EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62008CJ0089

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 december 2009.
Europese Commissie tegen Ierland en anderen.
Hogere voorziening - Staatssteun - Accijnsvrijstelling voor minerale oliën - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikel 1, sub b-v - Ontoereikende motivering - Taken en bevoegdheden van rechter - Middel van openbare orde ambtshalve opgeworpen door gemeenschapsrechter - Schending van beginsel van hoor en wederhoor - Omvang van motiveringsplicht.
Zaak C-89/08 P.

European Court Reports 2009 I-11245

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2009:742

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

2 december 2009 ( *1 )

„Hogere voorziening — Staatssteun — Vrijstelling van accijns voor minerale oliën — Verordening (EG) nr. 659/1999 — Artikel 1, sub b-v — Ontoereikende motivering — Taken en bevoegdheden van rechter — Middel van openbare orde ambtshalve in behandeling genomen door gemeenschapsrechter — Schending van beginsel van hoor en wederhoor — Omvang van motiveringsplicht”

In zaak C-89/08 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 26 februari 2008,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en N. Khan als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

rekwirante,

andere partijen bij de procedure:

Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door P. McGarry, BL, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.-L. Vendrolini als gemachtigden,

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door R. Adam als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

Eurallumina SpA, gevestigd te Portoscuso (Italië), vertegenwoordigd door R. Denton, solicitor,

Aughinish Alumina Ltd, gevestigd te Askeaton (Ierland), vertegenwoordigd door J. Handoll en C. Waterson, solicitors,

verzoekers in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, K. Lenaerts, E. Levits, kamerpresidenten, A. Rosas, P. Kūris (rapporteur), A. Borg Barthet, J. Malenovský, U. Lõhmus, A. O’Caoimh en J.-J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 maart 2009,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 mei 2009,

het navolgende

Arrest

1

Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2007, Ierland e.a./Commissie (T-50/06, T-56/06, T-60/06, T-62/06 en T-69/06; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft nietig verklaard beschikking 2006/323/EG van de Commissie van betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (PB 2006, L 119, blz. 12; hierna: „litigieuze beschikking”).

Toepasselijke bepalingen

Richtlijnen over accijnsrechten op minerale oliën

2

De accijnsrechten op minerale oliën zijn het voorwerp geweest van diverse richtlijnen, te weten richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB L 316, blz. 12), richtlijn 92/82/EEG van de Raad van betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (PB L 316, blz. 19), en richtlijn 2003/96/EG van de Raad van tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51), die de richtlijnen 92/81 en 92/82 per heeft ingetrokken.

3

Op basis van artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81 kon de Raad van de Europese Unie op voorstel van de Commissie besluiten dat een lidstaat andere accijnsvrijstellingen of -verlagingen mocht invoeren dan die waarin deze richtlijn voorzag.

4

Volgens artikel 2, lid 4, sub b, tweede streepje, van richtlijn 2003/96, was deze richtlijn niet van toepassing op duaal gebruikte energieproducten, dat wil zeggen op energieproducten die zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof worden gebruikt. Zo is er sinds 1 januari 2004, de datum waarop die richtlijn in werking is getreden, niet langer een minimumaccijnstarief voor zware stookolie die bij de productie van aluminiumoxide wordt gebruikt. Bovendien kunnen de lidstaten op basis van artikel 18, lid 1, van richtlijn 2003/96 onder voorbehoud van een voorafgaand onderzoek door de Raad tot de belastingverlagingen of -vrijstellingen blijven toepassen die zijn vermeld in bijlage II, waarin zware stookolie die als brandstof wordt gebruikt bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië wordt genoemd.

Verordening (EG) nr. 659/1999

5

Volgens artikel 1, sub b, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1), wordt verstaan onder „bestaande steun”:

„[…]

v)

steun die als bestaande steun wordt beschouwd, omdat kan worden vastgesteld dat hij op het moment van inwerkingtreding geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, zonder dat de betrokken lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht; maatregelen die vanwege de liberalisering van een activiteit door het gemeenschapsrecht steun zijn geworden, worden na de voor de liberalisering voorgeschreven datum niet als bestaande steun beschouwd.”

Voorgeschiedenis van het geding

6

Ierland, de Italiaanse Republiek en de Franse Republiek verlenen vrijstelling van accijns op minerale oliën die worden gebruikt bij de productie van aluminiumoxide, respectievelijk in de regio Shannon sinds 1983, op Sardinië sinds 1993 en in de Gardanne sinds 1997 (hierna: „litigieuze vrijstellingen”).

7

Voor de litigieuze vrijstellingen is toestemming verleend bij respectievelijk beschikking 92/510/EEG van de Raad van 19 oktober 1992, waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend om bestaande verlaagde accijnstarieven of vrijstellingen van accijnzen te blijven toepassen op bepaalde minerale oliën die voor bijzondere doeleinden worden gebruikt, in overeenstemming met de procedure van artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81/EEG (PB L 316, blz. 16), beschikking 93/697/EG van de Raad van , waarbij sommige lidstaten toestemming wordt verleend om verlaagde accijnstarieven of vrijstellingen van accijns toe te passen of te blijven toepassen op bepaalde minerale oliën die voor bijzondere doeleinden worden gebruikt, in overeenstemming met de procedure van artikel 8, lid 4, van richtlijn 92/81/EEG (PB L 321, blz. 29), en beschikking 97/425/EG van de Raad van , waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend op bepaalde, voor specifieke doeleinden gebruikte minerale oliën bestaande verlagingen of vrijstellingen van het accijnsrecht toe te passen en te blijven toepassen overeenkomstig de procedure van richtlijn 92/81/EEG (PB L 182, blz. 22). De Raad heeft de litigieuze vrijstellingen herhaaldelijk verlengd, laatstelijk bij beschikking 2001/224/EG van de Raad van houdende verlagingen en vrijstellingen van de accijns op bepaalde minerale oliën die gebruikt worden voor specifieke doeleinden (PB L 84, blz. 23), tot .

