EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62005CC0004

Conclusie van advocaat-generaal Geelhoed van 23 maart 2006.
Hasan Güzeli tegen Oberbürgermeister der Stadt Aachen.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgericht Aachen - Duitsland.
Prejudiciële verwijzing - Associatie EEG-Turkije - Vrij verkeer van werknemers - Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Weigering verblijfsvergunning van Turkse werknemer te verlengen.
Zaak C-4/05.

European Court Reports 2006 I-10279

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2006:202


CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. A. Geelhoed

van 23 maart 2006 (1)

Zaak C-4/05

Hasan Güzeli

tegen

Oberbürgermeister der Stadt Aachen

[Verzoek van het Verwaltungsgericht Aachen (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Uitlegging van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad EEG‑Turkije – Niet-discriminatie inzake arbeidsvoorwaarden van tot legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemers – Weigering van verlenging van verblijfsvergunning waarmee einde wordt gemaakt aan tewerkstelling van Turkse seizoenarbeider die in bezit is van werkvergunning voor onbepaalde duur”





I –    Inleiding

1.     In deze zaak heeft het Verwaltungsgericht Aachen drie vragen gesteld over de uitlegging van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG‑Turkije(2) (hierna: „besluit nr. 1/80”). Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer die in het bezit is van een werkvergunning voor onbepaalde tijd, recht heeft op verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van artikel 10 van besluit nr. 1/80.

II – Rechtskader

A –    De Associatieovereenkomst EEG‑Turkije

2.     De Associatieovereenkomst heeft, overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan, tot doel de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met inbegrip van de betrekkingen inzake arbeidskrachten, door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen (artikel 12) en door de beperkingen van de vrijheid van vestiging (artikel 13) en van het vrij verrichten van diensten (artikel 14) op te heffen, teneinde de levensstandaard van het Turkse volk te verbeteren en in een later stadium de toetreding van de Republiek Turkije tot de Gemeenschap te vergemakkelijken (vierde overweging van de considerans en artikel 28).

3.     Met het oog hierop voorziet de Associatieovereenkomst in een voorbereidende fase, zodat de Republiek Turkije haar economie met steun van de Gemeenschap kan versterken (artikel 3), een overgangsfase, tijdens welke ervoor wordt gezorgd dat geleidelijk een douane‑unie wordt tot stand gebracht en het economische beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap nader tot elkaar worden gebracht (artikel 4), en een definitieve fase die op de douane‑unie is gegrondvest en de versterking inhoudt van de coördinatie van het economische beleid van de overeenkomstsluitende partijen (artikel 5).

4.     Artikel 6 van de Associatieovereenkomst luidt:

„Teneinde de toepassing en de geleidelijke ontwikkeling van de associatieregeling te verzekeren, verenigen de overeenkomstsluitende partijen zich in een Associatieraad, die handelt binnen de grenzen van de hem door de overeenkomst verleende bevoegdheden.”

Zo is de Associatieraad bevoegd tot het nemen van besluiten voor de verwezenlijking van de in de overeenkomst vermelde doelstellingen en de in de overeenkomst bedoelde gevallen (artikel 22, lid 1, van de Associatieovereenkomst). Ieder der beide partijen is verplicht de maatregelen te nemen, nodig voor de tenuitvoerlegging van de genomen besluiten.

5.     Artikel 9 van de Associatieovereenkomst heeft de volgende inhoud:

„De overeenkomstsluitende partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel.”

6.     Artikel 12 van de Associatieovereenkomst bepaalt:

„De overeenkomstsluitende partijen komen overeen zich te laten leiden door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap, teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen.”

7.     Het op 23 november 1970 te Brussel ondertekende Aanvullend Protocol, dat namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972(3) (hierna: „Aanvullend Protocol”), stelt in artikel 1 ervan de voorwaarden, de wijze en het tempo van verwezenlijking van de in artikel 4 van de Associatieovereenkomst bedoelde overgangsfase vast. Overeenkomstig artikel 62 ervan maakt het Aanvullend Protocol integraal deel uit van deze overeenkomst.

8.     Dit Aanvullend Protocol bevat een titel II, genaamd Verkeer van personen en diensten, waarvan hoofdstuk I is gewijd aan de Werknemers.

