in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Indien de vorm waarin de rechterlijke bescherming is gegoten of de wijze waarop deze wordt toegepast, niet aan die eisen voldoet, dienen met het oog op het nuttig effect van de betrokken richtlijnen in het kader van een geding over latere procedurele stappen de tekortkomingen van de eerder verrichte milieueffectbeoordeling te worden onderzocht.

3. Ambtshalve toetsing van bepaalde rechtsvragen

152.

Een tweede vaststelling van het Grondwettelijk Hof zou echter in de weg kunnen staan aan een toetsing van eventuele tekortkomingen van de milieueffectbeoordeling in het hoofdgeding. Het stelde namelijk ook dat de betrokkenen de geldigheid van de milieueffectbeoordeling niet hebben bestreden. Het hooggerechtshof zou derhalve ultra petita uitspraak hebben gedaan en zijn bevoegdheden hebben overschreden. Om deze reden vraagt het hooggerechtshof of het dit vraagstuk uit hoofde van het Unierecht ambtshalve kan onderzoeken.

153.

Ook in dit opzicht geldt bij gebrek aan Unierechtelijke bepalingen ter zake in beginsel de procedurele autonomie van de lidstaten, die echter bij inachtneming van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel moet worden uitgeoefend. ( 60 )

154.

Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt niet in hoeverre vraagstukken van nationaal recht ambtshalve kunnen worden opgeworpen. Er zijn daarom geen aanknopingspunten om te kunnen onderzoeken of op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een verplichting bestaat om tekortkomingen van de milieueffectbeoordeling ambtshalve in het geding te brengen. In zoverre verschilt de onderhavige zaak van het arrest Van der Weerd, waarin de vraag aan de orde was of de betrokken bepalingen van Unierecht overeenkwamen met nationale regels van openbare orde, die volgens Nederlands recht ambtshalve kunnen worden opgeworpen. ( 61 )

155.

Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel moet ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die bepaling in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties en van het verloop en de bijzondere kenmerken ervan. In voorkomend geval moet rekening worden gehouden met de beginselen die ook aan het nationale stelsel van rechtspraak ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. ( 62 ) Het gaat om de beoordelingen van individuele gevallen, waarbij de volledige feitelijke en juridische context van de betrokken zaken in aanmerking wordt genomen en die niet automatisch kunnen gelden op andere gebieden dan die in het kader waarvan zij tot stand zijn gekomen. ( 63 )

156.

Met het doeltreffendheidsbeginsel verenigbaar zijn in beginsel nationale bepalingen die de nationale rechter eraan hinderen ambtshalve een rechtsgrond in het geding te brengen ontleend aan schending van Uniebepalingen, wanneer hij voor het onderzoek van dat middel de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. ( 64 )

157.

Een dergelijke beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter kan haar rechtvaardiging vinden in het beginsel dat het initiatief voor een procedure bij de partijen ligt en dat de rechter bijgevolg alleen in uitzonderingsgevallen, in het openbaar belang, ambtshalve kan optreden. Dit beginsel beschermt de rechten van de verdediging en verzekert een goed verloop van de procedure, met name doordat vertragingen waartoe de beoordeling van nieuwe rechtsgronden leidt, worden voorkomen. ( 65 )

158.

Deze vaststelling heeft het Hof gemaakt in procedures die betrekking hadden op de verplichte deelneming aan een beroepspensioenregeling ( 66 ), respectievelijk de opsporing van de aanwezigheid van een dierenziekte waarop maatregelen ten laste van het betrokken landbouwbedrijf gebaseerd waren. ( 67 )

159.

Het belangrijkste geval waarin de nationale rechter desalniettemin verplicht is een vraagstuk van Unierecht ambtshalve te onderzoeken, betreft echter artikel 6, lid 1, van de richtlijn inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. ( 68 ) Aangezien de consument ten opzichte van zijn verdragspartners in een zwakkere positie verkeert, is hierin bepaald dat een oneerlijke beding voor de consument niet bindend is. Volgens vaste rechtspraak gaat het hier om een bindende bepaling die beoogt het door deze overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt. Om de doelmatigheid ervan te waarborgen, heeft het Hof vastgesteld dat de nationale rechter ambtshalve verplicht is te onderzoeken of een contractueel beding een oneerlijk karakter heeft. ( 69 )

160.

Ook het milieu heeft behoefte aan bescherming, en er bestaat een groot openbaar belang bij een juiste uitvoering van de door het Unierecht voorgeschreven milieueffectbeoordeling

161.

De MEB-richtlijn bevat echter geen met artikel 6, lid 1, van de richtlijn inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten vergelijkbare bepaling waar het gaat om de gevolgen van tekortkomingen van een milieueffectbeoordeling voor de geldigheid van vergunningen. Zij bepaalt in het bijzonder niet dat een vergunning ongeldig is wanneer de milieueffectbeoordeling lacunes vertoont.

