EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62005CJ0306

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 december 2006.
Sociedad General de Autores y Editores de España (SGAE) tegen Rafael Hoteles SA.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Audiencia Provincial de Barcelona - Spanje.
Auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij - Richtlijn 2001/29/EG - Artikel 3 - Begrip "mededeling aan publiek" - Werken verspreid door middel van televisietoestellen in hotelkamers.
Zaak C-306/05.

Jurisprudentie 2006 I-11519

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2006:764

Zaak C‑306/05

Sociedad General de Autores y Editores de España (SGAE)

tegen

Rafael Hoteles SA

(verzoek van de Audiencia Provincial de Barcelona om een prejudiciële beslissing)

„Auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 3 – Begrip ‚mededeling aan publiek’ – Werken verspreid door middel van televisietoestellen in hotelkamers”

Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston van 13 juli 2006 

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 december 2006 

Samenvatting van het arrest

Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29 – Harmonisatie van bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij – Mededeling aan publiek – Begrip

(Richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1)

De loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties, zoals televisietoestellen in hotelkamers, vormt als zodanig geen mededeling aan het publiek in de zin van richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij. Het doorgeven door een hotel van een signaal waarmee door middel van deze televisietoestellen werken kunnen worden meegedeeld aan de gasten die in de kamers van dit hotel verblijven, vormt evenwel een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, ongeacht de gebruikte techniek van doorgifte van het signaal.

Zoals is uiteengezet in de gids van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst heeft de auteur, wanneer hij in de radio-uitzending van zijn werk toestemt, slechts het oog op de directe consumenten, dat wil zeggen de bezitters van ontvangsttoestellen die, individueel of in hun privé‑ of gezinssfeer, de uitzendingen ontvangen. Zodra die ontvangst ten behoeve van een veel groter gehoor geschiedt door middel van een zelfstandige handeling waarmee het uitgezonden werk aan een nieuw publiek wordt medegedeeld, geldt voor deze openbare ontvangst weer het uitsluitende recht van de auteur om toestemming te verlenen. Hotelgasten vormen een dergelijk nieuw publiek, aangezien het voor deze gasten ten gehore brengen van een uitgezonden werk door middel van televisietoestellen immers niet een eenvoudig technisch middel is om de ontvangst van de oorspronkelijke uitzending in het ontvangstgebied ervan mogelijk te maken of te verbeteren. Integendeel, het hotel is het orgaan dat, met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag, tussenkomt om aan zijn gasten toegang tot het beschermde werk te verlenen.

Het privékarakter van hotelkamers staat niet eraan in de weg dat het signaal een mededeling aan het publiek vormt.

(cf. punten 41‑42, 47, 54, dictum 1‑2)




ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

7 december 2006 (*)

„Auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 3 – Begrip ‚mededeling aan publiek’ – Werken verspreid door middel van televisietoestellen in hotelkamers”

In zaak C‑306/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (Spanje) bij beslissing van 7 juni 2005, ingekomen bij het Hof op 3 augustus 2005, in de procedure

Sociedad General de Autores y Editores de España (SGAE)

tegen

Rafael Hoteles, SA,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Borg Barthet, J. Malenovský (rapporteur), U. Lõhmus en A. Ó Caoimh, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 mei 2006,

gelet op de opmerkingen van:

–       de Sociedad General de Autores y Editores de España (SGAE), vertegenwoordigd door R. Gimeno-Bayón Cobos en P. Hernández Arroyo, abogados,

–       Rafael Hoteles, SA, vertegenwoordigd door R. Tornero Moreno, abogado,

–       de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en J.‑C. Niollet als gemachtigden,

–       Ierland, vertegenwoordigd door D. J. O’Hagan als gemachtigde, bijgestaan door N. Travers, BL,

–       de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–       de Poolse regering, vertegenwoordigd door K. Murawski, U. Rutkowska en P. Derwicz als gemachtigden,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. R. Vidal Puig en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2006,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Sociedad General de Autores y Editores de España (SGAE) en Rafael Hoteles, SA (hierna: „vennootschap Rafael”), betreffende de gestelde schending door deze laatste van de door SGAE beheerde intellectuele‑eigendomsrechten.

 Rechtskader

 Toepasselijk internationaal recht

3       De Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, als bijlage 1 C gehecht aan de Overeenkomst van Marrakech tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, is namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1).

