EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62009CJ0372

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 maart 2011.
Josep Peñarroja Fa.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour de cassation - Frankrijk.
Artikel 43 EG - Vrijheid van vestiging - Artikel 49 EG - Vrij verrichten van diensten - Beperkingen - Gerechtsdeskundigen met hoedanigheid van vertaler - Uitoefening van openbaar gezag - Nationale regeling die titel van gerechtsdeskundige voorbehoudt aan personen ingeschreven op door nationale rechterlijke instanties opgestelde lijsten - Rechtvaardiging - Evenredigheid - Richtlijn 2005/36/EG - Begrip "gereglementeerd beroep.
Gevoegde zaken C-372/09 en C-373/09.

European Court Reports 2011 I-01785

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2011:156

Gevoegde zaken C‑372/09 en C‑373/09

Josep Peñarroja Fa

[verzoeken van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Artikel 43 EG – Vrijheid van vestiging – Artikel 49 EG – Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Gerechtsdeskundigen met hoedanigheid van vertaler – Uitoefening van openbaar gezag – Nationale regeling die titel van gerechtsdeskundige voorbehoudt aan personen ingeschreven op door nationale rechterlijke instanties opgestelde lijsten – Rechtvaardiging – Evenredigheid – Richtlijn 2005/36/EG – Begrip ‚gereglementeerd beroep’”

Samenvatting van het arrest

1.        Vrij verrichten van diensten – Diensten – Begrip

(Art. 50 EG; art. 57 VWEU)

2.        Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Afwijkingen – Werkzaamheden ter uitoefening van openbaar gezag

(Art. 45, eerste alinea, EG; art. 51, eerste alinea, VWEU)

3.        Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Werkzaamheden van gerechtsdeskundigen op vertaalgebied

(Art. 49 EG; art. 56 VWEU)

4.        Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Werkzaamheden van gerechtsdeskundigen op vertaalgebied

(Art. 49 EG; art. 56 VWEU)

5.        Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Werknemers – Erkenning van beroepskwalificaties – Werkingssfeer van richtlijn 2005/36 – Begrip „gereglementeerd beroep”

(Richtlijn 2005/36 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1, sub a)

1.        Een opdracht die geval per geval door een rechterlijke instantie in het kader van een bij hem aanhangig geding wordt toevertrouwd aan een gerechtsdeskundige-vertaler in die hoedanigheid, is een dienstverrichting in de zin van artikel 50 EG (thans artikel 57 VWEU). Het loutere feit dat de vergoeding van de gerechtsdeskundigen wordt bepaald volgens een van overheidswege vastgelegd tarief, heeft geen invloed op de kwalificatie als dienstverrichting van de werkzaamheden waarmee zij worden belast.

(cf. punten 38, 40, dictum 1)

2.        De werkzaamheden van gerechtsdeskundigen op vertaalgebied zijn geen werkzaamheden ter uitoefening van het openbare gezag in de zin van artikel 45, eerste alinea, EG (thans artikel 51, eerste alinea, VWEU), aangezien de door een dergelijke deskundige gemaakte vertalingen slechts een ondersteunend karakter hebben, en de beoordeling door de rechter en de vrije uitoefening van de rechtsprekende bevoegdheid onverlet laten.

(cf. Punten 44‑45, dictum 2)

3.        Artikel 49 EG (thans artikel 56 VWEU) verzet zich tegen een nationale regeling volgens welke de inschrijving op een lijst van gerechtsdeskundigen-vertalers afhankelijk is van voorwaarden met betrekking tot de kwalificatie zonder dat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de redenen van de hen betreffende beslissing en zonder dat tegen deze beslissing een effectief beroep in rechte kan worden ingesteld teneinde de rechtmatigheid ervan te toetsen en meer bepaald na te gaan of is voldaan aan de uit het recht van de Unie voortvloeiende voorwaarde dat hun in andere lidstaten verworven en erkende kwalificatie naar behoren in aanmerking is genomen.

(cf. punt 65, dictum 3)

4.        Artikel 49 EG (thans artikel 56 VWEU) verzet zich tegen een in een nationale wet gestelde voorwaarde volgens welke de inschrijving als vertaler op de lijst van nationale gerechtsdeskundigen slechts mogelijk is na overlegging van het bewijs van inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een door een Cour d’appel opgestelde lijst, voor zover een dergelijke voorwaarde verhindert dat, bij het onderzoek van een aanvraag van een in een andere lidstaat gevestigde persoon die niet doet blijken van een dergelijke inschrijving, naar behoren rekening wordt gehouden met de door hem in een andere lidstaat verworven en erkende kwalificatie om te bepalen of en in hoeverre deze dezelfde waarde heeft als de bekwaamheden die normaal worden verwacht van iemand die gedurende drie opeenvolgende jaren is ingeschreven op een door een Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen.

Gelet op de occasionele aard van de opdrachten van op een door een Cour d’appel opgestelde lijst ingeschreven gerechtsdeskundigen-vertalers en op het feit dat er tussen twee opdrachten verschillende maanden of jaren kunnen verlopen, moet de betrokken lidstaat over een zekere beoordelingsmarge kunnen beschikken inzake de duur die hij nodig acht om de doelstellingen van bescherming van de justitiabelen en goede rechtsbedeling te verwezenlijken. In die omstandigheden gaat de voorwaarde van inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een lijst van gerechtsdeskundigen in beginsel niet verder dan ter bereiking van die doelstellingen noodzakelijk is. De toepassing van dergelijke regel op een gerechtsdeskundige-vertaler van een andere lidstaat die reeds opdrachten heeft vervuld voor de rechterlijke instanties van die lidstaat of van andere lidstaten, en met name voor de hoogste rechterlijke instanties ervan, zou echter onevenredig zijn gelet op het beginsel volgens hetwelk de nationale autoriteiten er met name over dienen te waken dat de in andere lidstaten verworven kwalificatie op haar juiste waarde wordt geschat en naar behoren in aanmerking wordt genomen.

