EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62007FJ0051

Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 11 september 2008.
Philippe Bui Van tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Openbare dienst - Ambtenaren - Aanwerving.
Zaak F-51/07.

Jurisprudentie – Ambtenarenrecht 2008 I-A-1-00289; II-A-1-01533

ECLI identifier: ECLI:EU:F:2008:112




ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

11 september 2008

Zaak F‑51/07

Philippe Bui Van

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Indeling in rang en salaristrap – Onregelmatige indeling – Intrekking van onwettige handeling – Gewettigd vertrouwen – Redelijke termijn – Rechten van verdediging – Recht op behoorlijk bestuur”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA en strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie van 4 oktober 2006 om verzoeker in te delen in de rang AST 3, salaristrap 2, terwijl hij aanvankelijk was ingedeeld in de rang AST 4, salaristrap 2, en van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 5 maart 2007 houdende afwijzing van verzoekers klacht alsmede toekenning van een symbolische vergoeding van 1 EUR voor de immateriële schade die hij zou hebben geleden.

Beslissing: De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt veroordeeld tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van 1 500 EUR. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Verzoeker zal twee derde van zijn kosten dragen. De Commissie draagt haar eigen kosten alsmede een derde van verzoekers kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beginselen – Bescherming van gewettigd vertrouwen – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 85, eerste alinea)

2.      Handelingen van de instellingen – Intrekking – Onwettige handelingen – Voorwaarden – Redelijke termijn – Berekening

(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 3)

3.      Ambtenaren – Beginselen – Rechten van verdediging

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2)

1.      Elke gemeenschapsinstelling die constateert dat een door haar verrichte handeling onrechtmatig is, heeft weliswaar het recht deze handeling binnen een redelijke termijn met de daaraan verbonden terugwerkende kracht in te trekken, maar dit recht kan zijn begrenzing vinden in de noodzaak het gewettigd vertrouwen te eerbiedigen van de begunstigde van die handeling in de rechtmatigheid ervan, wanneer hij de vaststelling van de handeling niet heeft uitgelokt door het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen. De beslissende datum voor het ontstaan van een gewettigd vertrouwen bij de adressaat van een administratieve handeling, is die van de kennisgeving van de handeling en niet de datum van vaststelling of intrekking ervan.

Op dit punt moet worden aangeknoopt bij de rechtspraak inzake de in artikel 85, eerste alinea, van het Statuut genoemde voorwaarden ter rechtvaardiging van de terugvordering van door de administratie onverschuldigd betaalde bedragen, met name de voorwaarde dat de onregelmatigheid van de betaling voor de hand ligt.

Overigens kan zelfs wanneer sprake is van een gewettigd vertrouwen bij de adressaat van een onwettige besluit, aan doorslaggevende overwegingen van algemeen belang, met name die van goed beheer en bescherming van de financiële belangen van de instelling, voorrang worden gegeven boven het belang van de betrokkene bij de handhaving van een toestand die hij als stabiel kon beschouwen.

(cf. punten 51, 53, 54, 56 en 62)

Referentie:

Hof: 22 maart 1961, Snupat/Hoge Autoriteit, 42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 103, 163 en 163; 12 juli 1962, Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken/Hoge Autoriteit, 14/61, Jurispr. blz. 509, 540 en 542; 3 maart 1982, Alpha Steel/Commissie, 14/81, Jurispr. blz. 749, punten 10‑12; 26 februari 1987, Consorzio Cooperative d’Abruzzo/Commissie, 15/85, Jurispr. blz. 1005, punten 12‑17; 20 juni 1991, Cargill/Commissie, C‑248/89, Jurispr. blz. I‑2987, punt 20; 20 juni 1991, Cargill, C‑365/89, Jurispr. blz. I‑3045, punt 18; 17 april 1997, De Compte/Parlement, C‑90/95 P, Jurispr. blz. I‑1999, punten 35‑37 en 39; 17 juli 1997, Affish, C‑183/95, Jurispr. blz. I‑4315, punt 57, en de aangehaalde rechtspraak

Gerecht van eerste aanleg: 24 februari 1994, Stahlschmidt/Parlement, T‑38/93, JurAmbt. blz. I‑A‑65 en II‑227, punt 19; 5 november 2002, Ronsse/Commissie, T‑205/01, JurAmbt. blz. I‑A‑211 en II‑1065, punt 47; 15 juli 2004, Gouvras/Commissie, T‑180/02 en T‑113/03, JurAmbt. blz. I‑A‑225 en II‑987, punt 110; 27 september 2006, Kontouli/Raad, T‑416/04, JurAmbt. blz. II‑A‑2‑897, punten 161, 162 en 167; 16 mei 2007, F/Commissie, T‑324/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 142

2.      De intrekking van een onwettige administratieve handeling moet binnen redelijke termijn geschieden, welke moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van de partijen, de al dan niet rechtscheppende aard van de betrokken subjectieve rechten en de belangenafweging. In het algemeen moet een intrekkingstermijn die correspondeert met de in artikel 91, lid 3, van het Statuut bedoelde beroepstermijn van drie maanden redelijk worden geacht. Aangezien die termijn verplicht is voor de administratie zelf, moet worden uitgegaan van de datum van vaststelling van de handeling die de administratie wil intrekken.

(cf. punten 63 en 67‑69)

Referentie:

Hof: Snupat/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 163; Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 520; De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 35; 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 187

Gerecht van eerste aanleg: 27 november 1997, Pascall/Commissie, T‑20/96, JurAmbt. blz. I‑A‑361 en II‑977, punten 72 en 77; 5 december 2000, Gooch/Commissie, T‑197/99, JurAmbt. blz. I‑A‑271 en II‑1247, punt 53; 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T‑144/02, Jurispr. blz. II‑3381, punt 66; Kontouli/Raad, reeds aangehaald, punt 161

3.      Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij gebreke van enig voorschrift omtrent de betrokken procedure in acht moet worden genomen. Volgens dit beginsel, dat voldoet aan de vereisten van behoorlijk bestuur, moet de betrokkene in staat worden gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarvan in het vast te stellen besluit jegens hem zou kunnen worden uitgegaan. In dit verband bepaalt artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd te Nice op 7 december 2000, dat het recht op behoorlijk bestuur „met name behelst [...] het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen [...]”.

Niet elke schending van de rechten van de verdediging brengt echter nietigverklaring van het bezwarend besluit mee. Dat is het geval wanneer de onwettigheid geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud van dat besluit. Een onrechtmatigheid die een dienstfout vormt kan evenwel een schadevergoeding rechtvaardigen.

Een ambtenaar die de administratie vóór de vaststelling van een voor hem bezwarend besluit niet heeft gehoord lijdt een immateriële schade doordat hij het gevoel heeft voor een voldongen feit te zijn gesteld en moet derhalve een passende schadevergoeding krijgen.

