EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62006CJ0331

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 april 2008.
K. D. Chuck tegen Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Rechtbank te Amsterdam - Nederland.
Ouderdomsverzekering - Werknemer die onderdaan is van lidstaat - Socialezekerheidspremies - Verschillende tijdvakken - Verschillende lidstaten - Berekening van tijdvakken van verzekering - Pensioenaanvraag - Woonplaats in derde land.
Zaak C-331/06.

European Court Reports 2008 I-01957

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2008:188

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

3 april 2008 ( *1 )

„Ouderdomsverzekering — Werknemer die burger is van lidstaat — Socialezekerheidspremies — Verschillende tijdvakken — Verschillende lidstaten — Berekening van tijdvakken van verzekering — Pensioenaanvraag — Woonplaats in derde land”

In zaak C-331/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Rechtbank te Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 27 juli 2006, ingekomen bij het Hof op 31 juli 2006, in de procedure

K. D. Chuck

tegen

Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, L. Bay Larsen, K. Schiemann, P. Kūris (rapporteur) en J.-C. Bonichot, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 september 2007,

gelet op de opmerkingen van:

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. Pijnacker Hordijk en S. J. H. Evans, advocaten,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. Sevenster als gemachtigde,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis, Z. Chatzipavlou en O. Patsopoulou als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en M. van Beek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2008,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 48 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB L 100, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K. D. Chuck en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: „SVB”) ter zake van de weigering van laatstgenoemde om rekening te houden met de door Chuck in Denemarken betaalde socialezekerheidspremies, op grond dat Chuck op het tijdstip van zijn pensioenaanvraag niet in een lidstaat woonde.

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschapsregeling

3

Artikel 2 van verordening nr. 1408/71, dat de personele werkingssfeer van de verordening definieert, bepaalt in lid 1:

„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”

4

In artikel 10 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Ontheffing van de bepalingen inzake de woonplaats — Invloed van de verplichte verzekering op de terugbetaling van bijdragen of premies”, wordt bepaald:

„1.   Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

[…]”

5

Artikel 48 van verordening nr. 1408/71, getiteld „Tijdvakken van verzekering of van wonen van minder dan één jaar”, bepaalt:

„1.   Ongeacht artikel 46, lid 2, is het orgaan van een lidstaat niet verplicht uitkeringen toe te kennen krachtens tijdvakken vervuld onder de door dit orgaan toegepaste wetgeving die in aanmerking dienen te worden genomen op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis indien:

de totale duur van de bedoelde tijdvakken minder dan één jaar bedraagt, en

uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen enkel recht op uitkeringen krachtens die wetgeving bestaat.

2.   Voor de toepassing van artikel 46, lid 2, met uitzondering van het bepaalde sub b, houdt het bevoegde orgaan van elk der andere betrokken lidstaten wel rekening met de in lid 1 bedoelde tijdvakken.

3.   Ingeval toepassing van lid 1 ertoe zou leiden dat alle organen van de betrokken staten van hun verplichtingen worden ontheven, worden de uitkeringen uitsluitend toegekend op grond van de wetgeving van de laatste van die staten aan de voorwaarden waarvan is voldaan, alsof alle vervulde tijdvakken van verzekering en van wonen waarmede overeenkomstig artikel 45, leden 1 tot en met 4, rekening wordt gehouden, krachtens de wetgeving van deze staat waren vervuld.”

6

Verordening (EG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1; hierna: „toepassingsverordening”), bepaalt in artikel 36, lid 3:

„Wanneer de aanvrager woont op het grondgebied van een staat die geen lidstaat is, is hij verplicht zijn aanvraag te richten tot het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige laatstelijk onderworpen is geweest.”

Nationale regeling

7

Artikel 6, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: „AOW”) luidt als volgt:

„Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en

a.

ingezetene is;

b.

geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.”

8

Artikel 7 AOW bepaalt:

„Recht op ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft degene, die

a.

de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en

b.

ingevolge deze wet verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de leeftijd van 15 jaar is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9

Chuck, die de Britse nationaliteit heeft, heeft in het tijdvak van 1 september 1972 tot 1 april 1975 en in het tijdvak van 1 januari 1976 tot 31 december 1977 in Nederland gewoond en gewerkt. In de negen maanden tussen deze twee perioden heeft hij in Denemarken gewerkt en daar premies inzake de sociale zekerheid betaald. Sinds 1 januari 1978 woont hij in de Verenigde Staten van Amerika. In verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar heeft hij een aanvraag om ouderdomspensioen ingediend bij de SVB.