(cf. punten 74, 75, 78, dictum 4)

5.        De opdrachten van gerechtsdeskundigen-vertalers die worden verricht door deskundigen die zijn ingeschreven op een lijst als de door de Franse Cour de cassation opgestelde nationale lijst van gerechtsdeskundigen, vallen niet onder het begrip „gereglementeerd beroep” in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, aangezien de bepalingen betreffende de inschrijving op die lijst slechts tot doel hebben het beroep op deskundigen te vergemakkelijken ongeacht of zij lid van een gereglementeerd beroep zijn, en niet het organiseren van de erkenning van een bepaalde kwalificatie, een bevoegdheid die niet toekomt aan de Cours d’appel en evenmin aan het bureau van de Cour de cassation, en deze rechterlijke instanties bovendien rechtmatig een beroep kunnen doen op deskundigen die niet op die lijsten voorkomen.

(cf. punten 30, 32, dictum 5)







ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

17 maart 2011 (*)

„Artikel 43 EG – Vrijheid van vestiging – Artikel 49 EG – Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Gerechtsdeskundigen met hoedanigheid van vertaler – Uitoefening van openbaar gezag – Nationale regeling die titel van gerechtsdeskundige voorbehoudt aan personen ingeschreven op door nationale rechterlijke instanties opgestelde lijsten – Rechtvaardiging – Evenredigheid – Richtlijn 2005/36/EG – Begrip ‚gereglementeerd beroep’”

In de gevoegde zaken C‑372/09 en C‑373/09,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissingen van 10 september 2009, ingekomen bij het Hof op 17 september 2009, in de procedures ingeleid door:

Josep Peñarroja Fa,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, K. Schiemann, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader en A. Prechal, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: M.‑A. Gaudissart, hoofd van administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 september 2010,

gelet op de opmerkingen van:

–        J. Peñarroja Fa, optredend in eigen naam,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues, B. Messmer en A. Czubinski als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en J. Langer als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk, I. Rogalski en C. Vrignon als gemachtigden,

–        de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, vertegenwoordigd door X. Lewis, F. Simonetti en I. Hauger als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 43 EG, 45 EG, 49 EG en 50 EG, thans respectievelijk de artikelen 49 VWEU, 51 VWEU, 56 VWEU en 57 VWEU en de uitlegging van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee door Peñarroja Fa, Spaans staatsburger, ingestelde beroepen, aangaande zijn inschrijving als vertaler Spaans op de lijst van gerechtsdeskundigen bij de Cour d’appel te Parijs en op de nationale lijst van gerechtsdeskundigen.

 Toepasselijke bepalingen

 Recht van de Unie

3        Artikel 1 van richtlijn 2005/36 bepaalt:

„Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ‚ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de ‚lidstaat van oorsprong’ genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep.”

4        Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, luidt:

„1.      In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)       gereglementeerd beroep: een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening. Wanneer de eerste zin niet van toepassing is, wordt het in lid 2 bedoelde beroep met een gereglementeerd beroep gelijkgesteld;

b)       beroepskwalificaties: kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest zoals bedoeld in artikel 11, lid 2, sub a‑i, en/of beroepservaring;

[...]”

5        Artikel 4, betreffende de gevolgen van de erkenning, bepaalt:

„1.      Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigde in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit en stelt hem in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden.

2.      Voor de toepassing van deze richtlijn is het beroep dat de aanvrager in de ontvangende lidstaat wenst uit te oefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen.”

6        Artikel 5 van titel II van de richtlijn, betreffende het vrij verrichten van diensten, bepaalt:

„1.      Onverminderd specifieke bepalingen van het communautaire recht en de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn, kunnen de lidstaten niet om redenen van beroepskwalificatie beperkingen stellen aan het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat:

a)      indien de dienstverrichter op wettige wijze is gevestigd in een lidstaat (hierna de ‚lidstaat van vestiging’ genoemd) om er hetzelfde beroep uit te oefenen, en

b)      wanneer de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft, indien hij dat beroep tijdens de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende ten minste twee jaar heeft uitgeoefend in de lidstaat van vestiging, waar het beroep niet gereglementeerd is. Deze voorwaarde van twee jaar beroepsuitoefening is niet van toepassing wanneer het beroep of de opleiding die toegang verleent tot het beroep, gereglementeerd is.

[...]”

 Nationaal recht

7        De inschrijving op de door het bureau van de Cour de cassation opgestelde nationale lijst van gerechtsdeskundigen en op de door elke Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen evenals de aanstelling van deze deskundigen worden meer bepaald geregeld door de volgende teksten:

–        wet nr. 71‑498 van 29 juni 1971 betreffende de gerechtsdeskundigen, zoals gewijzigd bij wet nr. 2004‑130 van 11 februari 2004 (hierna: „wet nr. 71‑498”);

–        decreet nr. 2004‑1463 van 23 december 2004 betreffende de gerechtsdeskundigen, zoals gewijzigd bij decreet nr. 2007‑119 van 19 juli 2007 (hierna: „decreet nr. 2004‑1463”);

–        artikel 157 van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering).

 Wet nr. 71‑498

8        Artikel 1 van wet nr. 71‑498 bepaalt:

„Behoudens de bij wet of verordening bepaalde afwijkingen, kunnen de rechters een persoon aanstellen die voorkomt op een van de overeenkomstig artikel 2 opgestelde lijsten teneinde vaststellingen te verrichten, hen een schriftelijk advies te verlenen of een deskundigenonderzoek uit te voeren. Zij kunnen, in voorkomend geval, elke andere persoon van hun keuze aanstellen.”

9        Artikel 2 van deze wet luidt:

„I.      Ter informatie van de rechters worden [de volgende lijsten] opgesteld:

1.      een door het bureau van de Cour de cassation opgestelde lijst van nationale gerechtsdeskundigen;

2.      een door elke Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen.

II.       De eerste inschrijving als deskundige op de door de Cour d’appel opgestelde lijst gebeurt in een bijzondere rubriek en voor een proeftijd van twee jaar.

Na afloop van deze proeftijd en na indiening van een nieuwe kandidaatstelling, kan de deskundige opnieuw worden ingeschreven voor een duur van vijf jaar, na een met redenen omkleed advies van een commissie van vertegenwoordigers van de rechterlijke instanties en van deskundigen. Te dien einde wordt de ervaring van betrokkene geëvalueerd en de door hem verworven kennis van de belangrijkste beginselen van het proces en van de procedureregels die van toepassing zijn op de aan een deskundige toevertrouwde onderzoeksmaatregelen.

