Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62005CJ0305

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 juni 2007.
Ordre des barreaux francophones et germanophone en anderen tegen Conseil des ministres.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour d'arbitrage, nu Cour constitutionnelle - België.
Richtlijn 91/308/EEG - Voorkoming van gebruik van financieel stelsel voor witwassen van geld - Verplichting van advocaten om bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van elk feit dat zou kunnen wijzen op het witwassen van geld - Recht op eerlijk proces - Beroepsgeheim en onafhankelijkheid van advocaten.
Zaak C-305/05.

European Court Reports 2007 I-05305

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2007:383

Zaak C‑305/05

Orde van Franstalige en Duitstalige balies e.a.

tegen

Ministerraad

[verzoek van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 91/308/EEG – Voorkoming van gebruik van financieel stelsel voor witwassen van geld – Verplichting voor advocaten om bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van elk feit dat zou kunnen wijzen op witwassen van geld – Recht op eerlijk proces – Beroepsgeheim en onafhankelijkheid van advocaten”

Samenvatting van het arrest

1.        Gemeenschapsrecht – Uitlegging – Methoden

2.        Harmonisatie van wetgevingen – Voorkoming van gebruik van financieel stelsel voor witwassen van geld – Richtlijn 91/308

(Art. 6, lid 2, EU; richtlijn 91/308 van de Raad, art. 2 bis, punt 5, en 6, leden 1 en 3, tweede alinea)

1.        Wanneer een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, verdient de uitlegging die de bepaling in overeenstemming brengt met het Verdrag, de voorkeur boven de uitlegging waarbij zij in strijd is met het Verdrag. De lidstaten dienen immers niet alleen hun nationale recht conform het gemeenschapsrecht uit te leggen, maar dienen er ook op toe te zien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht die in conflict zou komen met de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten of andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht.

(cf. punt 28)

2.        De in artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/308 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/97, neergelegde verplichtingen om de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten te informeren en met hen samen te werken, welke verplichtingen krachtens artikel 2 bis, punt 5, van deze richtlijn van toepassing zijn verklaard op advocaten, maken, gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 3, tweede alinea, daarvan, geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 6, lid 2, EU.

Uit artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308 blijkt dat de informatie‑ en samenwerkingsplicht slechts geldt voor advocaten wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van bepaalde transacties van voornamelijk financiële aard of op het gebied van onroerend goed, zoals bedoeld sub a van deze bepaling, of wanneer zij in naam en voor rekening van hun cliënt optreden in het kader van financiële of onroerendgoedtransacties. Deze activiteiten vinden naar hun aard in het algemeen plaats in omstandigheden die geen verband houden met een rechtsgeding, en vallen dus buiten de werkingssfeer van het recht op een eerlijk proces.

Bovendien geldt dat, zodra de advocaat die in het kader van een transactie bedoeld in artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308 is opgetreden, om bijstand wordt verzocht in verband met de verdediging of vertegenwoordiging in rechte of de verlening van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, hij krachtens artikel 6, lid 3, tweede alinea, van deze richtlijn is vrijgesteld van de in lid 1 van dit artikel genoemde verplichtingen, ongeacht of de informatie vóór, gedurende of na het rechtsgeding is ontvangen of verkregen. Deze vrijstelling waarborgt het recht van de cliënt op een eerlijk proces.

Aangezien de vereisten die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces, per definitie impliceren dat er een band is met een rechtsgeding, en gelet op het feit dat artikel 6, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 91/308 de advocaten vrijstelt van de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bedoelde informatie‑ en samenwerkingsplicht wanneer hun activiteiten worden gekenmerkt door een dergelijke band, worden voornoemde vereisten in acht genomen.

