EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62003CJ0286

Arrest van het Hof (grote kamer) van 21 februari 2006.
Silvia Hosse tegen Land Salzburg.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberster Gerichtshof - Oostenrijk.
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Artikel 4, lid 2 ter - Bijzondere niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties - Oostenrijkse uitkering ter dekking van risico van hulpbehoevendheid - Kwalificatie van uitkering en toelaatbaarheid van woonplaatsvoorwaarde gelet op verordening nr. 1408/71 - Persoon die van verzekerde afgeleid recht heeft.
Zaak C-286/03.

Jurisprudentie 2006 I-01771

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2006:125

Zaak C‑286/03

Silvia Hosse

tegen

Land Salzburg

(verzoek van het Oberste Gerichtshof om een prejudiciële beslissing)

„Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikel 4, lid 2 ter – Bijzondere niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties – Oostenrijkse uitkering ter dekking van risico van hulpbehoevendheid – Kwalificatie van uitkering en toelaatbaarheid van woonplaatsvoorwaarde gelet op verordening nr. 1408/71 – Persoon die van verzekerde afgeleid recht heeft”

Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 20 oktober 2005 

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 februari 2006 

Samenvatting van het arrest

1.     Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gemeenschapsregeling – Uitlegging met inachtneming van doelstellingen van Verdrag

(Art. 39 EG–42 EG; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 2 ter, en bijlage II, afdeling III)

2.     Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gemeenschapsregeling – Materiële werkingssfeer – Daaronder vallende en daarvan uitgesloten uitkeringen – Onderscheidingscriteria

(Verordening nr.1408/71 van de Raad, art. 4, leden 1, sub a, en 2 ter)

3.     Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gemeenschapsregeling – Personele werkingssfeer

(Verordening nr.1408/71 van de Raad, art. 19)

1.     De krachtens artikel 42 EG vastgestelde bepalingen van verordening nr. 1408/71 moeten worden uitgelegd met inachtneming van het doel van dit artikel, namelijk bijdragen tot het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers. Het doel van de artikelen 39 EG, 40 EG, 41 EG en 42 EG zou niet worden bereikt indien de werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend, met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen.

In dit kader mag de gemeenschapswetgever weliswaar bepalingen vaststellen die afwijken van het beginsel dat socialezekerheidsuitkeringen exporteerbaar zijn, maar die afwijkende bepalingen, bijvoorbeeld artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71, dat bepaalde bijzondere prestaties uitsluit van de werkingssfeer van de verordening, moeten strikt worden uitgelegd. Dit betekent dat genoemd artikel slechts van toepassing kan zijn op prestaties die cumulatief aan de in het artikel vastgestelde voorwaarden voldoen, namelijk prestaties die zowel bijzonder zijn als niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, in bijlage II, afdeling III, van verordening nr. 1408/71 zijn vermeld, en zijn ingevoerd bij een wettelijke regeling die slechts op een gedeelte van het grondgebied van een lidstaat wordt toegepast.

(cf. punten 24‑25)

2.     Uit de opzet van verordening nr. 1408/71 volgt dat het begrip „socialezekerheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, van deze verordening, en het begrip „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie” in de zin van artikel 4, leden 2 bis en 2 ter, van die verordening, elkaar uitsluiten. Een uitkering die voldoet aan de voorwaarden van een „socialezekerheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 kan dus niet worden aangemerkt als een „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie”.

Geen bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 ter is dan ook een verzorgingsuitkering die op objectieve gronden wordt toegekend op basis van een bij wet vastgelegde situatie en die erop is gericht om in de vorm van een vaste bijdrage de extra kosten te compenseren die het gevolg zijn van de hulpbehoevendheid van de uitkeringsgerechtigde, in het bijzonder de kosten verbonden aan de hulp die hem moet worden verleend, aangezien deze uitkering in wezen erop is gericht een aanvulling te geven op de prestaties van de ziektekostenverzekering en moet worden beschouwd als „prestatie bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71.

(cf. punten 36, 38‑39, 46, dictum 1)

3.     Het gezinslid van een werknemer die in een lidstaat werkt en met zijn gezin in een andere lidstaat woont, kan, wanneer het aan de overige toekenningsvoorwaarden voldoet, bij het bevoegde orgaan van de plaats waar de werknemer werkt, aanspraak maken op een verzorgingsuitkering die erop is gericht om in de vorm van een vaste bijdrage de extra kosten te compenseren die het gevolg zijn van de hulpbehoevendheid van de uitkeringsgerechtigde, als uitkering bij ziekte als bedoeld in artikel 19 van verordening nr. 1408/71, mits het gezinslid geen recht heeft op een vergelijkbare uitkering uit hoofde van de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan het woont.