(cf. punten 72‑74, 81, 84 en 92‑94)

Referentie:

Hof: 10 juli 1986, België/Commissie, 234/84, Jurispr. blz. 2263, punt 27; 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, C‑301/87, Jurispr. blz. I‑307, punt 31; 21 maart 1990, België/Commissie, C‑142/87, Jurispr. blz. I‑959, punt 48; 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, Jurispr. blz. I‑8147, punt 99; 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C‑288/96, Jurispr. blz. I‑8237, punten 99 en 101; Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 318 en 324; 9 november 2006, Commissie/De Bry, C‑344/05 P, Jurispr. blz. I‑10915, punten 37 en 38

Gerecht van eerste aanleg: 23 april 2002, Campolargo/Commissie, T‑372/00, JurAmbt. blz. I‑A‑49 en II‑223, punt 31; 8 maart 2005, Vlachaki/Commissie, T‑277/03, JurAmbt. blz. I‑A‑57 en II‑243, punt 64




ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)

11 september 2008 (*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Indeling in rang en salaristrap – Onregelmatige indeling – Intrekking van onwettige handeling – Gewettigd vertrouwen – Redelijke termijn – Rechten van verdediging – Recht op behoorlijk bestuur”

In zaak F‑51/07,

betreffende een beroep krachtens de artikelen 236 EG en 152 EA,

Philippe Bui Van, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Hettange-Grande (Frankrijk), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en R. Albelice, advocaten,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en G. Berscheid als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch (rapporteur), kamerpresident, I. Boruta en H. Kanninen, rechters,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2008,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht bij fax van 30 mei 2007 (het origineel is op 4 juni daaropvolgend neergelegd), verzoekt P. Bui Van om nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (hierna: „GCO”) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 2006, voor zover hij daarbij is ingedeeld in de rang AST 3, salaristrap 2, terwijl hij aanvankelijk was ingedeeld in de rang AST 4, salaristrap 2 (hierna: „bestreden besluit”), en van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van 5 maart 2007 houdende afwijzing van zijn klacht, alsmede om toekenning van een symbolische vergoeding van 1 EUR voor de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 85 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) bepaalt:

„Een onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen.

De terugvordering moet binnen een termijn van vijf jaar plaatsvinden, die ingaat op de datum waarop het bedrag is betaald. Het [TABG] is niet door deze termijn gebonden wanneer kan worden aangetoond dat de betrokkene de administratie opzettelijk heeft misleid om betaling van het betrokken bedrag te verkrijgen.”

3        Krachtens artikel 13, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut, „Overgangsmaatregelen van toepassing op de ambtenaren van de Gemeenschappen”, ingevoegd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1), die op 1 mei 2004 in werking is getreden, worden ambtenaren die vóór 1 mei 2006 op een lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst en na deze datum worden aangeworven, wat de kandidaten betreft die zijn geslaagd voor een algemeen vergelijkend onderzoek voor de rangen B 5 en B 4, ingedeeld in de rang AST 3.

4        De aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04, georganiseerd voor de vorming van een aanwervingsreserve van technische beambten (B 5/B 4) op de gebieden onderzoek en techniek (PB C 81 A van 31 maart 2004, blz. 17; hierna: „aankondiging van vergelijkend onderzoek”) bevat een voetnoot die luidt als volgt:

„Dit vergelijkend onderzoek wordt gepubliceerd voor niveau B 5/B 4 overeenkomstig de bepalingen van het huidige Statuut. De Commissie heeft bij de Raad een voorstel voor een wijziging van het Statuut ingediend, waarbij onder meer in een nieuw loopbaansysteem is voorzien. Het is dus niet uitgesloten dat kandidaten die voor dit vergelijkend onderzoek slagen volgens de bepalingen van het gewijzigde Statuut worden aangeworven. Overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van deel 2 van bijlage XIII bij het gewijzigde Statuut worden de rangen B 5 en B 4 tijdens de overgangsperiode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2006 vervangen door rang B*3, en na die periode door rang AST 3.”

 Feiten

5        Verzoeker is geslaagd voor vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04.

6        Na door de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 op de in december 2005 opgestelde lijst van geschikte kandidaten te zijn geplaatst, is verzoeker bij besluit van het TABG van 28 juni 2006 aangeworven als ambtenaar op proef van de functiegroep AST, rang 4, salaristrap 2, met ingang van 16 september 2006, en tewerkgesteld bij het Transuraneninstituut te Karlsruhe (Duitsland), een onderdeel van het GCO. Op 18 juli 2006 heeft verzoeker de ontvangst bevestigd van dit besluit, waarvan hij volgens zijn zeggen op 6 juli 2006 via e-mail kennis heeft genomen.

7        Verzoeker is niet op 16 september 2006, maar op 1 oktober daaropvolgend in dienst getreden.

8        Bij het bestreden besluit, waarbij het besluit van 28 juni 2006 is ingetrokken en vervangen, is verzoeker ingedeeld in de functiegroep AST, rang 3, salaristrap 2, met ingang van 1 oktober 2006. Dit besluit is hem op 19 oktober 2006 persoonlijk overhandigd.

9        Bij e-mail van 7 november 2006, op diezelfde dag ingeschreven bij de eenheid „Beroep” van het DG „Personeelszaken en administratie”, heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit. In die klacht heeft verzoeker in wezen aangevoerd dat zijn herindeling drie dagen na zijn indiensttreding hem „voor een voldongen feit” had gesteld en dat hij ontslag had genomen van zijn vorige werk met het oog op een aanstelling in de rang AST 4, salaristrap 2.

10      Op 15 december 2006 hebben drie andere ambtenaren, B., H. en L., die waren aangeworven bij het Transuraneninstituut en ook waren heringedeeld van de rang AST 4 in rang de AST 3, eveneens een klacht ingediend tegen de tot hen gerichte herindelingsbesluiten.

11      Bij besluit van 5 maart 2007 heeft het TABG de klacht van verzoeker afgewezen. Het TABG heeft de klachten van de drie andere bovengenoemde ambtenaren echter toegewezen.

 Conclusies van partijen

12      Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep ontvankelijk te verklaren;

–        nietig te verklaren het besluit van 5 maart 2007 houdende afwijzing van zijn klacht;

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        het TABG te wijzen op de gevolgen van de nietigverklaring van het bestreden besluit, in het bijzonder, wat zijn indeling betreft, de terugwerkende kracht van de aanstelling vanaf de datum van indiensttreding, het verschil in bezoldiging, de vertragingsrente en de bevordering;

–        hem een symbolische vergoeding van 1 EUR toe te kennen voor de geleden immateriële schade;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

13      De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

–        de vordering af te wijzen;

–        te beslissen over de kosten naar recht.