8

In punt 5 van de motivering van beschikking 2001/224 was gepreciseerd dat deze beschikking geen afbreuk deed aan de uitkomst van eventuele procedures over verstoringen van de werking van de interne markt die met name krachtens de artikelen 87 EG en 88 EG zouden kunnen worden ingesteld, noch aan het vereiste dat de lidstaten overeenkomstig artikel 88 EG de Commissie op de hoogte zouden brengen van voorgenomen steunmaatregelen.

9

Bij drie beschikkingen van 30 oktober 2001 heeft de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid voor alle litigieuze vrijstellingen. Aan het eind van deze procedure heeft de Commissie de litigieuze beschikking vastgesteld, waarin is bepaald dat:

de accijnsvrijstellingen die Frankrijk, Ierland en Italië ten behoeve van bij de productie van aluminiumoxide gebruikte zware stookolie tot 31 december 2003 hebben verleend, staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormen;

de steun die tussen 17 juli 1990 en is verleend, voor zover deze met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is, niet wordt teruggevorderd, aangezien dit in strijd zou zijn met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht;

de steun die tussen 3 februari 2002 en is verleend, overeenkomstig artikel 87, lid 3, EG, met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is voor zover de begunstigde ondernemingen niet een tarief van 13,01 EUR per 1000 kg zware stookolie hebben betaald, en

deze laatste steun moet worden teruggevorderd.

10

In de litigieuze beschikking heeft de Commissie geoordeeld dat de litigieuze vrijstellingen nieuwe steun vormden, en geen bestaande steun in de zin van artikel 1, sub b, van verordening nr. 659/1999. Dit standpunt was met name gebaseerd op de overweging dat de litigieuze vrijstellingen niet bestonden voordat het EG-Verdrag in de betrokken lidstaten van kracht werd, nooit op basis van de staatssteunregels waren onderzocht en goedgekeurd en nooit waren aangemeld.

11

Bovendien heeft de Commissie in punt 69 van de motivering van de litigieuze beschikking gesteld dat artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak niet van toepassing was.

12

Na te hebben uiteengezet in welke mate de aan de orde zijnde steun onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, heeft de Commissie gesteld dat gelet op de vrijstellingsbeschikkingen en op het feit dat deze op haar voorstel waren vastgesteld, het met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel in strijd zou zijn om de onverenigbare steun terug te vorderen die was verleend vóór 2 februari 2002, de datum waarop de beschikkingen tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, EG in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt.

Beroepen voor het Gerecht en bestreden arrest

13

Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 16, en , hebben de Italiaanse Republiek, Ierland, de Franse Republiek, Eurallumina SpA en Aughinish Alumina Ltd beroepen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld. De verschillende zaken zijn gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

14

Ter onderbouwing van hun beroepen hebben verzoekers volgens het bestreden arrest in wezen 23 middelen aangevoerd, waaronder de onjuiste kwalificatie van de litigieuze vrijstellingen als nieuwe steun terwijl het gaat om bestaande steun, schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn, het geldigheidsvermoeden, het beginsel lex specialis derogat legi generali en de beginselen van nuttige werking en goed bestuur. Eveneens is schending van artikel 87 EG en van de motiveringsplicht met betrekking tot de toepassing van dit artikel aangevoerd.

15

In punt 46 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter gesteld dat het het niettegenstaande de aanvoering van deze middelen in casu opportuun achtte om ambtshalve op te werpen dat de litigieuze beschikking niet was gemotiveerd wat het niet-toepassen van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 betreft.

16

Na er in punt 47 van het bestreden arrest aan te hebben herinnerd dat een ontbrekende of ontoereikende motivering een punt van openbare orde vormt, dat de gemeenschapsrechter ambtshalve moet toetsen, en in de punten 48 en 49 van dat arrest te hebben verwezen naar de rechtspraak betreffende de omvang van de verplichting tot motivering van een gemeenschapshandeling, heeft het Gerecht in de punten 52 en 53 van dat arrest uiteengezet dat de Commissie in de litigieuze beschikking had onderzocht of de aan de orde zijnde vrijstellingen nieuwe of bestaande steun vormden, maar met betrekking tot artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 enkel had gesteld dat dit artikel in casu niet van toepassing was, zonder de redenen daarvoor aan te geven.

17

Het Gerecht heeft in de punten 56 tot en met 63 van het bestreden arrest geoordeeld dat bijzondere omstandigheden in casu echter verplichtten om te onderzoeken of de litigieuze vrijstellingen als bestaande steun konden worden beschouwd omdat zij geen steun vormden op het tijdstip dat zij in werking zijn getreden, maar dit vervolgens zijn geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, zonder dat zij door de betrokken lidstaten zijn gewijzigd. Het heeft bijgevolg geoordeeld dat de Commissie de litigieuze beschikking rechtens afdoende diende te motiveren wat de toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 betreft.

18

De aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden zijn in wezen als volgt uiteengezet in de punten 56 tot en met 62 van het bestreden arrest.

