Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62007CJ0014

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 8 mei 2008.
Ingenieurbüro Michael Weiss und Partner GbR tegen Industrie- und Handelskammer Berlin.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesgerichtshof - Duitsland.
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 1348/2000 - Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken - Niet-vertaalde bijlagen bij akte - Gevolgen.
Zaak C-14/07.

European Court Reports 2008 I-03367

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2008:264

Zaak C‑14/07

Ingenieurbüro Michael Weiss und Partner GbR

tegen

Industrie- und Handelskammer Berlin

(verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 1348/2000 – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Niet-vertaalde bijlagen bij akte – Gevolgen”

Samenvatting van het arrest

1.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening nr. 1348/2000 – Stuk dat geding inleidt – Begrip

(Verordening nr. 1348/2000 van de Raad, art. 8, lid 1)

2.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening nr. 1348/2000 – Kennisgeving van stuk dat is gesteld in andere taal dan officiële taal van aangezochte lidstaat

(Verordening nr. 1348/2000 van de Raad, art. 8, lid 1)

3.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening nr. 1348/2000 – Kennisgeving van stuk dat is gesteld in andere taal dan officiële taal van aangezochte lidstaat

(Verordening nr. 1348/2000 van de Raad, art. 8, lid 1, sub b)

4.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening nr. 1348/2000 – Kennisgeving van stuk dat is gesteld in andere taal dan officiële taal van aangezochte lidstaat

(Verordening nr. 1348/2000 van de Raad, art. 8, lid 1)

1.        Het begrip „stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht”, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dient – voor zover het gaat om een gedinginleidend stuk – in die zin te worden uitgelegd dat het ziet op het stuk of de stukken waarvan de tijdige betekening of kennisgeving de verweerder in staat stelt, in het kader van een gerechtelijke procedure in de staat van verzending zijn rechten geldend te maken. Een dergelijk stuk moet minstens de mogelijkheid bieden het voorwerp en de grond van het beroep met zekerheid vast te stellen en te begrijpen dat men wordt uitgenodigd om in rechte te verschijnen of, naargelang van de aard van de aanhangige procedure, dat een rechtsmiddel kan worden aangewend. Stukken die enkel een bewijsfunctie vervullen en niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van de vordering te begrijpen, maken geen deel uit van het stuk dat het geding inleidt in de zin van deze verordening.

(cf. punt 73)

2.        Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dient aldus te worden uitgelegd dat degene voor wie een ter kennis te brengen of te betekenen gedinginleidend stuk bestemd is, niet mag weigeren dit stuk in ontvangst te nemen voor zover dit hem in staat stelt, in het kader van een gerechtelijke procedure in de lidstaat van verzending zijn rechten geldend te maken, wanneer bij dit stuk bijlagen met bewijsstukken zijn gevoegd die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die de geadresseerde begrijpt, maar die enkel een bewijsfunctie hebben en niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van de vordering te begrijpen.

Uit verschillende bepalingen van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965, het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd, het Verdrag van 26 mei 1997 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, de verordeningen nrs. 1348/2000 en 44/2001 en de mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1348/2000 blijkt immers dat de vertaling van een gedinginleidend stuk door de verzoekende partij niet noodzakelijk wordt geacht om de verwerende partij in staat te stellen haar rechten van verdediging uit te oefenen; zij hoeft enkel over een voldoende termijn te beschikken om het stuk te kunnen laten vertalen en haar verweer te kunnen voorbereiden.

Voorts volgt uit de autonome uitlegging van het begrip „stuk dat het geding inleidt” dat een dergelijk stuk het document of de documenten – wanneer deze onlosmakelijk verbonden zijn – moet omvatten aan de hand waarvan de verweerder het voorwerp en de gronden van het beroep van de verzoeker kan begrijpen en kan weten dat hij zijn rechten geldend kan maken in het kader van een gerechtelijke procedure. Documenten die enkel een bewijsfunctie vervullen die losstaat van het voorwerp van de betekening of de kennisgeving zelf, en niet onlosmakelijk verbonden zijn met het verzoekschrift omdat zij niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van het beroep van de verzoeker te begrijpen, maken daarentegen geen deel uit van het gedinginleidende stuk in de zin van bovengenoemde bepaling. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of het gedinginleidende stuk voldoende informatie bevat om de verweerder in staat te stellen zijn rechten geldend te maken dan wel of de verzender alsnog een vertaling van een onmisbare bijlage dient te verstrekken.

(cf. punten 52, 56, 64-65, 69, 75, 78, dictum 1)

3.        Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dient aldus te worden uitgelegd dat het feit dat degene aan wie een stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, in het kader van zijn beroepsactiviteit met de verzoeker contractueel is overeengekomen dat in de taal van de lidstaat van verzending zal worden gecorrespondeerd, geen vermoeden oplevert dat hij deze taal kent, maar een aanwijzing vormt die de rechter in aanmerking kan nemen wanneer hij nagaat of de geadresseerde de taal van de lidstaat van verzending voldoende begrijpt om zijn rechten geldend te kunnen maken.

(cf. punt 88, dictum 2)

4.        Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dient aldus te worden uitgelegd dat degene aan wie een gedinginleidend stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, in geen geval met een beroep op deze bepaling kan weigeren om de bijlagen bij een stuk die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die hij begrijpt, in ontvangst te nemen, wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit contractueel is overeengekomen dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending en de verzonden bijlagen deze correspondentie betreffen en tevens in de overeengekomen taal zijn gesteld.

Het kan immers weliswaar nodig zijn de bijlagen te vertalen wanneer dit – vertaalde – stuk onvoldoende informatie bevat om de grond en het voorwerp van de vordering te achterhalen en de verweerder in staat te stellen zijn rechten geldend te maken, maar deze vertaling is niet nodig wanneer uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat degene voor wie het gedinginleidende stuk bestemd is, de inhoud van deze bijlagen kent. Dit is het geval wanneer hij deze bijlagen heeft opgesteld of wordt geacht de inhoud ervan te kennen, bijvoorbeeld omdat hij in het kader van zijn beroepsactiviteit een overeenkomst heeft ondertekend waarin is bedongen dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending, en de bijlagen betrekking hebben op deze correspondentie en in de overeengekomen taal zijn gesteld.