De latere herinschrijvingen voor een duur van vijf jaar zijn afhankelijk van het onderzoek van een nieuwe kandidaatstelling overeenkomstig de bij vorige alinea bedoelde voorwaarden.

III.      De inschrijving van een persoon op de lijst van nationale deskundigen is slechts mogelijk na bewijs van zijn inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een door een Cour d’appel opgestelde lijst. De inschrijving op de nationale lijst gebeurt voor een duur van zeven jaar en de herinschrijving, voor dezelfde duur, is afhankelijk van het onderzoek van een nieuwe kandidaatstelling.

[...]”

 Decreet nr. 2004‑1463

10      Betreffende de algemene voorwaarden voor inschrijving op de lijsten van gerechtsdeskundigen, bepaalt artikel 2 van decreet nr. 2004‑1463:

„Een natuurlijk persoon kan slechts op een lijst van deskundigen worden ingeschreven of opnieuw ingeschreven indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:

1°       geen feiten hebben begaan die in strijd zijn met de eerbaarheid, de integriteit of de goede zeden;

2°       geen feiten hebben begaan die aanleiding hebben gegeven tot een disciplinaire of administratieve maatregel van ontzetting, schrapping, ontheffing of intrekking van toestemming of vergunning;

3°       niet door een persoonlijk faillissement of een andere maatregel krachtens titel II van boek VI van de code de commerce (wetboek van koophandel) zijn getroffen;

4°       een beroep of een activiteit die met zijn vakgebied verband houdt uitoefenen of gedurende een voldoende lange tijd hebben uitgeoefend;

5°       dit beroep of deze activiteit uitoefenen of hebben uitgeoefend in omstandigheden die een voldoende kwalificatie verlenen;

[...]”

11      Betreffende de procedure van inschrijving op een door een Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen, bepaalt artikel 6 van decreet nr. 2004‑1463:

„[...]

Bij de aanvraag worden alle nuttige preciseringen gevoegd, met name de volgende inlichtingen:

[...]

2°       opgave van de titels en diploma’s van de kandidaat, van zijn wetenschappelijke, technische en beroepswerkzaamheden, van de verschillende functies die hij heeft vervuld en van de aard van alle beroepswerkzaamheden die hij uitoefent, en, in voorkomend geval, opgave van de naam en het adres van zijn werkgevers;

3°       bewijs van de kwalificatie van de kandidaat in zijn vakgebied;

[...]”

12      Betreffende de procedure voor een herinschrijving op een door een Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen, bepaalt artikel 10 van decreet nr. 2004‑1463:

„[...]

Bij de aanvraag worden alle stukken gevoegd met het oog op het evalueren van:

1°       de door de kandidaat sinds zijn laatste inschrijving verworven ervaring, zowel in zijn vakgebied, als bij de uitoefening van de functie van deskundige;

2°       de door hem verworven kennis van de belangrijkste beginselen van het proces en van de procedureregels die van toepassing zijn op de aan een deskundige toevertrouwde onderzoeksmaatregelen evenals de opleidingen die hij dienaangaande heeft gevolgd.”

13      Betreffende de procedure voor inschrijving en herinschrijving op de door het bureau van de Cour de cassation opgestelde nationale lijst van gerechtsdeskundigen, bepaalt artikel 17 van decreet nr. 2004‑1463:

„[...]

De procureur-generaal onderzoekt de aanvraag. Hij gaat na of aan de in artikel 2, sub III, van de wet [nr. 71‑498] bedoelde voorwaarde van de duur van inschrijving op een door een Cour d’appel opgestelde lijst is voldaan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag werd ingediend. Hij wint het advies in van de eerste voorzitter en van de procureur-generaal bij de Cour d’appel bij welke betrokkene is ingeschreven en hij doet de kandidaatstellingen, vergezeld van zijn advies, aan het bureau van de Cour de cassation toekomen.”

14      Artikel 20 van het decreet nr. 2004‑1463 bepaalt:

„Tegen de beslissingen van inschrijving of van een herinschrijving en tegen de beslissingen van weigering van een inschrijving of van een herinschrijving van de met het opstellen van de lijsten belaste instantie kan beroep worden ingesteld bij de Cour de cassation.”

De code de procédure pénale

15      Betreffende de aanstelling van gerechtsdeskundigen in strafzaken, bepaalt artikel 157 van de code de procédure pénale:

„De deskundigen worden gekozen uit de natuurlijke of rechtspersonen, die voorkomen op de door de Cour de cassation opgestelde lijst of op een van de door de Cours d’appel opgestelde lijsten overeenkomstig de in wet nr. 71‑498 bedoelde voorwaarden [...]

In uitzonderlijke gevallen kunnen de rechterlijke instanties, bij een met redenen omklede beslissing, deskundigen kiezen die op geen van deze lijsten voorkomen.”

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

16      J. Peñarroja Fa woont te Barcelona en oefent sinds meer dan twintig jaar in Catalonië het beroep van beëdigd vertaler-deskundige uit. Hij werd met deze taak belast door de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken en door de Catalaanse regering, na te zijn geslaagd voor een vergelijkend examen. Hij vertaalt uit het Frans naar het Spaans en uit het Spaans naar het Frans.

17      Peñarroja Fa heeft om zijn eerste inschrijving als vertaler Spaans op de lijst van gerechtsdeskundigen van de Cour d’appel te Parijs verzocht voor een duur van twee jaar. Zijn verzoek werd bij beslissing van 12 november 2008 van de algemene vergadering van magistraten van de zetel van deze Cour d’appel afgewezen.

18      Peñarroja Fa heeft gelijktijdig om zijn inschrijving als deskundige, in dezelfde hoedanigheid, op de door het bureau van de Cour de cassation opgestelde nationale lijst van gerechtsdeskundigen verzocht. Zijn verzoek werd bij beslissing van het bureau van 8 december 2008 afgewezen.