(cf. punt 56, dictum 2)




ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

21 februari 2006 (*)

„Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikel 4, lid 2 ter – Bijzondere niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties – Oostenrijkse uitkering ter dekking van risico van hulpbehoevendheid – Kwalificatie van uitkering en toelaatbaarheid van woonplaatsvoorwaarde gelet op verordening nr. 1408/71 – Persoon die van verzekerde afgeleid recht heeft”

In zaak C‑286/03,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 27 mei 2003, ingekomen bij het Hof op 3 juli 2003, in de procedure

Silvia Hosse

tegen

Land Salzburg,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Schiemann en J. Makarczyk, kamerpresidenten, J.‑P. Puissochet (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, P. Kūris, E. Juhász, G. Arestis en A. Borg Barthet, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: K. Sztranc, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 31 mei 2005,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–       Silvia Hosse, vertegenwoordigd door W. Riedl en P. Ringhofer, Rechtsanwälte,

–       het Land Salzburg, vertegenwoordigd door F. Hitzenbichler en B. Zettl, Rechtsanwälte,

–       de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl en M. Winkler als gemachtigden,

–       de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster en N. A. J. Bel als gemachtigden,

–       de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes en S. da Nóbrega Pizarro als gemachtigden,

–       de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde,

–       de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Jackson als gemachtigde, bijgestaan door E. Sharpston, QC,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en D. Martin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 oktober 2005,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, lid 2 ter, en 19 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 1399/1999 van de Raad van 29 april 1999 (PB L 164, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2434/92 van de Raad van 27 juli 1992 (PB L 245, blz. 1), en de artikelen 12 EG en 17 EG.

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Silvia Hosse, die de Duitse nationaliteit bezit, en het Land Salzburg. Hosse, wier vader in Oostenrijk werkt als leraar in het Land Salzburg, komt op tegen de weigering van het Land Salzburg om haar een verzorgingsuitkering toe te kennen op grond van het Salzburger Pflegegeldgesetz (hierna: „SPGG”).

 De toepasselijke bepalingen

 De communautaire wettelijke regeling

3       Artikel 1 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening:

a)      wordt onder ‚werknemer’ en onder ‚zelfstandige’ respectievelijk verstaan ieder:

i)      die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid voor werknemers of zelfstandigen of tot een bijzonder stelsel voor ambtenaren;

[...]

t)      worden onder ‚prestaties’, ‚uitkeringen’, ‚verstrekkingen’, ‚pensioenen’ en ‚renten’ verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon‑ of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, zulks behoudens het bepaalde in titel III, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten, en de terugstortingen van premies of bijdragen.

[...]”

4       Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat de personen definieert op wie de verordening van toepassing is, bepaalt:

„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der lidstaten [...] zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”

5       Artikel 3 van verordening nr. 1408/71, „Gelijkheid van behandeling”, bepaalt in lid 1:

„Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”

6       Artikel 4 van verordening nr. 1408/71, „Materiële werkingssfeer”, bepaalt:

„1.      Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

a)      prestaties bij ziekte en moederschap;

b)      prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;

c)      uitkeringen bij ouderdom;

d)      uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;

e)      prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;

f)      uitkeringen bij overlijden;

g)      werkloosheidsuitkeringen;

h)      gezinsbijslagen.

2.      Deze verordening is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, alsmede op de regelingen betreffende de verplichtingen van de werkgever of de reder met betrekking tot de in lid 1 bedoelde prestaties.

2 bis.          Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:

a)      ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, sub a tot en met h, bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;

b)      ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten.

2 ter. Deze verordening is niet van toepassing op bepalingen van de wetgeving van een lidstaat betreffende de in bijlage II, afdeling III, genoemde bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties die slechts op een gedeelte van zijn grondgebied worden toegekend.

[...]”

7       Bijlage II, afdeling III, sub K, van verordening nr. 1408/71 vermeldt voor Oostenrijk:

„Prestaties uit hoofde van de wetgeving van de Bundesländer voor gehandicapten en personen die zorg behoeven.”