4       Artikel 9, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom bepaalt:

„De [l]eden leven de artikelen 1 tot en met 21 van en het aanhangsel bij de Berner Conventie (1971) na. De [l]eden hebben evenwel geen rechten of verplichtingen krachtens deze Overeenkomst ten aanzien van de rechten verleend krachtens artikel 6bis van de Conventie of van de daaraan ontleende rechten.”

5       Artikel 11 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), luidt als volgt:

„1.      Auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale werken en muziekwerken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

i)      de openbare opvoering en uitvoering van hun werken, met inbegrip van de openbare opvoering en uitvoering met alle middelen of werkwijzen;

ii)      de openbare overbrenging met alle middelen van de opvoering en uitvoering van hun werken.

2.      Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken gedurende de gehele duur van hun rechten op hun oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van hun werken.”

6       Artikel 11bis, eerste alinea, van de Berner Conventie bepaalt:

„Auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

i)      de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel, dienende tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden;

ii)      elke openbare mededeling, hetzij met of zonder draad, van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke geschiedt;

iii)      de openbare mededeling van het door de radio uitgezonden werk door een luidspreker of door ieder ander dergelijk instrument, dat tekens, geluiden of beelden overbrengt.”

7       De Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) heeft op 20 december 1996 te Genève het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen en het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht vastgesteld. Deze twee verdragen zijn namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 (PB L 89, blz. 6).

8       Artikel 8 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht bepaalt:

„Onverminderd de bepalingen van artikel 11, [lid 1‑ii], artikel 11bis, [lid 1‑i en ii], artikel 11ter, [lid 1‑ii], artikel 14, [lid 1‑ii], en artikel 14bis, lid 1, van de Berner Conventie, hebben auteurs van werken van letterkunde en kunst het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor het per draad of langs draadloze weg mededelen van hun werken aan het publiek, met inbegrip van het op zodanige wijze voor het publiek beschikbaar stellen van hun werken dat deze voor leden van het publiek beschikbaar zijn vanaf een door hen gekozen plaats en op een door hen gekozen tijdstip.”

9       Gemeenschappelijke verklaringen betreffende het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht zijn vastgesteld door de diplomatieke conferentie op 20 december 1996.

10     De gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 8 van dit verdrag luidt als volgt:

„Het is wel verstaan dat de enkele terbeschikkingstelling van materiële faciliteiten voor het mogelijk maken of verrichten van een mededeling op zich geen mededeling in de zin van dit verdrag of de Berner Conventie uitmaakt. Het is voorts wel verstaan dat niets in artikel 8 van dit verdrag eraan in de weg staat dat een verdragsluitende partij artikel 11bis, lid 2, van de Berner Conventie toepast.”

 Gemeenschapsregeling

11     In de negende overweging van de considerans van richtlijn 2001/29 staat te lezen:

„Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.”

12     De tiende overweging van de considerans van deze richtlijn luidt als volgt:

„Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele‑eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.”

13     In de vijftiende overweging van de considerans van diezelfde richtlijn wordt verklaard:

„De diplomatieke conferentie die in december 1996 is gehouden onder de auspiciën van de [WIPO], heeft geleid tot de aanneming van twee nieuwe verdragen, het Verdrag van de WIPO inzake het auteursrecht en het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen, die respectievelijk betrekking hebben op de bescherming van auteurs en de bescherming van uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Deze verdragen zorgen voor een belangrijke actualisering van de internationale bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten, niet in de laatste plaats wat de zogenoemde ‚digitale agenda’ betreft, en voor een verbetering van de middelen om over de gehele wereld de piraterij te bestrijden. De Gemeenschap en een meerderheid van de lidstaten hebben de verdragen reeds ondertekend en de voorbereidingen voor de ratificatie van de verdragen door de Gemeenschap en de lidstaten zijn gaande. Met deze richtlijn wordt onder meer ook beoogd een aantal van de nieuwe internationale verplichtingen na te komen.”

14     De drieëntwintigste overweging van de considerans van deze richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.”

15     In de zevenentwintigste overweging van de considerans van richtlijn 2001/29 wordt gesteld:

„De beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten is op zich geen mededeling in de zin van deze richtlijn.”

16     Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

2.      De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a)      uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen;

b)      producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen;

c)      producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en

d)      omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,

in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.