162.

Hier kan in het midden blijven of het volledig achterwege blijven van een volgens het Unierecht verplichte milieueffectbeoordeling eventueel ambtshalve aan de orde moet worden gesteld. Een milieueffectbeoordeling vormt immers een belangrijke basis voor de formulering van op het milieurecht gebaseerde bezwaren tegen een project.

163.

Ik ben echter niet van mening dat bij twijfel omtrent de actualiteit van een milieueffectbeoordeling in elk geval ambtshalve moet worden opgetreden. Wanneer een milieueffectbeoordeling bestaat, zou zij eventuele tegenstanders toereikende aanwijzingen moeten bieden om eventuele tekortkomingen aan de orde te kunnen stellen. Ook kunnen dergelijke leemtes vrij gemakkelijk door het tijdsverloop of wijzigingen van de externe omstandigheden ontstaan, zonder dat zij automatisch bijkomende aanzienlijke milieueffecten tot gevolg hebben. Een aanvullende beoordeling is ten slotte reeds vereist wanneer dergelijke bijkomende effecten mogelijk zijn. Indien de actualiteit van de milieueffectbeoordelingen door de rechters ambtshalve zou moeten worden getoetst, zouden derhalve ernstige procesrisico’s ontstaan, zonder dat dit per se aan het milieu ten goede komt. Derhalve is het openbare belang bij de actualiteit van de milieueffectbeoordeling niet zo groot dat een toetsing ambtshalve gerechtvaardigd zou zijn. Er kan veeleer mee worden volstaan, dergelijke twijfels eerst naar aanleiding van uitdrukkelijke bezwaren aan de orde te stellen.

164.

Ten aanzien van andere milieurechtelijke aspecten kan de afweging eventueel anders zijn. Zo zou in het licht van de argumentatie van Križan e.a. wellicht moeten worden onderzocht of de oude stortplaats in Pezinok in overeenstemming met artikel 14 van de afvalstortrichtlijn wordt geëxploiteerd. ( 70 ) Gesteld wordt dat van die oude stortplaats aanzienlijke gezondheidsrisico’s uitgaan. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de exploitatie van de oude stortplaats in het hoofdgeding aan de orde is.

165.

Wat de nieuwe stortplaats betreft, volgt uit de vaststellingen van het hooggerechtshof niet dat zij in strijd met de toe te passen technieken zal worden geëxploiteerd. In vergelijking met de voortgezette exploitatie van de oude stortplaats zou zij derhalve zelfs tot een betere milieubescherming kunnen leiden.

166.

Tegen deze achtergrond zie ik geen specifiek uit het milieurecht van de Unie voortvloeiende reden van openbaar belang die het hooggerechtshof ertoe verplicht in weerwil van nationale bepalingen mogelijke twijfels omtrent de actualiteit van de milieueffectbeoordeling ambtshalve in het geding te brengen.

167.

Met het Unierecht verband houdende rechtsvragen dienen evenwel uit hoofde van het doeltreffendheidsbeginsel eveneens ambtshalve aan de orde te worden gesteld wanneer partijen daadwerkelijk niet de mogelijkheid hadden voor een nationale rechter een op de betrokken bepalingen gebaseerde grond aan te voeren. ( 71 )

168.

Mocht uit de door de verwijzende rechter aangevoerde aanwijzingen voor geheime afspraken tussen Ekologická Skládka en de voor de afgifte van de vergunning verantwoordelijke autoriteiten ( 72 ) daadwerkelijk volgen dat het doeltreffendheidsbeginsel is geschonden, zou ook ervan moeten worden uitgegaan dat Križan e.a. effectief niet de mogelijkheid hadden om het door hun gestelde gebrek aan actualiteit van de milieueffectbeoordeling voor de nationale rechter aan te voeren. In dat geval zou het hooggerechtshof verplicht zijn die vraag ambtshalve te toetsen.

4. Antwoord op de derde prejudiciële vraag

169.

Op de derde prejudiciële vraag moet dus het volgende worden geantwoord:

Indien de MEB-richtlijn ratione temporis toepasselijk is, kan een in het verleden verrichte beoordeling van de milieueffecten van een project als grondslag dienen voor de afgifte van de vergunning ervoor, mits die beoordeling een juist beeld geeft van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het project. Bij het onderzoek van de vraag of de milieuomstandigheden of het project zelf in de tussentijd zo sterk zijn gewijzigd dat andere aanzienlijke negatieve milieueffecten mogelijk zijn, behoeft niet per se de mogelijkheid tot inspraak te worden geboden.