(cf. punten 90‑92, dictum 3)







ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

8 mei 2008 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 1348/2000 – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Niet-vertaalde bijlagen bij akte – Gevolgen”

In zaak C‑14/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 21 december 2006, ingekomen bij het Hof op 22 januari 2007, in de procedure

Ingenieurbüro Michael Weiss und Partner GbR

tegen

Industrie- und Handelskammer Berlin,

in tegenwoordigheid van:

Nicholas Grimshaw & Partners Ltd,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas (rapporteur), kamerpresident, U. Lõhmus en J. Klučka, P. Lindh en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: B. Fülöp, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 oktober 2007,

gelet op de opmerkingen van:

–        Ingenieurbüro Michael Weiss und Partner GbR, vertegenwoordigd door N. Tretter, Rechtsanwalt,

–        Industrie- und Handelskammer Berlin, vertegenwoordigd door H. Raeschke-Kessler, Rechtsanwalt,

–        Nicholas Grimshaw & Partners Ltd, vertegenwoordigd door P.‑A. Brand en U. Karpenstein, Rechtsanwälte,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door T. Boček als gemachtigde,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.‑L. During als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

–        de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door J. Čorba als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Bogensberger, vervolgens door A.‑M. Rouchaud-Joët en S. Grünheid als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 november 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB L 160, blz. 37).

2        Dit verzoek is ingediend in een geding tussen de Industrie- und Handelskammer Berlin (hierna: „IHK Berlin”) en het architectenkantoor Nicholas Grimshaw & Partners Ltd (hierna: „kantoor Grimshaw”), een vennootschap naar Engels recht, betreffende een verzoek tot schadevergoeding wegens gebreken in het ontwerp van een gebouw. Laatstgenoemde onderneming heeft Ingenieurbüro Michael Weiss und Partner GbR (hierna: „kantoor Weiss”), dat is gevestigd te Aken, in het geding geroepen.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsrecht en internationaal recht

3        De punten 8 en 10 van de considerans van verordening nr. 1348/2000 luiden als volgt:

„(8)      De mogelijkheid de betekening of kennisgeving van stukken te weigeren, moet tot buitengewone gevallen worden beperkt, teneinde de doeltreffendheid van de verordening te waarborgen.

[...]

(10)      Teneinde de belangen van de geadresseerde te beschermen, moet de betekening of kennisgeving worden verricht in de officiële taal of één van de officiële talen van de plaats waar zij moet geschieden of in een andere taal van de verzendende lidstaat die de geadresseerde begrijpt.”

4        Artikel 4, lid 1, van de verordening bepaalt:

„De op grond van artikel 2 aangewezen instanties zenden elkaar de gerechtelijke stukken zo spoedig mogelijk rechtstreeks toe.”

5        Artikel 5 van de verordening, „Vertaling van stukken”, bepaalt:

„1.       De aanvrager wordt door de verzendende instantie waaraan hij het stuk ter verzending overdraagt, in kennis gesteld van het feit dat degene voor wie het stuk is bestemd kan weigeren het stuk in ontvangst te nemen omdat het niet in een van de in artikel 8 bedoelde talen is gesteld.

2.       De aanvrager draagt de eventuele kosten van vertaling vóór de verzending van het stuk, onverminderd een eventuele latere verwijzing in die kosten door de rechter of bevoegde autoriteit.”

6        Artikel 8 van verordening nr. 1348/2000, „Weigering van ontvangst van een stuk”, luidt als volgt:

„1.      De ontvangende instantie deelt degene voor wie het stuk is bestemd mee dat hij kan weigeren het stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht, in ontvangst te nemen indien het in een andere dan een van de volgende talen is gesteld:

a)       de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht;

b)       een taal van de lidstaat van verzending die degene voor wie het stuk is bestemd, begrijpt.

2.       Indien de ontvangende instantie ervan op de hoogte is gesteld dat de persoon voor wie het stuk is bestemd dit overeenkomstig lid 1 weigert in ontvangst te nemen, stelt zij de verzendende instantie daarvan onmiddellijk door middel van het in artikel 10 bedoelde certificaat in kennis en zendt zij de aanvraag alsmede de stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd terug.”

7        Artikel 19, lid 1, van de verordening bepaalt:

„Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:

a)       hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de in de wetgeving van de aangezochte lidstaat voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen bestemd zijn;

b)       hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in deze verordening geregelde wijze,

en dat de betekening of kennisgeving, respectievelijk de afgifte, zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.”

8        De overige leden van artikel 19 van verordening nr. 1348/2000 hebben betrekking op specifieke gevallen waarin de verweerder niet is verschenen.

9        Artikel 26 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) luidt als volgt:

„1.       Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening.

2.       Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

3.       Artikel 19 van verordening (EG) nr. 1348/2000 [...] is van toepassing in plaats van lid 2, indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig deze verordening moest plaatsvinden.

4.       Wanneer verordening (EG) nr. 1348/2000 niet van toepassing is, is artikel 15 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van [...] 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken van toepassing, indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig dat verdrag moest plaatsvinden.”

10      Verder bepaalt artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 dat een in een lidstaat gegeven beslissing niet wordt erkend in een andere lidstaat indien „het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”.

11      Dergelijke bepalingen zijn ook te vinden in het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”).

12      Artikel 20 van dit verdrag betreft de verstekprocedure.

13      Artikel 27, punt 2, van het verdrag bepaalt:

„Beslissingen worden niet erkend:

[...]

2.      indien het stuk dat het geding inleidt, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was aan de verweerder, tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld;

[...]”

14      Artikel 5 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965”), bepaalt:

„De centrale Autoriteit van de aangezochte staat belast zich met de betekening of de kennisgeving van het stuk of het doen betekenen of kennis geven daarvan:

a)       hetzij met inachtneming van de vormen, in de wetgeving van de aangezochte staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken, die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich aldaar bevindende personen,

b)       hetzij met inachtneming van een bijzondere, door de aanvrager verzochte vorm, mits deze niet in strijd is met de wet van de aangezochte staat.

[...]

Indien van het stuk betekening of kennisgeving moet worden gedaan overeenkomstig het bepaalde bij het eerste lid, kan de centrale Autoriteit verlangen dat het stuk wordt opgesteld of vertaald in de officiële taal of in één van de officiële talen van haar land. [...]”

15      Artikel 15, eerste alinea, van dit verdrag bepaalt:

„Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken, dat:

a) hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,

b) hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit Verdrag geregelde wijze,

en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.”

16      Volgens artikel 20, eerste alinea, sub b, van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965 belet dit verdrag niet dat verdragsluitende staten overeenkomen af te wijken van met name artikel 5, derde alinea, betreffende de te gebruiken taal.

 Nationaal recht

17      Het gedinginleidende stuk wordt door § 253 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering („Zivilprozessordnung”) gedefinieerd. Deze bepaling luidt als volgt:

„(1) Het beroep wordt ingeleid door de kennisgeving van een schriftelijk stuk (verzoekschrift).

(2) Het verzoekschrift omvat:

1. de naam van de partijen en de rechterlijke instantie;

2. de nauwkeurige vermelding van het voorwerp en de grond van de vordering alsook een specifiek petitum.