3.      De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.”

 Nationale regeling

17     De gecodificeerde tekst van de wet betreffende de intellectuele eigendom, die de geldende wettelijke bepalingen op dit gebied regelt, preciseert en harmoniseert (hierna: „LPI”), is goedgekeurd bij het real decreto legislativo (koninklijk wetgevend decreet) nr. 1/1996 van 12 april 1996 (BOE nr. 97 van 22 april 1996).

18     Artikel 17 van de LPI bepaalt:

„De uitoefening van de rechten van exploitatie van een werk in welke vorm ook komt aan de auteur toe, met name de rechten van reproductie, distributie, openbare mededeling en transformatie, waarbij een en ander niet zonder zijn toestemming kan worden verricht, behalve in de door de onderhavige wet bepaalde gevallen.”

19     Artikel 20, lid 1, van de LPI stelt:

„Onder mededeling aan het publiek moet worden verstaan, iedere handeling waardoor een werk toegankelijk wordt gemaakt voor een groot aantal personen, zonder voorafgaande verspreiding van exemplaren aan elk van die personen.

Een mededeling die plaatsvindt in een strikt huiselijke omgeving die geen deel uitmaakt van of verbonden is met een omroepnetwerk van welke aard ook, wordt niet als een mededeling aan het publiek beschouwd.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20     SGAE is het orgaan dat in Spanje is belast met het beheer van de intellectuele‑eigendomsrechten.

21     SGAE was van mening dat door het gebruik van televisietoestellen en de uitzending van achtergrondmuziek in het hotel waarvan de vennootschap Rafael eigenaar is, in de periode van juni 2002 tot maart 2003, werken van het door haar beheerde repertoire aan het publiek zijn meegedeeld. Van mening dat deze handelingen waren verricht met schending van de aan deze werken verbonden intellectuele‑eigendomsrechten, heeft SGAE voor de Juzgado de Primera Instancia n° 28 de Barcelona (rechtbank van eerste aanleg nr. 28 van Barcelona) van de vennootschap Rafael een betaling van een compensatoire vergoeding gevorderd.

22     Bij beslissing van 6 juni 2003 heeft deze rechterlijke instantie de vordering ten dele afgewezen. Zij was immers van oordeel dat het gebruik van televisietoestellen in de hotelkamers geen mededeling aan het publiek van de door SGAE beheerde werken vormde. Deze rechterlijke instantie heeft evenwel geoordeeld dat de vordering gegrond was, gelet op de algemeen bekende aanwezigheid in de hotels van gemeenschappelijke ruimten met televisietoestellen, waar achtergrondmuziek voor een aangename sfeer zorgt.

23     SGAE en de vennootschap Rafael hebben beide hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis bij de Audiencia Provincial de Barcelona, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft voorgelegd:

„1)      Is bij de installatie, in hotelkamers, van televisietoestellen waarnaar het per satelliet of via de ether uitgezonden televisiesignaal via de kabel wordt doorgegeven, sprake van mededeling aan het publiek waarvoor de harmonisatie van de nationale wetgevingen inzake bescherming van het auteursrecht in de zin van artikel 3 van richtlijn [2001/29] geldt?

2)      Is de kwalificatie van een hotelkamer als een strikt huiselijke omgeving, zodat de mededeling via televisietoestellen waarnaar het eerder door het hotel ontvangen signaal wordt doorgegeven, niet langer als mededeling aan het publiek wordt aangemerkt, in strijd met de door richtlijn [2001/29] voorgestane bescherming van het auteursrecht?

3)      Kan, wat de bescherming van het auteursrecht tegen mededeling aan het publiek in de zin van richtlijn [2001/29] betreft, de mededeling via een televisietoestel in een hotelkamer als een mededeling aan het publiek worden beschouwd omdat een ‚successief publiek’ toegang tot het werk heeft?”

 Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling

24     Bij een op 12 september 2006 bij het Hof ingekomen brief heeft de vennootschap Rafael krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.

25     Als rechtvaardigingsgrond voor dit verzoek werd aangegeven dat de conclusie van de advocaat-generaal incoherent is. De vennootschap Rafael betoogt dat het ontkennende antwoord op de eerste vraag in deze conclusie noodzakelijkerwijs meebrengt dat ook ontkennend moet worden geantwoord op de tweede en de derde vraag, terwijl de advocaat-generaal voorstelt om deze vragen bevestigend te beantwoorden.

26     In dit verband zij eraan herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal (zie met name arrest van 30 maart 2006, Emanuel, C‑259/04, Jurispr. blz. I‑3089, punt 15).