19      Overeenkomstig de bepalingen van decreet nr. 2004‑1463, heeft Peñarroja Fa tegen de twee beslissingen beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

20      In dit verband heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en in zaak C‑372/09 het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 50 [EG] aldus worden uitgelegd, dat het betrekking kan hebben op de opdracht waarmee in een bij de nationale rechterlijke instanties aanhangig geding een deskundige in die hoedanigheid wordt belast door de rechter bij wie dat geding aanhangig is [...]?

2)      Moet de in artikel 45, [eerste] alinea [...][EG] bedoelde deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag aldus worden uitgelegd dat daarvan sprake is bij de opdracht van een door een Franse rechterlijke instantie aangestelde deskundige, zoals geregeld door de Franse code de procédure civile en de code de procédure pénale en door wet nr. 71‑198 [...] en decreet nr. 2004‑1463 [...]?

3)      Moeten de artikelen 43 [EG] en 49 [EG] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling zoals die van wet nr. 71‑198 [...] en decreet nr. 2004‑1463 [...], die de inschrijving op een door een Cour d’appel opgestelde lijst afhankelijk stelt van voorwaarden met betrekking tot leeftijd, bekwaamheid, onbesproken gedrag en onafhankelijkheid, waarbij geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de kandidaat reeds als deskundige is erkend door de rechterlijke instanties van zijn [lid]staat van oorsprong, en niet wordt voorzien in andere methoden om zijn geschiktheid te toetsen?”

21      In zaak C‑373/09, heeft de Cour de cassation, naast twee eerste vragen, die identiek zijn aan de eerste twee vragen in de zaak C‑372/09, de volgende vragen gesteld:

„3)      Moeten de artikelen 43 [EG] en 49 [EG] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling zoals die van wet nr. 71‑498 [...] en decreet nr. 2004‑1463 [...], die de inschrijving op de nationale lijst en de titel van door de Cour de cassation erkende deskundige voorbehoudt aan deskundigen die sedert ten minste drie jaar zijn ingeschreven op een door een Franse Cour d’appel opgestelde lijst?

4)      Moet artikel 3, [lid 1, sub a], van richtlijn 2005/36 [...] aldus worden uitgelegd dat het geldt voor het verrichten van gerechtelijke deskundigenonderzoeken door personen met de titel van door de Cour de cassation erkende gerechtsdeskundige overeenkomstig de bepalingen van wet nr. 71‑498 [...] en van decreet nr. 2004‑1463 [...]?”

22      Bij beschikking van de president van het Hof van 16 oktober 2009 zijn de beide zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Voorafgaande opmerkingen

23      De prejudiciële vragen, zoals opgesteld door de verwijzende rechter, betreffen alle categorieën van gerechtsdeskundigen en beperken zich formeel dus niet tot uitsluitend die gerechtsdeskundigen die de hoedanigheid van vertaler hebben.

24      Blijkens de verwijzingsbeslissingen betreffen de hoofdgedingen echter de inschrijving van Peñarroja Fa als vertaler op twee lijsten van gerechtsdeskundigen. Overigens dient te worden vastgesteld dat de inhoud van de opdrachten die worden toevertrouwd aan de door de rechterlijke instanties in de bij hen aanhangige procedures als vertaler aangestelde deskundigen en de voorwaarden voor de uitoefening van deze opdrachten weliswaar uit de stukken kunnen worden opgemaakt, maar dat de over de andere categorieën van gerechtsdeskundigen verstrekte inlichtingen voor het Hof niet volstaan om de desbetreffende vragen met kennis van zaken te behandelen.

25      In die omstandigheden moeten de gestelde vragen worden behandeld als bij uitsluiting betrekking hebbend op de functie van gerechtsdeskundige met de hoedanigheid van vertaler (hierna: „gerechtsdeskundigen-vertalers”).

 De vierde vraag in de zaak C‑373/09

26      Met de vierde vraag in de zaak C‑373/09, die eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de uitoefening van de deskundigenopdrachten, die worden verricht door deskundigen-vertalers, die zijn ingeschreven op een lijst als de door de Cour de cassation opgestelde nationale lijst van gerechtsdeskundigen, onder het begrip „gereglementeerd beroep” in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36 valt.

27      Allereerst dient te worden opgemerkt dat de omschrijving van dit begrip een kwestie van Unierecht is (zie arrest van 17 december 2009, Rubino, C‑586/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Volgens artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36 wordt onder dit begrip verstaan „een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties”.

29      Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat wet nr. 71‑498 en decreet nr. 2004‑1463, ter bescherming van de justitiabelen en ter verzekering van een behoorlijke rechtsbedeling, ertoe strekken om, in uiteenlopende gebieden, het opstellen mogelijk te maken van lijsten van deskundigen, tot wie de rechterlijke instanties zich kunnen wenden voor het verrichten van deskundigenopdrachten of andere opdrachten in het kader van procedures aangaande bij hen aanhangige geschillen.

30      Deze bepalingen hebben dus enkel tot doel het beroep op deskundigen te vergemakkelijken ongeacht of zij al dan niet lid van een gereglementeerd beroep zijn, en niet het organiseren van de erkenning van een bepaalde kwalificatie, aangezien deze bevoegdheid niet toekomt aan de Cours d’appel en evenmin aan het bureau van de Cour de cassation (zie naar analogie arrest van 9 september 2003, Burbaud, C‑285/01, Jurispr. blz. I‑8219, punt 91). Bovendien kunnen deze rechterlijke instanties rechtmatig een beroep doen op deskundigen die niet op bedoelde lijsten voorkomen. Deze bepalingen leiden dus op zich niet tot de instelling van een gereglementeerd beroep.

31      Overigens kan de omstandigheid dat personen onder de titel van „deskundige bij de Cour d’appel te” of van „door de Cour de cassation erkende deskundige” vertaaldiensten verrichten ten behoeve van Franse nationale rechterlijke instanties aan die vaststelling niet afdoen, gelet op artikel 3, lid 1, sub a, tweede deel van de eerste volzin van richtlijn 2005/36.

32      Op de vierde vraag in zaak C‑373/09 dient dus te worden geantwoord dat de opdrachten van gerechtsdeskundigen-vertalers die worden verricht door deskundigen die zijn ingeschreven op een lijst als de door de Cour de cassation opgestelde nationale lijst, niet onder het begrip „gereglementeerd beroep” in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36 vallen.