(cf. punten 33‑35, 37 en dictum)







ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

26 juni 2007 (*)

„Richtlijn 91/308/EEG – Voorkoming van gebruik van financieel stelsel voor witwassen van geld – Verplichting van advocaten om bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van elk feit dat zou kunnen wijzen op het witwassen van geld – Recht op eerlijk proces – Beroepsgeheim en onafhankelijkheid van advocaten”

In zaak C‑305/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Arbitragehof (België) bij beslissing van 13 juli 2005, ingekomen bij het Hof op 29 juli 2005, in de procedure

Orde van Franstalige en Duitstalige balies,

Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel,

Orde van Vlaamse balies,

Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

Ministerraad,

in tegenwoordigheid van:

Raad van de Balies van de Europese Unie,

Orde van advocaten bij de balie te Luik,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts, E. Juhász (rapporteur) en J. Klučka, kamerpresidenten, J. N. Cunha Rodrigues, R. Silva de Lapuerta, K. Schiemann, A. Borg Barthet, M. Ilešič en J. Malenovský, rechters,

advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,

griffier: M.‑A. Gaudissart, afdelingshoofd,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2006,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Orde van Franstalige en Duitstalige balies en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, vertegenwoordigd door F. Tulkens en V. Ost, advocaten,

–        de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, vertegenwoordigd door M. Storme, advocaat,

–        de Raad van de Balies van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Mahieu, advocaat,

–        de Orde van advocaten bij de balie te Luik, vertegenwoordigd door E. Lemmens, advocaat,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Wimmer als gemachtigde, bijgestaan door L. Swartenbroux, advocaat,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door Y. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

–        de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door E. Rossidou‑Papakyriakou en F. Komodromos als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–        de Slovaakse regering, vertegenwoordigd door R. Procházka als gemachtigde,

–        het Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Caiola en C. Castillo del Carpio, vervolgens door A. Caiola en M. Dean als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Sims en M.‑M. Josephides als gemachtigden,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Bogensberger en R. Troosters als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2006,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de geldigheid van artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (PB L 166, blz. 77), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 (PB L 344, blz. 76; hierna: „richtlijn 91/308”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van beroepen die bij de verwijzende rechter zijn ingesteld door respectievelijk de Orde van Franstalige en Duitstalige balies, de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel. Deze beroepen strekken tot vernietiging van een aantal artikelen van de wet van 12 januari 2004 tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs (Belgisch Staatsblad van 23 januari 2004, blz. 4352; hierna: „wet van 12 januari 2004”), waarbij richtlijn 2001/97 in de nationale rechtsorde is omgezet.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3        Artikel 6, „Recht op een eerlijk proces”, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), bepaalt:

„1      Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. [...]

2      Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

3      Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

a.      onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b.      te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

c.      zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

d.      de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

e.      zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal, die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.”

 Gemeenschapsregeling

4        De derde overweging van de considerans van richtlijn 91/308 luidt:

„Overwegende dat het witwassen van de opbrengsten van criminele activiteiten op de groei van de georganiseerde misdaad in het algemeen en van de handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen in het bijzonder onmiskenbaar van invloed is; dat het besef toeneemt dat bestrijding van het witwassen van geld één van de meest doeltreffende middelen is om deze categorie van criminele activiteiten, welke voor de samenleving in de lidstaten een bijzondere bedreiging vormt, tegen te gaan.”

5        De eerste, de veertiende tot en met de zeventiende alsmede de twintigste overweging van de considerans van richtlijn 2001/97 luiden als volgt:

„(1)      Het verdient aanbeveling dat richtlijn 91/308 [...], die één van de voornaamste internationale instrumenten voor de bestrijding van het witwassen van geld vormt, wordt geactualiseerd overeenkomstig de conclusies van de Commissie en de wensen van het Europees Parlement en de lidstaten. [...] Richtlijn [91/308] dient aldus niet alleen de beste internationale praktijken op dit terrein te weerspiegelen, maar dient ook hoge normen op te blijven leggen tot bescherming van de financiële sector en andere kwetsbare activiteiten tegen de schadelijke invloed van de opbrengsten van misdrijven.

[...]

(14)      Witwassers gaan steeds meer van niet-financiële ondernemingen gebruik maken. Deze ontwikkeling wordt door het FATF-onderzoek [internationale financiële actiegroep] naar witwastechnieken en ‑typologieën bevestigd.

(15)      De in [...] richtlijn [91/308] vervatte verplichtingen betreffende de identificatie van cliënten, de bewaring van bewijsstukken en de melding van verdachte transacties moeten worden uitgebreid tot een beperkt aantal activiteiten en beroepen die voor het witwassen van geld kwetsbaar zijn gebleken.