Het Unierecht verzet zich niet ertegen dat de toetsing van de actualiteit van een in een eerder stadium verrichte milieueffectbeoordeling wordt uitgesloten van de gerechtelijke procedure inzake toetsing van de geïntegreerde vergunning voor de aanleg van een stortplaats, en dat deze in een afzonderlijke procedure in rechte plaatsvindt, mits door die ontkoppeling van de rechterlijke bescherming de rechterlijke toetsing van de geïntegreerde vergunning in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Indien de vorm waarin de rechterlijke bescherming is gegoten of de wijze waarop deze wordt toegepast, niet aan die eisen voldoet, dienen met het oog op het nuttig effect van de betrokken richtlijnen in het kader van een geding over latere procedurele stappen de tekortkomingen bij de uitvoering van de eerder verrichte milieueffectbeoordeling te worden onderzocht.

De nationale rechter dient het vraagstuk van de actualiteit van een milieueffectbeoordeling ambtshalve aan de orde stellen indien de betrokkenen daadwerkelijk niet de mogelijkheid hebben gehad om dat vraagstuk voor de nationale rechter aan te voeren. Dit moet in het bijzonder worden aangenomen wanneer de vorm waarin de rechterlijke bescherming is gegoten of de wijze waarop deze wordt toegepast, niet aan de eisen van het doeltreffendheidsbeginsel voldoet.

D – Vierde prejudiciële vraag – Voorlopige maatregelen

170.

Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de rechterlijke bescherming van het publiek uit hoofde van de IPPC-richtlijn en de MEB-richtlijn ook inhoudt dat het publiek de mogelijkheid heeft om krachtens nationaal recht om een bestuursrechtelijke of gerechtelijke voorlopige maatregel te verzoeken (bijvoorbeeld opschorting van de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde beschikking), op grond waarvan de aanleg van de installatie tijdelijk, tot aan de beslissing ten gronde, kan worden stilgelegd.

171.

Alhoewel de IPPC-richtlijn noch de MEB-richtlijn in voorlopige maatregelen voorziet, moet volgens vaste rechtspraak de nationale rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geschil aanhangig is, de mogelijkheid hebben, voorlopige maatregelen te gelasten ter verzekering van de volle werking van de te geven beslissing over de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan. ( 73 )

172.

Deze verplichting dient ter verwezenlijking van het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat de lidstaten volgens artikel 19, lid 1, tweede zin, VEU dienen te waarborgen.

173.

Overigens bepaalt ook artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, dat bij de uitlegging van de IPPC-richtlijn en de MEB-richtlijn in aanmerking moet worden genomen ( 74 ), dat de rechterlijke bescherming uit hoofde van die richtlijnen passende dwangmiddelen tot rechtsherstel dient te omvatten.

174.

Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt ook dat het hooggerechtshof zich afvraagt of de door een voorlopige maatregel geraakte partij vóór de vaststelling van de maatregel moet worden gehoord.

175.

In dit verband dient het beginsel van het eerlijke proces te worden geëerbiedigd, waarvan het recht om te worden gehoord deel uitmaakt. ( 75 ) Alhoewel de wijze waarop het recht om te worden gehoord kan worden uitgeoefend, kan verschillen naargelang van de voor een uitspraak vereiste spoed, moet elke beperking van de uitoefening van dat recht genoegzaam worden gerechtvaardigd en gepaard gaan met procedurele waarborgen die de bij een dergelijke procedure betrokken personen een daadwerkelijke mogelijkheid bieden om de spoedeisende maatregelen te betwisten. ( 76 )

176.

Daarom kan een rechter bij een bijzonder spoedeisende voorlopige maatregel in eerste instantie ervan afzien alle betrokkenen te horen ( 77 ), maar dient hij dit zo spoedig mogelijk alsnog te doen ( 78 ), of moet althans de mogelijkheid bestaan om de maatregel in een versnelde procedure aan te vechten met een rechtsmiddel dat alle betrokkenen de gelegenheid biedt hun zienswijze kenbaar te maken.

177.

Op de vierde vraag moet derhalve worden geantwoord dat de rechterlijke bescherming van het publiek uit hoofde van de IPPC-richtlijn en van de MEB-richtlijn de mogelijkheid inhoudt om in kort geding om een bestuursrechtelijke of gerechtelijke maatregel volgens nationaal recht te vragen, die het mogelijk maakt de uitvoering van een gepland project voorlopig op te schorten. In bijzonder dringende gevallen kan ervan worden afgezien de betrokkenen te horen, mits zij de mogelijkheid hebben om zo snel mogelijk om toetsing van de maatregel te verzoeken.

E – Vijfde prejudiciële vraag – Omvang van de bescherming van de eigendom

178.