 De eerste vraag in beide zaken

33      Met zijn eerste vraag in beide zaken wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de opdracht die wordt toevertrouwd aan een deskundige die door een nationale rechterlijke instantie als gerechtsdeskundige-vertaler is aangesteld in het kader van een bij deze rechterlijke instantie aanhangig geschil, in een juridische context als die van de Franse code de procédure civile en de code de procédure pénale alsmede van wet nr. 71‑498 en decreet nr. 2004‑1463, onder het begrip „diensten” in de zin van artikel 50 EG valt.

34      Vooreerst moet worden opgemerkt dat blijkens de stukken de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht van de gerechtsdeskundigen-vertalers erin bestaat, na aanstelling door een rechter, geval per geval, een onpartijdige en kwaliteitsvolle vertaling uit de ene taal naar een andere taal te leveren.

35      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens artikel 50, eerste alinea, EG als diensten worden beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. De tweede alinea van dit artikel somt, bij wijze van voorbeeld, enkele werkzaamheden op die onder het begrip diensten vallen, waaronder de werkzaamheden van de vrije beroepen.

36      De verwijzende rechter merkt op dat voor de dienstverrichtingen van gerechtsdeskundigen bijzondere regels gelden, volgens welke deze deskundigen slechts optreden na aanstelling door een rechter, voor een opdracht waarvan deze rechter de voorwaarden vastlegt, waarvan de deskundigen niet kunnen afwijken, en tegen een vergoeding die door de rechterlijke instantie wordt bepaald.

37      In dit verband zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat het wezenlijke kenmerk van de vergoeding hierin bestaat, dat zij de economische tegenprestatie voor de betrokken dienst vormt, welke tegenprestatie gewoonlijk door de dienstverrichter en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, in onderling overleg wordt vastgesteld (zie met name arresten van 22 mei 2003, Freskot, C‑355/00, Jurispr. blz. I‑5263, punten 54 en 55, en 17 november 2009, Presidente del Consiglio dei Ministri, C‑169/08, Jurispr. blz. I‑10821, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Het loutere feit dat de vergoeding, zoals in Frankrijk voor gerechtsdeskundigen het geval is, wordt bepaald volgens een van overheidswege vastgelegd tarief heeft dus geen invloed op de kwalificatie als dienstverrichting van de werkzaamheden waarmee zij worden belast (zie naar analogie arrest van 12 juli 2001, Smits en Peerbooms, C‑157/99, Jurispr. blz. I‑5473, punt 56).

39      Bovendien brengt de omstandigheid dat een gerechtsdeskundige slechts optreedt na aanstelling door een rechter, voor een opdracht waarvan deze rechter de voorwaarden vastlegt, niet mee dat deze functie op wezenlijke punten verschilt van de gebruikelijke contractuele verhoudingen inzake dienstverrichtingen. Zo is het niet uitzonderlijk dat de dienstverrichter en degene te wiens behoeve een bepaalde dienst wordt verricht, beslissen om, in de overeenkomst die hen bindt, aan een van de partijen bij deze overeenkomst een zekere beslissingsmarge te verlenen, binnen een precies afgebakend kader wat de te verrichten diensten betreft. In dit verband moet ervan worden uitgegaan dat een deskundige, die om zijn inschrijving op een lijst van gerechtsdeskundigen verzoekt, de bijzondere regels inzake de dienstverrichtingen van deze deskundigen heeft aanvaard, namelijk de procedureregels inzake de bevoegdheden van de rechter, die geval per geval bepaalt wat moet worden vertaald en ook de precieze voorwaarden bepaalt waaronder de gerechtsdeskundige-vertaler de vertaling moet leveren.

40      Gelet op het voorgaande dient op de eerste in de twee zaken gestelde vraag te worden geantwoord, dat een opdracht die geval per geval door een rechterlijke instantie, in het kader van een bij hem aanhangig geding, wordt toevertrouwd aan een gerechtsdeskundige-vertaler in die hoedanigheid, een dienstverrichting in de zin van artikel 50 EG, thans artikel 57 VWEU, is.

 De tweede vraag in beide zaken

41      Met zijn tweede vraag in beide zaken wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de opdracht die wordt toevertrouwd aan een deskundige die door een nationale rechterlijke instantie als gerechtsdeskundige-vertaler is aangesteld in het kader van een bij deze rechterlijke instantie aanhangig geschil, in een juridische context als die van de Franse code de procédure civile en de code de procédure pénale alsmede van wet nr. 71‑498 en decreet nr. 2004‑1463, onder het begrip „werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag” in de zin van artikel 45, eerste alinea, EG valt. De verwijzende rechter preciseert met name dat de gerechtsdeskundige zijn bevoegdheden ontleent aan een rechter, dat zijn optreden erop is gericht deze rechter bij te staan bij het nemen van zijn beslissing en dat zijn advies deze beslissing kan beïnvloeden, hoewel de rechter niet verplicht is de conclusies van de gerechtsdeskundige te volgen. De verwijzende rechter voegt eraan toe dat de gerechtsdeskundige de bij wet vastgelegde procedurebeginselen moet naleven.

42      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, een werkzaamheid slechts binnen de werkingssfeer van artikel 45, eerste alinea, EG valt, indien deze op zich een rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag vormt (zie in die zin met name arrest van 21 juni 1974, Reyners, 2/74, Jurispr. blz. 631, punten 45 en 54).

43      In het onderhavige geval blijkt uit de bij het Hof ingediende stukken dat de opdracht van een gerechtsdeskundige-vertaler, zoals in het hoofdgeding aan de orde, bestaat in het leveren van een onpartijdige en kwaliteitsvolle vertaling uit de ene taal naar een andere taal, en niet in het geven van een mening over de grond van de zaak.