8       Artikel 19 van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:

„1.      De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere lidstaat dan de bevoegde staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, heeft in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op:

a)      verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;

b)      uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat.

2.      Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat wonen, voorzover zij krachtens de wettelijke regeling van de staat, op het grondgebied waarvan zij wonen, geen recht op deze prestaties hebben.

Ingeval de gezinsleden wonen op het grondgebied van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid, worden de hun verleende verstrekkingen geacht te zijn verleend voor rekening van het orgaan waarbij de werknemer of zelfstandige is aangesloten, behalve wanneer de echtgeno(o)t(e) of degene die het toezicht over de kinderen heeft, beroepswerkzaamheden verricht op het grondgebied van deze lidstaat.”

9       Artikel 7 van verordening nr. 1612/68 bepaalt:

„1.      Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

2.      Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.

[...]”

 De nationale regeling

10     § 3, lid 1, SPGG, bepaalt:

„Personen die verzorging behoeven, hebben recht op verzorgingsuitkering:

1.      indien zij de Oostenrijkse nationaliteit bezitten;

2.      indien zij hun voornaamste woonplaats in het Land Salzburg hebben, en

3.      indien zij geen van de in § 3 Bundespflegegeldgesetz (BGBl. nr. 110/1993) genoemde uitkeringen ontvangen en ook geen recht hebben op een dergelijke uitkering.”

11     Wat de kosten voortvloeiend uit de toekenning van verzorgingsuitkering overeenkomstig § 3, lid 1, SPGG betreft, geldt § 40 van het Sozialhilfegesetz, aangezien deze uitkering is aan te merken als bijstand in bijzondere levensomstandigheden (§ 17, lid 2, SPGG).

12     § 40 van het Sozialhilfegesetz bepaalt:

„1)      De kosten van de sociale bijstand worden gedragen door het Land en de gemeenten overeenkomstig de volgende bepalingen:

[...]

5)      De gemeenten van het kanton waar de kosten van de bijstand in bijzondere levensomstandigheden [...] zijn ontstaan, betalen het Land jaarlijks een bijdrage van 50 % [...]”

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

13     Sven Hosse, die de Duitse nationaliteit bezit, werkt als grensarbeider in Oostenrijk als leraar in het Land Salzburg. Hij betaalt belasting en draagt sociale premies af in Oostenrijk, en is in die lidstaat aangesloten bij de ziektekostenverzekering. Hij woont in Duitsland aan de grens met Oostenrijk met zijn dochter Silvia, die is geboren in 1997 en ernstig gehandicapt is.

14     De moeder van Silvia verrichtte voorheen arbeid in loondienst in Duitsland, die recht gaf op Duitse verzorgingsuitkering. Tot het einde van haar moeders ouderschapsverlof in september 2000 heeft Silvia als rechthebbende deze uitkering ontvangen. De uitkering is echter aan het einde van dit ouderschapsverlof beëindigd, daar de moeder niet opnieuw betaalde arbeid is gaan verrichten.

15     Daarop is voor Silvia verzorgingsuitkering ingevolge het SPGG aangevraagd. Het Land Salzburg heeft de aanvraag afgewezen op grond dat § 3, lid 1, sub 2, SPGG bepaalt dat de hulpbehoevende slechts voor verzorgingsuitkering in aanmerking komt, indien hij woonplaats heeft in deze deelstaat.

16     Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is door de rechter in eerste aanleg verworpen op grond dat de in geding zijnde uitkering met betrekking tot Silvia Hosse een bijzondere niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie is die niet onder verordening nr. 1408/71 valt en dus niet kan worden geëxporteerd.

17     De appelrechter daarentegen oordeelde, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 8 maart 2001, Jauch (C‑215/99, Jurispr. blz. I‑1901), dat ook de in geding zijnde uitkering een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 is en dat deze uitkering, evenals de door Oostenrijk betaalde verzorgingsuitkering (hierna: „federale verzorgingsuitkering”), volgens de op die uitkering toepasselijke beginselen kan worden geëxporteerd.

18     Volgens de appelrechter is Silvia Hosse, in haar hoedanigheid van dochter van de in Oostenrijk verplicht verzekerde, uitkeringsgerechtigd uit hoofde van de Oostenrijkse ziektekostenverzekering en kan zij dus jegens het bevoegde Oostenrijkse socialezekerheidsorgaan aanspraak maken op alle uitkeringen in geval van ziekte. Volgens deze rechter is het in casu tot betaling van verzorgingsuitkering bevoegde Land Salzburg verplicht om deze uitkering te betalen als prestatie bij ziekte. De appelrechter is van oordeel dat de in § 3, lid 1, sub 2, SPGG gestelde woonplaatsvoorwaarde niet relevant is vanwege de rechtstreekse werking van artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 1408/71.