 In rechte

A –  De vorderingen strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van 5 maart 2007 en, anderzijds, aanduiding door het Gerecht van de gevolgen van de nietigverklaring van het bestreden besluit

14      Hoewel verzoekers vordering met name strekt tot nietigverklaring van het besluit van het TABG van 5 maart 2007 houdende afwijzing van de klacht die hij op 7 november 2006 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut had ingediend, heeft het onderhavige beroep volgens vaste rechtspraak tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het bezwarend besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin onder meer arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, Jurispr. blz. 23, punt 8; arrest Gerecht van 14 november 2006, Chatziioannidou/Commissie, F‑100/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Hieruit volgt dat het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit van 4 oktober 2006 waarbij verzoeker is heringedeeld in de rang AST 3, salaristrap 2, terwijl hij aanvankelijk was ingedeeld in de rang AST 4, salaristrap 2.

15      De formeel tegen het besluit houdende afwijzing van de klacht gerichte vordering moet derhalve worden beschouwd als mede gericht tegen het bestreden besluit en valt samen met de primaire daartegen gerichte vordering tot nietigverklaring.

16      In de tweede plaats vraagt verzoeker het Gerecht om de gevolgen van de eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit aan te geven.

17      In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het Gerecht geen bevelen tot een gemeenschapsinstelling kan richten (zie met name arrest Gerecht van eerste aanleg van 27 juni 1991, Valverde Mordt/Hof van Justitie, T‑156/89, Jurispr. blz. II‑407, punt 150; arrest Gerecht van 13 december 2006, De Brito Sequeira Carvalho/Commissie, F‑17/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 134), afgezien van de algemene verplichting van artikel 233 EG voor de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarin de nietigverklaring is uitgesproken.

18      De in het verzoekschrift opgenomen vordering tot een rechterlijk bevel is derhalve niet-ontvankelijk en moet dus worden afgewezen.

1.     Ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring

a)     Argumenten van partijen

19      De Commissie merkt op dat het belangrijkste argument in verzoekers klacht is, dat hij het aanbod tot aanstelling in de rang AST 4 had aanvaard. De term „gewettigd vertrouwen” komt er niet in voor, maar volgens de instelling was het verzoekers bedoeling daar een beroep op te doen.

20      In de klacht is evenmin sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling. De Commissie erkent evenwel dat dit aspect door verzoeker pas kon worden aangevoerd nadat hij een antwoord had gekregen op zijn klacht en dat antwoord had kunnen vergelijken met dat van de drie andere personen die soortgelijke klachten hadden ingediend. In die omstandigheden is de Commissie van mening dat verzoeker naar redelijkheid kan worden vrijgesteld van de strikte naleving van de regel dat de klacht en het beroep moeten overeenstemmen.

21      Volgens verzoeker volgt uit de rechtspraak dat artikel 91, lid 2, van het Statuut niet beoogt de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijziging ondergaat (arrest Hof van 7 mei 1986, Rihoux e.a./Commissie, 52/85, Jurispr. blz. 1555, punt 12). Voor de gemeenschapsrechter kunnen dus ter nadere precisering van de bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, maar er wel nauw bij aansluiten (arrest Rihoux e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 13).

22      Verzoeker wijst er ook op dat het Hof in zijn arrest van 14 maart 1989, Del Amo Martinez/Parlement (133/88, Jurispr. blz. 689, punt 11), heeft geoordeeld dat aangezien de precontentieuze procedure een informeel karakter heeft en partijen in die fase in de regel niet door een advocaat worden bijgestaan, de administratie de klachten niet restrictief mag uitleggen, doch ze – integendeel – met openheid van geest moet onderzoeken.

23      In casu merkt verzoeker op dat hij zijn klacht zonder bijstand van een advocaat heeft ingediend en dat hij ter onderbouwing ervan een onjuiste herindeling heeft aangevoerd, daar hij voor een voldongen feit werd gesteld en niet was ingedeeld in de rang waarvoor hij ontslag had genomen van zijn vorige werk. De ter onderbouwing van zijn beroep aangevoerde middelen moeten ontvankelijk worden verklaard daar zij nauw aansluiten bij deze klacht.

b)     Beoordeling door het Gerecht

24      Volgens vaste rechtspraak moeten de conclusies van de beroepen van ambtenaren niet alleen hetzelfde voorwerp hebben als die welke zijn uiteengezet in de voorafgaande administratieve klacht, maar ook bezwaren bevatten die op dezelfde grond berusten als die van de klacht (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 16 september 1998, Rasmussen/Commissie, T‑193/96, JurAmbt. blz. I‑A‑495 en II‑1495, punt 47; arrest Gerecht van 21 februari 2008, Putterie-De-Beukelaer/Commissie, F‑31/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg, zaak T‑160/08 P, punt 43). Deze bezwaren kunnen evenwel worden gepreciseerd door middelen en argumenten die niet noodzakelijkerwijs in de klacht voorkomen, doch er wel nauw bij aansluiten (arrest Hof van 23 april 2002, Campogrande/Commissie, C‑62/01 P, Jurispr. blz. I‑3793, punt 34; arresten Gerecht van eerste aanleg van 3 maart 1993, Booss en Fischer/Commissie, T‑58/91, JurAmbt. blz. II‑147, punt 83, en 8 juni 1995, Allo/Commissie, T‑496/93, JurAmbt. blz. I‑A‑127 en II‑405, punt 26; beschikking Gerecht van eerste aanleg van 9 september 2003, Vranckx/Commissie, T‑293/02, JurAmbt. blz. I‑A‑187 en II‑947, punt 41; arrest Gerecht van eerste aanleg van 13 juli 2006, Vounakis/Commissie, T‑165/04, JurAmbt. blz. II‑A‑2‑735, punt 27).

25      In casu staat vast dat het voorwerp van de klacht en van het beroep het besluit is om verzoeker met terugwerkende kracht in de rang AST 3, salaristrap 2, in te delen, terwijl betrokkene ten tijde van zijn aanwerving was ingedeeld in de rang AST 4, salaristrap 2. Voorts berusten de bezwaren in het beroep op dezelfde gronden als die waarop de klacht is gebaseerd, namelijk het feit dat verzoeker niet is ingedeeld in de rang waarvoor hij ontslag zou hebben genomen van zijn vorige werk en dat hij voor een voldongen feit is gesteld. Het middel inzake schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen sluit dus nauw aan bij deze bezwaren.

26      Bovendien, zoals de Commissie erkent, heeft het antwoord van het TABG op de klacht van verzoeker in vergelijking met het antwoord op de klachten van B., H. en L. er nu juist toe geleid dat betrokkene in het verzoekschrift een middel inzake schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie heeft aangevoerd.

27      Uit het voorgaande volgt dat het door de Commissie tegen de vordering tot nietigverklaring aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid of althans haar twijfels dienaangaande moeten worden afgewezen.

2.     Gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring

28      Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan, ontleend aan in de eerste plaats schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, en in de tweede plaats kennelijk onjuiste beoordeling en schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen.