44      De door een dergelijke deskundige gemaakte vertalingen hebben dus slechts een ondersteunend karakter en laten de beoordeling door de rechter en de vrije uitoefening van de rechtsprekende bevoegdheid onaangetast, zodat deze vertaaldiensten, zoals de verzoeker in het hoofdgeding, de Franse regering, de Europese Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA hebben betoogd, niet als werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag kunnen worden beschouwd (zie naar analogie arrest Reyners, reeds aangehaald, punten 52 en 53, en arrest van 10 december 1991, Commissie/Griekenland, C‑306/89, Jurispr. blz. I‑5863, punt 7).

45      Op de tweede in beide zaken gestelde vraag dient aldus te worden geantwoord dat de werkzaamheden van gerechtsdeskundigen op vertaalgebied zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, geen werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in de zin van artikel 45, eerste alinea, EG, thans artikel 51, eerste alinea, VWEU, zijn.

 De derde vraag in zaak C‑372/09

46      Met de derde vraag in zaak C‑372/09 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 43 EG en 49 EG zich verzetten tegen een nationale regeling, die de inschrijving van gerechtsdeskundigen-vertalers op een door een Cour d’appel opgestelde lijst afhankelijk stelt van voorwaarden met betrekking tot leeftijd, bekwaamheid, onbesproken gedrag en onafhankelijkheid, zonder dat de nationale instanties verplicht zijn om, bij de beoordeling van de beroepsbekwaamheid van de kandidaat, rekening te houden met de door hem in een andere lidstaat verworven kwalificatie en zonder te voorzien in methoden om de beoordeling door die instanties dienaangaande te toetsen.

47      Allereerst dient te worden opgemerkt dat, blijkens de verstrekte inlichtingen, Peñarroja Fa te Barcelona woont, in Catalonië het beroep van beëdigd vertaler uitoefent en in Frankrijk wenst te worden ingeschreven als vertaler op de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde lijsten van gerechtsdeskundigen.

48      Aangezien uit de stukken niet blijkt dat Peñarroja voornemens is zich op het Franse grondgebied te vestigen, moet de aan het Hof voorgelegde vraag uitsluitend worden onderzocht in het licht van de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de vrijheid van dienstverrichting.

49      De Franse regering is van mening dat een nationale regeling zoals in het hoofdgeding aan de orde, zowel betreffende de door elke Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen als betreffende de nationale lijst van gerechtsdeskundigen, geen belemmering van de vrijheid van dienstverrichting inzake deskundigenonderzoek vormt, omdat de rechters namelijk overeenkomstig artikel 1 van de wet nr. 71‑498, als algemene regel, elke persoon van hun keuze kunnen aanstellen, al staat hij niet op de lijst van gerechtsdeskundigen.

50      In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 49 EG niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit vereist, maar tevens de opheffing van iedere beperking, ook indien deze zonder onderscheid voor nationale en voor dienstverrichters uit andere lidstaten geldt, die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (zie in die zin met name arresten van 3 oktober 2000, Corsten, C‑58/98, Jurispr. blz. I‑7919, punt 33, en 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C‑42/07, Jurispr. blz. I‑7633, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, het opstellen van lijsten van gerechtsdeskundigen, hoewel zij naar nationaal recht „ter informatie van de rechters” worden opgesteld, de rechters in staat moet stellen zich ervan te vergewissen dat de deskundigen die hen bijstaan over kennis van zaken en andere bekwaamheden beschikken, die vereist zijn ter verzekering van de kwaliteit en de efficiëntie van de openbare dienst van rechtsbedeling.

52      In het licht van deze doelstelling dient te worden aangenomen dat het opstellen van lijsten van gerechtsdeskundigen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de keuze van de rechterlijke instanties kan beïnvloeden zodat dezen geneigd zullen zijn deskundigen aan te stellen die op de lijsten staan, en waarvan zij dus kunnen aannemen dat zij over de nodige kwaliteiten beschikken om hen bij te staan.

53      De conclusie dient dus te luiden dat, hoewel de rechterlijke instanties formeel niet verplicht zijn uitsluitend de op bedoelde lijsten ingeschreven deskundigen aan te stellen, het opstellen van de lijsten een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting van de gerechtsdeskundige-vertaler vormt (zie naar analogie arrest van 24 november 1982, Commissie/Ierland, 249/81, Jurispr. blz. 4005, punt 28).

54      Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke belemmering van de vrijheid van dienstverrichting, zelfs bij ontbreken van harmonisatie ter zake, haar rechtvaardiging vinden in een dwingende reden van algemeen belang, indien deze geldt voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de ontvangende lidstaat werkzaam is, voor zover zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het gestelde doel te waarborgen en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is en voor zover dit belang niet wordt verzekerd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd (zie in die zin met name arresten van 23 november 1999, Arblade e.a., C‑369/96 en C‑376/96, Jurispr. blz. I‑8453, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 januari 2002, Commissie/Italië, C‑439/99, Jurispr. blz. I‑305, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Tot deze dwingende redenen van algemeen belang behoren de bescherming van de justitiabelen en de goede rechtsbedeling.

56      Hoewel moet worden aangenomen dat de in een bepaling als artikel 2 van decreet nr. 2004‑1463 bedoelde voorwaarden de verwezenlijking van deze doelstellingen kunnen waarborgen en aldus een toelaatbare belemmering van de vrijheid van dienstverrichting kunnen zijn, mag deze niet verder gaan dan ter bereiking van die doelstellingen noodzakelijk is.

57      Dienaangaande kunnen de bescherming van de justitiabelen en de goede rechtsbedeling weliswaar het opstellen rechtvaardigen van een lijst van deskundigen waarop meestal een beroep zal worden gedaan, zoals reeds eerder vastgesteld in punt 52, maar zal bij de opstelling van deze lijst moeten worden uitgegaan van objectieve en niet-discriminerende criteria.

58      Volgens vaste rechtspraak moeten de nationale instanties erover waken dat de in andere lidstaten verworven kwalificatie op haar juiste waarde wordt geschat en naar behoren in aanmerking wordt genomen (zie met name arresten van 7 mei 1991, Vlassopoulou, C‑340/89, Jurispr. blz. I‑2357, punt 16, en 22 januari 2002, Dreessen, C‑31/00, Jurispr. blz. I‑663, punten 23 en 24, en arrest Rubino, reeds aangehaald, punt 34).