9.     Artikel 36 ervan legt de termijnen vast voor de geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen, en bepaalt dat de Associatieraad de hiertoe noodzakelijke regels vaststelt.

B –    Besluit nr. 1/80

10.   De Associatieraad heeft op 19 september 1980 besluit nr. 1/80 vastgesteld. Dit besluit is, opvallend genoeg, nooit in het publicatieblad gepubliceerd.(4) In de derde overweging van de considerans van besluit nr. 1/80 valt te lezen dat het besluit op sociaal gebied de voor werknemers en hun gezinsleden geldende regeling beoogt te verbeteren ten opzichte van de regeling van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad van 20 december 1976.

11.   Artikel 6, leden 1 en 2, van besluit nr. 1/80 luidt als volgt:

„1.      Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

–       na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

–       na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

–       na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

2.      Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.”

12.   Artikel 10, lid 1, van dit besluit, bepaalt:

„De lidstaten van de Gemeenschap passen op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.”

C –    De nationale regeling

13.   § 284, Sozialgesetzbuch, Drittes Buch (Duits sociaal wetboek, Boek III) was in de navolgende bewoordingen tot en met 31 december 2004 van kracht en bepaalt in lid 5 dat een werkvergunning enkel kan worden verleend wanneer de buitenlander beschikt over een verblijfsvergunning krachtens § 5, Ausländergesetz, in zoverre niets anders is bepaald bij algemene maatregel van bestuur en de uitoefening van de functie niet uitgesloten is door een bepaling uit het vreemdelingenrecht.

III – Feitelijk kader

A –    De feiten van het hoofdgeding

14.   Verzoeker, een Turks onderdaan, is op 13 september 1991 het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland binnengekomen en heeft – herhaaldelijk – zonder succes een erkenning als asielgerechtigde aangevraagd.

15.   Na zijn huwelijk met een Duitse op 7 maart 1997 verleende de Oberbürgermeister der Stadt Aachen (hierna: „verweerder”) hem op 29 juli 1997 een aanvankelijk tot en met 29 juli 1998 beperkte verblijfsvergunning. Op 31 juli 1997 verleende het Arbeitsamt Aachen verzoeker een werkvergunning voor onbepaalde duur en voor alle beroepsactiviteiten.

16.   Sinds 8 juli 1998 woonden de echtgenoten blijvend gescheiden en in 2002 werd het huwelijk ontbonden.

17.   Op 6 januari 1999 verlengde verweerder de verblijfsvergunning van verzoeker, eerst tot en met 6 december 1999 en vervolgens tot en met 9 oktober 2001, onder vermelding dat hij zich kan beroepen op een recht krachtens artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80. De verblijfsvergunning bevatte de volgende toevoeging: „Zelfstandige beroepsactiviteit of vergelijkbare niet-zelfstandige beroepsactiviteit niet toegestaan. Werkvergunningsplichtige beroepsactiviteit enkel toegestaan als kelner in Café Marmara in Aken.”

18.   Op 25 september 2001 verzocht verzoeker om verlenging van zijn verblijfsvergunning.

19.   Van 1 oktober 1997 tot en met 31 maart 2000 is H. Güzeli met tussenpozen werkzaam geweest in Café Marmara. Vervolgens is Güzeli op 10 april 2000 van werkgever veranderd. Van 10 april 2000 tot en met 14 december 2000 en van 1 maart 2001 tot en met 30 november 2001 was verzoeker in Aken telkens als seizoenarbeider aan het werk bij de Aachener Printen- und Schokoladenfabrik Henry Lambertz GmbH & Co. KG (hierna: „onderneming Lambertz”). In de tijdvakken hiertussen kreeg verzoeker een uitkering van het Arbeitsamt Aachen.

20.   Verzoeker is op 27 juni 2002 tot een geldboete van 45 maal het per dag vastgestelde bedrag veroordeeld, omdat hij met zijn activiteiten bij de onderneming Lambertz de aan zijn verblijfsvergunning verbonden voorwaarde heeft geschonden.

21.   Verweerder heeft op 2 januari 2003 verzoekers aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning afgewezen. Op 21 januari 2003 heeft verzoeker hiertegen een bezwaarschrift ingediend en aangevoerd dat zijn situatie in aanmerking kwam voor een van het huwelijk onafhankelijke verlenging van de verblijfsvergunning.