10

De SVB heeft Chuck vanaf december 2000 een ouderdomspensioen met toeslag toegekend waarop een korting werd toegepast van 90 % in verband met de 45 jaren gedurende welke hij niet verzekerd was. Voor de berekening van het bedrag van dit pensioen heeft de SVB geen rekening gehouden met de in Denemarken vervulde tijdvakken van verzekering, aangezien Chuck niet meer op het grondgebied van een lidstaat woonde en, volgens de SVB, geen rechten kon ontlenen aan artikel 48 van verordening nr. 1408/71.

11

Tegen dat besluit heeft Chuck bezwaar gemaakt, dat de SVB bij besluit van 2 januari 2002 heeft afgewezen. Chuck heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.

12

Hij stelt dat overeenkomstig artikel 48 van verordening nr. 1408/71 de in Denemarken vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking hadden moeten worden genomen in de berekening van de tijdvakken van verzekering. Het feit dat hij op het moment van zijn aanvraag niet op het grondgebied van een lidstaat woonde, zou niet in de weg moeten staan aan de toepassing van voornoemd artikel 48.

13

Op 27 juli 2006 heeft de Rechtbank te Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dient in een geval waarin een werknemer op de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt buiten de [Europese] Gemeenschap woont, artikel 48 van verordening [nr. 1408/71] op gelijke wijze te worden toegepast als in het geval waarin de betrokken werknemer zou wonen op het grondgebied van de Gemeenschap?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

14

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 48, lid 2, van verordening nr. 1408/71 het bevoegde orgaan van de laatste lidstaat waar de werknemer die onderdaan is van een lidstaat, woonachtig was, de verplichting oplegt om bij de berekening van het ouderdomspensioen van die werknemer, die op het tijdstip van de aanvraag voor uitbetaling van dit pensioen in een derde land woont, de tijdvakken van arbeid in een andere lidstaat onder dezelfde voorwaarden in aanmerking te nemen als wanneer deze werknemer nog altijd op het grondgebied van de Gemeenschap zou hebben gewoond.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

15

De SVB betoogt dat verordening nr. 1408/71 enkel rechten en voordelen toekent aan werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Uit de rechtspraak van het Hof kan niet worden afgeleid dat iemand die binnen de personele werkingssfeer van de verordening valt, daaraan automatisch rechten kan ontlenen.

16

Bovendien, aldus de SVB, bestaat er in het geval van een buiten de Gemeenschap woonachtige aanvrager, enkel een verplichting de bepalingen van artikel 48 van die verordening toe te passen, wanneer de samen te tellen uitkeringen exporteerbaar zijn op basis van artikel 10 van diezelfde verordening. Artikel 10 van de verordening waarborgt enkel de exporteerbaarheid van een pensioen naar een andere lidstaat. Dit betekent dat krachtens artikel 10 de Deense autoriteiten niet verplicht zijn een pensioen exporteerbaar te maken naar een derde land, zodat het niet logisch zou zijn wanneer voornoemd artikel 48 de Nederlandse autoriteiten zou dwingen rekening te houden met de door Chuck in Denemarken betaalde socialezekerheidspremies.

17

De SVB stelt voorts dat, nu het gemeenschapsrecht niet voorziet in de exporteerbaarheid van dergelijke uitkeringen, het a fortiori niet mogelijk is hieraan het recht te ontlenen om op basis van artikel 48, lid 2, van verordening nr. 1408/71 de samentelling van de tijdvakken van premiebetaling te exporteren. Deze conclusie vindt bevestiging in artikel 7 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1).

18

De Nederlandse regering voert als argument voor een bevestigend antwoord op de genoemde vraag aan dat artikel 42 EG, met het oog op de totstandkoming van het vrij verkeer van werknemers, voorziet in een stelsel waarbij hun rechten op het gebied van sociale zekerheid worden gewaarborgd. Daartoe voorziet dit artikel, enerzijds, met het oog op de verkrijging en het behoud van het recht op uitkeringen buiten het nationale grondgebied van elke lidstaat, in een samentelling van alle tijdvakken van verzekering, en, anderzijds, in een verplichting om de uitkeringen uit te betalen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Bovendien voorziet artikel 36, lid 3, van de toepassingsverordening in een aanvraagprocedure voor een ouderdomspensioen ten behoeve van personen die niet in een van de lidstaten wonen.

19

Als argument voor een ontkennende beantwoording merkt de Nederlandse regering op dat verordening nr. 1408/71 tot doel heeft het vrije verkeer van werknemers en hun gezinsleden binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken, welk standpunt steun vindt in de bewoordingen van artikel 42 EG, volgens hetwelk de Raad van de Europese Unie een stelsel dient in te voeren waardoor kan worden gewaarborgd dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald.