Met zijn vijfde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een met de voorwaarden van de IPPC-richtlijn, de MEB-richtlijn of artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus strokende intrekking door de rechter van een geldig afgegeven vergunning voor een nieuwe installatie, op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de exploitant. Het gaat hem vooral om de vraag aan de hand van welk proportionaliteitscriterium een afweging moet worden gemaakt tussen het openbare belang bij milieubescherming en het particuliere recht op bescherming van de eigendom, indien de inhoud van dat eigendomsrecht (met name het gebruik ervan) onvermijdelijk leidt tot of noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een weerslag op het door het Unierecht beschermde milieu.

179.

De eigendom wordt door artikel 17 van het Handvest van de grondrechten beschermd en werd ook voorafgaande aan de vaststelling van het Handvest door het Hof in zijn vaste rechtspraak erkend. Het eigendomsrecht kan echter aan beperkingen worden onderworpen, voor zover deze beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Europese Unie nastreeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor die rechten in hun kern worden aangetast. ( 79 )

180.

In het hoofdgeding zijn twee verschillende aspecten van eigendom aan de orde. Dit betreft enerzijds de eigendom van het terrein waarop de stortplaats zal worden aangelegd en waarvan het gebruik door het vergunningvoorbehoud wordt beperkt, en anderzijds het mogelijkerwijs uit de vergunning voortvloeiende recht om op dat terrein een stortplaats aan te leggen en te exploiteren.

181.

Het recht om een stortplaats aan te leggen en te exploiteren krijgt evenwel pas de kwaliteit van recht van eigendom wanneer de vergunning een definitief karakter heeft. Zolang dat niet het geval is, houdt dit recht namelijk niet meer in dan een vooruitzicht om een stortplaats te mogen aanleggen en exploiteren. Een vooruitzicht alleen geniet echter geen eigendomsrechtelijke bescherming ( 80 ), althans niet wanneer de verwezenlijking ervan omstreden is. ( 81 )

182.

Het vergunningvoorbehoud voor de stortplaats beperkt daarentegen het gebruik van de eigendom aan het betrokken terrein.

183.

Vanwege dat voorbehoud moeten voorafgaand aan het beoogde gebruik meerdere bestuursrechtelijke procedures worden doorlopen. De MEB-richtlijn dient in dat verband te waarborgen dat alle aanzienlijke milieueffecten in kaart worden gebracht en bij het vaststellen van het besluit in aanmerking worden genomen. De IPPC-richtlijn beoogt de milieueffecten van de installatie tot een minimum te beperken. Beide richtlijn bieden bovendien brede mogelijkheden om de materiële en formele rechtmatigheid van besluiten te betwisten.

184.

Het is mogelijk dat op grond van die regelingen bepaalde projecten geheel niet kunnen worden uitgevoerd en andere op zijn minst worden vertraagd of slechts met beperkingen kunnen worden verwezenlijkt.

185.

Dergelijke beperkingen van de eigendom kunnen echter in beginsel door het algemene belang bij een hoog niveau van milieubescherming worden gerechtvaardigd ( 82 ), dat volgens artikel 191 VWEU en artikel 37 van het Handvest van de grondrechten een doelstelling van de Unie is. ( 83 )

186.

Dat betekent dat een verbod om grond te gebruiken op een wijze die tot buitensporig milieubederf leidt, verenigbaar is met het grondrecht op eigendom. Het moet ook zijn toegestaan, projecten die het milieu aanzienlijk kunnen aantasten, aan een zorgvuldige beoordeling te onderwerpen voordat zij mogen worden uitgevoerd. Niets wijst erop dat de eisen van de MEB-richtlijn, de IPPC-richtlijn of het Verdrag van Aarhus in dit opzicht onevenredig zouden zijn.

187.

En ten slotte verlangt het grondrecht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, dat is vastgelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, dat de naleving van gerechtvaardigde milieuvoorschriften gerechtelijk kan worden getoetst en dat vergunningen die in strijd met die voorschriften zijn afgegeven, zo nodig worden ingetrokken.

188.

Samenvattend stel ik vast dat een met de voorwaarden van de MEB-richtlijn, de IPPC-richtlijn of artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus strokende intrekking door de rechter van een vergunning voor een nieuwe installatie, geen onrechtmatige ingreep in het recht van eigendom van de exploitant vormt.

V – Conclusie

189.

Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

„1)

Artikel 267 VWEU verplicht een rechterlijke instantie van een lidstaat waarvan een beslissing inzake de uitlegging van Unierecht niet vatbaar is voor hoger beroep, ertoe om bij twijfel omtrent de toepassing van het Unierecht in een aanhangig geding, ook zonder door partijen daarom te zijn gevraagd, ambtshalve een prejudicieel verzoek voor te leggen aan het Hof, ofschoon het grondwettelijk hof van die lidstaat reeds uitspraak heeft gedaan in het geding en de eerstgenoemde rechter heeft opgedragen de zaak overeenkomstig zijn oordelen betreffende het nationale grondwettelijke recht te beslechten.

2)

Het publiek moet in het kader van de geïntegreerde vergunningprocedure voor een stortplaats in de zin van artikel 15, lid 1, van en bijlage V bij richtlijn 2008/1/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, toegang worden verleend tot een vóór die procedure genomen besluit over de locatie van de stortplaats, voor zover aan die toegang geen zwaarder wegende redenen, bijvoorbeeld zakengeheimen, in de weg staan. Indien de toegang tot het betrokken document in eerste instantie zonder toereikende rechtvaardiging wordt geweigerd, kan die fout in een later stadium op basis van het nationale recht in de bestuurlijke procedure worden gecorrigeerd, mits het publiek door de latere toegang in de positie wordt gebracht waarin het zich zou hebben bevonden wanneer de toegang reeds in het begin was verleend.

3)

Indien richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ratione temporis toepasselijk is, kan een in een eerder stadium verrichte milieueffectbeoordeling voor het project ten grondslag worden gelegd aan de vergunning ervoor, mits die beoordeling een juist beeld geeft van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het project op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Bij de beoordeling van de vraag of de milieuomstandigheden of het project in de tussentijd zo sterk zijn veranderd dat andere aanzienlijke negatieve milieueffecten mogelijk zijn, behoeft niet per se de mogelijkheid tot inspraak te worden geboden.

Het Unierecht verzet zich niet ertegen dat de toetsing van de actualiteit van een in een eerder stadium verrichte milieueffectbeoordeling wordt uitgesloten van de gerechtelijke procedure inzake toetsing van de geïntegreerde vergunning voor de aanleg van een stortplaats, en dat deze in een afzonderlijke procedure in rechte plaatsvindt, mits door die ontkoppeling van de rechterlijke bescherming de rechterlijke toetsing van de geïntegreerde vergunning in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Indien de vorm waarin de rechterlijke bescherming is gegoten of de wijze waarop deze wordt toegepast, niet aan die eisen voldoet, dienen met het oog op het nuttig effect van de betrokken richtlijnen in het kader van een geding over latere procedurele stappen de tekortkomingen bij de uitvoering van de eerder verrichte milieueffectbeoordeling te worden onderzocht.

De nationale rechter dient het vraagstuk van de actualiteit van een milieueffectbeoordeling ambtshalve aan de orde stellen indien de betrokkenen daadwerkelijk niet de mogelijkheid hebben gehad om dat vraagstuk voor de nationale rechter aan te voeren. Dit moet in het bijzonder worden aangenomen wanneer de vorm waarin de rechterlijke bescherming is gegoten of de wijze waarop deze wordt toegepast, niet aan de eisen van het doeltreffendheidsbeginsel voldoet.

4)

De rechterlijke bescherming van het publiek uit hoofde van richtlijn 2008/1 en richtlijn 85/337 houdt de mogelijkheid in om in kort geding om een bestuursrechtelijke of gerechtelijke maatregel volgens nationaal recht te vragen die het mogelijk maakt de uitvoering van een gepland project voorlopig op te schorten. In bijzonder dringende gevallen kan ervan worden afgezien de betrokkenen te horen, mits zij de mogelijkheid hebben om zo snel mogelijk om toetsing van de maatregel te verzoeken.

5)

Een met de voorwaarden van richtlijn 85/337, richtlijn 2008/1 of artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden strokende intrekking door de rechter van een vergunning voor een nieuwe installatie vormt geen onrechtmatige ingreep in het eigendomsrecht van de exploitant.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.

( 2 ) Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 (gecodificeerde versie) (PB L 24, blz. 8). Deze richtlijn wordt per 7 januari 2014 vervangen door richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), PB L 334, blz. 17.

( 3 ) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu (PB L 156, blz. 17). Deze richtlijn is per 16 februari 2012 gecodificeerd en vervangen door richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 (PB 2012, L 26, blz. 1).

( 4 ) Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: „Verdrag van Aarhus”) (PB 2005, L 124, blz. 4).

( 5 ) Goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB L 124, blz. 1).

( 6 ) Richtlijn van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26).

( 7 ) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 (PB L 182, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284, blz. 1).

( 8 ) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41, blz. 26).

( 9 ) Arrest van het Hooggerechtshof van 14 september 2010 (1 Sžo 373/2009, bijlage 15 bij de schriftelijke opmerkingen van Ekologická skládka van 15 december 2012, blz. 82 e.v.).