27     Het Hof kan weliswaar ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling heropenen, indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie met name arresten van 13 november 2003, Schilling en Fleck-Schilling, C‑209/01, Jurispr. blz. I‑13389, punt 19, en 17 juni 2004, Recheio – Cash & Carry, C‑30/02, Jurispr. blz. I‑6051, punt 12).

28     Het Hof is evenwel van oordeel dat het in casu over alle gegevens beschikt die nodig zijn om uitspraak te kunnen doen.

29     Bijgevolg is er geen aanleiding de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

30     Allereerst moet worden vastgesteld dat, anders dan de vennootschap Rafael betoogt, de situatie in het hoofdgeding niet onder richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15), maar onder richtlijn 2001/29 valt. Deze laatste richtlijn is immers van toepassing op alle mededelingen van beschermde werken aan het publiek, terwijl richtlijn 93/83 slechts voorziet in een minimale harmonisatie van een aantal aspecten van de bescherming van auteursrechten en naburige rechten in geval van mededeling aan het publiek per satelliet of doorgifte via de kabel van uitzendingen die afkomstig zijn uit andere lidstaten. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, bevatten deze regels van minimale harmonisatie, anders dan richtlijn 2001/29, evenwel geen elementen voor de beantwoording van een vraag betreffende een situatie als die welke in de onderhavige prejudiciële vragen aan de orde is (zie in die zin arrest van 3 februari 2000, Egeda, C‑293/98, Jurispr. blz. I‑629, punten 25 en 26).

31     Vervolgens zij eraan herinnerd dat uit de eisen van de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en van het beginsel van gelijke behandeling volgt dat het in de regel noodzakelijk is dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die, zoals de bepalingen van richtlijn 2001/29, voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd (zie met name arresten van 9 november 2000, Yiadom, C‑357/98, Jurispr. blz. I‑9265, punt 26, en 6 februari 2003, SENA, C‑245/00, Jurispr. blz. I‑1251, punt 23). Hieruit volgt dat de Oostenrijkse regering niet op goede gronden kan betogen dat het aan de lidstaten staat, de definitie vast te stellen van het begrip „publiek” waaraan richtlijn 2001/29 refereert, zonder dit begrip te definiëren.

 De eerste en de derde vraag

32     Met zijn eerste en zijn derde vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de distributie van een signaal door middel van televisietoestellen aan klanten die in hotelkamers logeren, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt, en of de installatie van televisietoestellen in de kamers van een dergelijke zaak op zich een handeling van dien aard vormt.

33     In dit verband zij erop gewezen dat deze richtlijn niet zelf preciseert wat onder „mededeling aan het publiek” dient te worden verstaan.

34     Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (zie met name arresten van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, Jurispr. blz. I‑6857, punt 50, en 6 juli 2006, Commissie/Portugal, C‑53/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20).

35     De bepalingen van gemeenschapsrecht moeten overigens zo veel mogelijk worden uitgelegd tegen de achtergrond van het volkenrecht, met name wanneer dergelijke bepalingen strekken tot tenuitvoerlegging van een door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst (zie met name arrest van 14 juli 1998, Bettati, C‑341/95, Jurispr. blz. I‑4355, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36     Uit de drieëntwintigste overweging van de considerans van richtlijn 2001/29 blijkt dat aan het begrip „mededeling aan het publiek” een ruime betekenis moet worden gegeven. Een dergelijke uitlegging lijkt overigens onontbeerlijk om de belangrijkste doelstelling van deze richtlijn te bereiken, die, zoals uit de negende en de tiende overweging van de considerans ervan blijkt, erin bestaat een hoog beschermingsniveau voor onder meer de auteurs te verwezenlijken, zodat dezen met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen.

37     Het Hof heeft met betrekking tot dit begrip geoordeeld dat het woord „publiek” ziet op een onbepaald aantal potentiële televisiekijkers (arresten van 2 juni 2005, Mediakabel, C‑89/04, Jurispr. blz. I‑4891, punt 30, en 14 juli 2005, Lagardère Active Broadcast, C‑192/04, Jurispr. blz. I‑7199, punt 31).

