EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62004CJ0403

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 januari 2007.
Sumitomo Metal Industries Ltd (C-403/04 P) en Nippon Steel Corp. (C-405/04 P) tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregeling - Markt van naadloze stalen buizen - Bescherming van nationale markten - Bewijslast en bewijslevering - Duur van procedure voor Gerecht.
Gevoegde zaken C-403/04 P en C-405/04 P.

European Court Reports 2007 I-00729

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2007:52

Gevoegde zaken C‑403/04 P en C‑405/04 P

Sumitomo Metal Industries Ltd

en

Nippon Steel Corp.

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregeling – Markt van naadloze stalen buizen – Bescherming van nationale markten – Bewijslast en bewijslevering – Duur van procedure voor Gerecht”

Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 12 september 2006 

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 januari 2007 

Samenvatting van het arrest

1.     Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting

(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 51)

2.     Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld bestaande in sluiting van mededingingverstorende overeenkomst

(Art. 81, lid 1, EG)

3.     Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs

(Art. 81, lid 1, EG)

4.     Hogere voorziening – Middelen – Ontoereikende of tegenstrijdige motivering – Ontvankelijkheid

5.     Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs

6.     Hogere voorziening – Middelen – Middel voorgedragen tegen rechtsoverweging van arrest die niet noodzakelijk is voor onderbouwing van dictum – Falend middel

7.     Procedure – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Beoordelingscriteria

1.     Het Hof is in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de voor het Gerecht overgelegde bewijzen, geen rechtsvraag die vatbaar is voor toetsing door het Hof.

De controlebevoegdheid van het Hof ten aanzien van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht strekt zich dus met name uit tot de uit de processtukken voortvloeiende feitelijke onjuistheid van deze vaststellingen, de onjuiste opvatting van de bewijzen en de juridische kwalificatie daarvan, en tot de vraag of de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen.

De vraag of het Gerecht bij de beoordeling van de bewijselementen de juiste rechtsregel heeft toegepast, is een rechtsvraag.

Dit geldt daarentegen niet voor het oordeel van het Gerecht, dat de bewijselementen niet dubbelzinnig waren, maar juist nauwkeurig en overeenstemmend en de overtuiging konden dragen dat de inbreuk was gepleegd.

Ook het oordeel van het Gerecht, dat bepaalde verklaringen als een nauwkeurig bewijs moeten worden beschouwd, kan in beginsel niet voor het Hof in twijfel worden getrokken.

(cf. punten 38‑40, 56, 64‑65, 100‑101)

2.     Wanneer de Commissie erin geslaagd is bewijsstukken met betrekking tot de gestelde inbreuk te verzamelen en deze voldoende bewijs opleveren van het bestaan van een mededingingverstorende overeenkomst, hoeft niet te worden nagegaan of de beschuldigde onderneming een commercieel belang had bij het sluiten van deze overeenkomst.

Wat in het bijzonder mededingingverstorende overeenkomsten betreft waarvan blijkt tijdens bijeenkomsten van concurrerende ondernemingen, is er sprake van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG wanneer deze bijeenkomsten tot doel hebben, de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, en aldus een kunstmatige regulering van de werking van de markt beogen. In een dergelijk geval volstaat het voor de Commissie om aan te tonen dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingverstorende overeenkomsten zijn gesloten, om de deelneming van deze onderneming aan de mededingingsregeling te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, staat het aan deze onderneming om aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan deze bijeenkomsten geen mededingingbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan deze bijeenkomsten deelnam.

Aan deze regel ligt de redenering ten grondslag dat een onderneming die aan deze bijeenkomsten heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden.

(cf. punten 46‑48, 58, 74)

3.     Het is gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingverstorende gedragingen en overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zijn die dus doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.

Op grond van het beginsel van het vermoeden van onschuld dienen twijfels weliswaar in het voordeel te spelen van de beschuldigde onderneming, maar niets verzet zich tegen de vaststelling van een inbreuk zodra deze is aangetoond.

(cf. punten 51‑52)

4.     De vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, is een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden opgeworpen.

(cf. punt 77)

5.     Een persoon die als vertegenwoordiger van een vennootschap een verklaring aflegt waarin hij erkent dat deze een inbreuk heeft gepleegd, loopt aanzienlijke juridische en economische risico’s, wat het bijzonder onwaarschijnlijk maakt dat hij deze zou afleggen zonder te beschikken over informatie die hem is verstrekt door werknemers van deze onderneming die persoonlijk kennis hebben van de betrokken praktijken. Het feit dat de vertegenwoordiger van de vennootschap zelf geen persoonlijke kennis heeft van de feiten, doet bijgevolg niet af aan de bewijswaarde die het Gerecht aan een dergelijke verklaring mocht toekennen.

(cf. punt 103)

6.     Grieven in het kader van een hogere voorziening tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht moeten zonder meer worden afgewezen, omdat zij niet tot vernietiging van dit arrest kunnen leiden.

(cf. punt 106)

7.     Het door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens ingegeven algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, is van toepassing op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht.

De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten.

De lijst van deze criteria is niet uitputtend en een beoordeling van de redelijkheid van de termijn vereist niet dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. Zo kan de complexiteit van een zaak waarin in verschillende procestalen meerdere beroepen zijn ingesteld die parallel dienden te worden behandeld en grondig dienden te worden onderzocht, de rechtvaardiging vormen van een termijn die op het eerste gezicht te lang is.

(cf. punten 115‑117, 121)




ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

25 januari 2007 (*)



Inhoud


I – Litigieuze beschikking

A – Mededingingsregeling

B – Duur van de mededingingsregeling

C – Dispositief van de litigieuze beschikking

II – Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest

III – Procedure voor het Hof

IV – Hogere voorzieningen

A – Middel van Nippon Steel: onjuiste rechtsopvatting bij de omschrijving van het vereiste bewijsniveau

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

a) Eerste onderdeel van het middel

b) Tweede onderdeel van het middel

c) Derde onderdeel van het middel

d) Vierde onderdeel van het middel

B – Eerste middel van Sumitomo: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de deelneming van de Japanse producenten aan de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

C – Tweede middel van Sumitomo: buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

V – Kosten


„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregeling – Markt van naadloze stalen buizen – Bescherming van nationale markten – Bewijslast en bewijslevering – Duur van procedure voor Gerecht”

In de gevoegde zaken C‑403/04 P en C‑405/04 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 22 september 2004,

Sumitomo Metal Industries Ltd, gevestigd te Tokio (Japan), vertegenwoordigd door C. Vajda, QC, G. Sproul en S. Szlezinger, solicitors (C‑403/04 P),

Nippon Steel Corp., gevestigd te Tokio, vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en K. Van Hove, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C‑405/04 P),

rekwiranten,

andere partijen bij de procedure:

JFE Engineering Corp., voorheen NKK Corp., gevestigd te Tokio, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

JFE Steel Corp., voorheen Kawasaki Steel Corp., gevestigd te Tokio, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoeksters in eerste aanleg,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan en A. Whelan als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster in eerste aanleg,

Toezichthoudende Autoriteit van de EVA,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts, E. Juhász, K. Schiemann en M. Ilešič (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 december 2005,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2006,

het navolgende

Arrest

1       Met hun hogere voorzieningen vorderen Sumitomo Metal Industries Ltd (hierna: „Sumitomo”) (C‑403/04 P) en Nippon Steel Corp. (hierna: „Nippon Steel”) (C‑405/04 P) vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie (T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501; hierna: „bestreden arrest”), voor zover dit op hen betrekking heeft.

2       In het bestreden arrest heeft het Gerecht de geldboeten die aan rekwiranten zijn opgelegd bij beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B − Naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1; hierna: „litigieuze beschikking”), verminderd en de beroepen tot nietigverklaring van deze beschikking grotendeels verworpen.

 I – Litigieuze beschikking

 A – Mededingingsregeling

3       De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft de litigieuze beschikking gericht tot acht producenten van naadloze stalen buizen. Vier van deze ondernemingen zijn Europese vennootschappen (hierna: „communautaire producenten”): Mannesmannröhren-Werke AG (hierna: „Mannesmann”), Vallourec SA (hierna: „Vallourec”), Corus UK Ltd (voorheen British Steel plc; hierna: „Corus”) en Dalmine SpA (hierna: „Dalmine”). De vier andere adressaten van de beschikking zijn Japanse vennootschappen (hierna: „Japanse producenten”): NKK Corp., Nippon Steel, Kawasaki Steel Corp. en Sumitomo.

4       De naadloze stalen buizen worden door de aardolie‑ en gasindustrie gebruikt en kunnen in twee grote productcategorieën worden ingedeeld.

