EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62007CJ0185

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 februari 2009.
Allianz SpA en Generali Assicurazioni Generali SpA tegen West Tankers Inc.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: House of Lords - Verenigd Koninkrijk.
Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken - Verordening nr. (EG) nr. 44/2001 - Werkingssfeer - Bevoegdheid van gerecht van lidstaat om gerechtelijk bevel uit te vaardigen waarbij partij wordt verboden om procedure in te leiden of voort te zetten voor rechterlijke instantie van andere lidstaat, op grond dat deze procedure in strijd is met arbitragebeding - Verdrag van New York.
Zaak C-185/07.

Jurisprudentie 2009 I-00663

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2009:69

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

10 februari 2009 ( *1 )

„Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Werkingssfeer — Bevoegdheid van gerecht van lidstaat om gerechtelijk bevel uit te vaardigen waarbij partij wordt verboden om procedure in te leiden of voort te zetten voor rechterlijke instantie van andere lidstaat, op grond dat deze procedure in strijd zou zijn met arbitragebeding — Verdrag van New York”

In zaak C-185/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 28 maart 2007, ingekomen bij het Hof op 2 april 2007, in de procedure

Allianz SpA, voorheen Riunione Adriatica Di Sicurtà SpA,

Generali Assicurazioni Generali SpA

tegen

West Tankers Inc.,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts en A. Ó Caoimh, kamerpresidenten, P. Kūris, E. Juhász, G. Arestis, A. Borg Barthet, J. Klučka (rapporteur), E. Levits en L. Bay Larsen, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juni 2008,

gelet op de opmerkingen van:

Allianz Spa, voorheen Riunione di Sicurtà SpA, en Generali Assicurazioni Generali SpA, vertegenwoordigd door S. Males, QC, bijgestaan door S. Masters, barrister,

West Tankers Inc., vertegenwoordigd door I. Chetwood, solicitor, bijgestaan door T. Brenton en D. Bailey, barristers,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Jackson en S. Behzadi-Spencer als gemachtigden, bijgestaan door V. Veeder en A. Layton, QC,

de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.-L. During als gemachtigden,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud-Joët en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2008,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2

Deze vraag is gesteld in het kader van een geding tussen Allianz SpA, voorheen Riunione di Sicurtà SpA, en Generali Assicurazioni Generali SpA (hierna samen: „Allianz en Generali”), enerzijds, en West Tankers Inc. (hierna: „West Tankers”), anderzijds, over de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van West Tankers.

Juridisch kader

Internationaal recht

3

Het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechtelijke uitspraken, ondertekend te New York op 10 juni 1958 (Recueil des traités des Nations unies, deel 330, blz. 3; hierna: „Verdrag van New York”), bepaalt in zijn artikel II, lid 3:

„De rechter van een verdragsluitende staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, verwijst partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.”

Gemeenschapsrecht

4

Punt 25 van de considerans van richtlijn nr. 44/2001 luidt:

„De eerbiediging van de internationale verplichtingen van de lidstaten houdt in dat deze verordening de verdragen en internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten partij zijn en die bijzondere onderwerpen bestrijken, onverlet laat.”

5

Artikel 1, leden 1 en 2, van deze verordening bepaalt:

„1.   Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

2.   Zij is niet van toepassing op:

[…]

d)

de arbitrage.”

6

In artikel 5 van deze verordening wordt bepaald:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[…]

3)

ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

[…]”

Nationaal recht

7

Artikel 37, lid 1, van de Supreme Court Act 1981 (wet van het Verenigd Koninkrijk van 1981 inzake de Supreme Court) bepaalt:

„De High Court kan bij interlocutoire of definitieve beschikking een gerechtelijk bevel uitvaardigen in alle gevallen waarin de Court zulks gerechtvaardigd en aangewezen acht […].”

8

De Arbitration Act 1996 (wet van het Verenigd Koninkrijk van 1996 inzake arbitrage) bepaalt in zijn artikel 44, met het opschrift „Rechterlijke bevoegdheden die kunnen worden uitgeoefend in de arbitrageprocedure”:

„1)

Tenzij dit door de partijen uitdrukkelijk anders is overeengekomen, beschikt de rechter, met betrekking tot de hieronder genoemde onderwerpen, in het kader van en in verband met de arbitrageprocedure over dezelfde bevoegdheid om een bevel uit te vaardigen als waarover hij beschikt in het kader van en in verband met de gerechtelijke procedure.

2)

Deze onderwerpen zijn:

[…]

e)

het uitvaardigen van een voorlopig bevel […]”.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

9

In augustus 2000 kwam de Front Comor, een schip van West Tankers, gecharterd door Erg Petroli SpA (hierna: „Erg”), te Syracuse (Italië) in aanvaring met een havenhoofd van Erg, en veroorzaakte schade. De charterovereenkomst werd beheerst door Engels recht en bevatte een beding dat arbitrage te Londen (Verenigd Koninkrijk) voorschreef.

