Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62003CJ0105

Arrest van het Hof (grote kamer) van 16 juni 2005.
Strafzaak tegen Maria Pupino.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunale di Firenze - Italië.
Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Artikelen 34 EU en 35 EU - Kaderbesluit 2001/220/JAI - Status van slachtoffers in strafprocedures - Bescherming van kwetsbare personen - Horen van minderjarigen als getuige - Gevolgen van kaderbesluit.
Zaak C-105/03.

European Court Reports 2005 I-05285

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2005:386

Zaak C‑105/03

Strafzaak

tegen

Maria Pupino

(verzoek van de rechter belast met het gerechtelijk vooronderzoek bij het Tribunale di Firenze om een prejudiciële beslissing)

„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Artikelen 34 EU en 35 EU – Kaderbesluit 2001/220/JBZ – Status van slachtoffers in strafprocedures – Bescherming van kwetsbare personen – Horen van minderjarigen als getuige – Gevolgen van kaderbesluit”

Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 11 november 2004 

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 juni 2005 

Samenvatting van het arrest

1.     Prejudiciële vragen – Voorlegging aan Hof – Nationale rechterlijke instantie in zin van artikel 35 EU – Begrip – Rechter belast met gerechtelijk vooronderzoek – Daaronder begrepen

(Art. 35 EU)

2.     Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit ter harmonisatie van wetgevingen – Verzoek om uitlegging dat beginsel van conforme uitlegging van nationaal recht impliceert – Bevoegdheid om deze uitlegging te geven

(Art. 234 EG; art. 35 EU en 46, sub b, EU)

3.     Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot loyale samenwerking met instellingen

4.     Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluiten ter harmonisatie van nationale wetgevingen – Uitvoering door lidstaten – Verplichting tot conforme uitlegging van nationaal recht – Grenzen – Inachtneming van algemene rechtsbeginselen – Uitlegging contra legem van nationaal recht – Ontoelaatbaarheid

(Art. 249, derde alinea, EG; art. 34, lid 2, sub b, EU)

5.     Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Status van slachtoffers in strafprocedures – Kaderbesluit 2001/220/JBZ – Bescherming van bijzonder kwetsbare slachtoffers – Wijze – Voorwaarden voor afleggen van getuigenverklaring door jonge kinderen – Horen buiten openbare terechtzitting en alvorens deze plaatsvindt – Toelaatbaarheid – Grenzen

(Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad, art. 2, 3 en 8, lid 4)

1.     Wanneer een lidstaat verklaart de bevoegdheid van het Hof te aanvaarden om een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van de in artikel 35 EU bedoelde handelingen, is het Hof bevoegd de door een met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden. Aangezien deze rechter optreedt in een strafprocedure, vervult hij namelijk een rechtsprekende functie, zodat hij moet worden aangemerkt als een rechterlijke instantie in de zin van dit artikel.

(cf. punten 20, 22)

2.     Krachtens artikel 46, sub b, EU is de regeling van artikel 234 EG van toepassing op artikel 35 EU, onder de in laatstgenoemd artikel bedoelde voorwaarden. Evenals artikel 234 EG onderwerpt artikel 35 EU de prejudiciële verwijzing naar het Hof aan de voorwaarde, dat de nationale rechterlijke instantie een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, zodat de rechtspraak van het Hof inzake de ontvankelijkheid van krachtens artikel 234 EG gestelde prejudiciële vragen in beginsel ook geldt voor prejudiciële verzoeken die krachtens artikel 35 EU bij het Hof worden ingediend.

Hieruit volgt dat het vermoeden van relevantie dat op de prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties rust, slechts in uitzonderingsgevallen kan worden opgeheven, namelijk wanneer de gevraagde uitlegging van de in die vragen genoemde bepalingen van het recht van de Unie kennelijk geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven. Behoudens in deze uitzonderingsgevallen is het Hof in beginsel verplicht om te antwoorden op prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van de in artikel 35, lid 1, EU bedoelde handelingen.