(16) De werkingssfeer van de bepalingen van de richtlijn moet worden uitgebreid tot notarissen en onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, als gedefinieerd door de lidstaten, wanneer zij deelnemen aan financiële of ondernemingsgerichte transacties, met inbegrip van het verstrekken van belastingadvies, waarbij er groot gevaar bestaat dat de diensten van deze beroepsbeoefenaars worden misbruikt om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen.

(17) Wanneer echter onafhankelijke leden van wettelijk erkende en gecontroleerde beroepsgroepen die juridisch advies verstrekken, zoals advocaten, de rechtspositie van een cliënt bepalen of een cliënt in rechte vertegenwoordigen, is het niet aangewezen om deze beroepsbeoefenaren voor deze activiteiten krachtens [...] richtlijn [91/308] een verplichting op te leggen vermoedens van witwassen te melden. Er moeten vrijstellingen zijn van elke verplichting om informatie te melden die is verkregen vóór, tijdens of na een gerechtelijke procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Bijgevolg blijft juridisch advies onderworpen aan de beroepsgeheimhoudingsplicht, tenzij de juridisch adviseur deelneemt aan witwasactiviteiten, het juridisch advies voor witwasdoeleinden wordt verstrekt, of de advocaat weet of redenen heeft om aan te nemen dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden.

[...]

(20)      In het geval van notarissen en onafhankelijke juridische beroepsbeoefenaars moet het de lidstaten, met het oog op de eerbiediging van de geheimhoudingsplicht van deze beroepsbeoefenaars jegens hun cliënten, worden toegestaan de balie of andere zelfregulerende instanties voor onafhankelijke beroepsbeoefenaars aan te wijzen als de instantie waaraan deze mogelijke gevallen van witwassen kunnen melden. De regels betreffende de behandeling van die meldingen en de eventuele latere doormelding daarvan aan de ‘voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten’ en in het algemeen de passende vormen van samenwerking tussen de balies of beroepsorganisaties en deze autoriteiten worden door de lidstaten vastgesteld.”

6        Volgens artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308 zijn de volgende personen aan de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen onderworpen:

„5)      notarissen en andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen wanneer zij deelnemen:

a)      hetzij door het bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met:

i)      de aan‑ en verkoop van onroerend goed of bedrijven;

ii)      het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;

iii)      de opening of het beheer van bank‑, spaar‑ of effectenrekeningen;

iv)      het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;

v)      de oprichting, exploitatie of beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;

b)      hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie.”

7        Artikel 6 van richtlijn 91/308 bepaalt:

„1.      De lidstaten zien erop toe dat de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen alsmede de leiding en de werknemers daarvan ten volle samenwerken met de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten:

a)      door die autoriteiten uit eigen beweging ieder feit te melden dat zou kunnen wijzen op witwassen van geld;

b)      door die autoriteiten op hun verzoek alle vereiste inlichtingen te verstrekken overeenkomstig de volgens het geldende recht vastgestelde procedures.

2.      De in lid 1 bedoelde inlichtingen worden verstrekt aan de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld in de lidstaat op het grondgebied waarvan de instelling of persoon die de inlichtingen heeft verstrekt, zich bevindt. De inlichtingen worden normaliter verstrekt door de persoon of personen die overeenkomstig de procedures van artikel 11, lid 1, sub a, is of zijn aangewezen door de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen.

3.      In het geval van de in artikel 2 bis, punt 5, bedoelde notarissen en onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen kunnen de lidstaten een passende zelfregulerende instantie van het desbetreffende beroep aanwijzen als de autoriteit die op de hoogte moet worden gesteld van de in lid 1, sub a, van dit artikel bedoelde feiten en stellen zij de passende vormen van samenwerking tussen deze instantie en de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten vast.

De lidstaten zijn er niet toe gehouden de in lid 1 vervatte verplichtingen toe te passen op notarissen, onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs met betrekking tot de inlichtingen die zij van een van hun cliënten ontvangen of over een van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen dan wel in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.”