59      In de onderhavige zaak verklaart de Franse regering dat het gebruikelijk is bij de beoordeling van aanvragen tot inschrijving op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde lijsten van gerechtsdeskundigen, rekening te houden met de ervaring van de kandidaten die een opdracht als gerechtsdeskundige voor een buitenlandse rechterlijke instantie uitoefenen of hebben uitgeoefend.

60      Blijkens de verwijzingsbeslissingen is het vaste rechtspraak van de Cour de cassation dat geen enkele wettelijke of bestuursrechterlijke bepaling verlangt dat besluiten waarbij een eerste inschrijving op een dergelijke lijst wordt geweigerd, worden gemotiveerd, leidt de inschrijvingsprocedure niet tot enige handeling die onder de Franse procedure voor toegang tot administratieve documenten kan vallen en onderzoekt de Cour de cassation bij de behandeling van een beroep tegen een beslissing van weigering van inschrijving alleen de regelmatigheid van de procedure voor het onderzoek van de inschrijving en dus niet de kwalificatie van de kandidaat.

61      Vastgesteld moet dus worden dat de beslissingen tot weigering van inschrijving van gerechtsdeskundigen-vertalers op de lijsten van deskundigen onder voorwaarden zoals aan de orde in het hoofdgeding, aan een effectieve rechterlijke toetsing ontsnappen wat de inaanmerkingneming betreft van in andere lidstaten verworven en erkende ervaring en kwalificatie.

62      In dat verband zij erop gewezen dat het onderzoek van de in andere lidstaten verworven kwalificatie en de inaanmerkingneming ervan naar behoren dienen te worden uitgevoerd door de nationale instanties volgens een procedure die beantwoordt aan de voorwaarden van het recht van de Unie aangaande de effectieve rechterlijke bescherming van de aan de staatsburgers van de Unie verleende grondrechten, met name bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

63      Hieruit volgt dat tegen elke beslissing beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld teneinde de wettigheid van bedoelde beslissing te toetsen aan het recht van de Unie. Opdat dit rechterlijk toezicht efficiënt zou zijn, is het van belang dat de betrokkene kennis kan nemen van de redenen van de hem betreffende beslissing, zodat hij zich zo goed mogelijk kan verdedigen en met kennis van zaken kan beslissen of het voor hem nuttig is een beroep in te stellen. Hieruit volgt dat de bevoegde nationale instantie gehouden is kennis te geven van de beweegredenen van haar weigering, hetzij in de beslissing zelf, hetzij in een latere, op zijn verzoek verstrekte mededeling (zie arrest van 15 oktober 1987, Heylens e.a., 222/86, Jurispr. blz. 4097, punten 15 en 17, en arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, punt 22).

64      Een nationale regeling, die een belemmering van de vrijheid van dienstverrichting vormt en niet voorziet in een effectieve rechterlijke toetsing van de juiste inaanmerkingneming van de kwalificatie van een door de rechterlijke instanties van andere lidstaten erkende gerechtsdeskundige-vertaler, voldoet dus niet aan de voorwaarden van het recht van de Unie.

65      Op de derde vraag in zaak C‑372/09 dient dus te worden geantwoord dat artikel 49 EG, thans artikel 56VWEU, zich verzet tegen een nationale regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke de inschrijving op een lijst van gerechtsdeskundigen-vertalers afhankelijk is van voorwaarden met betrekking tot de kwalificatie zonder dat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de redenen van de hen betreffende beslissing en zonder dat tegen deze beslissing beroep in rechte kan worden ingesteld teneinde de wettigheid ervan te toetsen en meer bepaald na te gaan of is voldaan aan de uit het recht van de Unie voortvloeiende voorwaarde dat hun in andere lidstaten verworven en erkende kwalificatie naar behoren in aanmerking is genomen.

 De derde vraag in zaak C‑373/09

66      Met zijn derde vraag in zaak C‑373/09 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een voorwaarde als die van artikel 2 van wet nr. 71‑498, naar luid waarvan inschrijving op de lijst van nationale gerechtsdeskundigen slechts mogelijk is na bewijs van zijn inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een door een Cour d’appel opgestelde lijst, op zich in strijd is met de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting.

67      Vooraf zij vastgesteld dat, om de in punt 48 van dit arrest aangehaalde redenen, deze vraag slechts moet worden onderzocht in het licht van de Verdragsbepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting.

68      Uit de in de punten 49 tot en met 53 van dit arrest uiteengezette overwegingen volgt dat de bij wet nr. 71‑498 en decreet nr. 2004‑1463 opgelegde voorwaarde van inschrijving op de lijsten van gerechtsdeskundigen een belemmering vormt van de vrijheid van dienstverrichting van de gerechtsdeskundige-vertaler.

69      Ook moet worden erkend dat een voorafgaande voorwaarde, zoals een inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een door een Cour d’appel opgestelde lijst, de verwezenlijking kan verzekeren van de doelstelling van bescherming van de partijen in een procedure bij de Cour de cassation en van de doelstelling van een goede rechtsbedeling, en dus een toelaatbare belemmering van de vrijheid van dienstverrichting kan vormen.

70      Nagegaan moet evenwel worden of deze voorwaarde, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale dienstverrichters en op dienstverrichters van andere lidstaten, verder gaat dan ter bereiking van deze doelstellingen noodzakelijk is.

71      In dit verband heeft de Franse regering vooreerst aangevoerd dat een dergelijke voorwaarde het mogelijk maakt zich ervan te vergewissen dat een deskundige een goede kennis heeft verworven van de gerechtelijke procedures van de betrokken lidstaat, die wezenlijk kunnen verschillen van de gerechtelijke procedures van andere lidstaten, welke kennis slechts kan worden verworven via ervaring. Vervolgens is de voorwaarde van inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een lijst van gerechtsdeskundigen niet buitensporig, aangezien de opdrachten van gerechtsdeskundigen occasioneel zijn en er tussen twee opdrachten verschillende maanden of jaren kunnen verlopen.

72      Opgemerkt dient te worden dat, aangaande de kwaliteit van alle deskundigen die meewerken aan een gerechtelijke procedure, strenge criteria dienen te worden gehanteerd ter bescherming van de justitiabelen en ter verzekering van de goede rechtsbedeling. Dit geldt des te meer indien het gaat om deskundigen die meewerken aan een procedure voor een hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat, zoals de Franse Cour de cassation.