19     In cassatie van dit arrest van de appelrechter heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 4, lid 2 ter, van [verordening nr. 1408/71], juncto bijlage II, afdeling III, aldus worden uitgelegd dat een verzorgingsuitkering die krachtens [het SPGG] wordt betaald aan een gezinslid van een in het Land Salzburg (Oostenrijk) werkzame werknemer die met zijn gezin in de Bondsrepubliek Duitsland woont, als bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie, van de werkingssfeer van [deze verordening] is uitgesloten?

2)      In geval van ontkennend antwoord op de eerste vraag:

Kan het gezinslid van een in het Land Salzburg werkzame werknemer die met zijn gezin in de Bondsrepubliek Duitsland woont, aanspraak maken op verzorgingsuitkering krachtens het [SPGG] als uitkering bij ziekte ingevolge artikel 19 en de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk I van titel III van [verordening nr. 1408/71], ongeacht het feit dat hij zijn woonplaats in de Bondsrepubliek Duitsland heeft, wanneer hij voldoet aan de overige toekenningsvoorwaarden?

3)      In geval van bevestigend antwoord op de eerste vraag:

Kan voor een uitkering als de verzorgingsuitkering krachtens het [SPGG], als toekenning van een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van [verordening nr. 1612/68], als voorwaarde worden gesteld dat de uitkeringsgerechtigde in het Land Salzburg woont?

4)      In geval van bevestigend antwoord op de derde vraag:

Is het verenigbaar met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met de beginselen van het burgerschap van de Unie en van non-discriminatie in de zin van de artikelen 12 EG en 17 EG, dat burgers van de Unie die als grensarbeider in het Land Salzburg werken, maar in een andere lidstaat wonen, geen recht hebben op een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van [verordening nr. 1612/68], zoals het recht op verzorgingsuitkering krachtens het [SPGG]?

Zo neen, maakt het burgerschap van de Unie het ook gezinsleden ten laste van een dergelijke grensarbeider die eveneens in een andere lidstaat wonen, mogelijk om in het Land Salzburg verzorgingsuitkering krachtens het [SPGG] te verkrijgen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 De eerste vraag

20     Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een verzorgingsuitkering als die van het SPGG een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie is, die ingevolge artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71 van de werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.

 Opmerkingen vooraf

21     Artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71 sluit van de werkingssfeer van de verordening uit, bepalingen van de wetgeving van een lidstaat betreffende de in bijlage II, afdeling III, bij die verordening genoemde bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties die slechts op een gedeelte van zijn grondgebied worden toegekend.

22     Bijlage II, afdeling III, sub K, van de verordening, betreffende de Republiek Oostenrijk, noemt de prestaties uit hoofde van de wetgeving van de Bundesländer voor gehandicapten en personen die zorg behoeven. De verzorgingsuitkering van het SPGG wordt dus wel degelijk genoemd in bijlage II, afdeling III, van verordening nr. 1408/71.

23     Deze vermelding is echter niet voldoende om deze uitkering binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71 te brengen.

24     Zoals het Hof steeds heeft geoordeeld, moeten de krachtens artikel 42 EG vastgestelde bepalingen van verordening nr. 1408/71 worden uitgelegd met inachtneming van het doel van dit artikel, namelijk bijdragen tot het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers. Het doel van de artikelen 39 EG, 40 EG, 41 EG en 42 EG zou niet worden bereikt indien de werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend, met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen (zie bijvoorbeeld arrest van 25 februari 1986, Spruyt, 284/84, Jurispr. blz. 685, punten 18 en 19).

25     In dit kader mag de gemeenschapswetgever bepalingen vaststellen die afwijken van het beginsel dat socialezekerheidsuitkeringen exporteerbaar zijn (zie met name arrest van 4 november 1997, Snares, C‑20/96, Jurispr. blz. I‑6057, punt 41). Dergelijke afwijkende bepalingen, en a fortiori artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71, dat bepaalde bijzondere prestaties uitsluit van de werkingssfeer van de verordening, moeten strikt worden uitgelegd. Dit betekent dat genoemd artikel slechts van toepassing kan zijn op prestaties die cumulatief aan de in het artikel vastgestelde voorwaarden voldoen, namelijk prestaties die zowel bijzonder zijn als niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, in bijlage II, afdeling III, van verordening nr. 1408/71 zijn vermeld, en zijn ingevoerd bij een wettelijke regeling die slechts op een gedeelte van het grondgebied van een lidstaat wordt toegepast.