 Nationale regeling

8        Bij artikel 4 van de wet van 12 januari 2004 is in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (Belgisch Staatsblad van 9 februari 1993, blz. 2828; hierna: „wet van 11 januari 1993”), artikel 2 ter ingevoegd, dat is geformuleerd als volgt:

„Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de advocaten:

1° wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen in verband met:

a) de aan‑ of verkoop van onroerend goed of bedrijven;

b) het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;

c) de opening of het beheer van bank‑, spaar‑ of effectenrekeningen;

d) het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen;

e) de oprichting, uitbating of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;

2° of wanneer zij optreden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed.”

9        Bij artikel 25 van de wet van 12 januari 2004 is aan artikel 14 bis van de wet van 11 januari 1993 een derde paragraaf toegevoegd, die luidt als volgt:

„De in artikel 2ter bedoelde personen die, bij de uitoefening van de in dat artikel opgesomde activiteiten, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.

De in artikel 2ter bedoelde personen delen die informatie echter niet mee in het geval zij deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.

De stafhouder controleert of de voorwaarden waarvan sprake in artikel 2ter en in het vorige lid zijn nageleefd. Indien deze voorwaarden zijn nageleefd, bezorgt hij de informatie onmiddellijk aan de Cel voor financiële informatieverwerking.”

10      Bij artikel 27 van de wet van 12 januari 2004 is artikel 15, § 1, van de wet van 11 januari 1993 vervangen door de volgende tekst:

„§ 1. Wanneer de Cel voor financiële informatieverwerking informatie ontvangt als bedoeld in artikel 11, § 2, mag de Cel of één van haar leden of één van haar personeelsleden, die daartoe is aangewezen door de magistraat die de Cel leidt of door zijn plaatsvervanger, eisen dat binnen de door hen bepaalde termijn alle bijkomende informatie wordt meegedeeld die zij nuttig achten voor de vervulling van de opdracht van de Cel:

1° door alle instellingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis en 2ter alsook door de stafhouder bedoeld in artikel 14bis, § 3;

[...]

De in artikel 2ter bedoelde personen en de in artikel 14bis, § 3 bedoelde stafhouder delen die informatie niet mee als de in artikel 2ter bedoelde personen deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.”

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

11      Bij twee verzoekschriften van 22 juli 2004 van de Orde van Franstalige en Duitstalige balies en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, respectievelijk de Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel is de verwijzende rechter verzocht de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 te vernietigen. De Raad van de Balies van de Europese Unie en de Orde van advocaten bij de balie te Luik hebben in het hoofdgeding geïntervenieerd.

12      Voor de verwijzende rechter stellen de verzoekende ordes met name, dat de artikelen 4, 25 en 27 van de wet van 12 januari 2004 ongerechtvaardigd inbreuk maken op de beginselen van het beroepsgeheim en de onafhankelijkheid van de advocaat – welke beginselen deel uitmaken van het fundamentele recht van elke justitiabele op een eerlijk proces en op eerbiediging van zijn rechten van de verdediging – doordat zij de verplichting om de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van feiten waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld, en de verplichting om deze autoriteiten alle bijkomende informatie te verstrekken die zij nuttig achten, uitbreiden tot advocaten. Aldus schenden deze artikelen de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het EVRM, de algemene rechtsbeginselen inzake de rechten van de verdediging, artikel 6, lid 2, EU en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zoals afgekondigd op 7 december 2000 te Nice (PB C 364, blz. 1; hierna: „Handvest”).

13      De verzoekende ordes en de Raad van de Balies van de Europese Unie stellen voorts, dat het feit dat de Belgische wetgever de bepalingen van richtlijn 91/308 aldus heeft omgezet dat voor advocaten slechts in een beperkte informatie‑ en samenwerkingsplicht is voorzien, aan deze conclusie niet afdoet. De Orde van Franstalige en Duitstalige balies en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel menen in dit verband, dat het in deze bepalingen gehanteerde onderscheid naargelang van de wezenlijke dan wel bijkomende aard van de activiteiten van de advocaat juridisch onhoudbaar is en tot grote rechtsonzekerheid leidt. De Orde van Vlaamse balies en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel onderstrepen, dat de verplichtingen om de cliënt aan te geven en te beschuldigen een veel grotere impact hebben dan louter schending van het beroepsgeheim: zij leiden tot een absolute breuk in de vertrouwensrelatie tussen de cliënt en zijn advocaat.