In deze context is het, los van de door het Verdrag van Amsterdam beoogde mate van integratie in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa in de zin van artikel 1, tweede alinea, EU, volkomen begrijpelijk dat de opstellers van het Verdrag betreffende de Europese Unie het nuttig hebben geacht om in het kader van titel VI van dit Verdrag, die is gewijd aan de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, te voorzien in rechtsinstrumenten met analoge gevolgen als in het EG-Verdrag zijn voorzien, zodat deze op doeltreffende wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. De prejudiciële bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 35 EU zou het grootste deel van haar nuttig effect verliezen, indien particulieren zich niet op kaderbesluiten konden beroepen teneinde een conforme uitlegging van het nationale recht af te dwingen voor de rechterlijke instanties van de lidstaten

(cf. punten 19, 28‑30, 36, 38)

3.     Het zou voor de Unie moeilijk zijn haar taak doeltreffend te vervullen indien het beginsel van loyale samenwerking, dat onder meer inhoudt dat de lidstaten alle passende algemene en bijzondere maatregelen treffen om de nakoming van de voor hen uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, niet tevens gold in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken van titel VI van het EU-Verdrag, die overigens volledig is gegrondvest op de samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen.

(cf. punt 42)

4.     Het dwingende karakter van kaderbesluiten die in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld, welke titel is gewijd aan de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, is in identieke bewoordingen geformuleerd als het bepaalde in artikel 249, derde alinea, EG met betrekking tot richtlijnen. Het verplicht de nationale instanties tot conforme uitlegging van hun nationale recht. De nationale rechter die bij de toepassing van zijn interne recht tot uitlegging daarvan moet overgaan, is dan ook verplicht dit zo veel mogelijk te doen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan het bepaalde in artikel 34, lid 2, sub b, EU te voldoen

De verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging van de relevante bepalingen van zijn nationale recht vindt echter haar grenzen in de algemene rechtsbeginselen en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non-retroactiviteit. Deze beginselen verzetten zich er onder meer tegen dat deze verplichting de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met de bepalingen van een kaderbesluit handelen, zou kunnen bepalen of verzwaren uitsluitend op grond van een dergelijk besluit, onafhankelijk van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet.

Voorts kan het beginsel van conforme uitlegging niet als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. Dit beginsel vereist echter wél, dat de nationale rechter in voorkomend geval het nationale recht in zijn geheel beziet om te beoordelen of het zodanig kan worden toegepast dat het niet tot een met het kaderbesluit strijdig resultaat leidt.

(cf. punten 34, 43‑45, 47, 61 en dictum)

5.     De artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van kaderbesluit 2001/220/JBZ inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure sommen een aantal doelstellingen op, die er onder meer in bestaan, ervoor te zorgen dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt. Deze bepalingen moeten aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale rechter de mogelijkheid moet hebben om jonge kinderen die het slachtoffer zeggen te zijn van mishandeling, toe te staan hun getuigenverklaring af te leggen onder voorwaarden die hun een passende bescherming garanderen, bijvoorbeeld buiten de openbare terechtzitting om en alvorens deze plaatsvindt. De omstandigheden waaronder verklaringen kunnen worden afgelegd, moeten echter volgens artikel 8, lid 4, van voornoemd kaderbesluit verenigbaar zijn met de grondbeginselen van het recht van de betrokken lidstaat en mogen de verdachte niet het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ontnemen.

(cf. punten 54, 57, 59, 61 en dictum)




ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

16 juni 2005 (*)

„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Artikelen 34 EU en 35 EU – Kaderbesluit 2001/220/JAI – Status van slachtoffers in strafprocedures – Bescherming van kwetsbare personen – Horen van minderjarigen als getuige – Gevolgen van kaderbesluit”

In zaak C‑105/03,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 35 EU, ingediend door de rechter belast met het gerechtelijk vooronderzoek bij het Tribunale di Firenze (Italië) bij beschikking van 3 februari 2003, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2003, in de strafzaak tegen

Maria Pupino,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans en A. Rosas, R. Silva de Lapuerta en A. Borg Barthet, kamerpresidenten, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), P. Kūris, E. Juhász, G. Arestis en M. Ilešič, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2004,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–       M. Pupino, vertegenwoordigd door M. Guagliani en D. Tanzarella, avvocati,

–       de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

–       de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou en K. Boskovits als gemachtigden,

–       de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Abraham, G. de Bergues en C. Isidoro als gemachtigden,

–       de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster en C. Wissels als gemachtigden,

–       de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes als gemachtigde,

–       de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse en K. Wistrand als gemachtigden,

–       de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Caudwell en E. O’Neill als gemachtigden, bijgestaan door M. Hoskins, barrister,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en L. Visaggio als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 2004,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de artikelen 2, 3 en 8 van kaderbesluit 2001/220/JAI van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB L 82, blz. 1; hierna: „kaderbesluit”).