10

Erg richtte zich tot haar verzekeraars, Allianz en Generali, om een schadevergoeding te verkrijgen tot aan de grens van haar verzekeringsdekking, en leidde voor het restant van de schade tegen West Tankers een arbitrageprocedure te Londen in. West Tankers heeft haar aansprakelijkheid voor de door de aanvaring veroorzaakte schade betwist.

11

Nadat zij op grond van de verzekeringspolissen aan Erg de vergoeding hadden uitgekeerd voor de schade die zij had geleden, hebben Allianz en Generali op 30 juli 2003 beroep ingesteld tegen West Tankers bij het Tribunale di Siracusa (Italië) teneinde terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zij aan Erg hadden betaald. Zij baseerden zich op hun wettelijk recht van subrogatie in de rechten van Erg krachtens artikel 1916 van het Italiaans burgerlijk wetboek. West Tankers heeft een exceptie van onbevoegdheid van dit gerecht opgeworpen, ontleend aan het bestaan van het arbitragebeding.

12

Daarnaast heeft West Tankers op 10 september 2004 voor de High Court of Justice (England and Wales) (Queen’s Bench Division (Commercial Court) (Verenigd Koninkrijk) een procedure aanhangig gemaakt tot vaststelling dat het geschil tussen haarzelf, enerzijds, en Allianz en Generali, anderzijds, krachtens bovengenoemd arbitragebeding moest worden onderworpen aan arbitrage. West Tankers eiste voorts dat een gerechtelijk bevel zou worden uitgevaardigd waarbij het Allianz en Generali werd verboden om een andere procedure in te leiden dan de arbitrage en om de voor de Tribunale di Siracusa aanhangig gemaakte procedure voort te zetten (hierna: „anti-suit injunction”).

13

Bij uitspraak van 21 maart 2005 wees de High Court of Justice (England and Wales) (Queen’s Bench Division (Commercial Court) de vorderingen van West Tankers toe en vaardigde hij de tegen Allianz en Generali gevorderde „anti-suit injunction” uit. Allianz en Generali hebben tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij het House of Lords. Zij voerden aan dat het uitvaardigen van een dergelijk gerechtelijk bevel in strijd is met verordening nr. 44/2001.

14

Het House of Lords verwees allereerst naar de arresten van 9 december 2003, Gasser (C-116/02, Jurispr. blz. I-14693), en 27 april 2004, Turner (C-159/02, Jurispr. blz. I-3565), waarin, in wezen, voor recht wordt verklaard dat een gerechtelijk bevel waarbij een partij wordt verboden een procedure voor een gerecht van een lidstaat in te leiden of voort te zetten, niet verenigbaar is met het bij verordening nr. 44/2001 ingevoerde stelsel, ook al is dit bevel uitgevaardigd door het volgens deze verordening bevoegde gerecht. Dit komt doordat deze verordening een omvattend geheel van uniforme regels heeft vastgesteld inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de gerechten van de lidstaten, die er jegens elkaar op moeten vertrouwen dat deze regels correct worden toegepast.

15

Dit beginsel kan evenwel volgens de House of Lords niet worden uitgebreid tot de arbitrage, die krachtens artikel 1, punt 2, sub d, van verordening nr. 44/2001 volledig buiten de werkingssfeer ervan wordt gehouden. Op dit gebied bestaat er geen omvattend geheel van uniforme communautaire regels, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde vormt opdat het wederzijds vertrouwen tussen de gerechten van de lidstaten kan worden gevestigd en in de praktijk gebracht. Bovendien volgt uit het arrest van 25 juli 1991, Rich (C-190/89, Jurispr. blz. I-3855), dat de uitsluiting in artikel 1, lid 2, sub d, van verordening nr. 44/2001 niet alleen geldt voor arbitrageprocedures als zodanig maar ook voor gerechtelijke procedures die arbitrage als onderwerp hebben. In het arrest van 17 november 1998, Van Uden (C-391/95, Jurispr. blz. I-7091), is gepreciseerd dat het onderwerp arbitrage is wanneer de procedure tot doel heeft het geschil te beslechten door middel van arbitrage, wat in het hoofdgeding het geval is.

16

Het House of Lords zet zijn betoog voort met de overweging dat aangezien de gehele materie van de arbitrage buiten de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, het tot Allianz en Generali gerichte gerechtelijk bevel, waarbij hen wordt verboden om een andere procedure te volgen dan arbitrage en om de procedure voor de Tribunale di Siracusa voort te zetten, deze verordening niet kan schenden.