14      De Raad van de Balies van de Europese Unie betoogt op zijn beurt, dat de wet van 11 januari 1993, zoals gewijzigd, niet alle traditionele activiteiten van de advocaat ongemoeid laat. De bijzondere kenmerken van het beroep van advocaat, zoals onder meer de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim, dragen ertoe bij dat het publiek vertrouwen stelt in deze beroepsgroep, welk vertrouwen zich niet beperkt tot bepaalde specifieke taken van de advocaat.

15      De verwijzende rechter merkt op dat de beroepen tot vernietiging zijn ingesteld tegen de wet van 12 januari 2004, die ertoe strekt de bepalingen van richtlijn 2001/97 in de Belgische rechtsorde om te zetten. Aangezien de gemeenschapswetgever, evenals de Belgische wetgever, de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces dient te eerbiedigen, acht deze rechter het noodzakelijk om, alvorens een uitspraak te doen over de verenigbaarheid van deze wet met de Belgische Grondwet, eerst de vraag naar de geldigheid van richtlijn 91/308, waarop deze wet is gebaseerd, te beantwoorden.

16      In deze omstandigheden heeft het Arbitragehof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

„Schendt artikel 1, [punt] 2, van [...] richtlijn 2001/97 [...] het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het [EVRM], en bijgevolg artikel 6, lid 2, [EU], in zoverre het nieuwe artikel 2 bis, [punt] 5, dat daarbij is ingelast in richtlijn 91/308/EEG, voorziet in de opname van onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, zonder het beroep van advocaat uit te sluiten, in de werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die in wezen tot doel heeft dat aan de daarin bedoelde personen en instellingen de verplichting wordt opgelegd om de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld, op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op witwaspraktijken (artikel 6 van richtlijn 91/308/EEG, zoals vervangen bij artikel 1, [punt] 5, van richtlijn 2001/97/EG)?”

 De prejudiciële vraag

17      Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat de verzoekende en geïntervenieerde ordes in het aan het onderhavige verzoek ten grondslag liggende hoofdgeding de geldigheid van de nationale wettelijke regeling tot omzetting van richtlijn 91/308 weliswaar hebben bestreden met een beroep op verschillende normen van hogere rang, doch dat de verwijzende rechter het enkel noodzakelijk heeft geacht het Hof een vraag te stellen over de geldigheid vanuit het oogpunt van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6 EVRM, en artikel 6, lid 2, EU.

18      Volgens vaste rechtspraak berust de procedure van artikel 234 EG op een duidelijke scheiding van taken tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, zodat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie arresten van 4 december 2003, EVN en Wienstrom, C‑448/01, Jurispr. blz. I‑14527, punt 74, en 12 april 2005, Keller, C‑145/03, Jurispr. blz. I‑2529, punt 33).

19      Dit betekent dat de geldigheid van richtlijn 91/308 niet hoeft te worden getoetst aan fundamentele rechten die de verwijzende rechter niet heeft genoemd, zoals onder meer het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven.

20      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/308 bepaalt dat de onder deze richtlijn vallende personen ten volle moeten samenwerken met de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten, door die autoriteiten uit eigen beweging ieder feit te melden dat zou kunnen wijzen op witwassen van geld en door die autoriteiten op hun verzoek alle vereiste inlichtingen te verstrekken overeenkomstig de volgens het geldende recht vastgestelde procedures.

21      Ten aanzien van advocaten beperkt richtlijn 91/308 deze informatie‑ en samenwerkingsplicht op tweeërlei wijze.

22      Enerzijds zijn advocaten op grond van artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308 slechts aan de in deze richtlijn bedoelde verplichtingen en inzonderheid aan de in 6, lid 1, van deze richtlijn genoemde informatie‑ en samenwerkingsplicht onderworpen, voor zover zij aan bepaalde, in artikel 2 bis, punt 5, limitatief opgesomde transacties deelnemen op een wijze als in deze bepaling omschreven.