19

In de eerste plaats wordt in verschillende beschikkingen tot goedkeuring van de litigieuze vrijstellingen vermeld dat de Commissie erkent dat deze vrijstellingen geen aanleiding geven tot concurrentievervalsingen en de goede werking van de interne markt niet belemmeren. Er zijn echter geen aanwijzingen in de litigieuze beschikking die verklaren hoe het begrip concurrentievervalsing een verschillende strekking zou hebben op fiscaal gebied en op het terrein van de staatssteun. Ook is in verscheidene van deze beschikkingen vermeld dat de Commissie de litigieuze vrijstellingen regelmatig aan een onderzoek zal onderwerpen teneinde de verenigbaarheid ervan met de werking van de interne markt en met andere doelstellingen van het Verdrag te verzekeren.

20

In de tweede plaats heeft de Commissie in punt 97 van de motivering van de litigieuze beschikking op zijn minst erkend dat deze goedkeuringsbeschikkingen, die zijn vastgesteld op basis van haar eigen voorstellen, de gedachte hebben kunnen doen postvatten dat de litigieuze vrijstellingen niet als staatssteun konden worden gekwalificeerd toen zij in werking traden. De omstandigheid dat dit punt van de motivering voorkomt in het deel betreffende de terugvordering van de steun, kan niet afdoen aan de betekenis ervan.

21

In de derde plaats zijn de litigieuze vrijstellingen goedgekeurd en achtereenvolgens verlengd bij door de Raad op voorstel van de Commissie vastgestelde beschikkingen en, afgezien van beschikking 2001/224, was in geen van die beschikkingen een mogelijke strijdigheid met de staatssteunregels vermeld. In punt 96 van de motivering van de litigieuze beschikking benadrukt de Commissie overigens zelf dat belanghebbenden niet verwachten dat de Commissie aan de Raad voorstellen doet die onverenigbaar zijn met bepalingen van het Verdrag.

22

Het Gerecht heeft in punt 64 van het bestreden arrest geconcludeerd dat de Commissie wat het niet-toepassen van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak betreft, de motiveringsplicht heeft geschonden die krachtens artikel 253 EG op haar rust.

Conclusies van partijen

23

De Commissie verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor een nieuw onderzoek en de beslissing over kosten in de beide instanties aan te houden.

24

De Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, Eurallumina SpA en Aughinish Alumina Ltd verzoeken het Hof de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.

25

Subsidiair verzoekt Eurallumina SpA het Hof, voor het geval dit het zesde middel van de hogere voorziening, inhoudend dat het Gerecht de litigieuze beschikking niet nietig mocht verklaren voor zover de formele onderzoeksprocedure daarbij is uitgebreid tot de litigieuze vrijstellingen van na 31 december 2003, gegrond zou verklaren, het bestreden arrest uitsluitend op dit punt te vernietigen.

Hogere voorziening

26

Ter onderbouwing van haar verzoek het bestreden arrest te vernietigen en de zaak naar het Gerecht te verwijzen, voert de Commissie zes middelen aan.

27

Het eerste middel beoogt in wezen aan te tonen dat het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden door ambtshalve een motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking aan de orde te stellen. Het tweede middel is ontleend aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van de rechten van de verdediging. Het derde middel betreft schending van de artikelen 230 EG en 253 EG, in samenhang met artikel 88 EG en de regeling betreffende de procedure inzake staatssteun. Het vierde en het vijfde middel trachten in wezen aan te tonen dat het Gerecht artikel 253 EG heeft geschonden door ten onrechte te oordelen dat de Commissie niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht wat de toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 betreft. Het zesde middel klaagt dat het Gerecht de litigieuze beschikking niet nietig mocht verklaren voor zover deze de formele onderzoeksprocedure tot de litigieuze vrijstellingen van na 31 december 2003 uitbreidt.

Eerste middel van de hogere voorziening: het Gerecht heeft de grenzen van zijn bevoegdheden overschreden door ambtshalve een motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking aan de orde te stellen

Argumenten van partijen

28

Het eerste middel van de hogere voorziening bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel voert de Commissie aan dat het Gerecht, door ambtshalve een motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking aan de orde te stellen, buiten de grenzen van het door partijen afgebakende geschil is getreden, het lijdelijkheidsbeginsel heeft geschonden, ultra petita heeft beslist en aldus de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden en een procedurefout heeft gemaakt die afbreuk heeft gedaan aan haar belangen.

29

Ter onderbouwing van haar grieven betoogt de Commissie dat het ambtshalve door het Gerecht opgeworpen middel helemaal niets te maken heeft met de 23 middelen die verzoekers in eerste aanleg hebben aangevoerd en met de uit de dossiers van de vijf gevoegde zaken blijkende feiten, die geen aanwijzing bevatten dat de litigieuze vrijstellingen op het moment van de inwerkingtreding ervan geen steun vormden, maar vervolgens steun zijn geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt.

30

In het tweede onderdeel stelt de Commissie dat het ambtshalve opgeworpen middel in feite betrekking heeft op de materiële rechtmatigheid van de litigieuze beschikking en niet op de motivering daarvan, omdat de door het Gerecht geëiste motivering niet noodzakelijk is voor de belanghebbenden of voor de rechter. Het Gerecht heeft dus geen rekening gehouden met het door de rechtspraak erkende onderscheid tussen een middel over de motivering en een middel ten gronde, en heeft zich in de plaats van verzoekers in eerste aanleg gesteld door een middel op te werpen dat alleen zij konden aanvoeren. Daardoor heeft het artikel 230 EG juncto artikel 253 EG geschonden, alsmede de regels inzake de verplichting om de middelen in het verzoekschrift uiteen te zetten, zoals vermeld in artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie en in de artikelen 44, lid 1, en 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, aangezien het deze regels elke praktische draagwijdte heeft ontnomen. Deze schendingen zijn ook procedurele onregelmatigheden die afbreuk hebben gedaan aan de belangen van de Commissie.