26     Derhalve moet tevens worden nagegaan of, naast de voorwaarde dat de verzorgingsuitkering krachtens het SPGG wordt genoemd in bijlage II, afdeling III, van verordening nr. 1408/71, ook is voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

27     Het Land Salzburg, de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen dat de in geding zijnde uitkering een „bijzondere” prestatie in de zin van verordening nr. 1408/71 is.

28     Het Land Salzburg wijst met name op het feit dat de uitkering niet „gekoppeld” is aan een basisuitkering van sociale zekerheid en dat zij niet gerelateerd is aan tijdvakken van beroepsarbeid of premiebetaling, noch ook aan het behoren tot een bepaalde verzekeringscategorie. Zij is dus een „bijzondere prestatie” in de zin van verordening nr. 1408/71. Het Land Salzburg beklemtoont in dit verband dat historisch gezien de federatie steeds bevoegd is geweest voor de sociale zekerheid en de Länder voor de sociale bijstand.

29     De Oostenrijkse regering voert in wezen dezelfde argumenten aan. Zij herinnert er met name aan dat het in verordening nr. 1408/71 ingevoerde begrip „bijzondere prestatie” correspondeert met een categorie „gemengde” uitkeringen, waarvan het Hof in enkele zaken heeft aangegeven dat zij tegelijkertijd elementen van een socialezekerheidsuitkering en elementen van sociale bijstand bevatten.

30     De regering van het Verenigd Koninkrijk brengt naar voren dat het feit alleen dat er verband bestaat tussen een uitkering en een socialezekerheidsregeling die overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid, niet uitsluit dat deze uitkering wordt aangemerkt als „bijzondere prestatie”. Anders zou artikel 4, lid 2 bis, sub a, van de verordening, dat spreekt van bijzondere prestaties die bestemd zijn om bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie de gebeurtenissen te dekken die onder die takken van sociale zekerheid vallen, geen zin hebben, evenmin als artikel 10 bis, lid 3, van de verordening.

31     De regering van het Verenigd Koninkrijk zet tevens, zakelijk weergegeven, uiteen dat de federale verzorgingsuitkering die aan de orde was in het arrest Jauch, reeds aangehaald, geen „gemengde” uitkering was, daar zij uitsluitend werd toegekend samen met een socialezekerheidsuitkering, namelijk een pensioen, en nooit als sociale bijstand. Daarentegen zou een andere uitkering, zelfs een die een identiek risico zou dekken en aan sommige gerechtigden alleen als sociale bijstand zou worden toegekend, een „gemengde” uitkering zijn. Het feit dat de uitkeringsgerechtigde behoeftig moet zijn, is een essentieel kenmerk van sociale bijstand en deze behoeftigheid is niet noodzakelijkerwijs financieel (zie met name arrest van 20 juni 1991, Newton, C‑356/89, Jurispr. blz. I‑3017, en arrest Snares, reeds aangehaald).

32     De Portugese en de Finse regering zijn in wezen dezelfde opvatting toegedaan.

33     De Nederlandse regering stelt voor, aan te sluiten bij het arrest Jauch, reeds aangehaald.

34     De Commissie daarentegen stelt dat de verzorgingsuitkering van het SPGG geen bijzondere prestatie is, maar een prestatie van sociale zekerheid bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71.

35     Zij benadrukt dat artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71, als uitzonderingsbepaling, strikt moet worden uitgelegd. Voorts heeft de verzorgingsuitkering op grond van het SPGG hetzelfde doel, dezelfde hoogte en dezelfde toekenningsvoorwaarden als de federale verzorgingsuitkering, wordt ook zij op objectieve gronden toegekend op basis van een bij wet vastgelegde situatie en is zij dus net als de federale uitkering een uitkering van sociale zekerheid bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. De verschillen met de federale verzorgingsuitkering in termen van categorieën uitkeringsgerechtigden en financieringswijzen zijn derhalve niet relevant.