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen mevrouw M. Pupino, kleuterleidster, die ervan wordt verdacht kinderen die ten tijde van de feiten jonger dan vijf jaar waren, lichamelijk letsel te hebben toegebracht.

 Toepasselijke bepalingen

 Het recht van de Europese Unie

 Het Verdrag betreffende de Europese Unie

3       Artikel 34, lid 2, EU, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, is opgenomen in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, getiteld „Bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken”, en luidt als volgt:

„De Raad neemt maatregelen en bevordert samenwerking, in een passende vorm en volgens passende procedures zoals bepaald in deze titel, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Daartoe kan de Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie:

[...]

b)      kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking;

[...]”

4       Artikel 35 EU bepaalt:

„1.      Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is onder de in dit artikel omschreven voorwaarden bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, over de uitlegging van op grond van deze titel vastgestelde overeenkomsten en over de geldigheid en de uitlegging van uitvoeringsmaatregelen.

2.      Door middel van een verklaring afgelegd op het tijdstip van ondertekening van het Verdrag van Amsterdam of op enig later tijdstip kan een lidstaat de bevoegdheid van het Hof van Justitie aanvaarden om, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen als bedoeld in lid 1.

3.      Wanneer een lidstaat een verklaring aflegt uit hoofde van lid 2 van dit artikel, geeft hij aan dat ofwel:

a)      elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, ofwel

b)      elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

[...]”

5       Uit de informatie betreffende de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op 1 mei 1999 (PB L 114, blz. 56), blijkt dat de Italiaanse Republiek een verklaring in de zin van artikel 35, lid 2, EU heeft afgelegd waarbij zij de bevoegdheid van het Hof van Justitie om een uitspraak te doen heeft aanvaard onder de voorwaarden bedoeld in artikel 35, lid 3, sub b, EU.

 Het kaderbesluit

6       Artikel 2 van het kaderbesluit, getiteld „Respect en erkenning”, bepaalt:

„1.      Elke lidstaat ruimt in zijn strafrecht een reële en passende rol in voor het slachtoffer. Hij blijft al het nodige doen om te waarborgen dat het slachtoffer tijdens de procedure met het gepaste respect voor zijn persoonlijke waardigheid wordt bejegend, en erkent de rechten en rechtmatige belangen van het slachtoffer, in het bijzonder in de strafprocedure.

2.      Elke lidstaat waarborgt dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt.”

7       Artikel 3 van het kaderbesluit, getiteld „Hoor en bewijslevering”, bepaalt:

„Elke lidstaat waarborgt het slachtoffer de mogelijkheid om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen.

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.”

8       Artikel 8 van het kaderbesluit, getiteld „Recht op bescherming”, bepaalt in lid 4 ervan:

„Elke lidstaat waarborgt dat wanneer slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, beschermd moeten worden tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting, zij op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht.”

9       Overeenkomstig artikel 17 van het kaderbesluit doet elke lidstaat de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om „uiterlijk op 22 maart 2002” aan de hiervoor genoemde artikelen te voldoen.

 De nationale regelgeving

10     Artikel 392 van de Italiaanse Codice di procedura penale (Wetboek van Strafvordering; hierna: „CPP”), dat is opgenomen in boek V, „Gerechtelijk vooronderzoek en preliminaire zitting”, bepaalt:

„1.      Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek kunnen het Openbaar Ministerie en de verdachte de rechter verzoeken bij wege van een bewijsincident:

a)      een persoon als getuige te horen wanneer er gegronde reden is om aan te nemen dat de getuige wegens ziekte of een ander ernstig beletsel niet ter terechtzitting kan worden gehoord;

b)      een persoon als getuige te horen wanneer er op grond van concrete en specifieke omstandigheden gegronde reden is om aan te nemen dat de getuige zal worden blootgesteld aan geweld, bedreiging, het aanbieden of de belofte van geld of enig ander voordeel, om hem ertoe te brengen geen dan wel een valse getuigenverklaring af te leggen.

[...]