31

Ter bestrijding van dit middel herinneren verweerders er in wezen aan dat het gebrek aan motivering, dat een schending van wezenlijke vormvoorschriften vormt, een middel van openbare orde is dat de gemeenschapsrechter ambtshalve moet opwerpen. Het Gerecht heeft dus niet ultra petita beslist en overigens evenmin de regel van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschonden, die niet voor het Gerecht, maar voor de verzoeker geldt.

32

Voorts stellen verweerders dat het middel inzake een motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking niet volledig vreemd was aan de middelen van verzoekers in eerste aanleg en aan de feiten van de zaak. Met name zijn de bijzondere omstandigheden die het Gerecht in de punten 56 tot en met 62 van het bestreden arrest heeft vermeld, uiteengezet en besproken tijdens de procedure voor het Gerecht.

33

Het ambtshalve opgeworpen middel heeft geen betrekking op de grond van het recht, maar op een louter motiveringsgebrek. In het bestreden arrest stelt het Gerecht overigens niet aan de orde dat de Commissie de steun als nieuwe steun heeft gekwalificeerd, maar enkel dat zij niet heeft uiteengezet waarom artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 niet van toepassing was. Het Gerecht heeft bijgevolg wel rekening gehouden met het onderscheid tussen de motivering en de grond van de zaak en heeft terecht geoordeeld dat de litigieuze beschikking moest worden gemotiveerd met betrekking tot de toepasselijkheid van deze bepaling, waarbij de Commissie in de context van de onderhavige zaak diende uiteen te zetten waarom zij de litigieuze vrijstellingen als nieuwe steun en niet als bestaande steun heeft gekwalificeerd.

Beoordeling door het Hof

34

Teneinde uitspraak te doen over het eerste onderdeel van het middel, volgens hetwelk het Gerecht buiten de grenzen van het door partijen afgebakende geschil is getreden, dient in herinnering te worden gebracht dat het vaste rechtspraak is dat een ontbrekende of ontoereikende motivering schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 230 EG oplevert en een middel van openbare orde vormt dat door de gemeenschapsrechter ambtshalve kan en zelfs moet worden onderzocht (zie met name arresten van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punt 24; , Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 67; , VBA/Florimex e.a., C-265/97 P, Jurispr. blz. I-2061, punt 114, en , Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C-413/06 P, Jurispr. blz. I-4951, punt 174).

35

Door dat middel, dat principieel niet door partijen is aangevoerd, ambtshalve op te werpen, treedt de gemeenschapsrechter niet buiten de grenzen van het bij hem aanhangige geschil en schendt hij de procedureregels over de uiteenzetting van het voorwerp van het geschil en van de middelen in het verzoekschrift niet.

36

Bijgevolg heeft het Gerecht in casu de grenzen van zijn bevoegdheden niet overschreden door ambtshalve een motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking aan de orde te stellen.

37

Het eerste onderdeel van het middel is derhalve ongegrond.

38

Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, volgens hetwelk het Gerecht in werkelijkheid ambtshalve de materiële rechtmatigheid van de litigieuze beschikking aan de orde heeft gesteld, dient te worden opgemerkt dat het Gerecht deze beschikking heeft nietig verklaard op de in punt 63 van het bestreden arrest vermelde grond dat de Commissie, gelet op de in de punten 56 tot en met 62 van dat arrest genoemde bijzondere omstandigheden, in de onderhavige zaak diende te onderzoeken of artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 van toepassing was en de litigieuze beschikking op dit punt rechtens afdoende diende te motiveren in plaats van alleen te verklaren dat deze bepaling in casu niet van toepassing was.

39

In het bestreden arrest heeft het Gerecht zich geenszins ten gronde uitgesproken over de toepasselijkheid van bovenvermelde bepaling en meer algemeen evenmin over de vraag — waarover tussen partijen discussie heeft plaatsgevonden — of de litigieuze vrijstellingen bestaande of nieuwe steun vormden.

40

Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het geen rekening heeft gehouden met het door de rechtspraak erkende onderscheid tussen een, door de gemeenschapsrechter ambtshalve opgeworpen middel inzake ontbrekende of ontoereikende motivering, en een middel over de materiële rechtmatigheid, dat slechts kan worden onderzocht indien het door de verzoeker is aangevoerd (zie arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, reeds aangehaald, punt 67).

41

Bijgevolg is ook het tweede onderdeel van het middel ongegrond.

42

Gelet op al het voorgaande moet het eerste middel van de hogere voorziening worden afgewezen.

Tweede middel van de hogere voorziening: schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van de rechten van de verdediging door het Gerecht

Argumenten van partijen

43

De Commissie, die opmerkt dat over het in het bestreden arrest ambtshalve opgeworpen middel geen discussie heeft plaatsgevonden en dat het zelfs niet aan de orde is gekomen tijdens de schriftelijke en de mondelinge behandeling voor het Gerecht, verwijt het Gerecht dat het de algemene beginselen van hoor en wederhoor en van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden.

44

In dit verband beroept de Commissie zich op de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens over artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), volgens hetwelk de rechter zelf het beginsel van hoor en wederhoor moet eerbiedigen, onder meer wanneer hij een beroep verwerpt of een geschil beslecht op basis van een ambtshalve opgeworpen middel.