29      In de eerste plaats dient het tweede middel te worden onderzocht.

a)     Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling en schending van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van gewettigd vertrouwen

 Argumenten van partijen

30      In het kader van zijn tweede middel stelt verzoeker om te beginnen dat volgens vaste rechtspraak de intrekking van een onwettige handeling geoorloofd is, mits dit binnen een redelijke termijn gebeurt en de betrokken instelling de mate waarin de adressaat mogelijkerwijs van de wettigheid van de beschikking is uitgegaan, voldoende in aanmerking heeft genomen. Indien niet aan die voorwaarden is voldaan, vormt de intrekking een inbreuk op de beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen en moet zij nietig worden verklaard (arrest Hof van 26 februari 1987, Consorzio Cooperative d’Abruzzo/Commissie, 15/85, Jurispr. blz. 1005, punten 12 en 17).

31      In casu heeft het TABG enerzijds blijk gegeven van een onjuiste opvatting door voor de berekening van de redelijke termijn uit te gaan van de datum van kennisgeving van het aanstellingsbesluit, 6 juli 2006, en niet van de datum van vaststelling van het eerste aanstellingsbesluit, 28 juni 2006.

32      Ook al is het moment waarvan moet worden uitgegaan om te beoordelen wanneer het gewettigd vertrouwen is ontstaan inderdaad het moment waarop van het besluit kennis is gegeven of ervan kennis is genomen, dit kan volgens verzoeker niet opgaan voor de termijn waarover de administratie beschikt om een onwettig besluit in te trekken. Die termijn is namelijk onafhankelijk van de kennisgeving van het onwettige besluit aan de betrokkene en loopt tussen de vaststelling van dat besluit en de intrekking ervan, los van de kennisgeving ervan, die een formaliteit is jegens de adressaat van het besluit.

33      Derhalve is de periode waarvan voor de berekening van de redelijke termijn moet worden uitgegaan in casu die welke is verlopen tussen de vaststelling van het eerste aanstellingsbesluit (28 juni 2006) en de datum van intrekking van dat besluit (4 oktober daaropvolgend), dus een periode van drie maanden en zeven dagen.

34      Anderzijds verwijt verzoeker het TABG dat het de termijn - die langer is dan drie maanden - waarbinnen het besluit van 28 juni 2006 is ingetrokken, als redelijk heeft beschouwd in de zin van de rechtspraak.

35      Volgens de rechtspraak moet de redelijkheid van een termijn namelijk worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen (arrest Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 187; arrest Gerecht van eerste aanleg van 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T‑144/02, Jurispr. blz. II‑3381, punt 66).

36      In casu had de administratie ruim vóór de aanstelling van verzoeker op 28 juni 2006 drie aanstellingsbesluiten met dezelfde onjuiste indeling vastgesteld voor B., H. en L., op respectievelijk 7 april, 2 mei en 12 mei 2006, zodat een termijn van meer dan drie maanden tussen het aanstellingsbesluit van verzoeker van 28 juni 2006 en de intrekking ervan op 4 oktober daaropvolgend kennelijk niet redelijk is, gelet op de betrokken omstandigheden, met name het belang van indeling in een lagere rang voor verzoeker.

37      Verzoeker wenst ook een antwoord van de Commissie op de vraag waarom zij, terwijl zij in casu vier maanden een redelijke termijn achtte, het besluit tot herindeling van L. heeft ingetrokken. Wanneer men namelijk de redenering van de Commissie volgt dat een redelijke termijn voor een onwettig besluit loopt vanaf de kennisgeving van het besluit tot de intrekking ervan, is het TABG binnen de redelijke termijn van 4 maanden gebleven voor de intrekking van het eerste aanstellingsbesluit van L., aangezien tussen de kennisgeving van dat besluit en de intrekking ervan een periode van 3 maanden en 23 dagen is verstreken. Daaruit volgt dat de administratie verzoeker en zijn collega L. verschillend heeft behandeld.

38      Ten slotte voert verzoeker schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen aan, daar hij na kennisneming van het aanstellingsbesluit van 28 juni 2006 een gewettigd vertrouwen kon hebben in de wettigheid van dat besluit en aanspraak kon maken op de handhaving ervan. Ook al werd in een voetnoot van de aankondiging van vergelijkend onderzoek melding gemaakt van een „voorstel [van de Commissie] voor een wijziging van het Statuut” dat „een nieuw loopbaansysteem” invoerde, de gebruikte bewoordingen (namelijk „het is dus niet uitgesloten dat kandidaten die voor dit vergelijkend onderzoek slagen volgens de bepalingen van het gewijzigde Statuut worden aangeworven [...]”) konden volgens verzoeker aldus worden uitgelegd dat slechts de mogelijkheid bestond van aanwerving op basis van de bepalingen van het gewijzigde Statuut.

39      De Commissie merkt om te beginnen op dat in de aankondiging van vergelijkend onderzoek de aandacht van de kandidaten voor het betrokken vergelijkend onderzoek speciaal werd gevestigd op het feit dat zij bij aanstelling zouden worden ingedeeld in de rang B*3 of, in voorkomend geval, in de rang AST 3. Slechts door een fout van het Transuraneninstituut, die eind september 2006 is ontdekt door de afdeling Personeelszaken van het GCO, is aanvankelijk besloten tot een aanstelling in de rang AST 4. Het ging hierbij duidelijk om een fout. Na constatering daarvan is door de directeur-generaal van het GCO op 4 oktober 2006 snel een rectificatiebesluit vastgesteld, dat op 19 oktober daaropvolgend aan verzoeker is overhandigd tijdens een gesprek waarin hij werd geïnformeerd over de financiële gevolgen en de beroepsmogelijkheden.

40      Wanneer een handeling onwettig is heeft de instelling die haar heeft verricht volgens de rechtspraak het recht deze handeling binnen een redelijke termijn met terugwerkende kracht in te trekken (arrest Hof van 3 maart 1982, Alpha Steel/Commissie, 14/81, Jurispr. blz. 749, punt 10; arrest Consorzio Cooperative d’Abruzzo/Commissie, reeds aangehaald, punt 12, en arrest Hof van 20 juni 1991, Cargill/Commissie, C‑248/89, Jurispr. blz. I‑2987, punt 20; arrest Gerecht van eerste aanleg van 5 december 2000, Gooch/Commissie, T‑197/99, JurAmbt. blz. I‑A‑271 en II‑1247, punt 53).

41      In casu is de onwettigheid, die verzoeker niet lijkt te betwisten, alleen al bij lezing van artikel 13 van bijlage XIII bij het Statuut duidelijk.

42      Wat de redelijke termijn betreft, stelt de Commissie dat volgens de rechtspraak het beslissende tijdstip voor de beoordeling van het ontstaan van een gewettigd vertrouwen bij de adressaat van een administratieve handeling, de kennisgeving van de handeling is en niet de datum van vaststelling ervan (arrest Hof van 17 april 1997, De Compte/Parlement, C‑90/95 P, Jurispr. blz. I‑1999, punt 36; arrest Gerecht van eerste aanleg van 27 november 1997, Pascall/Commissie, T‑20/96, JurAmbt. blz. I‑A‑361 en II‑977, punt 79). Om die reden kan van een dergelijk vertrouwen geen sprake zijn, wanneer de verzoeker zelf niet op de hoogte is van het bestaan van het besluit dat de basis daarvan zou vormen. In dezelfde zin moet het moment waarop het vertrouwen wordt aangetast het moment zijn van de kennisgeving van het tweede besluit, dat het eerste intrekt.