20

Ten slotte betekent volgens de Nederlandse regering het feit dat het ouderdomspensioen moet worden berekend overeenkomstig artikel 48, lid 2, van verordening nr. 1408/71, nog niet dat het kan worden geëxporteerd naar een derde land om daar te worden uitgekeerd. Zij stelt dat deze vraag in voornoemde verordening niet wordt geregeld en uitsluitend onderworpen blijft aan de nationale wettelijke voorschriften.

21

De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt voor, te antwoorden dat in het geval waarin een werknemer op het tijdstip waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt buiten de Gemeenschap woont, artikel 48 van de verordening op gelijke wijze dient te worden toegepast als in het geval waarin de betrokken werknemer op het grondgebied van de Gemeenschap zou wonen. Voor de toepassing van deze bepaling is volgens haar niet bepalend of de woonplaats zich binnen of buiten de Gemeenschap bevindt.

22

In dit verband voert zij aan dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat verordening nr. 1408/71 enkel de coördinatie van de nationale stelsels beoogt. Aldus laat zij de verschillende nationale stelsels voortbestaan die afzonderlijke vorderingen op verschillende nationale organen doen ontstaan.

23

Bovendien is het doorslaggevende criterium voor de toepassing van deze regels de band tussen een werknemer en het socialezekerheidsstelsel van een bepaalde lidstaat waarbij hij gedurende een bepaald tijdvak aangesloten is geweest, om het even waar hij zijn beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend.

24

De Commissie leidt hieruit af dat indien de benadering van de SVB zou worden gevolgd, het nuttig effect van het samentellingsbeginsel van verordening nr. 1408/71 in belangrijke mate zou worden uitgehold. Niettemin verplicht geen enkele bepaling van het gemeenschapsrecht dat sociale uitkeringen daadwerkelijk in derde landen worden uitgekeerd. De modaliteiten voor de uitbetaling van deze uitkeringen vallen nog steeds onder nationaal recht.

25

De Griekse en de Italiaanse regering zijn het in wezen met de Commissie eens. Eerstgenoemde regering wijst tevens op het belang van artikel 36 van de toepassingsverordening, dat betrekking heeft op de situatie waarin een aanvrager op het tijdstip waarop hij een uitkering aanvraagt niet op het grondgebied van de Gemeenschap woont.

Antwoord van het Hof

26

Er zij aan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat artikel 51 EEG-Verdrag (nadien artikel 51 EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 42 EG) verschillen laat bestaan tussen de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten en bijgevolg ook in de rechten van de personen die er werkzaam zijn (arrest van 7 februari 1991, Rönfeldt, C-227/89, Jurispr. blz. I-323, punt 12).

27

Verordening nr. 1408/71 heeft niet een gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid ingevoerd, maar verschillende nationale stelsels laten voortbestaan, waarvan zij slechts de coördinatie beoogt (arrest van 5 juli 1988, Borowitz, 21/87, Jurispr. blz. 3715, punt 23). Zij laat verschillende stelsels voortbestaan, die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen jegens welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit, hetzij uitsluitend krachtens een nationale wettelijke regeling, hetzij krachtens de nationale regeling, zo nodig aangevuld door het gemeenschapsrecht (arrest van 6 maart 1979, Rossi, 100/78, Jurispr. blz. 831, punt 13).

28

Het Hof heeft ook geoordeeld dat de ter uitvoering van artikel 51 van het Verdrag vastgestelde verordeningen moeten worden uitgelegd in het licht van de doelstelling van die bepaling, te weten het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor werknemers binnen de Gemeenschap (zie arresten van 12 oktober 1978, Belbouab, 10/78, Jurispr. blz. 1915, punt 5, en 14 november 1990, Buhari Haji, C-105/89, Jurispr. blz. I-4211, punt 20).

29

Vaststaat dat verordening nr. 1408/71, wat de invloed betreft van de woonplaats van de verzekerde op het tijdstip van zijn aanvraag voor een ouderdomspensioen op de berekening van zijn pensioenrechten op basis van tijdvakken van arbeid in verschillende lidstaten, niet uitdrukkelijk ziet op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie.

30

Volgens artikel 2 van deze verordening behoeft voor haar toepassing immers slechts aan twee voorwaarden te zijn voldaan, te weten, dat de werknemer onderdaan is van een der lidstaten (of de status heeft van op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatloze of vluchteling), en dat hij aan de wetgeving van een of meer lidstaten onderworpen is of is geweest.