45

Zij betoogt bovendien dat het beginsel van hoor en wederhoor een algemeen beginsel in de procedure voor de communautaire rechters is, dat door het Hof als grondrecht is aangemerkt, en dat het Gerecht de heropening van de mondelinge behandeling had kunnen bevelen teneinde partijen te verzoeken om hun standpunt kenbaar te maken over het middel dat het van plan was ambtshalve op te werpen.

46

Verweerders betogen in wezen dat het Gerecht krachtens artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering over de discretionaire bevoegdheid beschikt om heropening van de mondelinge behandeling te bevelen en dat uit dit artikel en uit artikel 113 van dit Reglement voortvloeit dat de verplichting om partijen te horen alvorens ambtshalve een middel op te werpen, enkel geldt voor de middelen op basis waarvan het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard of die leiden tot de uitspraak dat in de zaak niet behoeft te worden beslist. Wanneer het Hof van plan is om ambtshalve een middel van openbare orde op te werpen, opent het overigens niet noodzakelijkerwijs de mondelinge behandeling.

47

Zij betogen dat, zoals de Commissie erkent, het EVRM niet van toepassing is op publiekrechtelijke rechtspersonen en dat ook al is het beginsel van hoor en wederhoor een grondrecht, de wijze waarop het wordt toegepast moet afhangen van de hoedanigheid van partijen en de concrete omstandigheden van de zaak.

48

Verweerders zijn van mening dat het beginsel van hoor en wederhoor in casu is geëerbiedigd, aangezien het bestreden arrest niet is gebaseerd op stukken of feiten waarvan de Commissie niet op de hoogte was. Bovendien heeft het ambtshalve opgeworpen middel geen betrekking op de grond van de zaak, maar betreft het schending van een wezenlijk vormvoorschrift.

49

Daarenboven zijn de belangen van de Europese Gemeenschap niet geraakt, aangezien de rechten van de Gemeenschap niet met voeten zijn getreden. De Commissie is immers niet burgerrechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk gesteld en zij is evenmin bestraft. Bovendien had heropening van de mondelinge behandeling de Commissie niet de mogelijkheid kunnen bieden om argumenten aan te voeren op basis waarvan het Gerecht het motiveringsgebrek niet ambtshalve aan de orde zou stellen, aangezien een dergelijk gebrek niet achteraf kan worden goedgemaakt.

Beoordeling door het Hof

50

Het beginsel van hoor en wederhoor maakt deel uit van de rechten van de verdediging. Het is van toepassing op alle procedures die tot een beslissing van een gemeenschapsinstelling kunnen leiden die de belangen van een persoon aanmerkelijk kunnen raken (zie met name arrest van 10 juli 2001, Ismeri Europa/Rekenkamer, C-315/99 P, Jurispr. blz. I-5281, punt 28 en aangehaalde rechtspraak, en arrest Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, reeds aangehaald, punt 61).

51

De communautaire rechterlijke instanties zien erop toe dat het beginsel van hoor en wederhoor voor hen wordt geëerbiedigd en dat zij zelf dit beginsel eerbiedigen.

52

Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de procespartijen ingevolge het beginsel van hoor en wederhoor in de regel het recht hebben om kennis te nemen van de bewijzen en de opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd en hierover hun standpunt kenbaar te maken (arrest van 14 februari 2008, Varec, C-450/06, Jurispr. blz. I-581, punt 47). Indien een rechterlijke beslissing werd gebaseerd op feiten en stukken waarvan partijen, of een van hen, geen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij dus geen standpunt hebben kunnen innemen, zou zulks in strijd zijn met een grondbeginsel van het recht (arresten van , Snupat/Hoge Autoriteit, 42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 103, blz. 158; , Plant e.a./Commissie en South Wales Small Mines, C-480/99 P, Jurispr. blz. I-265, punt 24, en , Corus UK/Commissie, C-199/99 P, Jurispr. blz. I-11177, punt 19).

53

Het beginsel van hoor en wederhoor moet ten goede komen aan elke partij in een geding dat bij de gemeenschapsrechter aanhangig is, ongeacht de juridische hoedanigheid van deze partij. De gemeenschapsinstellingen kunnen zich dus ook op dit beginsel beroepen wanneer zij partij zijn in een dergelijk geding.

54

De rechter moet zelf het beginsel van hoor en wederhoor eerbiedigen, inzonderheid wanneer hij een geding beslecht op basis van een ambtshalve opgeworpen middel (zie naar analogie, op het gebied van de rechten van de mens, Cour eur. D.H., arresten Skondrianos/Griekenland van 18 december 2003, §§ 29 en 30; Clinique des Acacias e.a./Frankrijk van , § 38, en Prikyan en Angelova/Bulgarije van , § 42).

55

Zoals de advocaat-generaal in de punten 93 tot en met 107 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, verleent het beginsel van hoor en wederhoor in de regel niet alleen elke procespartij het recht om kennis te nemen van de stukken en de opmerkingen die door de tegenpartij aan de rechter zijn voorgelegd en hierover haar standpunt kenbaar te maken, en verzet het zich er niet alleen tegen dat de gemeenschapsrechter zijn beslissing baseert op feiten en stukken waarvan partijen, of een van hen, geen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij dus niet hun standpunt hebben kunnen kenbaar maken. Het omvat in beginsel eveneens het recht van de partijen om kennis te nemen van de middelen die de rechter ambtshalve in aanmerking wil nemen en om hierover een standpunt kenbaar te maken.