43      Voorts is de Commissie van mening dat de termijn voor de intrekking van het eerste aanstellingsbesluit hoe dan ook is begonnen te lopen op 18 juli 2006, de datum waarop verzoeker de ontvangst van het eerste aanstellingsbesluit heeft bevestigd (of op 6 juli 2006, de datum waarop het besluit per mail is verzonden). De periode waarin het besluit kon worden ingetrokken eindigde op 19 oktober daaropvolgend met de kennisgeving van het besluit waarbij het eerste onregelmatige besluit werd ingetrokken.

44      Dit standpunt komt overeen met hetgeen in artikel 90, lid 2, tweede streepje, van het Statuut is gesteld inzake de bepaling van de aanvang van de termijn voor de indiening van een klacht bij individuele besluiten, aangezien deze termijn ingaat „op de dag waarop het besluit ter kennis wordt gebracht van degene tot wie het is gericht en in elk geval uiterlijk op de dag waarop betrokkene ervan kennis krijgt indien het een maatregel van individuele aard betreft”.

45      Bovendien is de Commissie van mening dat een termijn van drie maanden en een dag redelijk is. Zij stelt dat de redelijkheid van een termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak en dat de klacht‑ of beroepstermijn in ambtenarengeschillen op goede gronden als referentie zou kunnen dienen voor de beoordeling van het al dan niet redelijke karakter van de termijn in geval van intrekking van een rechtscheppend besluit.

46      Dat sommige arresten op andere gebieden van communautaire geschillen een termijn van twee maanden hanteren, komt volgens de Commissie doordat deze uitgaan van de beroepstermijn van twee maanden van artikel 230 EG. De Commissie leidt uit die rechtspraak af dat de redelijke termijn voor intrekking iets langer moet zijn dan de toepasselijke beroepstermijn.

47      Op het gebied van de openbare dienst is er een andere nog relevantere termijn, namelijk die welke is voorzien voor het antwoord van het TABG op een klacht, die in artikel 90, lid 2, in fine, van het Statuut bepaald is op vier maanden. Die termijn, welke voor het TABG langer is dan voor ambtenaren, houdt rekening met het feit dat de instelling, anders dan elke individuele ambtenaar, te maken heeft met een groot aantal tegelijk te behandelen gevallen, die veel intern overleg vergen (zie in die zin arrest Alpha Steel/Commissie, reeds aangehaald, punt 12).

48      De Commissie concludeert primair dat de in aanmerking te nemen termijn moet lopen van 18 juli 2006 (of zelfs van 6 juli 2006) tot 19 oktober daaropvolgend en in het licht van de rechtspraak redelijk is. Zij voegt eraan toe dat de in het geval van L. gehanteerde termijn niet 3 maanden en 23 dagen is (vanaf de bevestiging van ontvangst van het eerste besluit), maar 4 maanden en 5 dagen (vanaf de datum van kennisgeving), en dus langer is dan de termijn van 4 maanden die als referentie dient. Volgens verzoeker zelf was deze termijn voor hem evenwel slechts 3 maanden en 13 dagen. Het argument mist dus feitelijke grondslag.

49      Subsidiair stelt de Commissie dat, mocht een iets langere termijn dan drie maanden buitensporig worden geacht, rekening moet worden gehouden met het feit dat het aanstellingsbesluit normaal gesproken op een bepaalde datum wordt vastgesteld, maar blijkens artikel 3 van het Statuut op een andere datum van kracht wordt.

50      De Commissie leidt hieruit af dat, in afwijking van de genoemde algemene regel dat wordt uitgegaan van de datum van kennisgeving van het besluit, het gewettigd vertrouwen pas ontstaat op het moment van de inwerkingtreding van het besluit, aangezien dit vertrouwen pas kan bestaan wanneer de betrokkene zich daadwerkelijk in de bij het aanstellingsbesluit geschapen situatie bevindt. In casu is deze situatie pas op 1 oktober 2006 ontstaan, de daadwerkelijke datum van indiensttreding van verzoeker. Volgens deze analyse was de termijn tussen het ontstaan van het gewettigd vertrouwen en de datum van kennisgeving van de intrekking slechts twee weken en vijf dagen (van 1 tot 19 oktober 2006). Een dergelijke termijn is veel korter dan een als redelijk beschouwde termijn.

 Beoordeling door het Gerecht

51      In de eerste plaats wordt eraan herinnerd dat de intrekking met terugwerkende kracht van een begunstigende administratieve handeling in het algemeen aan zeer strenge voorwaarden is onderworpen (zie arrest Hof van 9 maart 1978, Herpels/Commissie, 54/77, Jurispr. blz. 585, punt 38, en arrest De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 35). Zo heeft volgens vaste rechtspraak elke gemeenschapsinstelling die constateert dat een door haar verrichte handeling onrechtmatig is, weliswaar het recht deze handeling binnen een redelijke termijn met terugwerkende kracht in te trekken, maar kan dit recht zijn grens vinden in de noodzaak het gewettigd vertrouwen te eerbiedigen van de begunstigde van die handeling in de rechtmatigheid ervan (arresten Alpha Steel/Commissie, reeds aangehaald, punten 10‑12; Consorzio Cooperative d’Abruzzo/Commissie, reeds aangehaald, punten 12‑17; Cargill/Commissie, reeds aangehaald, punt 20; arrest Hof van 20 juni 1991, Cargill, C‑365/89, Jurispr. blz. I‑3045, punt 18, en arrest De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 35; arrest Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006, Kontouli/Raad, T‑416/04, JurAmbt. blz. II‑A‑2‑897, punt 161).

52      Met betrekking tot deze rechtspraak moeten de volgende preciseringen worden gemaakt.

–       Gewettigd vertrouwen

53      Wat in de eerste plaats de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen betreft, volgt uit de rechtspraak dat het beslissende tijdstip voor de beoordeling van het ontstaan van een dergelijk vertrouwen bij de adressaat van een administratieve handeling, de kennisgeving van de handeling is en niet de datum van vaststelling of intrekking ervan (arrest De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 36; arrest Kontouli/Raad, reeds aangehaald, punt 162).

54      Voorts kan de betrokkene zich niet op het gewettigd vertrouwen beroepen wanneer hij de vaststelling van de handeling heeft uitgelokt door het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen (arresten Hof van 22 maart 1961, Snupat/Hoge Autoriteit, 42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 103, 164, en 12 juli 1962, Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken/Hoge Autoriteit, 14/61, Jurispr. blz. 509, 540, en arrest De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 37; arrest Kontouli/Raad, reeds aangehaald, punt 163).