17

Ten slotte merkt het House of Lords op dat de rechters van het Verenigd Koninkrijk al vele jaren gebruikmaken van „anti-suit injunctions”. Deze praktijk is volgens hem een effectief middel voor de rechterlijke instantie ter plaatse van de arbitrage, die op deze arbitrage haar toezicht uitoefent, aangezien zij de rechtszekerheid bevordert en de mogelijkheden van conflict tussen de arbitrage-uitspraak en het vonnis van een nationale rechter doet afnemen. Bovendien bevordert deze praktijk, indien zij ook zou worden gevolgd door de gerechten van andere lidstaten, het concurrentievermogen van de Europese Gemeenschap ten opzichte van internationale arbitragecentra zoals New York, Bermuda en Singapore.

18

In deze omstandigheden heeft het House of Lords besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

„Is met verordening nr. 44/2001 verenigbaar dat een rechterlijke instantie van een lidstaat een gerechtelijk bevel uitvaardigt teneinde iemand te verbieden in een andere lidstaat een procedure in te leiden of voort te zetten, op grond dat een dergelijke procedure in strijd is met een arbitragebeding?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

19

Met zijn vraag wenst het House of Lords in wezen te vernemen of het onverenigbaar is met verordening nr. 44/2001 dat een gerecht van een lidstaat een bevel uitvaardigt teneinde een persoon te verbieden een procedure voor het gerecht van een andere lidstaat in te leiden of voort te zetten, op grond dat een dergelijke procedure in strijd is met een arbitragebeding, ondanks dat artikel 1, lid 2, sub d, ervan arbitrage uitsluit van de werkingssfeer van deze verordening.

20

Een „anti-suit injunction” als in het hoofdgeding kan gericht zijn tot de werkelijke of potentiële verzoeker in een procedure in het buitenland. Zoals de advocaat-generaal in punt 14 van haar conclusies heeft beklemtoond, riskeert de geadresseerde van een dergelijk gerechtelijk bevel indien hij hieraan geen gevolg geeft, vervolging wegens minachting van de rechtbank, waarop aanzienlijke straffen en zelfs gijzeling of beslaglegging op het vermogen staan.

21

Zowel West Tankers als de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn van mening dat een dergelijk gerechtelijk bevel niet onverenigbaar kan zijn met verordening (EG) nr. 44/2001, aangezien artikel 1, lid 2, sub d, daarvan arbitrage uitsluit van de werkingssfeer van deze verordening.

22

In dit verband zij eraan herinnerd dat om te bepalen of verordening nr. 44/2001 op een geding van toepassing is, men alleen dient te letten op het onderwerp van het geding (arrest Rich, reeds aangehaald, punt 26). Of verordening nr. 44/2001 kan worden toegepast, wordt inzonderheid bepaald door de aard van de rechten die door de betrokken procedure worden bewaard (arrest Van Uden, reeds aangehaald, punt 33).

23

Een procedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die leidt tot de vaststelling van een „anti-suit injunction”, kan dus niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen.

24

Een procedure kan evenwel, ondanks dat deze niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, gevolgen hebben die afbreuk doen aan het nuttig effect ervan, doordat zij de verwezenlijking verhinderen van de doelstellingen van uniformering van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken, alsmede van het vrij verkeer van beslissingen op dat gebied. Dit is met name het geval wanneer een dergelijke procedure een gerecht van een andere lidstaat verhindert de bevoegdheden uit te oefenen die hem zijn toegekend krachtens verordening nr. 44/2001.

25

Derhalve moet worden onderzocht of de door Allianz en Generali voor het Tribunale di Siracusa tegen West Tankers ingeleide procedure zelf onder verordening nr. 44/2001 valt, en vervolgens wat de effecten zijn van de „anti-suit injunction” op deze procedure.

26

Dienaangaande dient, zoals de advocaat-generaal heeft aangegeven in de punten 53 en 54 van haar conclusie, te worden vastgesteld dat wanneer een procedure op grond van het onderwerp van het geding, dat wil zeggen op grond van de aard van de door een procedure te bewaren rechten, zoals een vordering tot schadevergoeding, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, een prealabele vraag naar de toepasselijkheid van een arbitragebeding en met name naar de geldigheid ervan, eveneens binnen de werkingssfeer van deze verordening valt. Deze vaststelling vindt steun in punt 35 van het rapport over de toetreding van de Helleense Republiek tot het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Executieverdrag”) (PB 1972, L 299, blz. 32), gepresenteerd door de heren Evrigenis en Kerameus (PB 1986, C 298, blz. 1). Dit rapport geeft aan dat de incidentele toetsing van de geldigheid van het arbitragebeding, waarom een procespartij verzoekt ter betwisting van de bevoegdheid van de rechter voor wie hij overeenkomstig het Executieverdrag opgeroepen wordt, onder het verdrag valt.