38     In een context als die in het hoofdgeding is een globale benadering noodzakelijk, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met klanten die in de kamers van de hotelinrichting logeren, de enigen die in de prejudiciële vragen uitdrukkelijk worden genoemd, maar ook met klanten die in elke andere ruimte van deze inrichting aanwezig zijn en naar een aldaar geplaatst televisietoestel kunnen kijken. Verder moet ook in aanmerking worden genomen dat de klanten van een dergelijke zaak elkaar gewoonlijk snel opvolgen. Het gaat in de regel om een vrij groot aantal personen, zodat deze personen als een publiek moeten worden aangemerkt, gelet op de belangrijkste doelstelling van richtlijn 2001/29 zoals die in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.

39     Bovendien kan de beschikbaarstelling van werken aan dergelijke potentiële televisiekijkers, gelet op de cumulatieve gevolgen ervan, in die context een aanzienlijke omvang nemen. Bijgevolg is het van weinig belang dat deze alleen wordt verricht ten behoeve van de kamergasten, die, afzonderlijk beschouwd, slechts een beperkte economische betekenis voor de hotelinrichting zelf hebben.

40     Tevens moet erop worden gewezen dat een mededeling die in omstandigheden als die in het hoofdgeding wordt verricht, volgens artikel 11bis, eerste alinea, sub ii, van de Berner Conventie moet worden gezien als een mededeling die door een andere organisatie van wederdoorgifte dan de oorspronkelijke organisatie wordt gedaan. Een dergelijke doorgifte geschiedt dus ten behoeve van een ander publiek dan het door de oorspronkelijke mededeling van het werk beoogde publiek, dat wil zeggen een nieuw publiek.

41     Zoals is uiteengezet in de gids van de Berner Conventie, een interpretatief document dat door de WIPO is opgesteld en dat, hoewel het geen bindende rechtskracht heeft, niettemin aan de uitlegging van deze conventie bijdraagt, heeft de auteur, wanneer hij in de radio-uitzending van zijn werk toestemt, slechts het oog op de directe consumenten, dat wil zeggen de bezitters van ontvangsttoestellen die, individueel of in hun privé‑ of gezinssfeer, de uitzendingen ontvangen. Zodra die ontvangst ten behoeve van een veel groter gehoor geschiedt, en soms om er voordeel uit te halen, kan een nieuw gedeelte van het publiek het werk horen of zien en is de mededeling van de uitzending door luidsprekers of andere dergelijke instrumenten volgens deze gids niet meer de eenvoudige ontvangst van de uitzending zelf, maar een zelfstandige handeling waarmee het uitgezonden werk aan een nieuw publiek wordt medegedeeld. Zoals de betrokken gids preciseert, geldt voor deze openbare ontvangst weer het uitsluitende recht van de auteur om toestemming te verlenen.

42     Hotelgasten vormen een dergelijk nieuw publiek. Het voor deze gasten ten gehore brengen van een uitgezonden werk door middel van televisietoestellen is immers niet een eenvoudig technisch middel om de ontvangst van de oorspronkelijke uitzending in het ontvangstgebied ervan mogelijk te maken of te verbeteren. Integendeel is het hotel het orgaan dat, met volledige kennis van de gevolgen van zijn gedrag, tussenkomt om aan zijn gasten toegang tot het beschermde werk te verlenen. Zonder deze tussenkomst zouden de hotelgasten, hoewel zij zich fysiek in deze zone bevinden, in beginsel immers niet van het uitgezonden werk kunnen genieten.

43     Verder volgt uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, alsook uit artikel 8 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, dat er reeds van mededeling aan het publiek sprake is, wanneer het werk op zodanige wijze voor het publiek beschikbaar wordt gesteld dat het voor de leden van dit publiek toegankelijk is. Derhalve is, anders dan de vennootschap Rafael en Ierland betogen, niet van beslissend belang dat de gasten die het televisietoestel niet hebben aangezet, niet daadwerkelijk toegang tot de werken hebben gehad.

44     Daarnaast blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de tussenkomst van het hotel dat aan zijn gasten toegang tot het uitgezonden werk heeft verschaft, moet worden beschouwd als een extra dienstverrichting die wordt verricht om er een bepaald profijt uit te trekken. Het aanbod van deze dienst heeft immers onbetwistbaar een invloed op de standing van het hotel en dus op de prijs van de kamers. Ook al is een winstoogmerk, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt, geen noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van een mededeling aan het publiek, vaststaat in elk geval dat de mededeling in omstandigheden als die in het hoofdgeding een winstoogmerk dient.