22.   Op 21 maart 2003 heeft verzoeker bij het Verwaltungsgericht Aachen een aanvraag tot vaststelling van de schorsende werking van zijn bezwaarschrift ingediend. Deze aanvraag werd ingewilligd bij beschikking van 14 juli 2003. Bij beschikking van 30 maart 2004, gegeven op beroep van verweerder, wees het Oberverwaltungsgericht für das Land Nordrhein‑Westfalen de aanvraag tot vaststelling van de schorsende werking af. Bij beschikking op bezwaarschrift van 20 juli 2004 wees de Bezirksregierung Köln het bezwaar van verzoeker af.

23.   Op 9 augustus 2004 heeft verzoeker beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Aachen, dat in het kader van de behandeling van het beroep bij beschikking van 29 december 2004, drie prejudiciële vragen heeft gesteld.

B –    De prejudiciële vragen

24.   De verwijzende rechter heeft op 29 december 2004 de behandeling van de zaak geschorst en de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Verbiedt het discriminatieverbod van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80, dat een lidstaat een zich in de situatie van verzoeker bevindende Turkse werknemer die op het tijdstip waarop de hem oorspronkelijk toegekende nationale verblijfsvergunning afloopt, behoorde tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat en in het bezit was van een werkvergunning voor onbepaalde duur, het verdere verblijf voor de duur van de tewerkstelling weigert?

         Is het in deze omstandigheden van belang of de aan de Turkse migrerende werknemer verleende werkvergunning

–       naar nationaal recht is verleend zonder tijdsbeperking,

–       naar nationaal recht afhankelijk van het voortbestaan van de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verleend, maar niet automatisch vervalt wanneer ook de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning afloopt, doch zo lang geldt tot de buitenlander zich niet meer voorlopig op het grondgebied van de lidstaat mag bevinden?

2)      Mag de lidstaat in het licht van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 het verblijf van de Turkse werknemer weigeren wanneer deze op het tijdstip waarop de hem laatstelijk toegekende verblijfsvergunning afloopt als seizoenarbeider is tewerkgesteld, en met andere woorden in de tijdvakken tussen de perioden van beroepsactiviteit werkloos is?

3)      Heeft een wijziging van het nationale juridische kader voor werkvergunningen na het tijdstip waarop de oorspronkelijk toegekende verblijfsvergunning afloopt een invloed op het uit artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 voortvloeiende verbod om het verdere verblijf te weigeren?”

C –    De opvattingen van de verwijzende rechter

25.   In de toelichting op de prejudiciële vragen wijst de verwijzende rechter op het feit dat verzoeker geen rechten kan ontlenen tot verlenging van zijn verblijfsvergunning aan artikel 6 van besluit nr. 1/80, aangezien de voorwaarden van genoemde bepaling in casu niet zijn vervuld. Daarentegen zou een dergelijk recht wel uit artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 kunnen voortvloeien. De nationale rechter leidt dit af uit het arrest Eddline El‑Yassini(5) waarin het Hof vragen zijn gesteld over de werking en de uitlegging van artikel 40, eerste alinea, van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko.

26.   De uitleg die het Hof ten aanzien van artikel 40 heeft gegeven zou volgens de verwijzende rechter eveneens moeten gelden voor artikel 10 van besluit nr. 1/80 aangezien de bepalingen, gelet op de vrijwel identieke bewoordingen, een gelijke strekking hebben.(6) Beide bepalingen verbieden lidstaten om Turkse c.q. Marokkaanse migrerende werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren, wegens hun nationaliteit te discrimineren inzake lonen en verdere arbeidsvoorwaarden. Gelet op de overeenkomst tussen de relevante bewoordingen van beide bepalingen zou een extrapolatie van de zaak Eddline El‑Yassini voor de hand liggen.

27.   Verzoeker zou overeenkomstig de uitleg die het Hof heeft gegeven in het arrest Eddline El‑Yassini aan artikel 40, op grond van artikel 10 van besluit nr. 1/80 recht hebben op verlenging van zijn verblijfsvergunning, indien zijn verblijfsvergunning van kortere duur is dan het recht op daadwerkelijke uitoefening van een beroepsactiviteit dat de nationale autoriteiten met een naar behoren afgegeven werkvergunning hebben verleend.