1 bis.  In procedures met betrekking tot de in de artikelen 600 bis, 600 ter, 600 quinquies, 609 bis, 609 ter, 609 quater, 609 quinquies en 609 octies van de Codice penale omschreven misdrijven [seksuele misdrijven of misdrijven met een seksuele achtergrond] kan het Openbaar Ministerie of de verdachte ook buiten de in lid 1 genoemde gevallen verzoeken een bewijsincident toe te staan teneinde de getuigenverklaring te verkrijgen van een persoon jonger dan 16 jaar.

[...]”

11     Artikel 398, lid 5 bis, CPP bepaalt:

„In onderzoeken betreffende de misdrijven omschreven in de artikelen 600 bis, 600 ter, 600 quinquies, 609 bis, 609 ter, 609 quater, 609 quinquies en 609 octies van de Codice penale bepaalt de rechter, wanneer personen jonger dan 16 jaar als getuigen dienen te worden gehoord, bij beschikking de plaats, het tijdstip en de bijzondere voorwaarden voor de bewijsvoering indien de situatie van de minderjarige zulks opportuun en noodzakelijk maakt. Daartoe kan het horen elders plaatsvinden dan in het gerechtsgebouw, in eventuele gespecialiseerde instellingen of, bij gebreke daarvan, ten huize van de minderjarige. De getuigenverklaringen moeten integraal worden vastgelegd door middel van geluidsregistratie of met audiovisuele middelen. Indien de benodigde opnameapparatuur of het benodigde technisch personeel niet beschikbaar zijn, schakelt de rechter deskundigen of technische adviseurs in. Voorts wordt een samenvattend proces-verbaal van de ondervraging opgemaakt. Transscriptie van de opnamen vindt slechts plaats op verzoek van partijen.”

 De feiten en de prejudiciële vraag

12     Blijkens de verwijzingsbeschikking wordt Pupino in de tegen haar ingeleide strafprocedure ten laste gelegd, enerzijds, dat zij in de maanden januari en februari 2001 herhaaldelijk het misdrijf „misbruik van disciplinaire maatregelen” van artikel 571 van de Italiaanse Codice penale (Wetboek van Strafrecht; hierna: CP) heeft gepleegd jegens sommige van haar leerlingen die ten tijde van de feiten jonger dan vijf jaar waren, door hen onder meer regelmatig te slaan, hen te dreigen met de toediening van kalmerende middelen en met het dichtplakken van hun mond met een pleister en door hen te beletten gebruik te maken van het toilet. Anderzijds wordt haar ten laste gelegd, dat zij in februari 2001 het misdrijf „gekwalificeerde mishandeling” als omschreven in de artikelen 582, 585 en 576 CP juncto artikel 61, punten 2 en 11, CP heeft gepleegd door een van haar leerlingen een klap te geven waardoor deze een lichte zwelling op het voorhoofd vertoonde. De procedure voor het Tribunale di Firenze bevindt zich in het stadium van het gerechtelijk vooronderzoek.

13     De verwijzende rechter merkt in dit verband op, dat de strafrechtelijke procedure naar Italiaans recht uit twee afzonderlijke fasen bestaat. Tijdens de eerste fase, de fase van het gerechtelijk vooronderzoek, gaat het Openbaar Ministerie over tot het onderzoek en verzamelt, onder toezicht van de rechter-commissaris, het bewijsmateriaal op grond waarvan het beoordeelt of van verdere vervolging moet worden afgezien dan wel om voorgeleiding van de verdachte aan de strafrechter moet worden verzocht. In het laatste geval beslist de rechter-commissaris na een aparte zitting of het vooronderzoek wordt voortgezet dan wel van verdere vervolging wordt afgezien.

14     Met de beslissing om de verdachte aan de strafrechter voor te leiden, neemt de tweede fase van de procedure een aanvang, de zogenaamde fase van het contradictoire onderzoek ter terechtzitting, waaraan de rechter-commissaris niet deelneemt. Het eigenlijke proces begint in deze fase. In de regel dient pas in deze fase het bewijs te worden geleverd, op inititatief van partijen en met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor. De verwijzende rechter zet uiteen, dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting het door partijen aangevoerde bewijsmateriaal kan worden toegelaten als bewijs in de technische zin van het woord. Dit betekent dat het bewijs dat het Openbaar Ministerie in de fase van het vooronderzoek heeft verzameld teneinde te kunnen besluiten om al dan niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan, moet worden ingebracht in de behandeling op tegenspraak die tijdens het eigenlijke proces plaatsvindt, om als volwaardig bewijs te kunnen worden aangemerkt.