23      Anderzijds volgt uit artikel 6, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 91/308 dat de lidstaten niet zijn gehouden de informatie‑ en samenwerkingsplicht toe te passen op de advocaten met betrekking tot de inlichtingen die zij van een van hun cliënten ontvangen of over een van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen dan wel in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.

24      Het belang van deze vrijstelling wordt onderstreept in de zeventiende overweging van de considerans van richtlijn 2001/97, volgens welke het niet aangewezen is dat richtlijn 91/308 een verplichting om vermoedens van witwassen te melden oplegt aan onafhankelijke leden van wettelijk erkende en gecontroleerde beroepsgroepen die juridisch advies verstrekken, zoals advocaten, wanneer zij de rechtspositie van een cliënt bepalen of een cliënt in rechte vertegenwoordigen. Voorts moeten er volgens deze overweging vrijstellingen zijn van elke verplichting om informatie te melden die is verkregen vóór, tijdens of na een gerechtelijke procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Tot slot wordt daarin onderstreept dat uit een dergelijke vrijstelling voortvloeit, dat juridisch advies onderworpen blijft aan de beroepsgeheimhoudingsplicht, tenzij de advocaat zelf deelneemt aan witwasactiviteiten, het juridisch advies voor witwasdoeleinden wordt verstrekt, of de advocaat weet of redenen heeft om aan te nemen dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden.

25      In casu blijkt uit de artikelen 25 en 27 van de wet van 12 januari 2004, dat de Belgische wetgever in deze wet vrijstellingen voor advocaten heeft opgenomen met betrekking tot inlichtingen die zijn ontvangen of verkregen in de omstandigheden bedoeld in artikel 6, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 91/308.

26      Derhalve moet worden onderzocht of de verplichting voor een advocaat die in het kader van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten optreedt, om samen te werken met de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/308 en om die autoriteiten uit eigen beweging ieder feit te melden dat zou kunnen wijzen op het witwassen van geld, gelet op de beperkingen die in de artikelen 2 bis, punt 5, en 6, lid 3, van deze richtlijn aan deze verplichting worden gesteld, schending oplevert van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, en van artikel 6, lid 2, EU.

27      Artikel 6, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 91/308 leent zich voor verschillende uitleggingen, zodat de precieze omvang van de op advocaten rustende informatie‑ en samenwerkingsplicht niet eenduidig kan worden vastgesteld.

28      In dit verband is het vaste rechtspraak dat wanneer een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, de uitlegging die de bepaling in overeenstemming brengt met het Verdrag, de voorkeur verdient boven de uitlegging waarbij zij in strijd is met het Verdrag (zie arresten van 13 december 1983, Commissie/Raad, 218/82, Jurispr. blz. 4063, punt 15, en 29 juni 1995, Spanje/Commissie, C‑135/93, Jurispr. blz. I‑1651, punt 37). De lidstaten dienen niet alleen hun nationale recht conform het gemeenschapsrecht uit te leggen, maar dienen er ook op toe te zien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht die in conflict zou komen met de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten of de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht (arrest van 6 november 2003, Lindqvist, C‑101/01, Jurispr. blz. I‑12971, punt 87).

29      Voorts heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de grondrechten een integrerend deel vormen van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Het Hof laat zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (zie, in die zin, arresten van 12 november 1969, Stauder, 29/69, Jurispr. blz. 419, punt 7; 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 37, en 14 december 2006, ASML, C‑283/05, Jurispr. blz. I‑12041, punt 26). Zo vormt het recht op een eerlijk proces zoals dit onder meer voortvloeit uit artikel 6 EVRM, een grondrecht dat de Europese Unie krachtens artikel 6, lid 2, EU eerbiedigt als algemeen beginsel.

30      Artikel 6 EVRM verleent eenieder in geschillen met betrekking tot burgerlijke rechten en verplichtingen of in een strafrechtelijke procedure het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

31      Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens omvat het begrip „eerlijk proces” in artikel 6 EVRM verschillende elementen, waartoe onder meer de rechten van de verdediging, het beginsel van de gelijkheid van wapenen, het recht op toegang tot de rechter en het recht op een advocaat in zowel burgerlijke als strafrechtelijke zaken behoren (zie EHRM, arresten Golder v. Verenigd Koninkrijk van 21 februari 1975, serie A nr. 18, § 26 tot en met 40; Campbell en Fell v. Verenigd Koninkrijk van 28 juni 1984, serie A nr. 80, § 99, 107, 111 tot en met 113, en Borgers v. België van 30 oktober 1991, serie A nr. 214-B, § 24).