5       De eerste categorie omvat buizen voor boringen, die over het algemeen „Oil Country Tubular Goods” of „OCTG” worden genoemd. Deze buizen kunnen worden verkocht zonder schroefdraad („gladde buizen”) of met schroefdraad. De schroefdraad dient om de OCTG-buizen met elkaar te verbinden. De schroefdraad kan worden gesneden overeenkomstig de normen van het American Petroleum Institute (API) − schroefdraadbuizen die volgens deze methode zijn vervaardigd, worden „standaard-OCTG-buizen” genoemd − of volgens speciale, doorgaans geoctrooieerde methodes. In dit laatste geval spreekt men van schroefdraad of, in voorkomend geval, verbindingen van eerste kwaliteit of van premiumschroefdraad of ‑verbindingen; buizen waarvan de schroefdraad volgens deze methode is gesneden, worden „premium-OCTG-buizen” genoemd.

6       De tweede productcategorie bestaat uit buizen voor het transport van olie en gas („line pipe”), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen buizen die volgens standaardnormen worden vervaardigd en die welke op maat worden gemaakt voor de realisatie van specifieke projecten (hierna: „‚project’-transportbuizen”).

7       In november 1994 heeft de Commissie besloten een onderzoek in te stellen naar het bestaan van mededingingsverstorende praktijken met betrekking tot deze producten. In december van datzelfde jaar heeft zij verificaties verricht bij verschillende bedrijven, waaronder Sumitomo. Tussen september 1996 en december 1997 heeft de Commissie bij Vallourec, Dalmine en Mannesmann aanvullende verificaties verricht. Tijdens een verificatie bij Vallourec op 17 september 1996 heeft de president van Vallourec Oil & Gas, de heer Verluca, een aantal verklaringen afgelegd (hierna: „verklaringen van Verluca”). Tijdens een verificatie bij Mannesmann in april 1997 heeft de bestuurder van deze onderneming, de heer Becher, eveneens verklaringen afgelegd (hierna: „verklaringen van Becher”).

8       Gelet op deze verklaringen en op andere bewijselementen heeft de Commissie in de litigieuze beschikking vastgesteld dat de acht adressaten van deze beschikking een overeenkomst hadden gesloten die met name inhield dat zij van elkaars thuismarkten zouden wegblijven. Volgens deze overeenkomst verbond elke onderneming zich ertoe om geen standaard-OCTG-buizen en „project”-transportbuizen op de thuismarkt van een andere partij bij de overeenkomst te verkopen.

9       Volgens de Commissie is de overeenkomst gesloten tijdens bijeenkomsten van communautaire en Japanse producenten in het kader van de zogenaamde „Europa-Japan-club”.

10     Het beginsel van eerbiediging van de thuismarkten werd aangeduid met de term „fundamentele regels” („fundamentals”). De Commissie heeft opgemerkt dat de fundamentele regels daadwerkelijk in acht zijn genomen en dat de overeenkomst dus mededingingsverstorende effecten op de gemeenschappelijke markt heeft gehad.

11     De overeenkomst omvatte volgens de Commissie in totaal drie delen: ten eerste, de hierboven genoemde „fundamentele regels” betreffende de eerbiediging van de thuismarkten, die de in artikel 1 van de litigieuze beschikking vastgestelde inbreuk vormen, ten tweede, de vaststelling van prijzen voor opdrachten en van minimumprijzen voor de „speciale markten” („special markets”) en, ten derde, de verdeling van de markten elders ter wereld, met uitzondering van Canada en de Verenigde Staten van Amerika, volgens verdeelsleutels („sharing keys”).

12     Met betrekking tot het bestaan van de „fundamentele regels” heeft de Commissie zich gebaseerd op een reeks in de punten 62 tot en met 67 van de litigieuze beschikking opgesomde schriftelijke aanwijzingen en op de tabel in punt 68. Volgens haar blijkt uit deze tabel dat het aandeel van de nationale producent in de door de adressaten van de litigieuze beschikking verrichte leveringen in Japan en op de thuismarkt van elk van de vier communautaire producenten zeer hoog was. De Commissie leidt hieruit af dat de thuismarkten in hun geheel genomen daadwerkelijk werden geëerbiedigd door de partijen bij de overeenkomst.

13     Volgens de Commissie zijn de leden van de Europa-Japan-club op 5 november 1993 te Tokio bijeengekomen, om te trachten met de Latijns-Amerikaanse producenten tot een nieuwe marktverdelingsovereenkomst te komen. De inhoud van de tijdens die bijeenkomst gesloten overeenkomst blijkt uit een document dat op 12 november 1997 aan de Commissie is overhandigd door een niet bij de procedure betrokken informant en dat met name een „verdeelsleutel” bevat (hierna: „document verdeelsleutel”).

 B – Duur van de mededingingsregeling

14     De Europa-Japan-club is volgens de Commissie van 1977 tot en met 1994 ongeveer tweemaal per jaar bijeengekomen.

15     Niettemin was de Commissie van mening dat voor de bepaling van de boetebedragen het jaar 1990 als beginpunt van de mededingingsregeling diende te worden genomen, aangezien er van 1977 tot 1990 overeenkomsten inzake vrijwillige beperking van de uitvoer tussen de Europese Gemeenschap en Japan golden. Volgens de Commissie is de inbreuk in 1995 beëindigd.

 C – Dispositief van de litigieuze beschikking

16     Volgens artikel 1, lid 1, van de litigieuze beschikking hebben de acht adressaten ervan „artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag geschonden door [...] deel te nemen aan een overeenkomst welke onder andere bepaalde dat hun respectieve nationale markten voor naadloze [standaard-OCTG-buizen] en naadloze [‚project’-transportbuizen] moesten worden geëerbiedigd”.

17     Artikel 1, lid 2, van de beschikking bepaalt dat de inbreuk van 1990 tot 1995 heeft geduurd voor Mannesmann, Vallourec, Dalmine, Sumitomo, Nippon Steel, Kawasaki Steel Corp. en NKK Corp. Voor Corus heeft de inbreuk geduurd van 1990 tot februari 1994.

18     Volgens artikel 4 van de beschikking worden „[d]e volgende geldboeten [...] opgelegd aan de in artikel 1 genoemde ondernemingen wegens de in hetzelfde artikel gestelde inbreuk:

1.      [Mannesmann] 13 500 000 EUR

2.      Vallourec [...] 8 100 000 EUR

3.      [Corus] 12 600 000 EUR

4.      Dalmine [...] 10 800 000 EUR

5.      Sumitomo [...] 13 500 000 EUR

6.      Nippon Steel [...] 13 500 000 EUR

7.      Kawasaki Steel Corp. [...] 13 500 000 EUR

8.      NKK Corp. [...] 13 500 000 EUR”.

 II – Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest

19     Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben zeven van de acht bij de litigieuze beschikking beboete ondernemingen, waaronder Sumitomo en Nippon Steel, hiertegen beroep ingesteld. Zij vorderden alle gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de beschikking en, subsidiair, intrekking of vermindering van de opgelegde geldboete.

20     In het bestreden arrest heeft het Gerecht:

–       artikel 1, lid 2, van de litigieuze beschikking nietig verklaard voor zover daarin is vastgesteld dat de aan rekwiranten in die zaken verweten inbreuk vóór 1 januari 1991 is begonnen en tot na 30 juni 1994 heeft voortgeduurd;

–       het bedrag van de aan elk van de rekwiranten opgelegde boete op 10 935 000 EUR vastgesteld;

–       het beroep voor het overige verworpen;

–       iedere partij in de eigen kosten verwezen.

 III – Procedure voor het Hof

21     In hogere voorziening concludeert Sumitomo tot:

–       gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest;

–       gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 en de artikelen 3 tot en met 6 van de litigieuze beschikking voor zover zij op haar betrekking hebben;

–       zo nodig, veroordeling van de Commissie tot schadeloosstelling voor de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht, ten bedrage van ten minste 1 012 332 EUR;

–       veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedures voor het Gerecht en voor het Hof.

22     In hogere voorziening concludeert Nippon Steel tot:

–       vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de beschikking, voor zover deze op haar betrekking hebben;

–       subsidiair, in het geval dat de hogere voorziening slechts gegrond wordt verklaard voor zover deze betrekking heeft op „project”‑transportbuizen, vermindering van de opgelegde boete met twee derde;

–       veroordeling van de Commissie in de kosten van de procedures voor het Gerecht en voor het Hof.

23     De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorzieningen af te wijzen en rekwiranten in de kosten te verwijzen.