15     Volgens de verwijzende rechter bestaan er echter uitzonderingen op deze regel. Zo voorziet artikel 392 CPP in een incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering, op grond waarvan de rechter-commissaris reeds tijdens het vooronderzoek de levering van bewijs met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor kan toestaan. Het aldus verzamelde bewijs heeft dezelfde bewijskracht als het bewijs dat tijdens de tweede fase van de procedure wordt verzameld. Bij artikel 392, lid 1 bis, CPP is de mogelijkheid gecreëerd om, wanneer personen jonger dan 16 jaar als getuigen moeten worden gehoord die het slachtoffer zijn van bepaalde, limitatief opgesomde misdrijven (seksuele misdrijven of misdrijven met een seksuele achtergrond), deze incidentele procedure ook toe te passen buiten de gevallen waarop lid 1 van dit artikel ziet. Krachtens artikel 398, lid 5 bis, CPP mag dezelfde rechter voorts in het geval van een onderzoek betreffende de in artikel 392, lid 1 bis, CPP bedoelde misdrijven gelasten dat de bewijsvoering onder bijzondere voorwaarden geschiedt, zodat de betrokken minderjarigen kunnen worden beschermd. Volgens de verwijzende rechter strekken deze aanvullende uitzonderingen ertoe, enerzijds de waardigheid, de eerbaarheid en de persoonlijkheid van de getuige te beschermen wanneer het slachtoffer minderjarig is, en anderzijds de waarheidsgetrouwheid van het bewijs te garanderen.

16     In het hoofdgeding heeft het Openbaar Ministerie in augustus 2001 de rechter-commissaris verzocht acht kinderen die getuige en slachtoffer waren van de misdrijven waarvan Pupino wordt verdacht, een verklaring te laten afleggen met toepassing van de incidentele procedure tot vervroegde bewijsvoering krachtens artikel 392, lid 1 bis, CPP, op grond dat de bewijsvoering niet kon worden uitgesteld tot het contradictoire onderzoek ter terechtzitting wegens de uiterst lage leeftijd van de getuigen, de onvermijdelijke verandering in hun psychische gesteldheid en een mogelijk proces van verdringing. Tevens verzocht het Openbaar Ministerie het bewijs te verzamelen onder de bijzondere voorwaarden van artikel 398, lid 5 bis, CPP, dit wil zeggen het verhoor te laten plaatsvinden in een gespecialiseerde instelling en op een wijze waardoor de waardigheid, het privé-leven en de gemoedsrust van de betrokken minderjarigen werd beschermd, eventueel met inschakeling van een psycholoog, in verband met de gevoeligheid en de ernst van de feiten en de moeilijkheden wegens de jonge leeftijd van de slachtoffers. Pupino heeft hiertegen bezwaar gemaakt op grond dat geen sprake zou zijn van een van de gevallen bedoeld in artikel 392, leden 1 en 1 bis, CPP.

17     Volgens de verwijzende rechter moet het verzoek van het Openbaar Ministerie in het licht van de betrokken nationale bepalingen worden afgewezen, want voor feiten zoals die aan de verdachte zijn ten laste gelegd, voorzien deze bepalingen niet in de toepassing van de incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering, ook al verzet niets zich ertegen om deze uit te breiden tot andere gevallen dan die bedoeld in artikel 392, lid 1, CCP waarin het slachtoffer een minderjarige is. Veel van de delicten die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 392, lid 1, CPP kunnen veel ernstiger voor het slachtoffer zijn dan de delicten waarop deze bepaling ziet. Dit is ook het geval in het hoofdgeding, waar Pupino volgens het Openbaar Ministerie verschillende kinderen van jonger dan vijf jaar heeft mishandeld, waardoor deze psychische trauma’s hebben opgelopen.