(3) Het verzoekschrift vermeldt tevens de waarde van het geding, wanneer de bevoegdheid van de rechterlijke instantie hiervan afhangt en niet een bepaalde geldsom wordt gevorderd, en preciseert of er elementen zijn die zich ertegen verzetten dat de zaak wordt afgedaan door een alleensprekende rechter.

(4) Voorts zijn de algemene bepalingen betreffende de voorbereidende stukken ook op het verzoekschrift van toepassing.”

18      § 131 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, „Bijlagen”, luidt als volgt:

„(1) Bij het voorbereidende stuk wordt een origineel of een kopie gevoegd van de hierin genoemde stukken die in het bezit zijn van de partij.

(2) Wanneer slechts afzonderlijke passages uit een stuk relevant zijn, kan worden volstaan met een uittreksel dat de inleiding, de relevante passage, het einde, de datum en de handtekening bevat.

(3) Indien de tegenpartij de stukken reeds kent of indien deze omvangrijk zijn, hoeft enkel te worden gepreciseerd om welke stukken het gaat en de mogelijkheid te worden geboden om deze in te zien.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      IHK Berlin vordert op basis van een architectenovereenkomst van het kantoor Grimshaw schadevergoeding wegens een ontwerpfout. Het kantoor Grimshaw had zich in deze overeenkomt ertoe verbonden het ontwerp te verzorgen van een bouwproject in Berlijn.

20      In punt 3.2.6 van de architectenovereenkomst hebben de partijen het volgende bepaald:

„De diensten worden in het Duits verricht. De correspondentie tussen [IHK Berlin] en [het kantoor Grimshaw] en de autoriteiten en overheidsinstellingen wordt in het Duits gevoerd.”

21      Zoals blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken en zoals ter terechtzitting is bevestigd, is het Duitse recht op deze overeenkomst van toepassing (punt 10.4 van de overeenkomst) en zijn de rechtbanken van Berlijn bevoegd in geval van geschil (punt 10.2 van de overeenkomst).

22      Het kantoor Grimshaw heeft het kantoor Weiss in het geding geroepen.

23      In het verzoekschrift van IHK Berlin, dat deel uitmaakt van de aan het Hof overgelegde stukken, worden de verschillende ter ondersteuning van de middelen aangevoerde bewijsstukken vermeld. Deze bewijsstukken vormen een bijlage van ongeveer 150 bladzijden bij het verzoekschrift.

24      Zoals de verwijzende rechter uiteenzet, is de inhoud van deze bewijsstukken gedeeltelijk in het verzoekschrift weergegeven. De betrokken bijlage omvat de tussen partijen gesloten architectenovereenkomst, een aanvullende overeenkomst en het ontwerp daarvan, een uittreksel van de lijst van te verrichten diensten, een groot aantal documenten of uittreksels daarvan, zoals technische rapporten of afrekeningen, alsmede verschillende brieven, waaronder die van het kantoor Grimshaw, die betrekking hebben op de correspondentie met de bedrijven die belast waren met de vaststelling en het herstel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebreken.

25      Nadat verweerster aanvankelijk had geweigerd het verzoekschrift in ontvangst te nemen omdat het niet in het Engels was vertaald, zijn haar op 23 mei 2003 in Londen het verzoekschrift in Engelse vertaling en de in het Duits gestelde bijlagen zónder vertaling ter hand gesteld.

26      Bij schrijven van 13 juni 2003 stelde het kantoor Grimshaw dat het verzoekschrift niet regelmatig ter kennis was gebracht omdat de bijlagen niet in het Engels waren vertaald. Het weigerde op die grond, met een beroep op artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000, het verzoekschrift, waarvan het de kennisgeving ongeldig achtte, in ontvangst te nemen. Verder beriep het zich op de verjaring.

27      Het Landgericht Berlin heeft vastgesteld dat het verzoekschrift op 23 mei 2003 regelmatig ter kennis was gebracht. Het hoger beroep van het kantoor Grimshaw is afgewezen bij arrest van het Kammergericht Berlin. Tegen dit arrest van het Kammergericht heeft het kantoor Weiss bij het Bundesgerichtshof beroep tot „Revision” ingesteld.

28      De verwijzende rechter merkt op dat volgens het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering een verzoekschrift dat naar bijlagen verwijst, daarmee een eenheid vormt en dat een verweerder alle door de verzoeker verstrekte informatie moet ontvangen die hij nodig heeft om zich te verdedigen. De geldigheid van de kennisgeving van een verzoekschrift mag dus niet los van de kennisgeving van de bijlagen worden beoordeeld op grond dat de essentiële gegevens reeds uit het verzoekschrift blijken en het recht om te worden gehoord is gewaarborgd door het feit dat de verweerder zich tijdens de procedure nog naar behoren kan verdedigen met betrekking tot de inhoud van de bijlagen.

29      Uitzonderingen op dit beginsel zijn toegestaan voor zover niet wezenlijk afbreuk wordt gedaan aan de behoefte van de verweerder aan informatie, bijvoorbeeld omdat een niet bij het verzoekschrift gevoegde bijlage nagenoeg tegelijk met de instelling van het beroep is toegezonden of omdat de verweerder reeds vóór de instelling van het beroep kennis had van de stukken.

30      De verwijzende rechter merkt op dat het kantoor Grimshaw in casu niet alle stukken kende, met name niet die betreffende de vaststelling en het herstel van de gebreken en de daaraan verbonden kosten. Dergelijke stukken kunnen niet als onbeduidende details worden beschouwd, aangezien de beslissing om al dan niet een verweerschrift in te dienen kan afhangen van de beoordeling van deze stukken.

31      De verwijzende rechter vraagt zich af of het kantoor Grimshaw terecht heeft geweigerd om het verzoekschrift in ontvangst te nemen. Hij preciseert dat geen van de organen van dit kantoor met vertegenwoordigingsbevoegdheid de Duitse taal machtig is.

32      Volgens het Bundesgerichtshof kan artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 aldus worden uitgelegd dat het niet mogelijk is betekende of ter kennis gebrachte stukken te weigeren op grond van het feit dat de bijlagen niet zijn vertaald.

33      Deze bepaling zegt immers niets over de weigering bijlagen in ontvangst te nemen. Verder zijn volgens het standaardformulier dat volgens artikel 4, lid 3, eerste zin, van de verordening moet worden gebruikt voor verzoeken tot betekening of kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie, gegevens over de aard van het stuk en de gebruikte taal enkel vereist voor het te betekenen of ter kennis te brengen stuk (punten 6.1 en 6.3), maar niet voor de bijlagen, waarvan enkel het aantal moet worden vermeld (punt 6.4).