 Antwoord van het Hof

36     Uit de opzet van verordening nr. 1408/71 volgt dat het begrip „socialezekerheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, van deze verordening, en het begrip „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie” in de zin van artikel 4, leden 2 bis en 2 ter, van die verordening, elkaar uitsluiten. Een uitkering die voldoet aan de voorwaarden van een „socialezekerheidsuitkering” in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 kan dus niet worden aangemerkt als een „bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie”.

37     Een uitkering kan als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd wanneer zij aan de rechthebbenden wordt toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, op grond van een wettelijk omschreven situatie, en wanneer zij verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (zie met name arresten van 27 maart 1985, Hoeckx, 249/83, Jurispr. blz. 973, punten 12‑14; 16 juli 1992, Hughes, C‑78/91, Jurispr. blz. I‑4839, punt 15; 5 maart 1998, Molenaar, C‑160/96, Jurispr. blz. I‑843, punt 20, en arrest Jauch, reeds aangehaald, punt 25).

38     Hieruit volgt dat prestaties die op objectieve gronden worden toegekend op basis van een bij wet vastgelegde situatie en tot doel hebben de gezondheidstoestand en het leven van de hulpbehoevende te verbeteren, in wezen erop zijn gericht een aanvulling te geven op de prestaties van de ziektekostenverzekering en moeten worden beschouwd als „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 (reeds aangehaalde arresten Molenaar, punten 24 en 25, en Jauch, punt 28).

39     Een verzorgingsuitkering als die van het SPGG is erop gericht om in de vorm van een vaste bijdrage de extra kosten te compenseren die het gevolg zijn van de hulpbehoevendheid van de uitkeringsgerechtigde, in het bijzonder de kosten verbonden aan de hulp die hem moet worden verleend.

40     De hoogte van een dergelijke verzorgingsuitkering hangt af van de mate van hulpbehoevendheid. Zij wordt bepaald aan de hand van de tijd die de verzorging vergt, uitgedrukt in aantal uren per maand. De beoordeling van de hulpbehoevendheid is in detail geregeld in een tekst die een indeling geeft naar de mate van hulpbehoevendheid. De overige inkomsten van de hulpbehoevende hebben geen invloed op de hoogte van de verzorgingsuitkering.

41     De uitkering is bestemd voor personen die geen pensioen ontvangen op grond van de federale bepalingen. Dit zijn hoofdzakelijk gezinsleden van sociaalverzekerden, bijstandontvangers, gehandicapten die een beroep uitoefenen, en pensioengerechtigden van de Länder en de gemeenten.

42     Bijgevolg is een verzorgingsuitkering als die in het hoofdgeding weliswaar anders geregeld dan de uitkering van de Duitse Pflegeversicherung die in het arrest Molenaar aan de orde was en dan de Oostenrijkse verzorgingsuitkering in het arrest Jauch, maar dit neemt niet weg dat de verzorgingsuitkering naar de aard ervan identiek is aan die uitkeringen.

43     Zoals in het arrest Jauch is verklaard, kunnen voorts noch de toekenningsvoorwaarden van de verzorgingsuitkering noch de financieringswijze ervan afdoen aan de kwalificatie die daaraan is gegeven in de arresten Molenaar en Jauch. Het feit dat de toekenning van de uitkering niet noodzakelijk gebonden is aan de betaling van een uitkering van de ziektekostenverzekering of van een pensioen uit anderen hoofde dan de ziektekostenverzekering, doet dan ook niet af aan deze kwalificatie.

44     Onder deze omstandigheden moeten dergelijke uitkeringen, zelfs al hebben zij specifieke kenmerken, als „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 worden aangemerkt.

45     Gelet op de eerdergenoemde bestanddelen van het antwoord, is niet voldaan aan een van de voorwaarden voor toepassing van artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71, namelijk dat de betrokken uitkering een „bijzondere prestatie” is. De vraag of aan de overige in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan, heeft dus geen zin meer.

46     Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord dat een verzorgingsuitkering als die van het SPGG geen bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71 is, maar een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van deze verordening.

 De tweede vraag

47     Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het gezinslid van een werknemer die in het Land Salzburg werkt en met zijn gezin in Duitsland woont, wanneer het aan de overige uitkeringsvoorwaarden voldoet, aanspraak kan maken op een verzorgingsuitkering als die van het SPGG als uitkering bij ziekte als bedoeld in artikel 19 en in de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk I van titel III van verordening nr. 1408/71.

