This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62008CA0310
Case C-310/08: Judgment of the Court (Grand Chamber) of 23 February 2010 (reference for a preliminary ruling from the Court of Appeal of England and Wales, United Kingdom) — London Borough of Harrow v Nimco Hassan Ibrahim, Secretary of State for the Home Department (Freedom of movement for persons — Right of residence of a national of a non-member country who is the spouse of a national of a Member State, and of their children who are themselves nationals of a Member State — National of a Member State ceasing to work and leaving the host Member State — Enrolment of the children at a school — No means of subsistence — Regulation (EEC) No 1612/68 — Article 12 — Directive 2004/38)
Zaak C-310/08: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 23 februari 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — Verenigd Koninkrijk) — London Borough of Harrow/Nimco Hassan Ibrahim, Secretary of State for the Home Department (Vrij verkeer van personen — Verblijfsrecht van persoon met nationaliteit van derde land die echtgenoot is van persoon met nationaliteit van lidstaat, en van hun kinderen die zelf nationaliteit van lidstaat hebben — Beëindiging van arbeid in loondienst van persoon met nationaliteit van lidstaat, gevolgd door zijn vertrek uit gastlidstaat — Inschrijving van kinderen bij onderwijsinstelling — Ontbreken van bestaansmiddelen — Verordening (EEG) nr. 1612/68 — Artikel 12 — Richtlijn 2004/38/EG)
Zaak C-310/08: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 23 februari 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — Verenigd Koninkrijk) — London Borough of Harrow/Nimco Hassan Ibrahim, Secretary of State for the Home Department (Vrij verkeer van personen — Verblijfsrecht van persoon met nationaliteit van derde land die echtgenoot is van persoon met nationaliteit van lidstaat, en van hun kinderen die zelf nationaliteit van lidstaat hebben — Beëindiging van arbeid in loondienst van persoon met nationaliteit van lidstaat, gevolgd door zijn vertrek uit gastlidstaat — Inschrijving van kinderen bij onderwijsinstelling — Ontbreken van bestaansmiddelen — Verordening (EEG) nr. 1612/68 — Artikel 12 — Richtlijn 2004/38/EG)
PB C 100 van 17.4.2010, p. 3–3
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
17.4.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 100/3 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 23 februari 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — Verenigd Koninkrijk) — London Borough of Harrow/Nimco Hassan Ibrahim, Secretary of State for the Home Department
(Zaak C-310/08) (1)
(Vrij verkeer van personen - Verblijfsrecht van persoon met nationaliteit van derde land die echtgenoot is van persoon met nationaliteit van lidstaat, en van hun kinderen die zelf nationaliteit van lidstaat hebben - Beëindiging van arbeid in loondienst van persoon met nationaliteit van lidstaat, gevolgd door zijn vertrek uit gastlidstaat - Inschrijving van kinderen bij onderwijsinstelling - Ontbreken van bestaansmiddelen - Verordening (EEG) nr. 1612/68 - Artikel 12 - Richtlijn 2004/38/EG)
2010/C 100/03
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: London Borough of Harrow
Verwerende partijen: Nimco Hassan Ibrahim, Secretary of State for the Home Department
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal — Uitlegging van richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PB L 158, blz. 77) en van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) — Echtgenote met nationaliteit van derde land, met haar kinderen, die wel nationaliteit van lidstaat hebben, die zich heeft vervoegd bij haar echtgenoot, met nationaliteit van deze lidstaat, in het Verenigd Koninkrijk, waar hij werknemer was — Verblijfsrecht van echtgenote en kinderen nadat echtgenoot heeft opgehouden werknemer te zijn en het Verenigd Koninkrijk heeft verlaten
Dictum
In omstandigheden als die van het hoofdgeding hebben de kinderen van een persoon met de nationaliteit van een lidstaat die werkt of heeft gewerkt in de gastlidstaat en de ouder die hen daadwerkelijk verzorgt, in laatstgenoemde staat een recht van verblijf op de enkele grondslag van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2434/92 van de Raad van 27 juli 1992, zonder dat voor dit recht als voorwaarde wordt gesteld dat zij beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een volledige ziektekostenverzekering in die staat.