32      De advocaat zou niet in staat zijn om zijn taken van advisering, verdediging en vertegenwoordiging van zijn cliënt naar behoren te verrichten – en deze cliënt zou derhalve niet de hem bij artikel 6 EVRM verleende rechten genieten – indien hij in het kader van een rechtsgeding of de voorbereiding daarvan verplicht was met de overheidsinstanties samen te werken door hun informatie te verstrekken die hij heeft verkregen tijdens de juridische advisering in verband met dat geding.

33      Wat richtlijn 91/308 betreft, volgt uit artikel 2 bis, punt 5, daarvan, zoals reeds in punt 22 van dit arrest is overwogen, dat de informatie‑ en samenwerkingsplicht slechts geldt voor advocaten wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van bepaalde transacties van voornamelijk financiële aard of op het gebied van onroerend goed, zoals bedoeld sub a van deze bepaling, of wanneer zij in naam en voor rekening van hun cliënt optreden in het kader van financiële of onroerendgoedtransacties. Deze activiteiten vinden naar hun aard in het algemeen plaats in omstandigheden die geen verband houden met een rechtsgeding, en vallen dus buiten de werkingssfeer van het recht op een eerlijk proces.

34      Bovendien geldt dat, zodra de advocaat die in het kader van een transactie bedoeld in artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308 is opgetreden, om bijstand wordt verzocht in verband met de verdediging of vertegenwoordiging in rechte of de verlening van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, hij krachtens artikel 6, lid 3, tweede alinea, van deze richtlijn is vrijgesteld van de in lid 1 van dit artikel genoemde verplichtingen, ongeacht of de informatie vóór, gedurende of na het rechtsgeding is ontvangen of verkregen. Deze vrijstelling waarborgt het recht van de cliënt op een eerlijk proces.

35      Aangezien de vereisten die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces, per definitie impliceren dat er een band is met een rechtsgeding, en gelet op het feit dat artikel 6, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 91/308 de advocaten vrijstelt van de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bedoelde informatie‑ en samenwerkingsplicht wanneer hun activiteiten worden gekenmerkt door een dergelijke band, worden voornoemde vereisten in acht genomen.

36      Daarentegen verzetten de vereisten uit hoofde van het recht op een eerlijk proces zich er niet tegen dat, wanneer een advocaat binnen het welomschreven kader van de activiteiten van artikel 2 bis, punt 5, van richtlijn 91/308 optreedt doch in omstandigheden die niet onder artikel 6, lid 3, tweede alinea, van deze richtlijn vallen, hij wordt onderworpen aan de bij artikel 6, lid 1, van deze richtlijn ingevoerde informatie‑ en samenwerkingsplicht, aangezien dergelijke plichten – zoals onder meer in de derde overweging van de considerans van richtlijn 91/308 wordt onderstreept – gerechtvaardigd zijn in het licht van de noodzaak van een doeltreffende bestrijding van het witwassen van geld, dat onmiskenbaar van invloed is op de groei van de georganiseerde misdaad, die zelf een bijzondere bedreiging vormt voor de samenleving in de lidstaten.

37      Gelet op het voorgaande moet worden geconstateerd dat de verplichtingen om de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten te informeren en met hen samen te werken, die zijn bepaald in artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/308 en van toepassing verklaard op advocaten in artikel 2 bis, punt 5, van deze richtlijn, gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 3, tweede alinea, daarvan, geen inbreuk maken op het recht op een eerlijk proces zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 2, EU.

 Kosten

38      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

De verplichtingen om de voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijke autoriteiten te informeren en met hen samen te werken, die zijn bepaald in artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001, en van toepassing verklaard op advocaten in artikel 2 bis, punt 5, van deze richtlijn, maken, gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 3, tweede alinea, daarvan, geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces zoals dit wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 2, EU.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.

Top