55      Wat meer bepaald de intrekking met terugwerkende kracht betreft van een handeling die subjectieve rechten of soortgelijke voordelen aan een ambtenaar toekent, moet hieraan worden toegevoegd dat de voorwaarde voor het bestaan van een gewettigd vertrouwen bij de adressaat ervan niet als vervuld moet worden beschouwd, wanneer de onregelmatigheid die de intrekking rechtvaardigt een normaal zorgvuldige ambtenaar niet kon ontgaan en dit, gelet op diens mogelijkheden om de nodige verificaties te verrichten, zonder dat hij kan worden vrijgesteld van de verplichting om in het geheel niet na te denken of dingen te controleren.

56      Op dit punt moet worden aangeknoopt bij de rechtspraak inzake de in artikel 85, eerste alinea, van het Statuut genoemde voorwaarden ter rechtvaardiging van de terugvordering van door de administratie onverschuldigd betaalde bedragen, met name de voorwaarde dat de onregelmatigheid van de betaling zo voor de hand ligt dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen (arresten Gerecht van eerste aanleg van 24 februari 1994, Stahlschmidt/Parlement, T‑38/93, JurAmbt. blz. I‑A‑65 en II‑227, punt 19; 5 november 2002, Ronsse/Commissie, T‑205/01, JurAmbt. blz. I‑A‑211 en II‑1065, punt 47; 15 juli 2004, Gouvras/Commissie, T‑180/02 en T‑113/03, JurAmbt. blz. I‑A‑225 en II‑987, punt 110, en 16 mei 2007, F/Commissie, T‑324/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 142). In deze voorwaarden komt namelijk precies de noodzaak tot uiting om het gewettigd vertrouwen van de bevoordeelde van de handeling te eerbiedigen, daar hij op de rechtmatigheid ervan kon vertrouwen.

57      In casu bevatte de aankondiging van vergelijkend onderzoek de voetnoot die in punt 4 van dit arrest is weergegeven.

58      Alleen al bij lezing van die voetnoot zou elke normaal zorgvuldige ambtenaar die geslaagd is voor het vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 zich moeten afvragen of de indeling bij zijn aanwerving wel regelmatig was, wanneer die indeling niet overeenkwam met de rang B*3 of de rang AST 3. Dit is te meer het geval daar de Raad van de Europese Unie op 22 maart 2004 goedkeuring heeft gehecht aan het gewijzigde Statuut, dat op 27 april daaropvolgend is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, terwijl volgens de op 31 maart 2004 gepubliceerde aankondiging van vergelijkend onderzoek tot uiterlijk 30 april 2004 sollicitaties konden worden ingediend. Dat betekent dat er op die datum geen onzekerheid meer kon bestaan over het feit dat bij de aanwerving van kandidaten die voor dit vergelijkend onderzoek waren geslaagd het gewijzigde Statuut van toepassing was, en met name bijlage XIII erbij.

59      In die omstandigheden had verzoeker, zelfs al had hij de draagwijdte van de fout van de administratie niet nauwkeurig kunnen vaststellen, normaal gesproken zijn twijfels moeten hebben over de juistheid van het betrokken besluit, zodat hij zich op zijn minst had moeten melden bij de administratie met het oog op de door haar te verrichten noodzakelijke verificaties (zie naar analogie arrest Gerecht van eerste aanleg van 17 januari 2001, Kraus/Commissie, T‑14/99, JurAmbt. blz. I‑A‑7 en II‑39, punt 41, en arrest F/Commissie, reeds aangehaald, punt 157).

60      Wat voorts het argument van verzoeker betreft dat de fout vier keer aan de administratie zelf is ontsnapt, daar deze ook is gemaakt ten aanzien van B., H. en L., is het Gerecht van oordeel dat het er in casu niet om gaat te bepalen of de fout de administratie al dan niet kon ontgaan, maar om na te gaan of de betrokkene al dan niet kon vertrouwen op de juistheid van zijn eerste indeling. Voorts kan de situatie van een administratie die duizenden beslissingen op velerlei gebieden moet nemen niet worden vergeleken met die van een ambtenaar die er een persoonlijk belang bij heeft zijn indeling in rang en salaristrap bij aanwerving te controleren (zie naar analogie arrest Hof van 11 juli 1979, Broe/Commissie, 252/78, Jurispr. blz. 2393, punt 11).

61      Daaruit volgt dat verzoeker op 6 juli 2006, toen hij in kennis werd gesteld van het besluit van 28 juni 2006, niet mocht vertrouwen op de schijn van rechtmatigheid van dat besluit. Derhalve kan hij niet op grond van dit feit alleen een beroep doen op het bestaan van een gewettigd vertrouwen in die rechtmatigheid.

–       Belangenafweging

62      In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat zelfs wanneer sprake is van een gewettigd vertrouwen bij de adressaat van het onwettige besluit, aan doorslaggevende overwegingen van algemeen belang, met name die van goed beheer en bescherming van de financiële belangen van de instelling, voorrang kan worden gegeven boven het belang van de betrokkene bij de handhaving van een toestand die hij als stabiel kon beschouwen (zie in die zin arresten Snupat/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, blz. 163; Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, blz. 542, en De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 39, en arrest Hof van 17 juli 1997, Affish, C‑183/95, Jurispr. blz. I‑4315, punt 57 en aangehaalde rechtspraak; arrest Kontouli/Raad, reeds aangehaald, punt 167). Deze belangenafweging moet ook in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de redelijkheid van de intrekkingstermijn, zoals volgt uit punt 67 van dit arrest.

–       Redelijke termijn

63      In de derde plaats dient volgens vaste rechtspraak de intrekking van een onwettige administratieve handeling binnen een redelijke termijn te geschieden (arrest De Compte/Parlement, reeds aangehaald, punt 35; arresten Pascall/Commissie, reeds aangehaald, punten 72 en 77; Gooch/Commissie, reeds aangehaald, punt 53, en Kontouli/Raad, reeds aangehaald, punt 161).

64      Het Gerecht onderstreept om te beginnen dat artikel 85, tweede alinea, van het Statuut na de hervorming van het Statuut bepaalt dat „[d]e terugvordering [...] binnen een termijn van vijf jaar [moet] plaatsvinden, die ingaat op de datum waarop het bedrag is betaald”, behalve wanneer de administratie kan aantonen dat de betrokkene bedrog heeft gepleegd.

65      Artikel 85, tweede alinea, van het Statuut kan echter niet aldus worden uitgelegd dat de administratie in bepaalde omstandigheden elke onwettige handeling die ten grondslag ligt aan een onverschuldigde betaling en waarvan de vaststelling zelfs langer dan vijf jaar geleden kan zijn, zou kunnen intrekken.

66      Artikel 85 van het Statuut heeft namelijk slechts betrekking op de voorwaarden waaronder een door de administratie aan een ambtenaar onverschuldigd betaald bedrag kan worden teruggevorderd, ongeacht de oorzaak van de onregelmatige betaling, maar beoogt niet de eigenlijke intrekking van onwettige handelingen te regelen, die noodzakelijkerwijs voorafgaat aan elke eventuele terugvordering van de onverschuldigde betaling.