18     Aangezien de rechter-commissaris bij het Tribunale di Firenze van oordeel was dat de nationale rechter „ongeacht of de communautaire bepalingen nu wel of niet rechtstreekse werking hebben” gehouden is „zijn nationale recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het gemeenschapsrecht”, en daar hij betwijfelde of de artikelen 392, lid 1 bis, en 398, lid 5 bis, CPP verenigbaar zijn met de artikelen 2, 3 en 8 van het kaderbesluit, omdat deze strafvorderingsbepalingen de bevoegdheid van de rechter-commissaris om toepassing van de procedure van vervroegde bewijsvoering, respectievelijk de verzameling van bewijs onder bijzondere voorwaarden toe te staan, beperken tot seksuele misdrijven of misdrijven met een seksuele achtergrond, heeft deze rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een uitspraak te verzoeken over de draagwijdte van de artikelen 2, 3 en 8 van het kaderbesluit.

 De bevoegdheid van het Hof

19     Krachtens artikel 46, sub b, EU zijn de bepalingen van het EG-Verdrag, het EGKS-Verdrag en het EGA-Verdrag die betrekking hebben op de bevoegdheden van het Hof en de uitoefening van die bevoegdheden, waaronder artikel 234 EG, van toepassing op de bepalingen van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, onder de voorwaarden van artikel 35 EU. Hieruit volgt dat de regeling van artikel 234 EG toepasselijk is op de prejudiciële bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 35 EU onder de in dit artikel omschreven voorwaarden.

20     Zoals in punt 5 van dit arrest is uiteengezet, heeft de Italiaanse Republiek in een verklaring die op 1 mei 1999 – de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam – van kracht is geworden, de bevoegdheid van het Hof aanvaard om een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van de in artikel 35 EU bedoelde handelingen volgens de voorwaarden bedoeld in lid 3, sub b, van dit artikel.

21     Wat de in artikel 35, lid 1, EU bedoelde handelingen aangaat, bepaalt lid 3, sub b, van dit artikel in identieke bewoordingen als artikel 234, eerste en tweede alinea, EG, dat „elke nationale rechterlijke instantie” van een lidstaat „het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen” over een vraag „betreffende de geldigheid of uitlegging” van dergelijke handelingen, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, „indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis”.

22     Vaststaat in de eerste plaats, dat de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter in een strafprocedure zoals die in het hoofdgeding is ingeleid, een rechtsprekende functie vervult, zodat hij moet worden aangemerkt als een „nationale rechterlijke instantie” in de zin van artikel 35 EU (zie in die zin, ten aanzien van artikel 234 EG, arresten van 23 februari 1995, Cacchiarelli en Stanghellini, C‑54/94 en C‑74/94, Jurispr. blz. I‑391, en 12 december 1996, X, C‑74/95 en C‑129/95, Jurispr. blz. I‑6609), en in de tweede plaats dat het op de artikelen 31 EU et 34 EU gebaseerde kaderbesluit onder de in artikel 35, lid 1, EU bedoelde handelingen valt waarover het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak kan doen.

23     Ofschoon het Hof dus in beginsel bevoegd is de gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden, hebben de Franse en de Italiaanse regering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen het prejudiciële verzoek op grond dat het antwoord van het Hof niet nuttig zou zijn voor de oplossing van het hoofdgeding.

24     De Franse regering stelt dat de verwijzende rechter sommige bepalingen van het kaderbesluit in de plaats van de nationale wettelijke regeling wenst toe te passen, terwijl uit de formulering van artikel 34, lid 2, sub b, EU blijkt dat kaderbesluiten een dergelijke rechtstreekse werking niet kunnen hebben. Bovendien is een uitlegging van het nationale recht in overeenstemming met het kaderbesluit onmogelijk, zoals de verwijzende rechter opmerkt. Volgens de rechtspraak van het Hof mag het beginsel van de conforme uitlegging niet leiden tot een uitlegging contra legem of tot een verslechtering van de positie van een particulier in een strafprocedure, enkel en alleen op grond van het kaderbesluit. Dit nu is in de hoofdzaak juist wel het geval.

25     De Italiaanse regering betoogt primair dat een kaderbesluit en een communautaire richtlijn fundamenteel verschillende rechtsbronnen zijn en dat een kaderbesluit voor de nationale rechter dus geen verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht schept, als die het Hof in zijn rechtspraak heeft aanvaard met betrekking tot communautaire richtlijnen.

26     Zonder de ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek uitdrukkelijk in twijfel te trekken, komen de Zweedse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk tot dezelfde conclusie als de Italiaanse regering, door onder meer het intergouvernementele karakter van de samenwerking tussen de lidstaten in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie te beklemtonen.