34      Voor het geval dat de ontvangst kan worden geweigerd op grond van het loutere feit dat de bijlagen niet zijn vertaald, is de verwijzende rechter van oordeel dat de verweerder niet het recht kan worden ontzegd om krachtens artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 de ontvangst te weigeren op de loutere grond dat hij met de verzoeker contractueel is overeengekomen dat de correspondentie in het Duits zal worden gevoerd.

35      Dit beding houdt immers niet in dat de verweerder deze taal begrijpt in de zin van de verordening. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, is de rechtsleer evenwel verdeeld. Volgens bepaalde auteurs kan een beding betreffende het gebruik van een taal in de contractuele betrekkingen het vermoeden opleveren dat de partijen deze taal kennen in de zin van de verordening.

36      Voor het geval dat een contractueel beding geen vermoeden van kennis van de betrokken taal kan opleveren, vraagt de verwijzende rechter zich ten slotte af of de ontvangst van een verzoekschrift steeds kan worden geweigerd wanneer de bijlagen niet zijn vertaald, dan wel of er uitzonderingen zijn, bijvoorbeeld wanneer de verweerder reeds over een vertaling van de bijlagen beschikt of wanneer de bijlage letterlijk is weergegeven in het verzoekschrift en dit laatste is vertaald.

37      Van een uitzondering zou ook sprake kunnen zijn wanneer de bijlagen zijn gesteld in de door de partijen geldig overeengekomen taal. De verwijzende rechter verwijst naar het geval van zwakke partijen die eventueel bescherming behoeven, zoals grensoverschrijdende consumenten die er contractueel mee hebben ingestemd dat de correspondentie zal plaatsvinden in de taal van de onderneming.

38      Hij merkt evenwel op dat het kantoor Grimshaw in het hoofdgeding de overeenkomst heeft gesloten in het kader van zijn bedrijfsactiviteit. Volgens hem is er geen specifieke noodzaak om dit kantoor te beschermen en hoeft hieraan dus ook niet het recht te worden verleend om de ontvangst te weigeren.

39      In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Dient artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1348/2000 [...] aldus te worden uitgelegd dat degene voor wie een te betekenen of ter kennis te brengen stuk bestemd is, niet op grond van deze bepaling kan weigeren om dit in ontvangst te nemen wanneer alleen de bijlagen bij dit stuk niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die de geadresseerde begrijpt?

2)      Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Dient artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 aldus te worden uitgelegd dat de geadresseerde de taal van een lidstaat van verzending reeds ‚begrijpt’ in de zin van deze verordening, wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit met de verzoeker contractueel is overeengekomen dat in de taal van de lidstaat van verzending zal worden gecorrespondeerd?

3)      Voor het geval dat de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

Dient artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 aldus te worden uitgelegd dat de geadresseerde in geen geval op grond van deze bepaling kan weigeren om de bijlagen bij een stuk die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die hij begrijpt, in ontvangst te nemen, wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit contractueel overeenkomt dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending en de verzonden bijlagen niet alleen deze correspondentie betreffen, maar ook in de overeengekomen taal zijn gesteld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

40      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 aldus dient te worden uitgelegd dat degene voor wie een te betekenen of ter kennis te brengen stuk bestemd is, niet kan weigeren om dit in ontvangst te nemen wanneer alleen de bijlagen bij dit stuk niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die de geadresseerde begrijpt.

41      Vooraf dient te worden opgemerkt dat verordening nr. 1348/2000 van toepassing is op te betekenen of ter kennis te brengen stukken, die erg verschillend van aard kunnen zijn, naargelang het gaat om gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken en, in het eerste geval, naargelang het gaat om een stuk dat het geding inleidt, een rechterlijke beslissing, een executiemaatregel of enig ander stuk. De aan het Hof gestelde vraag betreft een stuk dat het geding inleidt.

42      Aangezien de rol en het belang van de bijlagen bij een te betekenen of ter kennis te brengen stuk kunnen verschillen naargelang van de aard van dit stuk, gelden de overwegingen van het onderhavige arrest en de antwoorden die hierin worden gegeven, slechts voor het stuk dat het geding inleidt.

43      Dienaangaande blijkt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat het aantal en de aard van de als bijlage bij een gedinginleidend stuk te voegen documenten aanzienlijk verschillen van rechtsorde tot rechtsorde. In bepaalde rechtsorden hoeft een dergelijk stuk slechts het voorwerp van de vordering en een uiteenzetting van de juridische en feitelijke middelen te bevatten en worden de bewijsstukken afzonderlijk overgelegd, terwijl in andere rechtsorden, zoals de Duitse, de bijlagen moeten worden overgelegd samen met het verzoekschrift, waarvan zij integrerend deel uitmaken.

44      Artikel 8 van verordening nr. 1348/2000 verwijst niet naar de bijlagen bij een te betekenen of ter kennis te brengen stuk. Uit de zinsnede „stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd” in lid 2 van dit artikel blijkt evenwel dat een stuk uit meerdere documenten kan bestaan.

45      Bij gebreke van nuttige aanwijzingen in de tekst van artikel 8 van verordening nr. 1348/2000 dient deze bepaling te worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen ervan en van de context waarin zij is vastgesteld en, meer in het algemeen, in het licht van de doelstellingen en de context van verordening nr. 1348/2000 zelf (zie in die zin arrest van 19 september 2000, Linster, C‑287/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 43).

46      Verordening nr. 1348/2000 heeft blijkens punt 2 van de considerans ervan tot doel, de verzending van stukken te verbeteren en te versnellen. Dit doel wordt nogmaals genoemd in de punten 6 tot en met 8 van de considerans. Zo wordt in dit laatste punt verklaard dat „[d]e mogelijkheid de betekening of kennisgeving van stukken te weigeren, [...] tot buitengewone gevallen [moet] worden beperkt, teneinde de doeltreffendheid van de verordening te waarborgen”. Verder bepaalt artikel 4, lid 1, van de verordening dat gerechtelijke stukken zo spoedig mogelijk moeten worden toegezonden.

47      Bij het nastreven van dit doel mag echter op geen enkele wijze afbreuk worden gedaan aan de rechten van de verdediging (zie naar analogie met betrekking tot verordening nr. 44/2001, arrest van 14 december 2006, ASML, C‑283/05, Jurispr. blz. I‑12041, punt 24). Deze rechten, die voortvloeien uit het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) neergelegde recht op een eerlijk proces, vormen immers grondrechten die integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (zie met name arrest ASML, reeds aangehaald, punt 26).