67      Wat de intrekking van een administratieve handeling betreft, volgt uit de rechtspraak dat de redelijkheid van een termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 187; arrest Eagle e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 66). Ook moet rekening worden gehouden met de al dan niet rechtscheppende aard van de betrokken subjectieve rechten en met de belangenafweging (zie in die zin arresten Snupat/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, blz. 163, en Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, blz. 544), in casu met het belang van de betrokkene bij de handhaving van een toestand die hij als stabiel kon beschouwen en het belang van de administratie om de wettigheid van individuele besluiten te doen gelden en de financiële middelen van de instelling te beschermen.

68      Gelet op het voorgaande moet in het algemeen een intrekkingstermijn die correspondeert met de in artikel 91, lid 3, van het Statuut bedoelde beroepstermijn van drie maanden redelijk worden geacht.

69      Wat de wijze van berekening van de intrekkingstermijn betreft teneinde te beoordelen of deze al dan niet redelijk is, aangezien die termijn verplicht is voor de administratie zelf, moet worden uitgegaan van de datum van vaststelling van de handeling die de administratie wil intrekken.

70      In casu zijn tussen 28 juni 2006, de datum van vaststelling van het eerste indelingsbesluit, en 19 oktober 2006, de datum waarop verzoeker in kennis is gesteld van het feit dat de administratie dat besluit als onwettig beschouwde, 3 maanden en 21 dagen verstreken. Hierbij moeten verschillende omstandigheden in aanmerking worden genomen:

–        in de eerste plaats heeft verzoeker, zoals volgt uit de punten 57 tot en met 61 van dit arrest, zich niet bijzonder zorgvuldig gedragen, doordat hij de administratie niet heeft gevraagd om het nodige te verifiëren, gelet op de inhoud van de voetnoot in de aankondiging van vergelijkend onderzoek;

–        in de tweede plaats vormt het indelingsbesluit in het stadium van de aanwerving een cruciaal besluit voor het gehele verloop van de carrière van de betrokkene, hetgeen meebrengt dat prioriteit moet worden gegeven aan de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel boven het rechtszekerheidsbeginsel, dat geen absolute gelding kan hebben;

–        in de derde plaats is artikel 13, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut, de basis van het bestreden besluit, zeer duidelijk en ondubbelzinnig;

–        in de vierde plaats is het eerste indelingsbesluit in feite pas op 1 oktober 2006 van kracht geworden, zodat het slechts gedurende een zeer korte periode van 19 dagen gevolgen teweeg heeft gebracht.

71      In deze omstandigheden moet de termijn waarbinnen de Commissie vanaf de vaststelling van het besluit van 28 juni 2006 heeft gehandeld om dat besluit in te trekken als redelijk worden beschouwd, ook al is die termijn iets langer dan de beroepstermijn van artikel 91, lid 3, van het Statuut.

–       Rechten van verdediging

72      Ten slotte is volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van het recht van verweer in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij gebreke van enig voorschrift omtrent de betrokken procedure in acht moet worden genomen (zie met name arresten Hof van 10 juli 1986, België/Commissie, 234/84, Jurispr. blz. 2263, punt 27; 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C‑288/96, Jurispr. blz. I‑8237, punt 99, en 9 november 2006, Commissie/De Bry, C‑344/05 P, Jurispr. blz. I‑10915, punt 37; arrest Gerecht van eerste aanleg van 8 maart 2005, Vlachaki/Commissie, T‑277/03, JurAmbt. blz. I‑A‑57 en II‑243, punt 64).

73      Volgens dit beginsel, dat beantwoordt aan de vereisten van behoorlijk bestuur, moet de betrokkene in staat worden gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarvan in het vast te stellen besluit jegens hem zou kunnen worden uitgegaan (zie in die zin arrest België/Commissie, reeds aangehaald, punt 27; arrest Hof van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, Jurispr. blz. I‑8147, punt 99, en arrest Commissie/De Bry, reeds aangehaald, punt 38; arrest Gerecht van eerste aanleg van 23 april 2002, Campolargo/Commissie, T‑372/00, JurAmbt. blz. I‑A‑49 en II‑223, punt 31, en arrest Vlachaki/Commissie, reeds aangehaald, punt 64).

74      In dit verband bepaalt artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd te Nice op 7 december 2000 (PB C 364, blz. 1), dat het recht op behoorlijk bestuur „met name behelst:

–        het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;

[...]”.

75      Blijkens de preambule van dit Handvest is het hoofddoel ervan de bevestiging van „de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities en internationale verplichtingen van de lidstaten, uit het Verdrag betreffende de Europese Unie en de communautaire verdragen, uit het Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof [...] en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” (zie in die zin arrest Hof van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, Jurispr. blz. I‑5769, punt 38).

76      Bovendien hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie met de plechtige afkondiging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie hieraan noodzakelijkerwijs een bijzondere betekenis willen toekennen, waarmee in casu voor de uitlegging van de bepalingen van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen rekening moet worden gehouden (arrest Gerecht van 26 oktober 2006, Landgren/ETF, F‑1/05, JurAmbt. blz. II‑A‑1-459, punt 72, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg, zaak T‑404/06 P).

77      De eerbiediging van de rechten van verdediging, meer in het bijzonder van het recht te worden gehoord over de elementen waarvan jegens de ambtenaar kan worden uitgegaan als basis van een voor hem bezwarend besluit, is een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de schending ambtshalve kan worden onderzocht (zie naar analogie arresten Hof van 7 mei 1991, Interhotel/Commissie, C‑291/89, Jurispr. blz. I‑2257, punt 14, en 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 67; arrest Gerecht van eerste aanleg van 10 mei 2001, Kaufring e.a./Commissie, T‑186/97, T‑187/97, T‑190/97–T‑192/97, T‑210/97, T‑211/97, T‑216/97–T‑218/97, T‑279/97, T‑280/97, T‑293/97 en T‑147/99, Jurispr. blz. II‑1337, punt 134; zie ook arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 487).

78      Het Gerecht kan dus ambtshalve onderzoeken of de Commissie in casu de rechten van verdediging van verzoeker heeft geëerbiedigd in de administratieve procedure die heeft geleid tot vaststelling van het bestreden besluit.

79      Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, is verzoeker evenwel niet in de gelegenheid gesteld vóór de vaststelling van het bestreden besluit zijn standpunt kenbaar te maken en een toelichting te geven.

80      Derhalve heeft de Commissie verzoekers rechten van verdediging geschonden.

81      Uit de rechtspraak blijkt echter ook dat niet elke schending van de rechten van verdediging nietigverklaring van de bestreden handeling meebrengt. Dat is het geval wanneer de onwettigheid geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud van de bestreden handeling (zie in die zin arresten Hof van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, C‑301/87, Jurispr. blz. I‑307, punt 31; 21 maart 1990, België/Commissie, C‑142/87, Jurispr. blz. I‑959, punt 48; arresten Duitsland/Commissie, reeds aangehaald, punt 101, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 318 en 324).