27

Hieruit volgt dat de door West Tankers voor het Tribunale di Siracusa opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, ontleend aan het bestaan van een arbitragebeding, met inbegrip van de vraag naar de geldigheid hiervan, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt en dat dit gerecht derhalve krachtens artikel 1, lid 2, sub d, en 5, punt 3, van deze verordening bij uitsluiting bevoegd is zich uit te spreken over deze exceptie en over zijn eigen bevoegdheid.

28

Het feit dat een gerecht van een lidstaat dat normaal gesproken overeenkomstig artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 bevoegd is een geschil te beslechten, middels een „anti-suit injunction” wordt belet om zich overeenkomstig artikel 1, lid 2, sub d, van deze verordening uit te spreken over juist de toepasselijkheid daarvan op het bij dit gerecht aanhangige geding, komt er bijgevolg noodzakelijkerwijs erop neer dat dit gerecht de bevoegdheid wordt ontnomen om krachtens verordening nr. 44/2001 over zijn eigen rechtsmacht te beslissen.

29

Hieruit volgt allereerst dat een „anti-suit injunction” als in het hoofdgeding, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 57 van haar conclusie, niet het in de rechtspraak van het Hof inzake het Executieverdrag ontwikkelde algemene beginsel eerbiedigt, volgens hetwelk elk aangezochte gerecht krachtens de op hem toepasselijke regels zelf bepaalt of het bevoegd is om uitspraak te doen op het aan hem voorgelegde geding (zie in die zin arrest Gasser, reeds aangehaald, punten 48 en 49). In dit verband zij eraan herinnerd dat verordening nr. 44/2001, buiten enkele beperkte, in het hoofdgeding niet ter zake doende uitzonderingen, niet toestaat dat de bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat door een gerecht van een andere lidstaat wordt getoetst (arrest van 27 juni 1991, Overseas Union Insurance e.a., C-351/89, Jurispr. blz. I-3317, punt 24, en arrest Turner, reeds aangehaald, punt 26). Die bevoegdheid wordt immers rechtstreeks bepaald door de regels van bovengenoemde verordening, waaronder de regels betreffende haar werkingssfeer. Een gerecht van een lidstaat is derhalve in geen geval beter in staat zich uit te spreken over de bevoegdheid van een gerecht van een andere lidstaat (reeds aangehaalde arresten Overseas Union Insurance e.a., punt 23, en Gasser, punt 48).

30

Doordat een dergelijke „anti-suit injunction” het gerecht van een andere lidstaat belemmert in de uitoefening van de bevoegdheden die verordening nr. 44/2001 hem toekent, te weten de bevoegdheid om, op basis van de regels die de materiële werkingssfeer van deze verordening definiëren, waaronder artikel 1, lid 2, sub d, ervan, te beslissen of die verordening van toepassing is, druist zij vervolgens ook in tegen het vertrouwen van de verdragsluitende staten in elkaars rechtssystemen en rechterlijke instanties, waarop het stelsel van bevoegdheden van verordening nr. 44/2001 berust (zie in die zin arrest Turner, reeds aangehaald, punt 24).

31

Ten slotte zou, indien het gebruik van een „anti-suit injunction” het Tribunale di Siracusa zou belemmeren zelf de prealabele vraag naar de geldigheid of toepasselijkheid van een arbitragebeding te onderzoeken, een partij zich reeds met een beroep op dit beding kunnen ontrekken aan de procedure, en zou de verzoeker die meent dat dit beding vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast, zich aldus de toegang ontzegd zien tot het gerecht van de staat waar hij overeenkomstig artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 zijn procedure aanhangig heeft gemaakt, waardoor hem een vorm van rechterlijke bescherming waarop hij recht heeft, wordt ontnomen.

32

Bijgevolg is een „anti-suit injunction” als in het hoofdgeding onverenigbaar met verordening nr. 44/2001.

33

Deze vaststelling vindt steun in artikel II, lid 3, van het Verdrag van New York, volgens hetwelk partijen door de rechter van een verdragsluitende staat bij wie een geding aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp waarover partijen een arbitrageovereenkomst hebben aangegaan, op verzoek van één hunner naar arbitrage worden verwezen, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.

34

Gelet op het voorgaande, dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat het onverenigbaar is met verordening nr. 44/2001 dat een gerecht van een lidstaat een gerechtelijk bevel uitvaardigt teneinde een persoon te verbieden een procedure voor de gerechten van een andere lidstaat in te leiden of voort te zetten, op grond dat een dergelijke procedure in strijd is met een arbitragebeding.

Kosten

35

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Het is onverenigbaar met verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat een gerecht van een lidstaat een gerechtelijk bevel uitvaardigt teneinde een persoon te verbieden een procedure voor de gerechten van een andere lidstaat in te leiden of voort te zetten, op grond dat een dergelijke procedure in strijd is met een arbitragebeding.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.

Top