24     Bij beschikking van de president van het Hof van 15 maart 2005 zijn de twee hogere voorzieningen gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

 IV – Hogere voorzieningen

25     Sumimoto voert ter ondersteuning van haar hogere voorziening twee middelen aan: ten eerste, onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de deelneming van de Japanse producenten aan de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk, en ten tweede, de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht.

26     Nippon Steel voert in wezen één enkel middel tot vernietiging aan, namelijk onjuiste rechtsopvatting bij de omschrijving van het vereiste bewijsniveau.

27     Het middel van Nippon Steel dient als eerste te worden onderzocht.

 A – Middel van Nippon Steel: onjuiste rechtsopvatting bij de omschrijving van het vereiste bewijsniveau

 1. Argumenten van partijen

28     In het eerste onderdeel van haar middel verwijt Nippon Steel het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rechtsgevolgen te verbinden aan het feit dat de Japanse producenten er geen commercieel belang bij hadden de gestelde inbreuk te plegen.

29     Het Gerecht heeft ten onrechte enkel vastgesteld dat het eventuele ontbreken van een commercieel belang irrelevant is wanneer het bestaan van de overeenkomst is vastgesteld. Volgens Nippon Steel heeft het feit dat de Japanse producenten geen enkele logische economische reden hadden om de vermeende overeenkomst te sluiten, met name omdat er voor de betrokken buizen handelsbarrières bestonden tussen de Japanse markt en de voornaamste Europese markten, tot gevolg dat er overtuigender bewijzen van het bestaan van de overeenkomst hadden moeten worden voorgelegd, dat wil zeggen bijzonder nauwkeurige, logische en betrouwbare aanwijzingen over alle wezenlijke bestanddelen van de inbreuk.

30     Wanneer er bovendien zoals in casu een alternatieve verklaring voor de gedragingen van de beschuldigde onderneming bestaat volgens welke deze verenigbaar is met de mededingingsregels, kan niet op basis van dubbelzinnige bewijzen worden geconcludeerd dat er een inbreuk is gepleegd. Nippon Steel beroept zich dienaangaande op het beginsel van het vermoeden van onschuld.

31     In het bijzonder kunnen de verklaringen van een onderneming die ervan wordt beschuldigd aan een mededingingsregeling te hebben deelgenomen en die worden betwist door andere – eveneens beschuldigde – ondernemingen, slechts als bewijs worden gebruikt indien alle wezenlijke bestanddelen van de mededingingsregeling zijn aangetoond aan de hand van bewijzen die losstaan van deze verklaringen. Nippon Steel beklemtoont in dit verband dat het communautaire mededingingsrecht, dat de ondernemingen de mogelijkheid biedt in ruil voor hun medewerking een vermindering van de geldboete te krijgen, een aanzienlijk risico van onnauwkeurige of valse verklaringen inhoudt.

32     Met het tweede onderdeel van haar middel verwijt Nippon Steel het Gerecht dat het niet heeft erkend dat een plausibele alternatieve verklaring voor het gedrag van de beschuldigde onderneming relevant is wanneer de bewijzen waarop de Commissie zich baseert, wegens hun dubbelzinnige karakter dienen te worden geïnterpreteerd. Aldus heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijsniveau en het beginsel van het vermoeden van onschuld geschonden.

33     Met het derde onderdeel van dit middel verwijt Nippon Steel het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met het dubbelzinnige karakter van de verklaringen van Verluca en evenmin met de tegenstrijdigheden tussen deze verklaringen en andere bewijselementen. Door geen hogere mate van bevestiging van deze verklaringen door de andere bewijselementen te eisen, zowel in termen van precisie als inhoudelijk, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en geen volledig rechterlijk toezicht op de juistheid van de door de Commissie vastgestelde feiten kunnen uitoefenen. Dienaangaande wijst Nippon Steel erop dat aan het vereiste dat eenieder toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), slechts kan worden voldaan indien de gemeenschapsrechter een dergelijk toezicht uitoefent.

34     Volgens het vierde onderdeel van het middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op tegenstrijdige en irrelevante gronden te concluderen dat de verklaringen van Becher die van Verluca met betrekking tot de gestelde inbreuk in verband met „project”-transportbuizen konden ondersteunen. Hoewel het Gerecht heeft erkend dat de verklaringen van Verluca enkel kunnen worden bevestigd door een stuk dat er niet mee in strijd is, heeft het een andere norm toegepast op de verklaringen van Becher, die de verklaringen van Verluca duidelijk tegenspreken.

35     De Commissie merkt op dat het tweede en het derde onderdeel van het middel slechts een herhaling vormen van bepaalde elementen van het eerste onderdeel. Deze drie onderdelen zijn hoe dan ook niet-ontvankelijk omdat zij niet kunnen slagen zonder dat de beoordeling van de feiten door het Gerecht in twijfel wordt getrokken en zij niet aantonen dat het Gerecht bewijselementen heeft verdraaid.

36     En zelfs al zouden deze onderdelen ontvankelijk zijn, dan nog zouden zij kennelijk ongegrond zijn voor zover zij betrekking hebben op de dubbelzinnigheid van de bewijselementen en het bestaan van plausibele alternatieve verklaringen daarvoor. Volgens de Commissie tonen de aanwijzingen waarop zij zich heeft gebaseerd, zoals de verklaringen van Verluca, de wezenlijke bestanddelen van de inbreuk ondubbelzinnig aan en is er geen plausibele alternatieve verklaring van de in de schriftelijke bewijzen gebruikte bewoordingen gegeven. Bijgevolg heeft het Gerecht de bewijzen met betrekking tot het bestaan van de inbreuk rechtens volkomen correct beoordeeld.

37     Volgens de Commissie is ook het vierde onderdeel van het middel niet-ontvankelijk omdat dit onderdeel, zo het al gegrond zou zijn, vernietiging van het bestreden arrest niet kan rechtvaardigen. Na in punt 333 van het bestreden arrest te hebben vastgesteld dat de verklaringen van Becher die van Verluca betreffende de „project”‑transportbuizen bevestigden, heeft het Gerecht immers in de punten 334 en 335 geoordeeld dat de verklaringen van Verluca hoe dan ook voldoende bewijs opleverden van een marktverdelingsovereenkomst tussen de leden van de Europa‑Japan‑club die niet enkel betrekking had op standaard‑OCTG‑buizen, maar ook op „project”‑transportbuizen.

 2. Beoordeling door het Hof

 a) Eerste onderdeel van het middel

38     Het Hof is in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen (arrest van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, Jurispr. blz. I‑3111, punt 22). Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van een verdraaiing van de voor het Gerecht overgelegde bewijzen, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C‑53/92 P, Jurispr. blz. I‑667, punt 42, en 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 49).

39     De controlebevoegdheid van het Hof ten aanzien van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht strekt zich dus met name uit tot de uit de processtukken voortvloeiende feitelijke onjuistheid van deze vaststellingen, de verdraaiing van de bewijzen en de juridische kwalificatie daarvan, en tot de vraag of de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen (arresten van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, Jurispr. blz. I‑23, punten 47, 61 en 117, en 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, Jurispr. blz. I‑3173, punten 51 en 52).

40     Het eerste onderdeel van het middel betreft in wezen de vraag of het ontbreken van een commercieel belang om de gestelde inbreuk te plegen, voor het Gerecht aanleiding had moeten zijn tot een waardering van het bewijsmateriaal volgens andere criteria dan het heeft toegepast. Anders dan de Commissie stelt, is dit onderdeel van het middel ontvankelijk. De vraag of het Gerecht bij de beoordeling van de bewijselementen de juiste rechtsregel heeft toegepast, is immers een rechtsvraag.

41     Wat de gegrondheid van dit onderdeel van het middel betreft, dienen de punten van het bestreden arrest te worden onderzocht waarin het Gerecht de beginselen inzake bewijslast en bewijsvoering uiteenzet die het heeft toegepast.

42     In punt 179 van het bestreden arrest heeft het Gerecht herinnerd aan de rechtspraak dat de Commissie voldoende nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen dient aan te voeren die de overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk is gepleegd. In punt 180 van het arrest heeft het beklemtoond dat het voldoende is dat de door de Commissie aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet. Verder heeft het in punt 181 eraan herinnerd dat uit de tekst zelf van artikel 81, lid 1, EG volgt dat overeenkomsten tussen ondernemingen ongeacht hun gevolgen verboden zijn wanneer zij een mededingingsverstorend doel hebben.