48     Een uitkering bij ziekte zoals de verzorgingsuitkering van het SPGG, die een financiële ondersteuning vormt die het levenspeil van hulpbehoevende personen over het geheel genomen kan verbeteren doordat de extra kosten die hun situatie met zich brengt, worden gecompenseerd, behoort tot de „uitkeringen” van de ziektekostenverzekering, zoals met name bedoeld in artikel 19, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 (zie arrest Molenaar, reeds aangehaald, punten 35 en 36).

49     Overigens wordt niet betwist dat Sven Hosse een werknemer is die binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt.

50     Voorts volgt uit de stukken dat het in het SPGG geregelde recht op verzorgingsuitkering een eigen recht van Silvia Hosse is, en geen van haar vader afgeleid recht.

51     Deze situatie staat echter niet eraan in de weg dat Silvia Hosse aanspraak kan maken op de verzorgingsuitkering van het Land Salzburg, ook al woont zij in Duitsland, wanneer zij voldoet aan de overige uitkeringsvoorwaarden neergelegd in artikel 19 en in de overeenkomstige bepalingen van de andere afdelingen van hoofdstuk I van titel III van verordening nr. 1408/71.

52     Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat de gezinsleden van een werknemer ingevolge artikel 2 van verordening nr. 1408/71 slechts afgeleide rechten hebben, dat wil zeggen rechten die zij in die hoedanigheid hebben verkregen, en geen eigen rechten die zij buiten elke familierelatie met de werknemer zouden hebben (zie met name arrest van 23 november 1976, Kermaschek, 40/76, Jurispr. blz. 1669, punt 7).

53     Het Hof heeft deze rechtspraak echter nadien beperkt tot gevallen waarin een gezinslid van een werknemer zich beroept op bepalingen van verordening nr. 1408/71 die uitsluitend van toepassing zijn op werknemers en niet op hun gezinsleden, zoals de artikelen 67 tot en met 71 betreffende de uitkeringen bij werkloosheid (zie arrest van 30 april 1996, Cabanis-Issarte, C‑308/93, Jurispr. blz. I‑2097). Dit is niet het geval met artikel 19 van de verordening, dat juist tot doel heeft, de toekenning van de in de toepasselijke wetgeving voorziene uitkeringen bij ziekte te garanderen aan de werknemer en de gezinsleden die in een andere dan de bevoegde lidstaat wonen, voorzover de gezinsleden geen recht hebben op die uitkeringen op grond van de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen.

54     Bovendien beoogt artikel 19, lid 2, van verordening nr. 1408/71 met name dat voor de toekenning van uitkeringen bij ziekte niet als voorwaarde wordt gesteld dat de gezinsleden van de werknemer in de bevoegde lidstaat wonen, teneinde de communautaire werknemer niet te weerhouden van de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer.

55     Het zou dan ook in tegenspraak met artikel 19, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zijn om de dochter van een werknemer een uitkering te onthouden waarop zij recht zou hebben indien zij in de bevoegde lidstaat woonde.

56     Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat het gezinslid van een werknemer die in het Land Salzburg werkt en met zijn gezin in Duitsland woont, wanneer het aan de overige uitkeringsvoorwaarden voldoet, bij het bevoegde orgaan van de plaats waar de werknemer werkt, aanspraak kan maken op een verzorgingsuitkering als die van het SPGG, als uitkering bij ziekte als bedoeld in artikel 19 van verordening nr. 1408/71, mits het gezinslid geen recht heeft op een vergelijkbare uitkering uit hoofde van de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan het woont.

57     Gelet op het antwoord op de eerste twee vragen behoeven de overige vragen niet te worden beantwoord.

 Kosten

58     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Een verzorgingsuitkering als die van het Salzburger Pflegegeldgesetz is geen bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 ter, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, maar een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van deze verordening.

2)      Het gezinslid van een werknemer die in het Land Salzburg werkt en met zijn gezin in Duitsland woont, kan, wanneer het aan de overige toekenningsvoorwaarden voldoet, bij het bevoegde orgaan van de plaats waar de werknemer werkt, aanspraak maken op een verzorgingsuitkering als die van het Salzburger Pflegegeldgesetz, als uitkering bij ziekte als bedoeld in artikel 19 van verordening nr. 1408/71, mits het gezinslid geen recht heeft op een vergelijkbare uitkering uit hoofde van de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan het woont.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.

Top