56

Om aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces te voldoen, is het immers van belang dat de partijen kennis hebben van, en op tegenspraak hun standpunt kenbaar kunnen maken over, zowel de feitelijke als de juridische aspecten die beslissend zijn voor de uitkomst van de procedure.

57

Bijgevolg kan de gemeenschapsrechter, afgezien van bijzondere gevallen zoals met name die welke in de Reglementen voor de procesvoering van de communautaire rechterlijke instanties zijn vermeld, zijn beslissing niet baseren op een ambtshalve opgeworpen middel, ook al is het van openbare orde en betreft het, zoals in casu, een motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking, zonder partijen eerst te hebben verzocht om hun opmerkingen over dat middel kenbaar te maken.

58

Overigens heeft het Hof in de — vergelijkbare — context van artikel 6 EVRM geoordeeld dat juist in verband met dit artikel en het doel van het recht van eenieder op een procedure op tegenspraak en een eerlijk proces in de zin van deze bepaling, het Hof ambtshalve of op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen de mondelinge behandeling krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering kan heropenen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie beschikking van 4 februari 2000, Emesa Sugar, C-17/98, Jurispr. blz. I-665, punten 8, 9 en 18, en arrest van , Deutsche Post, C-270/97 en C-271/97, Jurispr. blz. I-929, punt 30).

59

De discretionaire bevoegdheid waarover het Gerecht in dit verband krachtens artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt, kan dus niet worden uitgeoefend zonder de verplichting om het beginsel van hoor en wederhoor te eerbiedigen in aanmerking te nemen.

60

In casu blijkt uit het dossier en de terechtzitting voor het Hof dat het Gerecht in het bestreden arrest de litigieuze beschikking heeft nietig verklaard op grond van een ambtshalve opgeworpen middel over schending van artikel 253 EG, zonder partijen eerst tijdens de schriftelijke of de mondelinge behandeling te hebben verzocht om hun opmerkingen over dit middel kenbaar te maken. Daardoor heeft het Gerecht het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

61

Anders dan verweerders betogen, heeft het niet-eerbiedigen van het beginsel van hoor en wederhoor afbreuk gedaan aan de belangen van de Commissie in de zin van artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie. Zoals de advocaat-generaal in de punten 114 tot en met 118 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormt een motiveringsgebrek immers weliswaar een gebrek dat in beginsel niet kan worden hersteld, maar de constatering van dat gebrek vloeit voort uit een beoordeling die volgens vaste rechtspraak met bepaalde elementen rekening moet houden, zoals het Gerecht overigens in de punten 48 en 49 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht. Die beoordeling kan worden betwist, in het bijzonder wanneer zij geen totaal gebrek aan motivering betreft, maar betrekking heeft op de motivering van een precies feitelijk en juridisch punt. In casu had de Commissie met name, indien zij haar opmerkingen kenbaar had kunnen maken, dezelfde argumenten kunnen aanvoeren als in het kader van het vierde en het vijfde middel van de onderhavige hogere voorziening, die in de punten 64 tot en met 67 van het onderhavige arrest zijn vermeld.

62

Om al die redenen moet het tweede middel van de Commissie worden aanvaard.

63

Overigens is het in casu voor een goede rechtsbedeling passend om het vierde en het vijfde middel van de hogere voorziening, waarmee de Commissie in wezen betoogt dat het Gerecht artikel 253 EG heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie de in dit artikel gestelde motiveringsplicht heeft geschonden wat de toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 betreft, ook — gezamenlijk — te onderzoeken.

Vierde en vijfde middel van de hogere voorziening: schending van artikel 253 EG

Argumenten van partijen

64

Met haar vierde middel verwijt de Commissie het Gerecht dat het artikel 253 EG, in samenhang met artikel 87, lid 1, EG en artikel 88, lid 1, EG en met de regels over staatssteunprocedures heeft geschonden.

65

Ter onderbouwing van dit middel betoogt de Commissie met name dat uit de motivering van de litigieuze beschikking blijkt dat de litigieuze vrijstellingen sinds de invoering ervan steeds steun zijn geweest, aangezien deze beschikking rechtens afdoende en overeenkomstig de eisen van de rechtspraak uiteenzet dat deze vrijstellingen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedden en concurrentievervalsingen veroorzaakten. In die omstandigheden was het volgens haar niet noodzakelijk om meer gedetailleerd uiteen te zetten waarom artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 niet van toepassing was. Gesteld dat de litigieuze vrijstellingen geen steun vormden toen zij werden ingevoerd, zou daar bovendien uit voortvloeien dat zij nog steeds geen steun zijn, zoals bepaalde verzoekers in eerste aanleg ten onrechte aanvoerden, en niet dat zij bestaande steun zijn, zoals het Gerecht heeft overwogen.

66

In het vijfde middel betoogt de Commissie dat het Gerecht nogmaals artikel 253 EG, in samenhang met artikel 87, lid 1, EG, artikel 88, lid 1, EG en artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999, en de verplichting om zijn arresten te motiveren, heeft geschonden.

67

Ter onderbouwing van dit middel betoogt de Commissie onder meer dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van het recht door te oordelen dat bijzondere omstandigheden, die alle verband houden met het gedrag van de Raad of de Commissie, verlangden dat de litigieuze beschikking een specifieke motivering bevatte over de toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999, terwijl het begrip — bestaande of nieuwe — staatssteun, dat een objectief begrip is, niet kan afhangen van het gedrag of de verklaringen van de instellingen, a fortiori wanneer dit gedrag of deze verklaringen geen verband houden met een procedure van controle van steun. Bovendien is een dergelijke beoordeling in strijd met hetgeen het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C-182/03 en C-271/03, Jurispr. blz. I-5479).