82      In casu staat evenwel vast dat de opmerkingen die verzoeker bij het Gerecht heeft ingediend niets hebben toegevoegd aan de gegevens waarover de Commissie reeds beschikte en die verzoeker kende. In deze omstandigheden heeft het feit dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld om vóór de vaststelling van het bestreden besluit zijn standpunt kenbaar te maken geen invloed kunnen hebben op de inhoud ervan, die, zoals uit het voorafgaande overigens blijkt, niet anders kon zijn geweest.

83      Derhalve moet worden geconcludeerd dat de schending van het recht van verzoeker om vóór de vaststelling van het bestreden besluit te worden gehoord op zich niet de nietigverklaring ervan kan rechtvaardigen.

84      Dat neemt niet weg dat de administratie daardoor een onrechtmatigheid heeft begaan die een dienstfout vormt welke een schadevergoeding kan rechtvaardigen. Deze kwestie zal in de punten 92 tot en met 94 van dit arrest worden behandeld.

85      Gelet op het voorgaande moet het tweede middel worden afgewezen.

b)     Eerste middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie

86      Verzoeker stelt dat zijn situatie en de situaties van B., H. en L. niet fundamenteel verschillen:

–        zij zijn allen geslaagd voor het vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 (wat verzoeker en H. en L. betreft) en EPSO/B/21/04 (wat B. betreft), die voor de rang B 5/B 4 waren bekendgemaakt;

–        ze zijn allen foutief ingedeeld in de nieuwe rang AST 4 (wat verzoeker en L. betreft) of in de voorlopige rang B*4, thans AST 4 (wat B. en H. betreft), en tewerkgesteld bij het Transuraneninstituut;

–        hun respectieve aanstellingsbesluiten zijn nietig verklaard en vervangen bij besluit van de directeur-generaal van het GCO van 4 oktober 2006, waarbij elk van hen wordt ingedeeld in de functiegroep AST 3, salaristrap 2.

87      Derhalve bevonden B., H., L. en verzoeker zich in een vergelijkbare situatie. Volgens verzoeker is hij evenwel gediscrimineerd ten opzichte van de drie andere ambtenaren, omdat het besluit om hem te herindelen in de rang AST 3 is gehandhaafd, terwijl de besluiten om B., H. en L. te herindelen in dezelfde rang zijn ingetrokken en vervangen door drie besluiten die hen indelen in de rang AST 4. Tussen verzoeker en L. is er sprake van een zeer flagrant verschil in behandeling, aangezien, gelet op de opmerkingen van de Commissie met betrekking tot het tweede middel, het TABG in antwoord op de klacht van L. heeft gesteld dat een termijn van 3 maanden en 23 dagen tussen de kennisgeving van het eerste indelingsbesluit en die van het bestreden intrekkingsbesluit de redelijke termijn had overschreden.

88      Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kan zelfs wanneer een van de door verzoeker genoemde ambtenaren zich in een substantieel identieke situatie heeft bevonden als de zijne en het TABG, door het eerste aanstellingsbesluit betreffende verzoeker niet in te trekken, de voorwaarden heeft geschonden voor de intrekking met terugwerkende kracht van een onwettige administratieve handeling zoals die uit de rechtspraak voortvloeien, dit feit als zodanig niet een identieke behandeling van verzoeker rechtvaardigen, daar niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (zie arresten Gerecht van eerste aanleg van 3 maart 1994, Cortes Jimenez e.a./Commissie, T‑82/92, JurAmbt. blz. I‑A‑69 en II‑237, punt 43; 22 februari 2000, Rose/Commissie, T‑22/99, JurAmbt. blz. I‑A‑27 en II‑115, punt 39, en 13 september 2005, Pantoulis/Commissie, T‑290/03, JurAmbt. blz. I‑A‑241 en II‑1123, punt 56; arrest Gerecht van 28 juni 2006, Grünheid/Commissie, F‑101/05, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑55 en II‑A‑1‑199, punt 140).

89      Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.

B –  Beroep tot schadevergoeding

90      Verzoeker vordert vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden door zijn herindeling in de rang AST 3, na eerst te zijn ingedeeld in de rang AST 4 als gevolg van een fout van de administratie. Voorts stelt hij dat deze indeling in een lagere rang is gehandhaafd, terwijl de besluiten tot herindeling van de drie collega’s die zich in een soortgelijke situatie bevonden zijn ingetrokken.

91      Verzoeker raamt de vergoeding van zijn immateriële schade op het symbolische bedrag van 1 EUR.

92      Dienaangaande blijkt uit punt 84 van dit arrest dat de Commissie een dienstfout heeft gemaakt doordat zij verzoeker vóór de vaststelling van het bestreden besluit niet heeft gehoord, hoewel verzoekers vordering tot nietigverklaring is afgewezen.

93      Verzoeker heeft ontegenzeglijk immateriële schade geleden doordat hij het gevoel had dat hij voor een voldongen feit werd gesteld, om met de in zijn klacht van 7 november 2006 gebruikte woorden te spreken. Deze woorden geven precies de gevolgen weer van een schending van het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

94      Gelet op de omstandigheden van het geval is het Gerecht op grond van een schadebegroting ex aequo et bono van oordeel dat de toekenning van een bedrag van 1 500 EUR een passende schadeloosstelling van verzoeker vormt.

95      Overigens dient de vordering tot vergoeding van de op het symbolische bedrag van 1 EUR geraamde schade te worden afgewezen, omdat zij betrekking heeft op gestelde onrechtmatigheden waaraan in dit arrest geen sancties worden verbonden.

 Kosten

96      Krachten artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering zijn de bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dit Reglement, betreffende de proceskosten en de gerechtskosten, slechts van toepassing op de zaken die vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Reglement, te weten 1 november 2007, bij het Gerecht aanhangig zijn gemaakt. De ter zake relevante bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg blijven mutatis mutandis van toepassing op de vóór die datum voor het Gerecht aanhangige zaken.

97      Volgens artikel 87, leden 2 en 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Gerecht het door elk hunner te dragen deel van de proceskosten. Het Gerecht kan de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. Volgens artikel 88 van dit Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt overigens te hunnen laste.

98      Aangezien verzoeker ten dele in het gelijk is gesteld, oordeelt het Gerecht dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen alsmede één derde van de kosten van verzoeker.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt veroordeeld tot betaling aan P. Bui Van van een schadevergoeding van 1 500 EUR.

2)      Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3)      Bui Van draagt twee derde van zijn kosten.

4)      De Commissie van de Europese Gemeenschappen draagt haar eigen kosten en één derde van de kosten van Bui Van.

Van Raepenbusch

Boruta

Kanninen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 september 2008.

De griffier

 

       De president van de Tweede kamer

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch

De teksten van deze beslissing en van de daarin aangehaalde beslissingen van de communautaire rechterlijke instanties die nog niet in de Jurisprudentie zijn gepubliceerd, zijn beschikbaar op de website van het Hof van Justitie www.curia.europa.eu


* Procestaal: Frans.

Top