D –    De procedure bij het Hof

28.   In deze zaak zijn schriftelijke opmerkingen binnengekomen van verzoeker in het hoofdgeding, de Duitse regering, de Slowaakse regering en de Commissie. Verzoeker heeft zijn standpunt mondeling op de hoorzitting van 12 januari 2006 toegelicht, evenals de Duitse regering en de Commissie. Verzoeker en de Commissie betwisten in de eerste plaats de vaststelling van de verwijzende rechter dat Güzeli niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 teneinde verlenging van zijn verblijfstitel te verkrijgen. Subsidiair zijn verzoeker, de Commissie en de Slowaakse regering van oordeel dat uit artikel 10 van besluit nr. 1/80 een recht op verlenging van de verblijfsvergunning kan voortvloeien. De Duitse regering daarentegen is van mening dat een dergelijk recht niet uit artikel 10 van besluit nr. 1/80 kan worden afgeleid.

IV – Beoordeling

A –    Prealabele opmerking

29.   Zoals gezegd hebben verzoeker en de Commissie in de schriftelijke procedure de opvatting van de verwijzende rechter bestreden dat Güzeli niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van besluit nr. 1/80. Ingevolge deze bepaling kunnen Turkse migrerende werknemers, afhankelijk van de duur van de uitoefening van legale arbeid in loondienst, aanspraak maken op nauwkeurig bepaalde rechten die bedoeld zijn om hen geleidelijk in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst op te nemen.

30.   Zowel artikel 6 als artikel 10 van besluit nr. 1/80 verlenen aan Turkse migrerende werknemers bepaalde rechten op de arbeidsmarkt, indien zij ingevolge nationale immigratie- en arbeidswetgeving rechtmatig in een lidstaat verblijven en aldaar werken. Genoemde bepalingen zijn complementair. Artikel 6 geeft een Turkse werknemer, onder bepaalde voorwaarden, een recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning en artikel 10 bepaalt dat de Turkse werknemer bij de uitoefening van die arbeid niet wordt gediscrimineerd ten aanzien van loon en verdere arbeidsvoorwaarden.

31.   Alvorens nader in te gaan op artikel 10 van besluit nr. 1/80 moet worden onderzocht of verzoeker aanspraak kan maken op bepaalde rechten op de arbeidsmarkt krachtens artikel 6 van besluit nr. 1/80.

B –    Artikel 6 van besluit nr. 1/80

32.   Verzoeker stelt dat hij rechten ontleent aan het door artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 verleende recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze, op grond dat de samenvoeging van de aan zijn verzoek voorafgaande tijdvakken van arbeid een periode van meer dan vier jaar oplevert.

33.   De Commissie betoogt dat verzoeker van 10 april 2000 tot de dag dat zijn verblijfsvergunning is verlopen – 9 oktober 2001 – legale arbeid in dienst van de onderneming Lambertz in de zin van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 heeft verricht, zodat hij zich op de bij die bepaling verleende rechten kan beroepen, aangezien hij aan alle voorwaarden van dit artikel voldoet.

34.   Allereerst moet worden opgemerkt dat besluit nr. 1/80 niet in de bevoegdheid van de lidstaten treedt om zowel de toegang van Turkse onderdanen tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste tewerkstelling te reglementeren.(7) Het recht op toelating, arbeid en verblijf wordt beheerst door het nationale recht waarbij lidstaten hun eigen keuzes kunnen maken, waar het gaat om het aantrekken van Turkse werknemers die tekorten op de eigen markt kunnen aanvullen.

35.   Een Turkse werknemer verkrijgt pas rechten op grond van besluit nr. 1/80 nadat hij een jaar ononderbroken op het grondgebied van een lidstaat heeft gewerkt. De toekenning van rechten op de arbeidsmarkt wordt beheerst door artikel 6 van besluit nr. 1/80. Een Turks werknemer die aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, eerste, tweede of derde streepje voldoet, kan zich rechtstreeks op deze bepalingen beroepen teneinde, behalve de verlenging van zijn arbeidsvergunning, ook verlenging van zijn verblijfsvergunning te verkrijgen.(8)

36.   Turkse migranten moeten aan drie voorwaarden voldoen om aan artikel 6, lid 1, van het besluit rechten te kunnen ontlenen. In de eerste plaats moet de Turkse onderdaan „werknemer” zijn. In de tweede plaats, moet hij „behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat”. In de derde plaats moet hij legale arbeid verrichten gedurende een van de drie mogelijke tijdvakken, waarvan elk bepaalde rechten verleent tot verdere tewerkstelling.