73      In geval van vertaaldiensten in het kader van een dergelijke procedure, is het niet onevenredig, uit het oogpunt van de doelstellingen van bescherming van de justitiabelen en de goede rechtsbedeling, te verlangen dat de gerechtsdeskundige-vertaler reeds een zekere praktijkervaring heeft met juridische vertaalopdrachten evenals een zekere kennis van het rechtsstelsel van de lidstaat van de bedoelde rechterlijke instantie.

74      Gelet op de occasionele aard van de opdrachten van op een door een Cour d’appel opgestelde lijst ingeschreven gerechtsdeskundigen-vertalers en op het feit dat er tussen twee opdrachten verschillende maanden of jaren kunnen verlopen, moet de betrokken lidstaat over een zekere beoordelingsmarge beschikken inzake de duur die hij nodig acht om deze doelstellingen te verwezenlijken. In die omstandigheden gaat de voorwaarde van inschrijving gedurende drie opeenvolgende jaren op een lijst van gerechtsdeskundigen, in beginsel niet verder dan ter bereiking van die doelstellingen noodzakelijk is.

75      De toepassing van die regel op een gerechtsdeskundige-vertaler van een andere lidstaat die reeds opdrachten heeft vervuld voor de rechterlijke instanties van die lidstaat of van andere lidstaten, en met name voor de hoogste rechterlijke instanties ervan, zou evenwel onevenredig zijn in het licht van het in punt 58 van dit arrest in herinnering gebrachte beginsel.

76      In een situatie als deze van het hoofdgeding verlangt het recht van de Unie inderdaad dat de instantie die moet beslissen over een aanvraag tot inschrijving op een lijst als de nationale lijst van gerechtsdeskundigen, de door de kandidaat in andere lidstaten verworven kwalificaties in aanmerking neemt teneinde te bepalen of en in hoeverre deze dezelfde waarde hebben als de bekwaamheden die normaal worden verwacht van iemand die gedurende drie opeenvolgende jaren is ingeschreven op een door een Cour d’appel opgestelde lijst (zie naar analogie arrest Vlassopoulou, reeds aangehaald, punt 16).

77      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals reeds gezegd in punt 63 van dit arrest, tegen elke beslissing een beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld teneinde de wettigheid van deze beslissing te toetsen aan het recht van de Unie, en dat de betrokkene kennis dient te kunnen nemen van de redenen van de hem betreffende beslissing.

78      Gelet op voorgaande overwegingen, dient op de derde vraag in zaak C‑373/09 te worden geantwoord dat artikel 49 EG, thans artikel 56 VWEU, zich verzet tegen een voorwaarde als die van artikel 2 van wet nr. 71‑498, volgens welke de inschrijving als vertaler op de lijst van nationale gerechtsdeskundigen slechts mogelijk is na overlegging van het bewijs van inschrijving van de betrokkene gedurende drie opeenvolgende jaren op een door een Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen, voor zover een dergelijke voorwaarde verhindert dat, bij het onderzoek van een aanvraag van een in een andere lidstaat gevestigde persoon die niet kan doen blijken van een dergelijke inschrijving, naar behoren rekening wordt gehouden met de door hem in een andere lidstaat verworven en erkende kwalificatie om te bepalen of en in hoeverre deze dezelfde waarde heeft als de bekwaamheden die normaal worden verwacht van iemand die gedurende drie opeenvolgende jaren is ingeschreven op een door een Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen.

 Kosten

79      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Een opdracht die geval per geval door een rechterlijke instantie, in het kader van een bij hem aanhangig geding, wordt toevertrouwd aan een gerechtsdeskundige-vertaler in die hoedanigheid, is een dienstverrichting in de zin van artikel 50 EG, thans artikel 57 VWEU.

2)      De werkzaamheden van gerechtsdeskundigen op vertaalgebied, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, zijn geen werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in de zin van artikel 45, eerste alinea, EG, thans artikel 51, eerste alinea, VWEU.

3)      Artikel 49 EG, thans artikel 56 VWEU, verzet zich tegen een nationale regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke de inschrijving op een lijst van gerechtsdeskundigen-vertalers afhankelijk is van voorwaarden met betrekking tot de kwalificatie zonder dat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de redenen van de hen betreffende beslissing en zonder dat tegen deze beslissing beroep in rechte kan worden ingesteld teneinde de wettigheid ervan te toetsen en meer bepaald na te gaan of is voldaan aan de uit het recht van de Unie voortvloeiende voorwaarde dat hun in andere lidstaten verworven en erkende kwalificatie naar behoren in aanmerking is genomen.

4)      Artikel 49 EG, thans artikel 56 VWEU, verzet zich tegen een voorwaarde als die van artikel 2 van wet nr. 71‑498 van 29 juni 1971 betreffende de gerechtsdeskundigen, zoals gewijzigd bij wet nr. 2004 130 van 11 februari 2004, volgens welke de inschrijving als vertaler op de lijst van nationale gerechtsdeskundigen slechts mogelijk is na overlegging van het bewijs van inschrijving van de betrokkene gedurende drie opeenvolgende jaren op een door een Cour d’appel opgestelde lijst, voor zover een dergelijke voorwaarde verhindert dat, bij het onderzoek van een aanvraag van een in een andere lidstaat gevestigde persoon die niet kan doen blijken van een dergelijke inschrijving, naar behoren rekening wordt gehouden met de door hem in een andere lidstaat verworven en erkende kwalificatie om te bepalen of en in hoeverre deze dezelfde waarde heeft als de bekwaamheden die normaal worden verwacht van iemand die gedurende drie opeenvolgende jaren is ingeschreven op een door een Cour d’appel opgestelde lijst van gerechtsdeskundigen.

5)     De opdrachten van gerechtsdeskundigen-vertalers die worden verricht door deskundigen die zijn ingeschreven op een lijst als de door de Cour de cassation opgestelde nationale lijst van gerechtsdeskundigen, vallen niet onder het begrip „gereglementeerd beroep” in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.

Top