48      Ter beoordeling van de vraag of een gedinginleidend stuk bijlagen met bewijsstukken moet omvatten, moet dus met name bij de uitlegging van artikel 8 van verordening nr. 1348/2000 en, meer in het bijzonder, van het begrip „stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht” – voor zover het gaat om een stuk dat het geding inleidt – worden getracht het doel, de procedurestukken doeltreffend en snel te verzenden – wat nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling – te verzoenen met dat van de bescherming van de rechten van de verdediging.

49      Het is evenwel niet mogelijk om het begrip gedinginleidend stuk in het kader van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 louter op basis van dit doel van deze verordening uit te leggen, teneinde uit te maken of een dergelijk stuk al dan niet bijlagen kan of moet omvatten. Uit dit doel kan evenmin worden afgeleid of de vertaling van een gedinginleidend stuk een essentieel onderdeel vormt van de rechten van verdediging van de verweerder, wat duidelijkheid zou kunnen scheppen over de omvang van de in artikel 8 van deze verordening bedoelde vertaalverplichting.

50      Bij de uitlegging van verordening nr. 1348/2000 kan evenwel niet worden voorbijgegaan aan de ontwikkeling op het gebied van de gerechtelijke samenwerking in burgerlijke zaken waarvan deze verordening een exponent vormt, met name niet aan verordening nr. 44/2001, die in artikel 26, leden 3 en 4, uitdrukkelijk verwijst naar verordening nr. 1348/2000.

51      Verschillende bepalingen leggen de rechter immers de verplichting op om, alvorens bij verstek uitspraak te doen of een rechterlijke beslissing te erkennen, te verifiëren of het gedinginleidende stuk op een zodanige wijze is betekend dat de rechten van de verdediging zijn geëerbiedigd (zie met name, wat het verstek betreft, artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1348/2000, artikel 26, lid 2, van verordening nr. 44/2001 en artikel 20, tweede alinea, Executieverdrag, en, wat de erkenning van beslissingen betreft, artikel 34, lid 2, van verordening nr. 44/2001 en artikel 27, punt 2, Executieverdrag).

52      Vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1348/2000 werden grensoverschrijdende betekeningen tussen de lidstaten verricht volgens de regels van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965, waarnaar wordt verwezen in artikel 26, lid 4, van verordening nr. 44/2001 en artikel 20, derde alinea, Executieverdrag, of conform bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten. Het Verdrag van ’s‑Gravenhage en de meeste van deze overeenkomsten leggen geen algemene verplichting op om alle te betekenen of ter kennis te brengen stukken te vertalen, zodat de nationale rechterlijke instanties hebben geoordeeld dat de rechten van de verdediging voldoende worden beschermd wanneer degene aan wie een stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, over voldoende tijd beschikt om dit stuk te laten vertalen en zijn verdediging voor te bereiden.

53      Verder preciseert verordening nr. 1348/2000 zelf niet of het recht om een niet-vertaald stuk te weigeren ook bestaat in geval van betekening of kennisgeving per post overeenkomstig artikel 14 van deze verordening. Bij de uitlegging van deze bepaling dient te worden uitgegaan van het toelichtend verslag bij het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dat bij akte van de Raad van de Europese Unie van 26 mei 1997 (PB C 261, blz. 1; hierna: „Verdrag van 1997”; toelichtend verslag, blz. 26) is vastgesteld op grond van artikel K.3 EU-Verdrag en waarvan de tekst heeft gediend als inspiratiebron bij de vaststelling van verordening nr. 1348/2000 (zie in die zin arrest van 8 november 2005, Leffler, C‑443/03, Jurispr. blz. I‑9611, punt 47).

54      De commentaar bij artikel 14, lid 2, van het Verdrag van 1997, betreffende de betekening of kennisgeving per post, luidt als volgt:

„In dit artikel wordt bepaald dat betekening of kennisgeving per post mogelijk is.

Als garantie voor geadresseerden die op zijn grondgebied verblijven kan een lidstaat echter bepalen onder welke voorwaarden stukken aan hen per post betekend of ter kennis gebracht kunnen worden. Er zou bijvoorbeeld kunnen worden geëist dat het stuk aangetekend wordt verstuurd of dat de verdragsregels betreffende de vertaling van de stukken worden toegepast.”

55      Bepaalde lidstaten hebben artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 – terecht of ten onrechte – aldus uitgelegd dat een stuk niet hoeft te worden vertaald indien het per post wordt betekend of ter kennis gebracht, en hebben het nodig geacht om krachtens artikel 14, lid 2, van de verordening te preciseren dat zij gekant zijn tegen de betekening of de kennisgeving van gerechtelijke stukken zonder vertaling [zie dienaangaande de mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 1348/2000 (PB 2001, C 151, blz. 4), en de eerste bijwerking van de mededelingen van de lidstaten (PB 2001, C 202, blz. 10)].

56      Uit de bepalingen van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1965, het Executieverdrag en het Verdrag van 1997, de verordeningen nrs. 1348/2000 en 44/2001 en de mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1348/2000 blijkt dat noch de gemeenschapswetgever, noch de lidstaten van mening zijn dat de vertaling van een gedinginleidend stuk door de verzoekende partij op de door deze bepalingen bestreken gebieden noodzakelijk is voor de verwerende partij om haar rechten van verdediging te kunnen uitoefenen; zij hoeft enkel over een voldoende termijn te beschikken om het stuk te kunnen laten vertalen en haar verweer te kunnen voorbereiden.

57      Deze keuze van de gemeenschapswetgever en de lidstaten doet geen afbreuk aan de door het EVRM gewaarborgde bescherming van de grondrechten. Artikel 6, lid 3, sub a, van dit verdrag, volgens hetwelk eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, geldt immers slechts in strafzaken. Nergens in het EVRM is bepaald dat een gedinginleidend stuk in burgerlijke en handelszaken moet worden vertaald.

58      Indien de gemeenschapswetgever er dus in artikel 8 van verordening nr. 1348/2000 voor heeft geopteerd, degene voor wie een stuk bestemd is, de mogelijkheid te bieden dit stuk te weigeren indien het niet is vertaald in een officiële taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die hij begrijpt, dan is dit voornamelijk om op uniforme wijze vast te stellen wie voor de vertaling van dit stuk dient te zorgen en de kosten ervan in het stadium van de betekening of de kennisgeving ervan dient te dragen.

59      Nu het doel van artikel 8 van verordening nr. 1348/2000 aan de hand van de internationaalrechtelijke en gemeenschapsrechtelijke regels betreffende de draagwijdte van het beginsel van de bescherming van de rechten van de verdediging en met name de noodzaak tot vertaling van een gedinginleidend stuk is gepreciseerd, dient aan de hand van dit doel te worden uitgemaakt wat het begrip „stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht” in de zin van artikel 8 inhoudt wanneer het gaat om een gedinginleidend stuk, en of dit stuk bijlagen met bewijsstukken kan of moet omvatten.