27     De Nederlandse regering ten slotte legt de nadruk op de grenzen aan de verplichting tot conforme uitlegging. Juist vanwege deze grenzen vraagt zij zich af of deze verplichting, gesteld al dat zij ook voor kaderbesluiten geldt, wel van toepassing kan zijn in het hoofdgeding.

28     Zoals in punt 19 van dit arrest is onderstreept, is de regeling van artikel 234 EG toepasselijk op artikel 35 EU onder de in laatstgenoemd artikel omschreven voorwaarden.

29     Evenals artikel 234 EG onderwerpt artikel 35 EU de prejudiciële verwijzing naar het Hof aan de voorwaarde, dat de nationale rechterlijke instantie „een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis”, zodat de rechtspraak van het Hof inzake de ontvankelijkheid van krachtens artikel 234 EG gestelde prejudiciële vragen in beginsel ook geldt voor prejudiciële verzoeken die krachtens artikel 35 EU bij het Hof worden ingediend.

30     Hieruit volgt dat het vermoeden van relevantie dat op de prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties rust, slechts in uitzonderingsgevallen kan worden opgeheven, namelijk wanneer de gevraagde uitlegging van de in die vragen genoemde bepalingen van het recht van de Unie kennelijk geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven. Behoudens deze uitzonderingen is het Hof in beginsel verplicht om te antwoorden op prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van de in artikel 35, lid 1, EU bedoelde handelingen (zie, met betrekking tot artikel 234 EG, onder meer arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf, C‑355/97, Jurispr. blz. I‑4977, punt 22, en 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).

31     Gelet op het betoog van de Franse, de Italiaanse, de Zweedse en de Nederlandse regering alsook van de regering van het Verenigd Koninkrijk moet worden onderzocht of, zoals de nationale rechter meent en zoals de Franse, de Griekse en de Portugese regering alsook de Commissie stellen, de op de nationale autoriteiten rustende verplichting om hun nationale recht zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en de doelstellingen van communautaire richtlijnen uit te leggen, met dezelfde gevolgen en binnen dezelfde grenzen van toepassing is wanneer de betrokken handeling een op basis van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgesteld kaderbesluit is.

32     Zo ja, dan moet worden nagegaan of, zoals de Franse, de Italiaanse en de Zweedse regering alsook de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben opgemerkt, een antwoord op de prejudiciële vraag duidelijk geen concrete invloed kan hebben op de oplossing van het hoofdgeding, gelet op de grenzen aan de verplichting tot conforme uitlegging.

33     Om te beginnen moet erop worden gewezen dat de formulering van artikel 34, lid 2, sub b, EU zeer nauw aansluit bij die van artikel 249, derde alinea, EG. Artikel 34, lid 2, sub b, EU kent aan kaderbesluiten een dwingend karakter toe, in die zin dat zij „verbindend” zijn voor de lidstaten „ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties [...] de bevoegdheid [laten] vorm en middelen te kiezen”.

34     Het dwingende karakter van kaderbesluiten, dat in identieke bewoordingen is geformuleerd als in artikel 249, derde alinea, EG, verplicht de nationale instanties, en inzonderheid de nationale rechterlijke instanties, tot conforme uitlegging van hun nationale recht.

35     Hieraan doet niet af dat het Hof krachtens artikel 35 EU over minder ruime bevoegdheden beschikt op het gebied van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie dan in het kader van het EG-Verdrag, en dat er geen volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures bestaat om de wettigheid van de handelingen van de instellingen in het kader van voornoemde titel VI te verzekeren.

36     Los namelijk van de door het Verdrag van Amsterdam beoogde mate van integratie in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa in de zin van artikel 1, tweede alinea, EU, is het volkomen begrijpelijk dat de opstellers van het Verdrag betreffende de Europese Unie het nuttig hebben geacht om in het kader van titel VI van dit Verdrag te voorzien in rechtsinstrumenten met analoge gevolgen als in het EG-Verdrag zijn voorzien, zodat deze op doeltreffende wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

37     Het belang van de prejudiciële bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 35 EU wordt bevestigd door het feit dat volgens lid 4 daarvan elke lidstaat, ongeacht of hij al dan niet een verklaring uit hoofde van lid 2 heeft afgelegd, memories of schriftelijke opmerkingen bij het Hof kan indienen in procedures krachtens lid 1 van dit artikel.