37.   Ten aanzien van de tijdvakken bepaalt artikel 6, lid 1, eerste streepje, dat een Turkse werknemer na een jaar legale arbeid het recht heeft om de dienstbetrekking bij dezelfde werkgever voort te zetten. Na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten te verlenen voorrang, heeft hij het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod (tweede streepje). Na vier jaar legale arbeid heeft hij het onvoorwaardelijke recht om te zoeken naar, en toegang te hebben tot, om het even welke arbeid in loondienst naar zijn keuze (derde streepje).(9)

38.   Een Turkse werknemer die nog niet aan de in artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 vervatte voorwaarden heeft voldaan, dient gedurende respectievelijk één, drie en vier jaar legale arbeid te verrichten. In beginsel mag dit niet worden onderbroken.(10) Evenwel noemt artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 een aantal legitieme gronden voor onderbreking van de arbeid in loondienst.

39.   Artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 onderscheidt twee categorieën onderbrekingen, waaraan verschillende gevolgen worden verbonden. De eerste categorie betreft situaties waarin de werknemer zijn arbeidsplaats in de onderneming behoudt; deze tijdvakken worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. De tweede categorie ziet op situaties waarin de werknemer geen arbeid meer verricht zonder dat hem dit kan worden aangerekend, maar ook zonder dat bekend is wanneer hij de arbeid weer zal hervatten. Deze onderbrekingen van de arbeid worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch hebben evenmin tot gevolg, dat de werknemer van de legale arbeidsmarkt wordt uitgesloten. De werknemer behoudt in een dergelijk geval de rechten ten aanzien van de toegang tot arbeid die hij uit hoofde van de door hem vervulde tijdvakken van arbeid had verworven voordat hij de arbeidsmarkt tegen zijn wil moest verlaten.

40.   Uit de door de verwijzende rechter aan het Hof overlegde gegevens blijkt dat Güzeli geen rechten ontleent aan artikel 6, lid 1, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 aangezien hij in april 2000 van werkgever is veranderd en derhalve niet gedurende een tijdvak van drie jaar voor eenzelfde werkgever heeft gewerkt. Volgens artikel 6, lid 1, tweede streepje mag de Turkse werknemer immers pas na drie jaar legale arbeid in de betrokken lidstaat in dienst van een andere werkgever treden, op voorwaarde dat deze werkgever tot dezelfde beroepsgroep behoort als de vorige werkgever en de voorrang eerbiedigt die aan werknemers van de lidstaten moet worden verleend.(11)

41.   Op de dag dat de verblijfsvergunning van de betrokken Turkse werknemer verviel had hij evenmin aan de in artikel 6, lid 1, eerste streepje genoemde voorwaarden voldaan. Ofschoon de onderbreking van de beroepsactiviteit van Güzeli kan worden opgevat als een legitieme grond voor onderbreking van de tijdvakken van arbeid in de zin van artikel 6, lid 2, tweede volzin, had Güzeli geen rechten opgebouwd die hij op grond van voorafgaande, regelmatig vervulde tijdvakken van arbeid had verkregen.

42.   Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, eerste, tweede of derde streepje, van besluit nr. 1/80 voldoet teneinde verlenging van zijn verblijfsvergunning te verkrijgen.

43.   De vraag die nu rijst, is of de weigering tot verlenging van de verblijfsvergunning van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer die geen rechten ontleent aan artikel 6 en die in het bezit is van een werkvergunning voor onbepaalde tijd, kan worden beschouwd als discriminatie wegens nationaliteit op grond van artikel 10.

C –    Artikel 10 van besluit nr. 1/80

44.   Met de drie prejudiciële vragen die tezamen kunnen worden besproken, wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of een Turks onderdaan die legaal in een lidstaat is tewerkgesteld en aldaar om verlenging van zijn verblijfsvergunning verzoekt, rechten kan ontlenen aan het discriminatieverbod van artikel 10 van besluit nr. 1/80.