60      Verordening nr. 1348/2000 dient met het oog op de uniforme toepassing ervan autonoom te worden uitgelegd (arrest Leffler, reeds aangehaald, punten 45 en 46). Hetzelfde geldt voor verordening nr. 44/2001 en met name voor het begrip „stuk dat het geding inleidt” in de zin van de artikelen 26 et 34, punt 2, van deze verordening en de overeenkomstige bepalingen van het Executieverdrag.

61      Het Hof heeft bij de uitlegging van artikel 27, punt 2, Executieverdrag, betreffende de erkenning van beslissingen, het begrip „stuk dat het geding inleidt” of „gelijkwaardig stuk” in de zin van deze bepaling omschreven als het stuk of de stukken waarvan de regelmatige en tijdige betekening of kennisgeving de verweerder in staat stelt, zijn rechten geldend te maken voordat in de staat van herkomst een uitvoerbare beslissing wordt gegeven (zie in die zin arrest van 13 juli 1995, Hengst Import, C‑474/93, Jurispr. blz. I‑2113, punt 19).

62      Aldus heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Hengst Import geoordeeld dat het in die zaak aan de orde zijnde betalingsbevel („decreto ingiuntivo”), gegeven door een Italiaanse rechter overeenkomstig artikel 641 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, en het verzoekschrift van de verzoekende partij samen het gedinginleidende stuk vormden, aangezien door de gezamenlijke betekening van deze twee stukken een termijn gaat lopen gedurende welke de verweerder in verzet kan komen. Anderzijds kan de verzoeker vóór afloop van deze termijn geen uitvoerbare beslissing verkrijgen (arrest Hengst Import, reeds aangehaald, punt 20).

63      Het Hof heeft opgemerkt dat het „decreto ingiuntivo” niet meer dan een formulier is, dat enkel kan worden begrepen indien het samen met het verzoekschrift wordt gelezen. Omgekeerd kan de verweerder aan de hand van de betekening van alleen het verzoekschrift niet vaststellen of hij zijn verdediging moet voorbereiden, want zonder het „decreto ingiuntivo” weet hij niet of de rechter het verzoek heeft ingewilligd of afgewezen. De noodzaak van de betekening van zowel het „decreto ingiuntivo” als van het verzoekschrift wordt overigens bevestigd door artikel 643 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, volgens hetwelk het geding door die betekening wordt ingeleid (arrest Hengst Import, reeds aangehaald, punt 21).

64      Uit dit autonome begrip „stuk dat het geding inleidt”, zoals uitgelegd door het Hof, volgt dat een dergelijk stuk het document of de documenten – wanneer deze onlosmakelijk verbonden zijn – moet omvatten aan de hand waarvan de verweerder het voorwerp en de gronden van het beroep van de verzoeker kan begrijpen en kan weten dat hij zijn rechten geldend kan maken in het kader van een gerechtelijke procedure, hetzij door zich in een aanhangig geding te verdedigen, hetzij – zoals het geval was in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Hengst Import – door een rechtsmiddel aan te wenden tegen een beslissing die op grond van een eenzijdig verzoekschrift is gegeven.

65      Verder leggen bepaalde rechtsorden, zoals in punt 43 van het onderhavige arrest is vastgesteld, niet de verplichting op om de bewijsstukken van een dossier als bijlage te voegen bij wat zij als het gedinginleidende stuk omschrijven, maar staan zij de afzonderlijke mededeling ervan toe. Dergelijke stukken worden dus niet geacht onlosmakelijk met het gedinginleidende stuk te zijn verbonden in die zin dat zij onmisbaar zouden zijn voor de verweerder om de tegen hem ingestelde vordering te begrijpen en te weten dat er een gerechtelijke procedure is ingeleid, maar zij hebben een bewijsfunctie, die losstaat van het voorwerp van de betekening of de kennisgeving zelf.

66      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verordening nr. 44/2001 de voorwaarden voor de erkenning van beslissingen heeft versoepeld ten opzichte van het Executieverdrag.

67      Artikel 34, punt 2, van deze verordening laat immers het bij artikel 27, punt 2, Executieverdrag opgelegde vereiste dat het gedinginleidende stuk regelmatig is, vallen en legt de nadruk op de daadwerkelijke inachtneming van de rechten van de verdediging. Deze worden geacht te zijn geëerbiedigd wanneer de verweerder kennis had van de aanhangige gerechtelijke procedure en een rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden tegen de beslissing die tegen hem is gegeven (zie in die zin arrest ASML, reeds aangehaald, punten 20 en 21).

68      Deze wijziging die verordening nr. 44/2001 ten opzichte van het Executieverdrag heeft doorgevoerd, biedt steun aan het standpunt dat het begrip „stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht” – voor zover het gaat om een stuk dat het geding inleidt – aldus moet worden uitgelegd dat het de voornaamste elementen moet bevatten aan de hand waarvan een verweerder in de eerste plaats kan begrijpen dat er een gerechtelijke procedure is ingeleid, maar niet elk bewijsstuk hoeft te bevatten waarmee de verschillende feitelijke en juridische elementen waarop een vordering is gebaseerd, kunnen worden bewezen.

69      Uit deze elementen volgt dat het in artikel 8 van verordening nr. 1348/2000 bedoelde begrip „stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht” – voor zover het gaat om een stuk dat het geding inleidt – in die zin dient te worden uitgelegd dat bewijsstukken die enkel een bewijsfunctie vervullen en niet onlosmakelijk verbonden zijn met het verzoekschrift omdat zij niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van het beroep van de verzoeker te begrijpen, hiervan geen deel uitmaken.

70      Op basis van het onderzoek van het begrip „stuk” zoals dit wordt gehanteerd in het EVRM en met name in het in punt 57 van het onderhavige arrest aangehaalde artikel 6, lid 3, sub a, ervan, kan een soortgelijke conclusie worden bereikt in strafrechtelijke zaken. Volgens het Europees Hof van de Rechten van de Mens moet een akte van beschuldiging de beschuldigde namelijk niet alleen in kennis stellen van de oorzaak van de beschuldiging, dat wil zeggen van de materiële feiten die hem ten laste worden gelegd en waarop de beschuldiging is gebaseerd, maar ook – in bijzonderheden – van de juridische kwalificatie van deze feiten (zie arresten EHRM van 25 maart 1999, Pélissier en Sassi v Frankrijk, Recueil des arrêts et décisions 1999‑II, § 51, en 19 december 2006, Mattei v Frankrijk, nr. 34043/02, § 34). A contrario worden de rechten van de verdediging niet aangetast door het loutere feit dat de akte van beschuldiging niet de bewijsstukken betreffende de aan de beschuldigde ten laste gelegde feiten omvat.