68

In antwoord op het vierde middel zetten verweerders met name uiteen dat de gronden voor de niet-toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 niet duidelijk blijken uit de litigieuze beschikking, die derhalve niet voldoet aan het vereiste van een duidelijke en ondubbelzinnige motivering. Bovendien heeft het Gerecht de Commissie verweten dat zij niet heeft uiteengezet waarom zij heeft geoordeeld dat de litigieuze vrijstellingen de concurrentie in de gemeenschappelijke markt vervalsten, terwijl zij voordien een andere mening leek te zijn toegedaan. In die context heeft het Gerecht gelet op de rechtspraak terecht geoordeeld dat de Commissie de redenen diende op te geven die aantoonden dat zij een beoordeling had gemaakt die haar conclusie rechtvaardigde. Met dit middel tracht de Commissie in werkelijkheid het motiveringsgebrek in de litigieuze beschikking te verhelpen en van het Hof te verkrijgen dat het uitspraak doet over inhoudelijke vraagstukken die geen verband houden met dit gebrek.

69

In antwoord op het vijfde middel betogen verweerders dat het Gerecht niet aan de orde heeft gesteld dat het begrip staatssteun een objectief begrip is, maar enkel heeft geoordeeld dat de Commissie, gelet op de eerdere beschikkingen van de Raad en op het gewettigde vertrouwen dat deze hebben doen ontstaan in rechtmatigheid van de litigieuze vrijstellingen, in haar beschikking diende uiteen te zetten welke redenen objectief gezien leidden tot uitsluiting van de toepassing van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999. Aangezien de motivering van een beschikking in de beschikking zelf moet zijn opgenomen, kunnen de uiteenzettingen van de Commissie het gebrek aan motivering niet goedmaken.

Beoordeling door het Hof

70

Krachtens artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 wordt als bestaande steun beschouwd, steun die op het moment van de inwerkingtreding ervan geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, zonder dat de lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht.

71

Het begrip ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt kan worden opgevat als een wijziging van de economische en juridische context in de door de aan de orde zijnde maatregel geraakte sector, en ziet bijvoorbeeld niet op het geval waarin de Commissie haar beoordeling wijzigt op grond van een striktere toepassing van de regels over staatssteun (zie arrest België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald, punt 71).

72

Meer algemeen beantwoordt het begrip — bestaande of nieuwe — staatssteun aan een objectieve situatie. Zoals de Commissie betoogt, kan dit begrip niet afhangen van het gedrag of de verklaringen van de instellingen.

73

Daarom heeft het Hof, na eraan te hebben herinnerd dat de door artikel 253 EG vereiste motivering van een gemeenschapshandeling moet beantwoorden aan de aard van die handeling, in punt 137 van het reeds aangehaalde arrest België en Forum 187/Commissie geoordeeld dat de Commissie niet kan worden verplicht om aan te geven waarom zij de aan de orde zijnde regeling in haar vroegere beschikkingen anders heeft beoordeeld.

74

Dat geldt a fortiori wanneer de eventuele andere eerdere beoordeling door de Commissie van de aan de orde zijnde nationale maatregel, zoals in casu in het kader van een andere procedure dan die van controle van staatssteun heeft plaatsgevonden.

75

De in de punten 56 tot en met 62 van het bestreden arrest vermelde omstandigheden, die hoofdzakelijk verband houden met het feit dat de Commissie, toen de Raad de beschikkingen tot goedkeuring van de litigieuze vrijstellingen vaststelde, van mening was dat deze vrijstellingen geen aanleiding gaven tot concurrentievervalsingen en de goede werking van de gemeenschappelijke markt niet belemmerden, en met het feit dat deze beschikkingen de indruk konden wekken dat deze vrijstellingen niet als staatssteun konden worden gekwalificeerd, verplichtten de Commissie bijgevolg in beginsel niet om de litigieuze beschikking te motiveren wat de niet-toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 betreft.

76

Bijgevolg heeft het Gerecht de litigieuze beschikking op basis van rechtens onjuiste gronden nietig verklaard door te oordelen dat de Commissie, gelet op die omstandigheden, in de onderhavige zaak diende te onderzoeken of bovenvermelde bepaling van toepassing was en deze beschikking op dit punt specifiek diende te motiveren en dat zij door dit niet te doen artikel 253 EG had geschonden.

77

Bovendien moet volgens vaste rechtspraak de door artikel 253 EG vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie met name reeds aangehaalde arresten Commissie/Sytraval en Brink’s France, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78

In casu heeft de Commissie in de punten 58 tot en met 64 van de motivering van de litigieuze beschikking eerst uiteengezet waarom zij van oordeel is dat de litigieuze vrijstellingen met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun vormen in de zin van artikel 87, lid 1, EG, door vast te stellen dat zij bepaalde ondernemingen een voordeel verlenen, dat dit voordeel wordt bekostigd met staatsmiddelen, dat zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en dat zij de concurrentie vervalsen of dreigen te vervalsen.