43     Hieruit leidt het Gerecht in de punten 183 en 184 van het bestreden arrest af dat het argument van Nippon Steel dat de betrokken overeenkomst geen gevolgen heeft gehad, ook al zou dit gegrond zijn, niet kan leiden tot nietigverklaring van artikel 1 van de litigieuze beschikking. Dienaangaande heeft het Gerecht erop gewezen dat het in zijn arrest van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie (T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95−T‑32/95, T‑34/95−T‑39/95, T‑42/95−T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95−T‑65/95, T‑68/95−T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 1085‑1088), reeds geoordeeld had dat overeenkomsten die de eerbiediging van de thuismarkten beogen, op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 81, lid 1, EG zijn verboden, en dat dit doel niet kan worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarbinnen de betrokken mededingingsverstorende gedragingen zijn verricht.

44     In punt 185 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het voor het bestaan van de inbreuk irrelevant is of de Japanse producenten er al dan niet commercieel belang bij hadden om de overeenkomst te sluiten.

45     Zoals de advocaat-generaal in de punten 190 en volgende van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de redenering van het Gerecht in overeenstemming met het recht. Zij beantwoordt aan vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 28 maart 1984, CRAM en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 20; 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 123, en 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P−C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 508). Het argument van Nippon Steel dat het bestaan van een plausibele alternatieve verklaring voor het gelaakte optreden, namelijk het ontbreken van een commercieel belang, voor het Gerecht aanleiding had moeten zijn om striktere eisen te stellen aan de voor te leggen bewijzen, is in strijd met deze rechtspraak.

46     Het Gerecht heeft dus terecht vastgesteld dat, wanneer de Commissie erin geslaagd is bewijsstukken met betrekking tot de gestelde inbreuk te verzamelen en deze voldoende bewijs opleveren van het bestaan van een mededingingsverstorende overeenkomst, niet hoeft te worden nagegaan of de beschuldigde onderneming een commercieel belang had bij het sluiten van deze overeenkomst.

47     Wat in het bijzonder mededingingsverstorende overeenkomsten betreft waarvan, zoals in casu, blijkt tijdens bijeenkomsten van concurrerende ondernemingen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat er sprake is van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG wanneer die bijeenkomsten tot doel hebben de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en aldus een kunstmatige regulering van de werking van de markt beogen (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 508 en 509). In een dergelijk geval volstaat het voor de Commissie om aan te tonen dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, om de deelneming van deze onderneming aan de mededingingsregeling te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, staat het aan deze onderneming om aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (arrest van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punt 155, en arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 81).

48     Aan deze regel ligt de redenering ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 82).

49     In casu heeft Nippon Steel evenwel noch formeel ontkend dat zij aan de bijeenkomsten van de Europa-Japan-club heeft deelgenomen, noch elementen aangevoerd waaruit blijkt dat haar deelneming aan deze bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had en niet was gericht op de afscherming van de nationale markten.

50     Het Gerecht heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beschikbare stukken te analyseren als volgt:

„194      [...] de Japanse verzoeksters [ontkennen] niet [...] dat vertegenwoordigers van de Japanse en de Europese producenten van naadloze stalen buizen zijn bijeengekomen [...] Bovendien ontkennen JFE-NKK, JFE-Kawasaki en Sumitomo niet aan deze bijeenkomsten te hebben deelgenomen, maar stellen zij dat de enige informatie waarover zij dienaangaande beschikken is gebaseerd op herinneringen van hun werknemers, die weinig betrouwbaar zijn, aangezien deze bijeenkomsten lang geleden hebben plaatsgevonden.

195      Nippon [Steel] van haar kant stelt dat, voor zover zij weet, geen van haar huidige werknemers aan dergelijke bijeenkomsten heeft deelgenomen; zij kan evenwel naar eigen zeggen niet uitsluiten dat bepaalde van haar ex-werknemers eraan hebben deelgenomen. Eén bepaald punt uit het antwoord van Nippon [Steel] van 4 december 1997 op bijkomende vragen van de Commissie, namelijk het feit dat [X], verantwoordelijke voor de export van stalen buizen, van 14 tot en met 17 maart 1994 in opdracht van zijn werkgever naar Cannes is gegaan, ondersteunt evenwel de stelling van de Commissie dat Nippon [Steel] aan de betrokken bijeenkomsten heeft deelgenomen, aangezien een van de bijeenkomsten van de Europa-Japan-club waarover Verluca heeft gesproken, op 16 maart 1994 te Cannes is gehouden [...] In datzelfde antwoord stelt Nippon [Steel] dat zij het doel van die opdracht, noch het doel van andere opdrachten van haar werknemers te Florence kan verklaren, aangezien zij in deze twee steden geen klanten had.

196      In deze omstandigheden is de Commissie terecht tot de conclusie gekomen dat de Japanse verzoeksters waar Verluca in zijn verklaring van 14 oktober 1996 naar heeft verwezen [...], daaronder begrepen Nippon [Steel], daadwerkelijk aan de door hem beschreven bijeenkomsten van de Europa-Japan-club hebben deelgenomen.

[...]

201      Aangaande het argument dat het tijdens de bijeenkomsten van de Europa-Japan-club nooit ging over de markten van de Gemeenschap, dient te worden opgemerkt dat, ook al werden volgens Verluca tijdens deze bijeenkomsten de grote gebeurtenissen besproken die een weerslag hadden op de markt van de aardolieproducten (Amerikaanse VRA [Voluntary Restraint Agreement], politieke omwentelingen in de USSR, ontwikkelingen in China ...), dit niet wegneemt dat tijdens deze bijeenkomsten ook werd vastgesteld dat de hierboven genoemde fundamentele regels zijn toegepast. Zo blijkt uit de verklaring van Verluca van 17 september 1996 dat de toepassing van de fundamentele regels, die met name inhielden dat de Japanse verzoeksters van de vier thuismarkten van de communautaire producenten moesten wegblijven, tijdens deze bijeenkomsten een van de gespreksonderwerpen vormde.

202      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie tot taak heeft sancties wegens inbreuken op artikel 81, lid 1, EG op te leggen, en dat overeenkomsten die betrekking hebben op het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen volgens artikel 81, lid 1, sub c, EG uitdrukkelijk verboden zijn op grond van deze bepaling. De Commissie hoeft dus enkel aan te tonen dat een overeenkomst tussen ondernemingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, ertoe strekte of ten gevolge had dat de communautaire markten voor een of meerdere producten tussen hen werden verdeeld, opdat deze overeenkomst een inbreuk zou vormen.

203      Ook dient te worden opgemerkt dat de Commissie in de praktijk vaak verplicht is het bestaan van de inbreuk in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt. De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een ongeoorloofde marktverdelingsovereenkomst is gesloten [...], maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt [...] Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken, indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een ongeoorloofde overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsverstorend doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. [...]

[...]

205      Dienaangaande dient te worden aangenomen dat, anders dan de Japanse verzoeksters stellen, de verklaringen van Verluca niet alleen betrouwbaar zijn, maar ook een bijzonder grote bewijskracht hebben, aangezien zij in naam van Vallourec zijn afgelegd. [...]

[...]

207      In elk geval was Verluca een directe getuige van de door hem beschreven omstandigheden. De Commissie heeft immers [...] onweersproken verklaard, dat Verluca als president van Vallourec Oil & Gas zelf aan bijeenkomsten van de Europa-Japan-club had deelgenomen.”

51     Vastgesteld dient te worden dat deze beoordeling van de bewijselementen in overeenstemming is met vaste rechtspraak. Zoals het Hof reeds in andere zaken heeft opgemerkt, is het immers gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zijn die dus doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 55‑57).

52     Voor zover Nippon Steel zich in het eerste onderdeel van het middel ook baseert op het beginsel van het vermoeden van onschuld en op het risico van onnauwkeurige of valse verklaringen van beschuldigde concurrenten, hoeft er slechts aan te worden herinnerd, zoals het Gerecht in de punten 177 tot en met 179 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat twijfels weliswaar in het voordeel dienen te spelen van de beschuldigde onderneming, maar dat niets zich verzet tegen de vaststelling van een inbreuk zodra deze is aangetoond.

53     Ten slotte wijst niets in de stukken erop dat het Gerecht bij het onderzoek en de beoordeling van de bewijselementen de draagwijdte ervan heeft verdraaid of dat het bestreden arrest een feitelijke onjuistheid bevat.