71      Verder heeft het Europees Hof met betrekking tot artikel 6, lid 3, sub e, EVRM, volgens hetwelk de beschuldigde het recht heeft zich door een tolk te doen bijstaan, geoordeeld dat dit recht niet zo ver gaat dat de betrokkene een schriftelijke vertaling kan eisen van elk schriftelijk bewijs of officieel stuk uit het dossier (arrest EHRM van 19 december 1989, Kamasinski v Oostenrijk, série A, nr. 168, § 74).

72      Zoals blijkt uit de vaststelling in punt 57 van het onderhavige arrest, worden in burgerlijke en handelszaken geen even strenge vereisten gesteld aan de bescherming van de rechten van de verdediging als in strafzaken.

73      Gelet op al deze elementen dient het in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 bedoelde begrip „stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht” – voor zover het gaat om een gedinginleidend stuk – in die zin te worden uitgelegd dat het ziet op het stuk of de stukken waarvan de tijdige betekening of kennisgeving de verweerder in staat stelt, in het kader van een gerechtelijke procedure in de staat van herkomst zijn rechten geldend te maken. Een dergelijk stuk moet minstens de mogelijkheid bieden het voorwerp en de grond van het beroep met zekerheid vast te stellen en te begrijpen dat men wordt uitgenodigd om in rechte te verschijnen of, naargelang van de aard van de aanhangige procedure, dat een rechtsmiddel kan worden aangewend. Stukken die enkel een bewijsfunctie vervullen en niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van de vordering te begrijpen, maken geen deel uit van het stuk dat het geding inleidt in de zin van verordening nr. 1348/2000.

74      Deze uitlegging is in overeenstemming met het doel van verordening nr. 1348/2000 om de verzending van stukken te verbeteren en te versnellen. De vertaling van bewijsstukken kan immers aanzienlijke tijd in beslag nemen, terwijl deze vertaling hoe dan ook niet vereist is in het kader van het geding dat voor de rechter van de staat van herkomst zal worden gevoerd in de taal van deze staat.

75      Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of het gedinginleidende stuk voldoende informatie bevat om de verweerder in staat te stellen in de staat van herkomst zijn rechten geldend te maken en met name het voorwerp en de grond van de tegen hem ingestelde vordering te achterhalen en te begrijpen dat er een gerechtelijke procedure is ingeleid.

76      Indien de nationale rechter de betrokken informatie onvoldoende acht omdat bepaalde wezenlijke gegevens met betrekking tot de vordering in de bijlagen vervat zijn, moet hij het nodige doen om het probleem in het kader van zijn nationale procesrecht op te lossen, waarbij hij ervoor dient te waken dat de volle werking van verordening nr. 1348/2000 wordt gewaarborgd met inachtneming van het doel ervan (zie in die zin arrest Leffler, reeds aangehaald, punt 69) en de belangen van beide partijen in het geding zo goed mogelijk dient te vrijwaren.

77      Zo zou degene die het gedinginleidende stuk heeft opgesteld, de mogelijkheid kunnen worden geboden de ontbrekende vertaling van een onmisbare bijlage zo snel mogelijk op te sturen op de door verordening nr. 1348/2000 vastgestelde wijze. Volgens het Hof dient het gevolg van de toezending van een vertaling voor de datum van de betekening of de kennisgeving met het oog op de bescherming van de belangen van de partijen te worden bepaald naar analogie van het in artikel 9, leden 1 en 2, van verordening nr. 1348/2000 uitgewerkte systeem van de dubbele datum (arrest Leffler, reeds aangehaald, punten 65‑67).

78      Gelet op al het bovenstaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 aldus dient te worden uitgelegd dat degene voor wie een ter kennis te brengen of te betekenen gedinginleidend stuk bestemd is, niet mag weigeren dit stuk in ontvangst te nemen voor zover dit hem in staat stelt, in het kader van een gerechtelijke procedure in de lidstaat van verzending zijn rechten geldend te maken, wanneer bij dit stuk bijlagen met bewijsstukken zijn gevoegd die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die de geadresseerde begrijpt, maar die enkel een bewijsfunctie hebben en niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van de vordering te begrijpen. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of het gedinginleidende stuk voldoende informatie bevat om de verweerder in staat te stellen zijn rechten geldend te maken dan wel of de verzender alsnog een vertaling van een onmisbare bijlage dient te verstrekken.

 Tweede vraag

79      Met zijn tweede vraag, die wordt gesteld voor het geval dat het antwoord zou luiden dat degene voor wie het stuk bestemd is mag weigeren om dit in ontvangst te nemen wanneer de bijlagen niet zijn vertaald, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 aldus dient te worden uitgelegd dat degene aan wie een stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, wordt geacht de taal van een lidstaat van verzending te „begrijpen” in de zin van deze verordening wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit met de verzoeker contractueel is overeengekomen dat in de taal van de lidstaat van verzending zal worden gecorrespondeerd. Gelet op het bij de beantwoording van de eerste vraag geformuleerde voorbehoud dient de tweede vraag te worden beantwoord.

80      Om uit te maken of degene aan wie een stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, de taal van de lidstaat van verzending waarin dit stuk is gesteld begrijpt, moet de rechter alle aanwijzingen onderzoeken die de verzoekende partij hem dienaangaande verstrekt.

81      Degenen die opmerkingen hebben ingediend, zijn het er niet over eens of degene voor wie een stuk bestemd is, moet worden geacht de taal van de lidstaat van verzending te kennen op grond van het feit dat hij een beding betreffende het gebruik van deze taal, zoals door de verwijzende rechter is beschreven, heeft ondertekend.

82      Volgens het kantoor Grimshaw kan enkel dit kantoor zelf zeggen of het het ter kennis gebrachte stuk begrijpt. IHK Berlin verdedigt het tegenovergestelde standpunt, namelijk dat met de ondertekening van een dergelijk beding wordt aanvaard dat een gerechtelijk stuk in deze taal dient te worden betekend, zoals ook een forumkeuzebeding de partijen bindt.

83      Volgens de andere deelnemers aan de procedure die opmerkingen hebben ingediend, kan uit een dergelijk beding niet worden afgeleid dat de betrokkene de taal waarin het stuk is gesteld, begrijpt in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000, maar vormt dit beding een aanwijzing in die zin. Het kantoor Weiss en de Tsjechische en de Slowaakse regering beklemtonen met name dat voor het voeren van correspondentie niet zo een diepgaande kennis van een taal vereist is als voor het voeren van verweer in rechte.

84      De uitlegging van het kantoor Grimshaw kan niet worden aanvaard. Volgens deze uitlegging zou het immers uiteindelijk afhangen van de goodwill van degene voor wie het stuk bestemd is, of een stuk geldig is betekend of ter kennis gebracht.