45     Met betrekking tot de vraag of de installatie van televisietoestellen in hotelkamers op zich een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt, dient te worden benadrukt dat in de zevenentwintigste overweging van de considerans van deze richtlijn overeenkomstig artikel 8 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht wordt verklaard dat „[d]e beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten op zich geen mededeling in de zin van deze richtlijn [is]”.

46     Ook al vormt de loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties, waarbij naast het hotel gewoonlijk ondernemingen zijn betrokken die in de verkoop of de verhuur van televisietoestellen zijn gespecialiseerd, als zodanig geen mededeling in de zin van richtlijn 2001/29, toch kan deze installatie de toegang van het publiek tot de uitgezonden werken technisch mogelijk maken. Indien het hotel door middel van de aldus beschikbaar gestelde televisietoestellen het signaal doorgeeft aan de gasten die in zijn kamers verblijven, gaat het derhalve om een mededeling aan het publiek, zonder dat behoeft te worden nagegaan, welke techniek van doorgifte van het signaal is gebruikt.

47     Bijgevolg moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat, ook al vormt de loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties als zodanig geen mededeling in de zin van richtlijn 2001/29, het doorgeven van een signaal door middel van televisietoestellen door een hotel aan de gasten die in zijn kamers verblijven, ongeacht de gebruikte techniek van doorgifte van het signaal, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn vormt.

 De tweede vraag

48     Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het privékarakter van hotelkamers eraan in de weg staat dat de mededeling van een werk door middel van televisietoestellen in deze plaatsen een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt.

49     In dit verband voert Ierland aan dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang handelingen van mededeling en beschikbaarstelling van werken in de privésfeer van de kamers van een hotel dan wel in de openbare ruimten van een dergelijke zaak worden verricht. Deze stelling kan evenwel niet worden aanvaard.

50     Zowel uit de bewoordingen als uit de opzet van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 en artikel 8 van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, die allebei de toestemming van de auteur eisen, niet voor doorgifte in een openbare ruimte of een ruimte die toegankelijk is voor het publiek, maar voor de handelingen van mededeling waarmee aan het publiek toegang tot het werk wordt verschaft, volgt immers dat het criterium inzake het privé‑ of openbare karakter van de ruimte waar de mededeling plaatsvindt, van geen belang is.

51     Voorts omvat volgens deze bepalingen van richtlijn 2001/29 en van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht het recht van mededeling aan het publiek het aan het publiek beschikbaar stellen van de werken zodat deze werken voor eenieder op een door hem individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn. Dit recht van beschikbaarstelling aan het publiek, en dus van mededeling aan het publiek, zou evenwel overduidelijk worden uitgehold, indien het niet eveneens betrekking zou hebben op mededelingen die in privéruimten worden verricht.

52     Ter ondersteuning van zijn stelling inzake het privékarakter van hotelkamers beroept Ierland zich ook op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, inzonderheid op artikel 8 ervan, volgens welk elke arbitraire en onevenredige inmenging van het openbaar gezag in de privésfeer verboden is. Dit argument kan echter evenmin worden aanvaard.

53     Dienaangaande moet worden opgemerkt dat Ierland niet preciseert wie − in een context als die van het hoofdgeding − het slachtoffer van een dergelijke arbitraire en onevenredige inmenging zou zijn. Het valt moeilijk aan te nemen dat Ierland doelt op de gasten die het voordeel van het door hen ontvangen signaal genieten en geen enkele verplichting tot beloning van de auteurs hebben. Het kan overduidelijk evenmin om het hotel gaan, aangezien, zelfs indien moet worden geconcludeerd dat dit hotel gehouden is om deze beloning te betalen, het hotel niet op goede gronden kan stellen, slachtoffer te zijn van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aangezien de kamers, zodra ze ter beschikking van de gasten zijn gesteld, niet kunnen worden geacht tot de privésfeer van het hotel te behoren.

54     Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het privékarakter van hotelkamers niet eraan in de weg staat dat een aldaar verrichte mededeling van een werk door middel van televisietoestellen, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt.

 Kosten

55     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Ook al vormt de loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties als zodanig geen mededeling in de zin van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, het doorgeven van een signaal door middel van televisietoestellen door een hotel aan de gasten die in zijn kamers verblijven, vormt, ongeacht de gebruikte techniek van doorgifte van het signaal, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn.

2)      Het privékarakter van hotelkamers staat niet eraan in de weg dat een aldaar verrichte mededeling van een werk door middel van televisietoestellen, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt.

ondertekeningen


* Procestaal: Spaans.

Top