54     Uit een en ander volgt dat het Gerecht, door bovengenoemde criteria inzake de bewijslast en de bewijsvoering toe te passen en te oordelen dat in casu aan deze criteria is voldaan, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

55     Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het middel te worden afgewezen.

 b) Tweede onderdeel van het middel

56     Het tweede onderdeel van het middel gaat uit van de premisse dat de bewijselementen dubbelzinnig zijn. Zoals reeds bij het onderzoek van het eerste onderdeel van het middel is opgemerkt, kan de beoordeling door het Gerecht van de bewijskracht van de overgelegde stukken in beginsel voor het Hof niet in twijfel worden getrokken, behoudens in het geval van schending van de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering en van verdraaiing van deze bewijzen (zie ook arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 49 en 66, en 2 oktober 2003, Salzgitter/Commissie, C‑182/99 P, Jurispr. blz. I‑10761, punt 43). Zo kan in casu de beoordeling van het Gerecht, dat de bewijselementen niet dubbelzinnig waren, maar juist nauwkeurig en overeenstemmend en de overtuiging konden dragen dat de inbreuk was gepleegd, niet worden aangevochten.

57     Voor zover Nippon Steel deze beoordeling van het Gerecht in twijfel trekt, is haar betoog dus niet-ontvankelijk.

58     Verder is het argument van Nippon Steel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de alternatieve, plausibele en met de mededingingsregels verenigbare verklaring voor het gedrag van de Japanse producenten irrelevant is, in wezen gelijk aan het in het kader van het eerste onderdeel van het middel verworpen argument dat het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat het feit dat de Japanse producenten mogelijkerwijs geen commercieel belang hadden bij het plegen van de gestelde inbreuk, irrelevant is indien het bestaan van de overeenkomst is aangetoond.

59     Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het middel worden afgewezen.

 c) Derde onderdeel van het middel

60     Met dit onderdeel van het middel verwijt Nippon Steel het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden, ten eerste, met het dubbelzinnige karakter van de verklaringen van Verluca en, ten tweede, met de tegenstrijdigheden tussen deze verklaringen en andere bewijselementen, met name de verklaringen van Becher.

61     In zijn verklaring van 17 september 1996 heeft Verluca erkend dat de nationale markten van de deelnemers aan de overeenkomst „werden beschermd”, met uitzondering van de offshoremarkt van het Verenigd Koninkrijk, die „half beschermd” was. De producten waarop de overeenkomst van toepassing was, waren volgens hem standaard-OCTG-buizen en „project”-transportbuizen. Wat de duur van de overeenkomst betreft, heeft de betrokkene verklaard dat „[d]eze contacten voor het eerst zijn gelegd na de ineenstorting van de markt in 1977” en „iets meer dan een jaar geleden zijn beëindigd”. Wat de werking van de overeenkomst in de praktijk betreft, werden er volgens Verluca „in beginsel tweemaal per jaar bijeenkomsten gehouden [...] Daarop werden de grote gebeurtenissen besproken die een weerslag hadden op de markt van de aardolieproducten [...] Er werd in het algemeen vastgesteld dat er een grote kloof bestond tussen de wereldcapaciteit voor buizen en de vraag, en dat de hierboven genoemde fundamentele regels werden toegepast.”

62     Naar aanleiding van een ondervraging tijdens een nieuwe verificatie bij Vallourec op 18 december 1997 heeft Verluca het volgende verklaard:

„–      De betrokken producenten van de Europa-Japan-club namen voor internationale aanbestedingen een benaderende verdeelsleutel voor de loutere standaardproducten in acht.

–       In deze context werden indicatieve prijslijsten opgesteld die als basis dienden voor de offertes die in het kader van deze aanbestedingen werden ingediend [...]

–       Deze lijsten werden nu en dan geactualiseerd (‚NL’: New List) en stelden de individuele producenten in staat de prijs te bepalen die zij dienden voor te stellen om een opdracht binnen te halen (‚WP’: Winning Price). [...]

–       De Franse, de Duitse en de Italiaanse markt werden als thuismarkten beschouwd. Het [Verenigd Koninkrijk] had een bijzonder statuut (zie mijn verklaring van 17 september 1996).”

63     Becher heeft het volgende verklaard:

„–      Bij mijn weten [...] bestaan de ‚fundamentele regels’ in overeenkomsten betreffende OCTG-buizen en ‚project’‑transportbuizen die in wezen de bescherming van de verschillende nationale markten beogen. Dat betekent dat in die sectoren de Japanse producenten niet tot de Europese markten mochten toetreden, terwijl de Europese producenten hun producten niet in Japan mochten leveren [...]

–       Naast deze mededingingsregelingen, die rechtstreeks betrekking hadden op de verschillende nationale markten, bestonden er kennelijk nog andere, bijkomende overeenkomsten voor andere landen. [...]

–       Voor de andere markten waarvoor wereldwijd offerteaanvragen waren gepubliceerd, waren bepaalde hoeveelheden overeengekomen die respectievelijk door de Japanse en de Europese producenten konden worden geleverd, wat toentertijd werd aangeduid met de term ‚verdeelsleutel’ (‚sharing key’). Het doel was duidelijk de te leveren hoeveelheden op het bestaande niveau te handhaven. [...]”

64     Wat de eerste in dit onderdeel van het middel opgeworpen grief inzake het dubbelzinnige karakter van de verklaringen van Verluca betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat het Gerecht deze verklaringen als een nauwkeurig bewijselement heeft beschouwd. Het heeft meer bepaald in punt 193 van het bestreden arrest vastgesteld dat „de term ‚échanges’ in de verklaring van Verluca van 17 september 1996 [...] erop wijst dat er contacten zijn geweest tussen de Japanse en de Europese producenten van stalen buizen”, en in punt 201 dat „uit de verklaring van Verluca van 17 september 1996 [blijkt] dat de toepassing van de fundamentele regels, die met name inhielden dat de Japanse verzoeksters van de vier thuismarkten van de communautaire producenten moesten wegblijven, tijdens [de] bijeenkomsten [van de Europa-Japan-club] een van de gespreksonderwerpen vormde”.

65     Gelet op de in de punten 38, 39 en 56 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, kan deze beoordeling door het Gerecht van de verklaringen van Verluca voor het Hof niet in twijfel worden getrokken, behoudens in het geval van schending van de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering en van verdraaiing van deze verklaringen of van feitelijke onjuistheden. Nippon Steel heeft evenwel geen enkel argument aangevoerd waaruit blijkt dat bovengenoemde conclusies die het Gerecht uit de verklaringen van Verluca heeft getrokken, feitelijk onjuist zijn, een verdraaiing van deze verklaringen inhouden of blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

66     Verder blijkt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het middel dat het Gerecht bij de beoordeling van de stukken evenmin de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering heeft geschonden.

67     Bijgevolg dient de eerste grief, inzake het dubbelzinnige karakter van de verklaringen van Verluca, te worden afgewezen.

68     Wat de tweede in het derde onderdeel van het middel opgeworpen grief betreft, dient te worden vastgesteld dat het Gerecht bij de beoordeling van de bewijselementen rekening heeft gehouden met het bestaan van een zekere discrepantie tussen de verklaringen van Verluca en bepaalde andere bewijselementen. Zo heeft het Gerecht in punt 302 van het bestreden arrest vastgesteld dat „het feit dat Becher heeft ontkend dat de fundamentele regels een intra-Europees aspect hadden, in die zin dat de Europese producenten verplicht waren van elkaars thuismarkten weg te blijven, enigszins [afdoet] aan de bewijskracht van zijn verklaring als bewijselement ter ondersteuning van de verklaringen van Verluca”.

69     Vervolgens heeft het Gerecht onderzocht of de verklaringen van Verluca ondanks deze discrepantie op voldoende nauwkeurige wijze werden bevestigd door de verklaringen van Becher.

70     In het kader van dit onderzoek heeft het Gerecht met betrekking tot de verklaringen van Verluca het volgende opgemerkt:

„219      [...] volgens de rechtspraak van het Gerecht [kan] de verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet [...] worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijselementen wordt gestaafd. Bijgevolg moeten de verklaringen van Verluca, hoe betrouwbaar ook, door andere bewijselementen worden gestaafd om het bestaan van de door artikel 1 van de litigieuze beschikking bestrafte inbreuk te kunnen aantonen.

220      Gezien hun betrouwbaarheid behoeven de verklaringen van Verluca evenwel een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest. Mocht aldus worden vastgesteld dat het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de door Verluca genoemde, in artikel 1 van de [litigieuze] beschikking vastgestelde marktverdelingsovereenkomst steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kunnen zijn verklaringen overeenkomstig de [...] regel [...] die is ontleend aan het hierboven [...] aangehaalde [arrest Cimenteries CBR e.a./Commissie] (punt 1838), op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de [litigieuze] beschikking. Bovendien volstaat het dat een stuk, voor zover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaringen van Verluca over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de marktverdelingsovereenkomst, wezenlijke onderdelen van de door hem beschreven overeenkomst bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaringen in het kader van de reeks bewijselementen à charge [...]”