45.   Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 verbiedt discriminatie uit hoofde van nationaliteit, voor wat betreft lonen en verdere arbeidsvoorwaarden, tussen communautaire werknemers en Turkse onderdanen die in de ontvangende lidstaat tot de legale arbeidsmarkt behoren.

46.   Verzoeker, de Slowaakse regering en de Commissie ten overvloede, betogen dat artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 zo moet worden uitgelegd dat daaruit aanspraken voortvloeien op verlenging van de verblijfsvergunning. Een dergelijke uitleg zou steun vinden in de analoge bepaling van artikel 40, eerste alinea, van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, dat hetzelfde beoogt als artikel 10. Zij beroepen zich daarbij op de uitleg die het Hof heeft gegeven in het arrest Eddline El‑Yassini(12) aan artikel 40, eerste alinea, van de samenwerkingsovereenkomst.

47.   In de zaak Eddline El Yassini had het geschil voor de nationale rechter betrekking op een Marokkaans onderdaan die zijn arbeid in de betrokken lidstaat wilde voortzetten nadat zijn verblijfstitel was verlopen. Het Hof verklaarde dat een lidstaat de verlenging van de verblijfstitel niet mag weigeren, indien:

„[…] de lidstaat van ontvangst de Marokkaanse migrerende werknemer nauwkeurig bepaalde rechten op het gebied van het verrichten van arbeid had verleend, die ruimer zijn dan die welke diezelfde lidstaat hem op het gebied van verblijf had toegekend.

Dit zou het geval zijn, indien de lidstaat de betrokkene een verblijfstitel had verleend met een kortere duur dan die van zijn tewerkstellingsvergunning en vervolgens vóór het aflopen van de tewerkstellingsvergunning zou weigeren de verblijfstitel te verlengen, zonder zich ter rechtvaardiging daarvan te beroepen op de bescherming van een wettig overheidsbelang, zoals redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.”(13)

48.   De Duitse regering is van mening dat de weigering tot verlenging van de verblijfsvergunning van Güzeli, niet kan worden beschouwd als discriminatie wegens nationaliteit op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, in de zin van artikel 10 van besluit nr. 1/80. Volgens deze regering betreft het in artikel 10 neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit enkel de arbeidsverhouding van de Turkse onderdaan in de lidstaat van ontvangst. Artikel 10 geeft de Turkse onderdaan recht op gelijke behandeling wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen, zolang hij in de lidstaat van ontvangst over een verblijfsvergunning beschikt.

49.   De Duitse regering stelt dat artikel 10 niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij een Turkse migrerende werknemer, zelfs wanneer hij een werkvergunning voor onbepaalde duur heeft, het recht verleent op verlenging van zijn verblijfstitel. Het doel van artikel 10 kan niet de bescherming van de rechten van Turkse onderdanen op het gebied van het verrichten van arbeid zijn, aangezien die rechten reeds volledig zijn geregeld in artikel 6 van besluit nr. 1/80.

50.   Het is de vraag of de weigering tot verlenging van de verblijfsvergunning van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die in het bezit is van een werkvergunning voor onbepaalde tijd, kan worden beschouwd als discriminatie wegens nationaliteit op het gebied van de arbeidsvoorwaarden.

51.   Voor het antwoord op de gestelde vraag moet te rade worden gegaan bij de bewoordingen van artikel 10 en de systematiek van besluit nr. 1/80.

52.   Naar de letter genomen, blijft het in artikel 10 van besluit nr. 1/80 opgenomen gelijkheidsbeginsel ten aanzien van Turkse migrerende werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van een lidstaat en communautaire werknemers, beperkt tot beloning en andere arbeidsvoorwaarden. De bewoordingen van deze bepaling geven derhalve geen aanleiding om het discriminatieverbod zo ruim op te vatten dat het kan worden ingeroepen tegen de weigering van de verlenging van de verblijfsvergunning.