( 10 ) Appellanten verwijzen naar beslissingen van het Hooggerechtshof van 17 juni 2010 (Sžp 52/2009) en 28 september 2011 (Sžp 3/2011).

( 11 ) Zie hierna, D.3 (punten 152 e.v. van deze conclusie).

( 12 ) Zie arresten van 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores (C-240/98-C-244/98, Jurispr. blz. I-4941, punt 26); 21 november 2002, Cofidis (C-473/00, Jurispr. blz. I-10875, punt 33), en 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C-168/05, Jurispr. blz. I-10421, punt 29), die gebaseerd zijn op de inhoud van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).

( 13 ) Arrest van 21 juli 2011, Kelly (C-104/10, Jurispr. blz. 6813, punt 61).

( 14 ) Arrest van 5 oktober 2010, Elchinov (C-173/09, Jurispr. blz. I-8889, punt 26, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 15 ) Arrest van 4 juni 2002, Lyckeskog (C-99/00, Jurispr. blz. I-4839, punten 17 en 18).

( 16 ) Arrest Lyckeskog (aangehaald in voetnoot 15, punt 14, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 17 ) Zie arrest van het Slowaaks Grondwettelijk Hof van 27 mei 2010 (I. ÚS 223/09-131, bijlage 9 bij het verzoek om een prejudiciële beslissing, punt 16).

( 18 ) Arrest Elchinov (aangehaald in voetnoot 14, punt 27, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 19 ) Arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C-188/10 en C-189/10, Jurispr. blz. I-5667, punt 52).

( 20 ) Arrest Elchinov (aangehaald in voetnoot 14, punten 29 e.v., en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 21 ) Arresten van 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft (11/70, Jurispr. blz. 1125, punt 3), en 8 september 2010, Winner Wetten (C-409/06, Jurispr. blz I-8015, punt 61).

( 22 ) Arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf (C-355/97, Jurispr. blz. I-4977, punt 22); 5 december 2006, Cipolla e.a. (C-94/04 en C-202/04, Jurispr. blz. I-11421, punt 25); 8 september 2009, Budějovický Budvar (C-478/07, Jurispr. blz. I-7721, punt 63), en 1 december 2011, Painer (C-145/10, Jurispr. blz. I-12533, punt 59).

( 23 ) Aangehaald in voetnoot 3.

( 24 ) Arrest van 12 mei 2011, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein-Westfalen (C-115/09, Jurispr. blz. I-3673, punt 41). Zie meer in het algemeen arresten van 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C-61/94, Jurispr. blz. I-3989, punt 52); 14 juli 1998, Bettati (C-341/95, Jurispr. blz. I-4355, punt 20); 1 april 2004, Bellio F.lli (C-286/02, Jurispr. blz. I-3465, punt 33); 7 december 2006, SGAE (C-306/05, Jurispr. blz. I-11519, punt 35), en 14 mei 2009, Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely (C-161/08, Jurispr. blz. I-4075, punt 38).

( 25 ) Zie artikel 6, lid 1, sub d, en ook sub j, van de IPPC-richtlijn, waarin is vastgelegd dat de aanvrager een schets dient te geven van de belangrijkste door hem onderzochte alternatieven, zo die bestaan, waartoe ook alternatieve locaties behoren.

( 26 ) Arresten van 16 december 2010, Stichting Natuur en Milieu e.a. (C-266/09, Jurispr. blz. I-13119, punt 52), en 28 juli 2011, Office of Communications (C-71/10, Jurispr. blz. I-7205, punt 22).

( 27 ) Zie arrest van 25 oktober 2011, Solvay/Commissie (C-109/10 P, Jurispr. blz. I-10329, punt 56), betreffende de correctie van procedurefouten in kartelprocedures van de Commissie, en arrest van 16 januari 1992, Marichal-Margrève (C-334/90, Jurispr. blz. I-101, punt 25), betreffende douaneprocedures.

( 28 ) Arrest van 7 januari 2004, Wells (C-201/02, Jurispr. blz. I-723, punt 65). Zie echter ook arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C-215/06, Jurispr. blz. I-4911, punten 57-60).

( 29 ) Arrest Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein-Westfalen (aangehaald in voetnoot 24, punt 43).

( 30 ) Zie aangaande het kartelrecht, arrest Solvay/Commissie (aangehaald in voetnoot 27).

( 31 ) Arrest Commissie/Ierland (aangehaald in voetnoot 28, punt 57).

( 32 ) Zie punt 54 van deze conclusie.

( 33 ) Arrest van 18 juni 1998, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (C-81/96, Jurispr. blz. I-3923, punt 23), en arrest Wells (aangehaald in voetnoot 28, punt 43).