71     In het licht van deze overwegingen heeft het Gerecht de verklaringen van Becher geanalyseerd. Dienaangaande heeft het in punt 302 van het bestreden arrest vastgesteld dat „[Becher] ondubbelzinnig [heeft] bevestigd dat de Europese en de Japanse producenten een marktverdelingsovereenkomst voor OCTG-buizen en ‚project’-transportbuizen hadden gesloten [...] Aldus bevestigt zijn verklaring die van Verluca met betrekking tot dit aspect van de inbreuk, en dus met betrekking tot het feit dat de Japanse verzoeksters betrokken waren bij een marktverdelingsovereenkomst waarbij zij zich ertoe verbonden geen standaard-OCTG-buizen en ‚project’-transportbuizen op de communautaire markten in de handel te brengen. [...] Ten slotte wordt de bewijskracht van de verklaring van Mannesmann in casu nog versterkt door het feit dat zij ook de verklaring van Verluca bevestigt dat er een verdeelsleutel bestond voor de gunning van internationale opdrachten op de markten van derde landen [...]”

72     Na dit vergelijkende onderzoek van de voornaamste bewijselementen overeenkomstig de in het kader van het eerste onderdeel van het middel onderzochte vereisten inzake bewijslast en bewijsvoering, is het Gerecht tot de volgende conclusie gekomen:

„332      Uit de meeste elementen van deze reeks aanwijzingen blijkt niet duidelijk op welke naadloze stalen buizen deze verdeling betrekking had, maar er blijkt wel ondubbelzinnig uit dat standaard-OCTG-buizen deel uitmaakten van de bedoelde producten. De specifieke verwijzingen naar deze producten in [...] het document Verdeelsleutel en het antwoord van Mannesmann, alsook de niet verder gespecificeerde verwijzingen naar OCTG-buizen in het algemeen in andere door de Commissie genoemde documenten, bevestigen immers klaar en duidelijk de verklaringen van Verluca, volgens welke de fundamentele regels voor deze producten golden.

333      Wat de ‚project’-transportbuizen betreft, is er één enkel bewijselement, namelijk het door Becher in naam van Mannesmann gegeven antwoord, dat de verklaring van Verluca dat de ongeoorloofde overeenkomst ook gold voor ‚project’-transportbuizen, ondubbelzinnig bevestigt. Aangezien evenwel dit antwoord bijzonder bewijskrachtig is, [...] dient te worden geoordeeld dat het volstaat om de verklaringen van Verluca met betrekking tot deze producten, die op zich reeds erg betrouwbaar zijn [...], te bevestigen.

334      In elk geval is reeds geoordeeld dat, indien de door de Commissie aangevoerde reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen het bewijs vormen van het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de door Verluca genoemde marktverdelingsovereenkomst die in artikel 1 van de [litigieuze] beschikking is vastgesteld, diens verklaringen [...] op zich kunnen volstaan als bewijs van andere aspecten van de [litigieuze] beschikking. Zoals hierboven in de punten 330 en 332 reeds is geoordeeld, volstaat de door de Commissie aangevoerde reeks aanwijzingen om de verklaringen van Verluca op meerdere punten, met name met betrekking tot standaard-OCTG-buizen, te bevestigen.

335      In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de verklaringen van Verluca duidelijk op waarheid berusten, en dat deze verklaringen dus voldoende bewijs opleveren dat de overeenkomst tot verdeling van de thuismarkten van de leden van de Europa-Japan-club niet enkel betrekking had op standaard-OCTG-buizen, zoals blijkt uit verschillende andere bewijselementen, maar ook op ‚project’-transportbuizen. Er is immers geen enkele reden om aan te nemen dat Verluca, die persoonlijk kennis had van de feiten, onjuiste verklaringen over transportbuizen zou hebben afgelegd, terwijl andere bewijselementen zijn verklaringen over het bestaan van de overeenkomst en de toepassing ervan op standaard-OCTG-buizen bevestigen.”

73     Anders dan Nippon Steel stelt, volgt uit deze passages van het bestreden arrest dat een volledige rechterlijke toetsing van de juistheid van de door de Commissie vastgestelde feiten door het Gerecht heeft plaatsgevonden. Het Gerecht heeft bovendien de verschillen en de overeenkomsten tussen de verklaringen van Verluca en Becher afgewogen en terecht geconcludeerd dat de verklaringen van Becher die van Verluca met betrekking tot het bestaan van de in artikel 1 van de litigieuze beschikking vastgestelde inbreuk bevestigden.

74     Voor het overige kan het Gerecht niet worden verweten dat het een te geringe mate van bevestiging heeft geëist. Dienaangaande volstaat de vaststelling dat de hierboven uiteengezette redenering van het Gerecht geenszins afwijkt van de toepasselijke criteria inzake bewijslast en bewijsvoering, zoals omschreven in de punten 42 tot en met 48 en 51 van het onderhavige arrest.

75     De tweede in het derde onderdeel van het middel opgeworpen grief is dus eveneens ongegrond.

76     Het derde onderdeel van het middel moet dus worden afgewezen.

 d) Vierde onderdeel van het middel

77     Wat het vierde onderdeel van het middel betreft, dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, een rechtsvraag is die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden opgeworpen (arresten van 7 mei 1998, Somaco/Commissie, C‑401/96 P, Jurispr. blz. I‑2587, punt 53, en 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 25). Dit onderdeel van het middel is dus ontvankelijk.

78     Ter beantwoording van de argumenten van Nippon Steel dient te worden nagegaan of het oordeel van het Gerecht, dat de verklaringen van Becher die van Verluca met betrekking tot de inbreuk betreffende „project”-transportbuizen bevestigen, is gebaseerd op een toereikende en coherente motivering.

79     Zoals het Gerecht in punt 290 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, heeft Becher aan de inspecteurs van de Commissie geantwoord dat de fundamentele regels betrekking hadden op OCTG-buizen en „project”‑transportbuizen. Uit deze vaststelling van het Gerecht en uit de inhoud van de in de punten 61 tot en met 63 van het onderhavige arrest geciteerde verklaringen van Verluca en Becher volgt dat deze verklaringen met elkaar overeenstemmen wat de materiële omvang van de inbreuk betreft. Het feit dat Becher heeft bevestigd dat zijn onderneming betrokken was geweest bij een marktverdelingsovereenkomst die ook betrekking had op „project”‑transportbuizen, kon voor het Gerecht voldoende reden zijn om diens antwoord, voor zover dit betrekking had op deze buizen, te beschouwen als een bevestiging van de verklaringen van Verluca van 17 september 1996, volgens welke de overeenkomst betrekking had op standaard-OCTG-buizen en „project”‑transportbuizen.

80     Hieruit volgt dat de motivering van het bestreden arrest niet als tegenstrijdig of ontoereikend kan worden aangemerkt.

81     Voor zover ten slotte Nippon Steel in het vierde onderdeel van het middel het Gerecht verwijt, de regels inzake bewijsvoering onjuist te hebben toegepast, kan worden volstaan met de vaststelling dat haar betoog in wezen een herhaling vormt van de argumenten die zij heeft aangevoerd in de andere onderdelen van dit middel, die alle ongegrond zijn.

82     Het vierde onderdeel van het middel kan dus niet worden aanvaard.

83     Bijgevolg moet het middel in zijn geheel worden afgewezen.

84     Uit al het voorgaande volgt dat de hogere voorziening van Nippon Steel dient te worden afgewezen.

 B – Eerste middel van Sumitomo: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de deelneming van de Japanse producenten aan de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk

 1. Argumenten van partijen

85     Volgens Sumitomo heeft het Gerecht in verschillende opzichten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Japanse producenten aan de in artikel 1 van de litigieuze beschikking vastgestelde inbreuk hebben deelgenomen, zowel met betrekking tot de standaard-OCTG-buizen als met betrekking tot de „project”-transportbuizen.

86     Dienaangaande neemt Sumitomo de argumenten over die Nippon Steel in hogere voorziening heeft aangevoerd, en voegt zij hier specifieke argumenten betreffende „project”-transportbuizen aan toe.

87     Volgens haar heeft het Gerecht de door Becher geleverde bewijzen verdraaid. Het heeft bovendien deze bewijzen juridisch onjuist gekwalificeerd, het gebruik van de verklaringen van Verluca en Becher op tegenstrijdige wijze gemotiveerd en de bewijslast omgedraaid.