31

Wat artikel 10 van dezelfde verordening betreft, dit verbiedt bepalingen inzake de woonplaats enkel tussen de lidstaten.

32

Niettemin tracht verordening nr. 1408/71, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie beklemtoont, de doelstelling van artikel 51 van het Verdrag te bereiken door het voorkomen van mogelijke negatieve effecten die de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers kan hebben op het ontvangen van socialezekerheidsuitkeringen door werknemers en hun gezinsleden, met name waar het gaat om de carrière van migrerende werknemers die premies hebben betaald aan verschillende socialezekerheidsstelsels, en aldus aan werknemers de rechtszekerheid te bieden dat zij de pensioenrechten die voortvloeien uit hun premiebetalingen aan pensioenstelsels op dezelfde wijze behouden als een werknemer die niet zijn recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend.

33

Door de samentelling te regelen van tijdvakken van verzekering van minder dan één jaar krachtens de wettelijke regeling van een bepaalde lidstaat, met tijdvakken van verzekering die zijn vervuld in andere lidstaten, draagt artikel 48 van verordening nr. 1408/71 bij tot het waarborgen van de vrijheid van verkeer van een werknemer tussen de lidstaten.

34

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat artikel 48, dat zijn toepassing overigens niet afhankelijk stelt van de woonplaats van de werknemer op het tijdstip van zijn aanvraag voor een ouderdomspensioen, niet in die zin kan worden uitgelegd dat het enkele verplaatsen door de betrokkene van zijn woonplaats naar een derde land afbreuk kan doen aan diens recht op berekening van zijn ouderdomspensioen conform de in voornoemd artikel neergelegde regels.

35

Bovendien volgt uit de lezing van artikel 36, lid 3, van de toepassingsverordening, ten eerste, dat een ouderdomspensioen kan worden aangevraagd door iemand die niet in een lidstaat woonachtig is en, ten tweede, dat deze aanvraag moet worden gericht aan een bevoegd orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de aanvrager laatstelijk onderworpen is geweest. De gemeenschapswetgever heeft dus wel degelijk voorzien in een situatie als die van Chuck, die inwoner is van een derde land en als voormalig werknemer premies heeft betaald in verschillende lidstaten.

36

Uit het voorgaande volgt dat op een werknemer die zich bevindt in een situatie als die van Chuck, bij de berekening van zijn ouderdomspensioen het beginsel van samentelling van tijdvakken van arbeid in de lidstaten, zoals dit is neergelegd in artikel 48, lid 2, van verordening nr. 1408/71 moet worden toegepast.

37

Verder moet erop worden gewezen dat de laatste betrokken lidstaat niet onderworpen is aan een verplichting dit pensioen te betalen naar het grondgebied van een derde land.

38

Zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, moet namelijk worden opgemerkt dat artikel 10 van verordening nr. 1408/71 weliswaar voorziet in een afdwingbaar recht op betaling van een pensioen in ongeacht welke lidstaat, doch dat noch de verordening, noch enige bepaling van gemeenschapsrecht een verplichting voor de lidstaten bevat om pensioenen te betalen naar derde landen. Hieruit volgt dat de praktische modaliteiten voor de uitbetaling van een dergelijk ouderdomspensioen onderworpen blijven aan de bepalingen van nationaal recht van de lidstaat van het orgaan dat deze uitkering verschuldigd is.

39

Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 48, lid 2, van verordening nr. 1408/71 het bevoegde orgaan van de laatste lidstaat waar de werknemer die onderdaan is van een lidstaat, woonachtig was, de verplichting oplegt om bij de berekening van het ouderdomspensioen van die werknemer, die op het tijdstip van de aanvraag voor uitbetaling van dit pensioen in een derde land woont, de tijdvakken van arbeid in een andere lidstaat onder dezelfde voorwaarden in aanmerking te nemen als wanneer deze werknemer nog altijd op het grondgebied van de Gemeenschap zou hebben gewoond.

Kosten

40

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 48, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, legt het bevoegde orgaan van de laatste lidstaat waar de werknemer die onderdaan is van een lidstaat, woonachtig was, de verplichting op om bij de berekening van het ouderdomspensioen van die werknemer, die op het tijdstip van de aanvraag voor uitbetaling van dit pensioen in een derde land woont, de tijdvakken van arbeid in een andere lidstaat onder dezelfde voorwaarden in aanmerking te nemen als wanneer deze werknemer nog altijd op het grondgebied van de Europese Gemeenschap zou hebben gewoond.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top