( 34 ) PB 2003, L 236, blz. 33.

( 35 ) Zie arresten van 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C-508/03, Jurispr. blz. I-3969, punt 102); 17 maart 2011, Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C-275/09, Jurispr. blz. I-1753, punt 37), en 18 oktober 2011, Boxus e.a. (C-128/09-C-131/09, C-134/09 en C-135/09, Jurispr. blz. I-9711, punt 44).

( 36 ) Arrest van 11 augustus 1995, Commissie/Duitsland („Großkrotzenburg”, C-431/92, Jurispr. blz. I-2189, punt 32).

( 37 ) Arrest Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (aangehaald in voetnoot 33, punt 25).

( 38 ) Zie mijn conclusie van 13 oktober 2011 in de aanhangige zaak Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a. (C-43/10, punt 169).

( 39 ) Arrest Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (aangehaald in voetnoot 33, punt 25).

( 40 ) Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 5 maart 1998 in de zaak Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (aangehaald in voetnoot 33, punt 47).

( 41 ) Zie arresten van 18 oktober 1990, Dzodzi (C-297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763, punten 37 e.v.); 17 juli 1997, Giloy (C-130/95, Jurispr. blz. I-4291, punt 28), en 22 december 2008, Les Vergers du Vieux Tauves (C-48/07, Jurispr. blz. I-10627, punten 21 e.v.).

( 42 ) Arrest van 10 januari 2006 (C-302/04, Jurispr. blz. I-371, punt 36).

( 43 ) Arrest van 15 december 2011, Commissie/Spanje („M-501”, C-560/08, punten 103 e.v.).

( 44 ) Arrest van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a. (C-72/95, Jurispr. blz. I-5403, punt 39).

( 45 ) Zie arrest Wells (aangehaald in voetnoot 28, punt 47); arrest van 4 mei 2006, Barker (C-290/03, Jurispr. blz. I-3949, punten 47 e.v.); arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk (aangehaald in voetnoot 35, punten 103-106), en mijn conclusie in de zaak Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a. (aangehaald in voetnoot 38, punt 140).

( 46 ) Zie punt 128 van deze conclusie.

( 47 ) Aangaande de inaanmerkingneming van cumulatieve effecten, zie arrest van 24 november 2011, Commissie/Spanje („Spaanse bruine beer”, C-404/09, Jurispr. blz. I-11853, punten 76 e.v.), en arrest Commissie/Spanje („M-501”, aangehaald in voetnoot 43, punten 98 e.v.).

( 48 ) Arrest van 10 juni 2004, Commissie/Italië („Lotto zero”, C-87/02, Jurispr. blz. I-5975, punt 44).

( 49 ) Arrest van 30 april 2009, Mellor (C-75/08, Jurispr. blz. I-3799, punt 58).

( 50 ) Arrest Mellor (aangehaald in voetnoot 49, punt 59).

( 51 ) Zie met betrekking tot de regulering van de telecommunicatie, arrest van 21 februari 2008, Tele2 Telecommunication (C-426/05, Jurispr. blz. I-685, punt 52).

( 52 ) Arresten Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein-Westfalen (aangehaald in voetnoot 24, punt 43) en Boxus e.a. (aangehaald in voetnoot 35, punt 52).

( 53 ) Zie punt 128 van deze conclusie.

( 54 ) Zie arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallone (C-41/11, punt 47), betreffende de milieubeoordeling van plannen en programma’s.

( 55 ) Arrest Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (aangehaald in voetnoot 35, punt 37).

( 56 ) Zie arresten van 15 september 1998, Edis (C-231/96, Jurispr. blz. I-4951, punt 48); 17 november 1998, Aprile (C-228/96, Jurispr. blz. I-7141, punt 43); 27 februari 2003, Santex (C-327/00, Jurispr. blz. I-1877, punten 57 e.v.); 15 april 2010, Barth (C-542/08, Jurispr. blz. I-3189, punt 33), en 8 september 2011, Q-Beef en Bosschaert (C-89/10 en C-96/10, Jurispr. blz. I-7819, punt 51).

( 57 ) Punt 6 van het verzoek om een prejudiciële beslissing.

( 58 ) Punten 5, 6 en 49 van het verzoek om een prejudiciële beslissing.

( 59 ) Zie opmerkingen betreffende de tweede prejudiciële vraag, punten 88 e.v.

( 60 ) Arrest van 7 juni 2007, Van der Weerd e.a. (C-222/05-C-225/05, Jurispr. blz. I-4233, punt 28, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangaande de algemene eisen die uit die beginselen voortvloeien, zie de punten 101 en 143 van deze conclusie.