88     Ten aanzien van de verklaringen van Becher stelt Sumitomo in de eerste plaats dat het Gerecht daaraan een onjuiste bewijswaarde heeft toegekend door vast te stellen dat deze verklaringen ondubbelzinnig het bestaan van een marktverdelingsovereenkomst met betrekking tot „project”-transportbuizen bevestigen. Het Gerecht had er rekening mee moeten houden dat Becher had gepreciseerd dat hij sprak over feiten die hadden plaatsgevonden voordat hij directeur van Mannesmann werd. Bovendien bleek uit de bewoordingen zelf van Becher dat hij twijfels had over de informatie die hem was gegeven.

89     Het Gerecht heeft ook ten onrechte de verklaringen van Becher gekwalificeerd als een betrouwbaar bewijselement dat de verklaringen van Verluca van 17 december 1996 ondersteunde, hoewel het heeft erkend dat Becher ten onrechte het intra-Europese aspect van de fundamentele regels heeft ontkend. Gelet op de vaststelling dat de verklaringen van Becher een belangrijke inhoudelijke onjuistheid bevatten, had het Gerecht niet bepaalde andere elementen daarvan ter ondersteuning van de verklaringen van Verluca mogen gebruiken.

90     Bovendien heeft het Gerecht volgens Sumitomo de regels inzake bewijsvoering geschonden door in punt 336 van het bestreden arrest te oordelen dat, „[g]esteld [...] dat de Japanse verzoeksters twijfel hadden kunnen doen rijzen over de vraag op welke specifieke producten de in artikel 1 van de litigieuze beschikking bestrafte overeenkomst betrekking had, wat niet is aangetoond, dient te worden opgemerkt dat deze beschikking, indien zij in haar geheel genomen aantoont dat de vastgestelde inbreuk betrekking had op een specifiek soort producten, en de bewijselementen vermeldt die deze conclusie staven, niet nietig kan worden verklaard op de loutere grond dat zij geen precieze en uitputtende opsomming bevat van alle soorten producten waarop de inbreuk betrekking had (zie, naar analogie, in het kader van een middel inzake ontoereikende motivering, arrest [van 14 mei 1998, Gruber + Weber/Commissie, T‑310/94, Jurispr. blz. II‑1043], punt 214). [...]” Door op grond van deze redenering vast te stellen dat de Commissie een inbreuk met betrekking tot „project”-transportbuizen had aangetoond, heeft het Gerecht de bewijslast omgedraaid.

91     Wat de verklaringen van Verluca betreft, betwist Sumitomo de redenering van het Gerecht in de hierboven in punt 70 aangehaalde punten 219 en 220 van het bestreden arrest, voor zover hieruit zou voortvloeien dat louter op basis van de verklaringen van Verluca kan worden gesteld dat de aan de Japanse producenten verweten gedragingen ook betrekking hadden op „project”-transportbuizen. Het standpunt dat het Gerecht in punt 220 van het bestreden arrest met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van Verluca heeft ingenomen, is hoe dan ook betwistbaar, aangezien het Gerecht in de punten 281 tot en met 284 en 349 van het arrest uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat deze verklaringen onjuistheden en onduidelijkheden bevatten. Gelet op het feit dat het Gerecht heeft vastgesteld dat de mededelingen van Verluca op bepaalde punten onbetrouwbaar waren, was het niet gerechtigd een andere benadering te volgen met betrekking tot een ander punt waarover eveneens gerede twijfel kon bestaan.

92     Ten slotte stelt Sumitomo dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er met betrekking tot „project”-transportbuizen een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG heeft plaatsgevonden, terwijl het op basis van de beschikbare bewijzen niet kon aangeven wanneer deze inbreuk was begonnen en wanneer zij was geëindigd.

93     De Commissie stelt om te beginnen dat Sumitomo de omvang van de hogere voorziening niet mag uitbreiden door de argumenten die Nippon Steel in haar memories heeft aangevoerd, over te nemen. De hogere voorziening van Sumitomo is dus niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking heeft op standaard-OCTG-buizen en de argumenten van Nippon Steel met betrekking tot „project”- transportbuizen overneemt.

94     Verder stelt de Commissie dat de argumenten van Sumitomo hooguit aantonen dat een andere plausibele beoordeling van de bewijselementen mogelijk was. Dat volstaat evenwel niet om de hogere voorziening te schragen, gelet op het feit dat Sumitomo er niet in geslaagd is de drie voornaamste gronden van het bestreden arrest te weerleggen, namelijk dat de verklaringen van Verluca op zich voldoende bewijs vormen, dat het ontbreken van andere specifieke bewijzen met betrekking tot de „project”-transportbuizen niet afdoet aan de vaststelling dat een inbreuk is gepleegd, en dat de verklaringen van Verluca zijn bevestigd door die van Becher.

95     De Commissie beklemtoont dat Sumitomo bepaalde vaststellingen van het Gerecht die op zich volstaan om het bestaan van de inbreuk bevestigen, niet heeft betwist. De hogere voorziening kan dus niet slagen. Zij is bovendien niet-ontvankelijk, aangezien de argumenten van Sumitomo in wezen slechts betrekking hebben op de beoordeling van de feiten. In het bijzonder levert de kritiek van Sumitomo op de vaststelling dat de verklaringen van Verluca betrouwbaar zijn, niet het bewijs op van enige onjuiste rechtsopvatting.

96     Hoe dan ook heeft het Gerecht de bewijselementen niet verdraaid en evenmin de bewijslast omgedraaid.

97     Ten slotte merkt de Commissie op dat de stelling van Sumitomo dat het bestreden arrest op tegenstrijdige en ontoereikende gronden is gebaseerd, slechts steunt op een algemene verwijzing naar de vorige punten van de hogere voorziening en om die reden dient te worden afgewezen.

 2. Beoordeling door het Hof

98     Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of Sumitomo de in de memories van Nippon Steel aangevoerde argumenten kon overnemen. Zoals hierboven reeds is geoordeeld, is het betoog van Nippon Steel immers hoe dan ook ongegrond.

99     Wat het betoog van Sumitomo betreft, dient te worden vastgesteld dat dit er in wezen toe strekt de door het Gerecht aan de verklaringen van Verluca en Becher toegekende bewijswaarde in twijfel te trekken, door aan te tonen dat deze verklaringen niet betrouwbaar of althans minder geloofwaardig zijn dan het Gerecht heeft geoordeeld.

100   Zoals de advocaat-generaal in de punten 88 tot en met 92 van zijn conclusie heeft opgemerkt en zoals blijkt uit de in punt 56 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, zijn deze argumenten slechts ontvankelijk voor zover zij geen verkapt middel vormen om een heronderzoek van de feiten door het Hof uit te lokken.

101   Wat de aan de verklaringen van Becher toegekende bewijswaarde betreft, kan het argument van Sumitomo dat het Gerecht de bewijskracht van deze verklaringen anders had moeten beoordelen omdat Becher geen persoonlijke kennis had van de vermeende inbreuk, door het Hof worden onderzocht.

102   In punt 297 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verklaard dat, „[w]anneer [...], zoals in casu in het geval van Mannesmann, een persoon die geen persoonlijke kennis heeft van de relevante feiten, als vertegenwoordiger van een vennootschap een verklaring aflegt waarin hij erkent dat deze samen met andere ondernemingen een inbreuk heeft gepleegd, [...] hij zich noodzakelijkerwijs baseert op informatie die is verstrekt door deze vennootschap en in het bijzonder door haar werknemers die persoonlijk kennis hebben van de betrokken praktijken. [...] verklaringen die ingaan tegen de eigen belangen van degene die ze aflegt, [moeten] in beginsel als bewijskrachtig worden beschouwd, zodat in casu aan de verklaring van Becher aanzienlijk belang moet worden gehecht.”

103   Uit dit punt blijkt dat het Gerecht bij de beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van Becher wel degelijk rekening heeft gehouden met het feit dat deze niet persoonlijk kennis had van de betrokken inbreuk. Bovendien houdt de redenering van het Gerecht in dit punt geen schending in van de regels inzake bewijslast en bewijsvoering. Zoals de advocaat-generaal in punt 119 van zijn conclusie heeft opgemerkt, loopt een persoon die als vertegenwoordiger van een vennootschap een verklaring aflegt waarin hij erkent dat deze samen met andere ondernemingen een inbreuk heeft gepleegd, aanzienlijke juridische en economische risico’s, wat het bijzonder onwaarschijnlijk maakt dat hij deze zou afleggen zonder te beschikken over informatie die hem is verstrekt door werknemers van deze onderneming die persoonlijk kennis hebben van de betrokken praktijken. Het feit dat de vertegenwoordiger van de vennootschap zelf geen persoonlijke kennis heeft van de feiten, doet bijgevolg niet af van de bewijswaarde die het Gerecht aan een dergelijke verklaring mocht toekennen.