79

In het bijzonder heeft de Commissie in punt 60 van de motivering van de litigieuze beschikking opgemerkt dat de litigieuze vrijstellingen de kosten van een grondstof verminderen en dus een voordeel verlenen aan de begunstigde ondernemingen, die zich in een gunstiger positie bevinden dan andere ondernemingen die minerale oliën in andere sectoren of regio’s gebruiken. In de punten 61 en 62 van de motivering van die beschikking heeft de Commissie te kennen gegeven dat de opmerkingen van de begunstigde ondernemingen en van de Franse Republiek bevestigden dat de accijnsverlagingen uitdrukkelijk zijn bedoeld om de concurrentiepositie van de begunstigde ondernemingen ten opzichte van hun concurrenten te verbeteren door hun kosten te verlagen, en dat aluminiumoxide, dat ook in Griekenland, Spanje, Duitsland en Hongarije wordt geproduceerd, het voorwerp is van handelsverkeer tussen de lidstaten, zodat kan worden vermoed dat de litigieuze vrijstellingen het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig beïnvloeden en de concurrentie vervalsen of dreigen te vervalsen.

80

In de punten 65 tot en met 70 van de motivering van de litigieuze beschikking heeft de Commissie vervolgens uiteengezet waarom zij van mening is dat de litigieuze vrijstellingen nieuwe steun en geen bestaande steun vormen in de zin van artikel 1 van verordening nr. 659/1999. Zo heeft zij uiteengezet dat die vrijstellingen niet bestonden vóór de inwerkingtreding van het Verdrag in de drie betrokken lidstaten, dat zij nooit op basis van de staatssteunregels waren onderzocht en goedgekeurd, dat zij nooit waren aangemeld en tot slot dat artikel 1, sub b-v, van die verordening niet van toepassing was in de onderhavige zaak.

81

Hoewel de Commissie dit laatste punt niet heeft toegelicht in de litigieuze beschikking, blijkt echter duidelijk uit al die gronden dat zij van mening was dat de litigieuze vrijstellingen geen staatssteun waren geworden vanwege een ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, maar dat zij dat vanaf het begin waren, zodat artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak niet van toepassing was.

82

Overigens hadden verzoekers in eerste aanleg geen opmerkingen ingediend waaruit bleek dat de gemeenschappelijke markt sinds de invoering van de litigieuze vrijstellingen aldus was ontwikkeld dat de Commissie als antwoord had moeten uiteenzetten waarom zij van mening was dat artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak niet van toepassing was.

83

Bovendien blijkt ook duidelijk uit de motivering van de litigieuze beschikking dat de Commissie weliswaar van mening was, toen de Raad de beschikkingen tot goedkeuring van de litigieuze vrijstellingen vaststelde, dat deze geen aanleiding gaven tot concurrentievervalsingen en de goede werking van de interne markt niet belemmerden, maar dat deze vrijstellingen nooit waren onderzocht en goedgekeurd op basis van de staatssteunregels, op basis waarvan zij tot de tegenovergestelde conclusie is gekomen. Ook geeft de omstandigheid dat die beschikkingen op voorstel van de Commissie zijn vastgesteld en geen mogelijke strijdigheid met die regels vermeldden, in de punten 95 tot en met 100 van de motivering van de litigieuze beschikking aanleiding tot een specifieke motivering, waarna de Commissie heeft geconcludeerd dat terugvordering van de steun die uit de tot en met 2 februari 2002 verleende vrijstellingen resulteerde van de begunstigde ondernemingen in strijd zou zijn met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.

84

Gelet met name op de aard en de inhoud van de litigieuze beschikking, op de staatssteunregels en op het belang dat de adressaten en de personen die rechtstreeks en individueel door deze beschikking worden geraakt, konden hebben bij het ontvangen van uitleg, voldoet de motivering van deze beschikking derhalve aan de eisen van de in punt 77 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak en hoefde zij niet noodzakelijkerwijs specifieke uitleg te bevatten, zoals de Commissie betoogt, over de niet-toepasselijkheid van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak.

85

Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting van het recht door te oordelen dat de Commissie de motiveringsplicht waaraan zij overeenkomstig artikel 253 EG moet voldoen, heeft geschonden wat het niet-toepassen van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak betreft.

86

Bijgevolg moeten ook het vierde en het vijfde middel worden aanvaard.

87

Gelet op al het voorgaande dient, zonder dat de overige argumenten en middelen van partijen hoeven te worden onderzocht, het bestreden arrest te worden vernietigd voor zover het de litigieuze beschikking heeft nietig verklaard op grond dat de Commissie daarin de motiveringsplicht heeft geschonden wat het niet-toepassen van artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 in de onderhavige zaak betreft, en voor zover het de Commissie heeft verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekers, daaronder begrepen die van de kortgedingprocedure in zaak T-69/06 R.

Verwijzing van de zaak naar het Gerecht

88

Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

89

Aangezien het Gerecht in casu over geen van de middelen van partijen ten gronde uitspraak heeft gedaan, is de onderhavige zaak niet in staat van wijzen. De gevoegde zaken dienen dus naar het Gerecht te worden verwezen.

Kosten

90

Aangezien de zaken worden verwezen naar het Gerecht, dient de beslissing over de kosten van de hogere voorziening te worden aangehouden.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

 

1)

Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2007, Ierland e.a./Commissie (T-50/06, T-56/06, T-60/06, T-62/06 en T-69/06), wordt vernietigd voor zover het:

beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën, heeft nietig verklaard op grond dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarin de motiveringsplicht heeft geschonden wat het niet-toepassen van artikel 1, sub b-v, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG], betreft, en

de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekers, daaronder begrepen die van de kortgedingprocedure in zaak T-69/06 R.

 

2)

De gevoegde zaken T-50/06, T-56/06, T-60/06, T-62/06 en T-69/06 worden verwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

 

3)

De beslissing over de kosten wordt aangehouden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestalen: Frans, Engels en Italiaans.

Top