( 61 ) Arrest Van der Weerd e.a. (aangehaald in voetnoot 60, punten 29 e.v.).

( 62 ) Arresten van 14 december 1995, Peterbroeck (C-312/93, Jurispr. blz. I-4599, punt 14), en Van Schijndel en Van Veen (C-430/93 en C-431/93, Jurispr. blz. I-4705, punt 19), en arrest Van der Weerd e.a. (aangehaald in voetnoot 60, punt 33).

( 63 ) Arrest Cofidis (aangehaald in voetnoot 12, punt 37).

( 64 ) Arresten Van Schijndel en Van Veen (aangehaald in voetnoot 62, punt 22) en Van der Weerd e.a. (aangehaald in voetnoot 60, punt 33).

( 65 ) Arresten Van Schijndel en Van Veen (aangehaald in voetnoot 62, punt 21) en Van der Weerd e.a. (aangehaald in voetnoot 60, punt 35).

( 66 ) Arrest Van Schijndel en Van Veen (aangehaald in voetnoot 62).

( 67 ) Arrest Van der Weerd e.a. (aangehaald in voetnoot 60).

( 68 ) Aangehaald in voetnoot 12.

( 69 ) Zie naast de in voetnoot 12 aangehaalde arresten, arresten van 4 juni 2009, Pannon GSM (C-243/08, Jurispr. blz. I-4713, punten 22 e.v.), en 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C-40/08, Jurispr. blz. I-9579, punten 30 e.v.).

( 70 ) Zie aanhangige zaak C-331/11, Commissie/Slowakije (PB 2011, C 282, blz. 4) betreffende een stortplaats in Žilina – Považský Chlmec.

( 71 ) Zie arrest Van der Weerd e.a. (aangehaald in voetnoot 60, punten 40 e.v.); zie ook arrest Peterbroeck (aangehaald in voetnoot 62).

( 72 ) Zie punt 149 van deze conclusie.

( 73 ) Arresten van 19 juni 1990, Factortame e.a. (C-213/89, Jurispr. blz. I-2433, punt 21); 11 januari 2001, Siples (C-226/99, Jurispr. blz. I-277, punt 19), en 13 maart 2007, Unibet (C-432/05, Jurispr. blz. I-2271, punt 67).

( 74 ) Zie punt 78 van deze conclusie.

( 75 ) Arresten van 28 maart 2000, Krombach (C-7/98, Jurispr. blz. I-1935, punten 27 en 39 e.v.): 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C-341/04, Jurispr. blz. I-3813, punt 66), en 2 april 2009, Gambazzi (C-394/07, Jurispr. blz. I-2563, punt 28).

( 76 ) Arrest Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 75) en arrest van 15 juli 2010, Purrucker (C-256/09, Jurispr. blz. I-7353, punt 95). Zie ook arrest van het EHRM van 15 oktober 2009, Micallef/Malta (zaak nr. 17056/06, § 86).

( 77 ) Zie arrest van 21 mei 1980, Denilauler (125/79, Jurispr. blz. 1553, punt 15).

( 78 ) Zie bij wijze van voorbeeld arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran (C-27/09 P, Jurispr. blz. I-13427, punt 61), aangaande de vaststelling van bestuursrechtelijke maatregels. Zie ook artikel 50, lid 4, van de Trips-overeenkomst.

( 79 ) Arrest van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, Jurispr. blz. I-11381, punt 114, en de aldaar aangehaalde rechtspraak), en artikel 17, lid 1, derde volzin, van het Handvest van de grondrechten.

( 80 ) Zie arresten van 14 mei 1974, Nold/Commissie (4/73, Jurispr. blz. 491, punt 14), en 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C-280/93, Jurispr. blz. I-4973, punten 79 e.v.), evenals arrest EHRM van 29 november 1991, Pine Valley Developments Ltd e.a./Ierland (zaak nr. 12742/87, § 51).

( 81 ) Arrest EHRM van 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc./Portugal (zaak nr. 73049/01, Recueil des arrêts et décisions 2007-I, §§ 64 e.v.).

( 82 ) Arresten van 7 februari 1985, ADBHU (240/83, Jurispr. blz. 531, punt 13), en 9 maart 2010, ERG e.a. (C-379/08 en C-380/08, Jurispr. blz. I-2007, punt 81); evenals arrest EHRM van 29 maart 2010, Depalle/Frankrijk (zaak nr. 34044/02, § 81), en de aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest EHRM Pine Valley Developments Ltd e.a./Ierland (aangehaald in voetnoot 80, § 57) en arrest EHRM van 22 november 2011, Curmi/Malta (zaak nr. 2243/10, § 44).

( 83 ) Zie ook de negende overweging van de preambule van het VEU en artikel 11 VWEU.

Top