104   Wat de andere argumenten van Sumitomo betreft, namelijk dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de verklaringen van Becher en deze verklaringen en die van Verluca op incoherente wijze heeft gebruikt, dient te worden vastgesteld dat deze grotendeels overeenstemmen met de argumenten van Nippon Steel, die om de in de punten 68 tot en met 73, 79 en 80 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen ongegrond zijn verklaard. De argumenten van Sumitomo, die in wezen dezelfde zijn, kunnen om dezelfde redenen niet worden aanvaard.

105   Sumitomo’s betoog kan evenmin worden aanvaard waar zij het Gerecht verwijt dat het de bewijslast heeft omgekeerd door in punt 336 van het bestreden arrest te oordelen dat „[g]esteld [...] dat de Japanse verzoeksters twijfel hadden kunnen doen rijzen over de vraag op welke specifieke producten de in artikel 1 van de litigieuze beschikking bestrafte overeenkomst betrekking had, wat niet is aangetoond, dient te worden opgemerkt dat deze beschikking, indien zij in haar geheel genomen aantoont dat de vastgestelde inbreuk betrekking had op een specifiek soort producten, en de bewijselementen vermeldt die deze conclusie staven, niet nietig kan worden verklaard op de loutere grond dat zij geen precieze en uitputtende opsomming bevat van alle soorten producten waarop de inbreuk betrekking had”.

106   Zoals de advocaat-generaal in de punten 130 tot en met 132 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt duidelijk uit de aanhef van dit punt 336 van het bestreden arrest, „[g]esteld [...] dat [...], wat niet is aangetoond, [...]”, dat het gaat om een ten overvloede aangevoerde overweging van dit arrest die losstaat van de conclusies die het Gerecht in de hierboven in punt 72 aangehaalde punten 333 en 335 heeft getrokken. Volgens vaste rechtspraak wijst het Hof grieven tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht zonder meer af, omdat zij niet tot vernietiging van dit arrest kunnen leiden (beschikking van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C‑137/95 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 47; arrest van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C‑362/95 P, Jurispr. blz. I‑4775, punt 23).

107   Wat vervolgens de bewijskracht van de verklaringen van Verluca betreft, kan worden volstaan met de opmerking dat, zoals reeds is vastgesteld bij het onderzoek van het derde onderdeel van het middel van Nippon Steel, het Gerecht met zijn redenering in de punten 219 en 220 van het bestreden arrest, die door Sumitomo wordt betwist, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Hoe dan ook mocht het Gerecht, zoals de advocaat-generaal in punt 104 van zijn conclusie heeft opgemerkt, nadat het de verklaringen van Verluca als betrouwbaar had gekwalificeerd, ook oordelen dat deze verklaringen volstonden om de inbreuk te bewijzen voor zover zij door andere bewijselementen werden ondersteund, en dat deze verklaringen in dat geval voldoende waren om te kunnen concluderen tot het bestaan van een inbreuk met betrekking tot een bepaald product van de betrokken categorie.

108   Ten slotte doet het feit dat het Gerecht in punt 349 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de verklaringen van Verluca onvoldoende nauwkeurig zijn met betrekking tot de datum waarop de inbreuk is beëindigd, niets af aan de inhoudelijke betrouwbaarheid van deze verklaringen, die in het bestreden arrest is vastgesteld en door andere bewijselementen wordt bevestigd.

109   Aangezien geen van de door Sumitomo aangevoerde grieven kan worden aanvaard, dient het eerste middel te worden afgewezen.

 C – Tweede middel van Sumitomo: buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht

 1. Argumenten van partijen

110   Sumitomo bekritiseert de lange duur van de procedure voor het Gerecht. Deze heeft vier jaar en drie maanden geduurd. Zij wijst erop dat twee jaren zijn verstreken tussen het einde van de schriftelijke procedure en het besluit de mondelinge procedure te openen, en bijna zestien maanden tussen de beëindiging van de mondelinge procedure en de uitspraak van het arrest. Bovendien zijn er twee jaren verlopen tussen het verzoek van de Commissie om maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten en het verzoek van het Gerecht aan de Commissie om een geconsolideerd dossier in te dienen.

111   De duur van de procedure voor het Gerecht was derhalve in strijd met artikel 6, lid 1, EVRM.

112   De duur van de behandeling van het beroep door het Gerecht was overigens in wezen langer dan die welke het Hof in het reeds aangehaalde arrest Baustahlgewebe/Commissie als buitensporig heeft aangemerkt. Vergeleken met de gemiddelde duur van de procedures die in soortgelijke zaken bij het Gerecht zijn ingeleid, heeft de behandeling van de onderhavige zaak bovendien onevenredig lang geduurd.

113   Sumitomo stelt dat zij door de duur van de procedure financiële schade heeft geleden. Een schadevergoeding van ten minste 1 012 332 EUR lijkt haar passend.

114   Volgens de Commissie heeft de procedure voor het Gerecht gelet op de omstandigheden van de zaak niet buitensporig lang geduurd.

 2. Beoordeling door het Hof

115   Het uit artikel 6, lid 1, EVRM afgeleide algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces, en inzonderheid op een proces binnen een redelijke termijn, is van toepassing op een beroep in rechte tegen een beschikking van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete is opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht (reeds aangehaalde arresten Baustahlgewebe/Commissie, punten 20 en 21, en Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 179, en arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10821, punt 154).

116   De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en van de bevoegde autoriteiten (reeds aangehaalde arresten Baustahlgewebe/Commissie, punt 29, en Thyssen Stahl/Commissie, punt 155).

117   Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd dat de lijst van deze criteria niet uitputtend is en dat een beoordeling van de redelijkheid van de termijn niet vereist dat de zaak stelselmatig aan al deze criteria wordt getoetst, wanneer de duur van de procedure volgens een van de criteria gerechtvaardigd lijkt. Zo kan de complexiteit van de zaak worden gezien als rechtvaardiging van een termijn die op het eerste gezicht te lang is (reeds aangehaalde arresten Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 188, en Thyssen Stahl/Commissie, punt 156).

118   In casu is de procedure voor het Gerecht begonnen met de neerlegging, op 1 april 2000, van het verzoekschrift waarmee Sumitomo het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking heeft ingeleid, en beëindigd op 8 juli 2004, de datum van uitspraak van het bestreden arrest. Zij heeft dus ongeveer vier jaar en drie maanden geduurd.

119   Een dergelijke duur lijkt op het eerste gezicht lang. Zoals de advocaat-generaal in de punten 151 en 159 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn echter vrijwel alle feiten die aan de beschikking van de Commissie ten grondslag lagen, tijdens de procedure in eerste aanleg bestreden en moesten deze dus worden onderzocht. De bewijswaarde van de beschikbare verklaringen en documenten diende te worden gewaardeerd. Bovendien vereisten de diverse maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht vanaf juni 2002 heeft genomen een voorafgaande analyse van de dossiers of althans van bepaalde delen ervan.

120   Verder hebben zeven ondernemingen, in drie procestalen, een beroep tot nietigverklaring van dezelfde beschikking ingesteld. Het bestreden arrest is gewezen op dezelfde dag als de drie andere arresten waarbij uitspraak is gedaan op de beroepen tegen de litigieuze beschikking.

121   Uit de voorgaande vaststellingen volgt dat de duur van de procedure die tot het bestreden arrest heeft geleid, met name kan worden toegeschreven aan het aantal ondernemingen dat aan de gelaakte mededingingsregeling heeft deelgenomen en beroep tegen de litigieuze beschikking heeft ingesteld, waardoor een parallel onderzoek van deze verschillende beroepen noodzakelijk was, alsook aan het grondige onderzoek van de stukken door het Gerecht en aan de door het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gestelde taaleisen.

122   Hieruit volgt dat de duur van de procedure voor het Gerecht gerechtvaardigd is door de bijzondere complexiteit van de zaak.

123   Het tweede middel van Sumitomo is dus ongegrond.

124   Aangezien alle door Sumitomo aangevoerde middelen falen, moet haar hogere voorziening worden afgewezen.

125   Gelet op een en ander moeten de hogere voorzieningen worden afgewezen.

 V – Kosten

126   Ingevolge artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien Sumitomo en Nippon Steel in het ongelijk zijn gesteld, dient Sumitomo te worden verwezen in de kosten in zaak C‑403/04 P en Nippon Steel in de kosten in zaak C‑405/04 P, overeenkomstig de vordering van de Commissie.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:

1)      De hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)      Sumitomo Metal Industries Ltd wordt verwezen in de kosten in zaak C‑403/04 P en Nippon Steel Corp. in de kosten in zaak C‑405/04 P.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.

Top