85      De door IHK Berlin voorgestelde uitlegging kan evenmin worden aanvaard. Om artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 nuttige werking te verlenen, dient de bevoegde rechter immers na te gaan of de voorwaarden van deze bepaling daadwerkelijk zijn vervuld. De ondertekening van een beding volgens hetwelk een bepaalde taal zal worden gebruikt in de correspondentie en bij de uitvoering van de overeenkomst, kan geen vermoeden opleveren dat de betrokken partij de overeengekomen taal kent.

86      Daarentegen dient te worden overwogen dat de ondertekening van een dergelijk beding een aanwijzing vormt dat de betrokkene de taal kent waarin het betekende of ter kennis gebrachte stuk is gesteld. Deze aanwijzing is des te sterker wanneer het beding niet enkel betrekking heeft op de correspondentie tussen partijen, maar ook op de correspondentie met de autoriteiten en overheidsinstellingen. Deze aanwijzing kan nog worden versterkt door andere aanwijzingen, zoals het feit dat degene aan wie het stuk is betekend of ter kennis gebracht daadwerkelijk heeft gecorrespondeerd in de taal waarin dit stuk is gesteld, of het feit dat de oorspronkelijke overeenkomst een beding bevat dat de rechtbanken van de lidstaat van verzending bevoegd verklaart in geval van geschil of de overeenkomst aan het recht van deze lidstaat onderwerpt.

87      Zoals is opgemerkt door het kantoor Weiss en de Tsjechische en de Slowaakse regering, is voor het voeren van correspondentie niet zo een diepgaande kennis van een taal vereist als voor het voeren van verweer in rechte. Het gaat evenwel om een feitelijk element dat de rechter in aanmerking moet nemen wanneer hij nagaat of degene aan wie een stuk is betekend of ter kennis gebracht, dit stuk in zoverre kan begrijpen dat hij zijn rechten geldend kan maken. De rechter dient overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel uit te gaan van de mate waarin een justitiabele die woonachtig is in de staat van verzending, een in de taal van deze staat gesteld gerechtelijk stuk kan begrijpen.

88      Op de tweede vraag dient te worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 aldus dient te worden uitgelegd dat het feit dat degene aan wie een stuk is betekend of ter kennis gebracht, in het kader van zijn beroepsactiviteit met de verzoeker contractueel is overeengekomen dat in de taal van de lidstaat van verzending zal worden gecorrespondeerd, geen vermoeden oplevert dat hij deze taal kent, maar een aanwijzing vormt die de rechter in aanmerking kan nemen wanneer hij nagaat of de geadresseerde de taal van de lidstaat van verzending begrijpt.

 Derde vraag

89      Met zijn derde vraag, die wordt gesteld voor het geval dat de tweede vraag van de verwijzende rechter ontkennend zou worden beantwoord, wenst deze laatste te vernemen of artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 aldus dient te worden uitgelegd dat degene aan wie een stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, in geen geval op grond van deze bepaling kan weigeren om de bijlagen bij dit stuk die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die hij begrijpt, in ontvangst te nemen, wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit contractueel overeenkomt dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending en de verzonden bijlagen deze correspondentie betreffen en tevens in de overeengekomen taal zijn gesteld.

90      Uit het antwoord van het Hof op de eerste vraag blijkt dat het nodig kan zijn bepaalde bijlagen bij een betekend of ter kennis gebracht stuk dat het geding inleidt te vertalen wanneer dit – vertaalde – stuk onvoldoende informatie bevat om het voorwerp en de grond van de vordering te achterhalen en de verweerder aldus de mogelijkheid te bieden zijn rechten geldend te maken, omdat bepaalde wezenlijke gegevens met betrekking tot de vordering in de bijlagen vervat zijn.

91      Deze vertaling is evenwel niet nodig wanneer uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat degene voor wie het gedinginleidende stuk bestemd is, de inhoud van deze bijlagen kent. Dit is het geval wanneer hij deze bijlagen heeft opgesteld of wordt geacht de inhoud ervan te kennen, bijvoorbeeld omdat hij in het kader van zijn beroepsactiviteit een overeenkomst heeft ondertekend waarin is bedongen dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending, en de bijlagen betrekking hebben op deze correspondentie en tevens in de overeengekomen taal zijn gesteld.

92      Bijgevolg dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 aldus dient te worden uitgelegd dat degene aan wie een gedinginleidend stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, in geen geval met een beroep op deze bepaling kan weigeren om de bijlagen bij een stuk die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die hij begrijpt, in ontvangst te nemen, wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit contractueel is overeengekomen dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending en de verzonden bijlagen deze correspondentie betreffen en tevens in de overeengekomen taal zijn gesteld.

 Kosten

93      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, dient aldus te worden uitgelegd dat degene voor wie een ter kennis te brengen of te betekenen gedinginleidend stuk bestemd is, niet mag weigeren dit stuk in ontvangst te nemen voor zover dit hem in staat stelt, in het kader van een gerechtelijke procedure in de lidstaat van verzending zijn rechten geldend te maken, wanneer bij dit stuk bijlagen met bewijsstukken zijn gevoegd die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die de geadresseerde begrijpt, maar die enkel een bewijsfunctie hebben en niet onontbeerlijk zijn om het voorwerp en de grond van de vordering te begrijpen.

Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of het gedinginleidende stuk voldoende informatie bevat om de verweerder in staat te stellen zijn rechten geldend te maken dan wel of de verzender alsnog de vertaling van een onmisbare bijlage dient te verstrekken.

2)      Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 1348/2000 dient aldus te worden uitgelegd dat het feit dat degene aan wie een stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, in het kader van zijn beroepsactiviteit met de verzoeker contractueel is overeengekomen dat in de taal van de lidstaat van verzending zal worden gecorrespondeerd, geen vermoeden oplevert dat hij deze taal kent, maar een aanwijzing vormt die de rechter in aanmerking kan nemen wanneer hij nagaat of de geadresseerde de taal van de lidstaat van verzending begrijpt.

3)      Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 dient aldus te worden uitgelegd dat degene aan wie een gedinginleidend stuk wordt betekend of ter kennis gebracht, in geen geval met een beroep op deze bepaling kan weigeren om de bijlagen bij een stuk die niet zijn gesteld in de taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van verzending die hij begrijpt, in ontvangst te nemen, wanneer hij in het kader van zijn beroepsactiviteit contractueel is overeengekomen dat zal worden gecorrespondeerd in de taal van de lidstaat van verzending en de verzonden bijlagen deze correspondentie betreffen en tevens in de overeengekomen taal zijn gesteld.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.

Top