53.   Vanuit een oogpunt van de systematiek van besluit nr. 1/80 moet worden opgemerkt dat dit besluit, anders dan de samenwerkingsovereenkomst EEG‑Marokko een expliciete bepaling bevat, naast het discriminatieverbod ten aanzien van arbeidsvoorwaarden. Een Turkse werknemer kan zich rechtstreeks op artikel 6, lid 1, eerste, tweede of derde streepje, van besluit nr. 1/80 beroepen teneinde, behalve verlenging van zijn arbeidsvergunning, ook verlenging van zijn verblijfsvergunning te verkrijgen, aangezien het verblijfsrecht voor de toegang tot de arbeidsmarkt en voor het verrichten van arbeid in loondienst onontbeerlijk is.(14)

54.   Deze bepaling is in casu derhalve van toepassing en niet artikel 10 van dit besluit. De omstandigheid dat een Turkse werknemer niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 kan er niet toe leiden dat deze met een beroep op het non‑discriminatiebeginsel wegens nationaliteit op het gebied van de arbeidsvoorwaarden alsnog een recht op verlenging van zijn verblijfstitel zou kunnen verkrijgen. Daarmee zou de functie van artikel 6 worden ondermijnd.

55.   In verband met dit verschil in de systematiek van de twee overeenkomsten is het niet juist om artikel 10 van besluit nr. 1/80 uit te leggen naar analogie van artikel 40, eerste alinea, van de samenwerkingsovereenkomst EEG‑Marokko. Deze overeenkomst bevat geen overeenkomstige of gelijksoortige bepaling zoals artikel 6 van besluit nr. 1/80 waarin Turkse migrerende werknemers, afhankelijk van de duur van de uitoefening van legale arbeid in loondienst, aanspraak kunnen maken op nauwkeurig bepaalde rechten die bedoeld zijn om hen geleidelijk in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst op te nemen.

56.   Uit het bovenstaande volgt dat de weigering tot verlenging van de verblijfsvergunning van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die in het bezit is van een werkvergunning voor onbepaalde tijd, niet kan worden beschouwd als discriminatie wegens nationaliteit op het gebied van de arbeidsvoorwaarden.

V –    Conclusie

57.   Gelet op het bovenstaande stel ik voor dat het Hof als volgt antwoordt op de door het Verwaltungsgericht Aachen gestelde vragen:

„Artikel 10 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG‑Turkije van 19 september 1980 moet aldus worden uitgelegd dat de weigering tot verlenging van de verblijfsvergunning van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die in het bezit is van een werkvergunning voor onbepaalde tijd, niet kan worden beschouwd als discriminatie wegens nationaliteit op het gebied van de arbeidsvoorwaarden.”


1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.


2  – Besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.


3  – PB L 293, blz. 1.


4  – Dit gebrek bij de totstandkoming heeft voor het Hof geen aanleiding gevormd de materiële rechtskracht van het besluit ter discussie te stellen.


5 – Arrest van 2 maart 1999 (C‑416/96, Jurispr. blz. I‑1209, punt 27).


6 – Artikel 40, dat staat in titel III van deze overeenkomst, die betrekking heeft op de samenwerking op het gebied van de arbeidskrachten, luidt: „Elke lidstaat past op de werknemers van Marokkaanse nationaliteit die werkzaam zijn op zijn grondgebied een regeling toe die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en zijn eigen onderdanen voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen […]”


7 – Arresten van 16 december 1992, Kus (C‑237/91, Jurispr. blz. I‑6781, punt 25), en 30 september 1997, Günaydin (C‑36/96, Jurispr. blz. I‑5143, punt 23), en Ertanir (C‑98/96, Jurispr. blz. I‑5179, punt 23).


8 – Zie onder meer arrest van 20 september 1990, Sevince (C‑192/89, Jurispr. blz. I‑3461, punten 29 en 31), en arrest Kus, reeds aangehaald, punt 33.


9 – Zie arresten van 5 oktober 1994, Eroglu (C‑355/93, Jurispr. blz. I‑5113, punt 12); 23 januari 1997, Tetik (C‑171/95, Jurispr. blz. I‑329, punt 26), en 10 februari 2000, Nazli (C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957, punt 27).


10 – Arrest van 7 juli 2005, Dogan (C‑383/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 18).


11 – Arrest van 29 mei 1997, Eker (C‑386/95, Jurispr. blz. I‑2697, punt 23).


12 – Reeds aangehaald, punt 27.


13 – Arrest Eddline El‑Yassini, reeds aangehaald, punten 64 en 65.


14 – Zie arrest Kus, reeds aangehaald, punt 33.

Top