38     Deze bevoegdheid zou het grootste deel van haar nuttig effect verliezen indien particulieren zich niet op kaderbesluiten konden beroepen teneinde een conforme uitlegging van het nationale recht af te dwingen voor de rechterlijke instanties van de lidstaten.

39     Tot staving van hun stelling voeren de Italiaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk aan dat het Verdrag betreffende de Europese Unie anders dan het EG-Verdrag geen analoge verplichting als die in artikel 10 EG bevat, terwijl het Hof zich in zijn rechtspraak juist ten dele daarop heeft gebaseerd om de verplichting tot gemeenschapsconforme uitlegging van het nationale recht te rechtvaardigen.

40     Dit argument moet worden verworpen.

41     Artikel 1, tweede en derde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat dit Verdrag een nieuwe etappe markeert in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa en dat de Unie, die is gegrond op de Europese Gemeenschappen, aangevuld met het beleid en de samenwerkingsvormen die bij dit Verdrag worden ingesteld, tot taak heeft de betrekkingen tussen de lidstaten en tussen de volkeren van de lidstaten samenhangend en solidair te organiseren.

42     Het zou voor de Unie moeilijk zijn haar taak doeltreffend te vervullen indien het beginsel van loyale samenwerking, dat onder meer inhoudt dat de lidstaten alle passende algemene en bijzondere maatregelen treffen om de nakoming van de voor hen uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, niet tevens gold in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, die overigens volledig is gegrondvest op de samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen, zoals de advocaat-generaal in punt 26 van haar conclusie terecht heeft opgemerkt.

43     Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden geconcludeerd, dat het beginsel van conforme uitlegging ook geldt ten aanzien van de kaderbesluiten die in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld. De verwijzende rechter die bij de toepassing van zijn nationale recht tot uitlegging daarvan moet overgaan, is verplicht dit zo veel mogelijk te doen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan het bepaalde in artikel 34, lid 2, sub b, EU te voldoen.

44     Niettemin moet erop worden gewezen, dat de verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging van de relevante bepalingen van zijn nationale recht, haar grenzen vindt in de algemene rechtsbeginselen en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non-retroactiviteit.

45     Deze beginselen verzetten zich er onder meer tegen dat deze verplichting de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met de bepalingen van een kaderbesluit handelen, zou kunnen bepalen of verzwaren uitsluitend op grond van een dergelijk besluit, onafhankelijk van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet (zie, met betrekking tot communautaire richtlijnen, onder meer arrest X, reeds aangehaald, punt 24, en arrest van 3 mei 2005, Berlusconi e.a., C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).

46     De bepalingen die in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing centraal staan, hebben echter geen betrekking op de omvang van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene, maar op het verloop van de procedure en de voorwaarden waaronder het bewijs moet worden geleverd.

47     De verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging van de relevante bepalingen van zijn nationale recht houdt daar op, waar het nationale recht niet zodanig kan worden toegepast dat het tot een resultaat leidt dat verenigbaar is met het door dit kaderbesluit beoogde resultaat. Met andere woorden, het beginsel van conforme uitlegging kan niet als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. Dit beginsel vereist echter wél, dat de nationale rechter in voorkomend geval het nationale recht in zijn geheel beziet om te beoordelen of het zodanig kan worden toegepast dat het niet tot een met het kaderbesluit strijdig resultaat leidt.

48     Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, is een uitlegging van het nationale recht in overeenstemming met het kaderbesluit niet kennelijk onmogelijk in het hoofdgeding. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan, of een conforme uitlegging van zijn nationale recht in casu mogelijk is.

49     Onder dit voorbehoud dient de prejudiciële vraag te worden beantwoord.

 De prejudiciële vraag

50     De vraag van de verwijzende rechter komt erop neer, of de artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter de mogelijkheid moet hebben om jonge kinderen die, zoals in het hoofdgeding, het slachtoffer zeggen te zijn van mishandeling, toe te staan hun getuigenverklaring af te leggen onder voorwaarden die hun een passende bescherming garanderen, buiten de openbare terechtzitting om en alvorens deze plaatsvindt.

51     Overeenkomstig artikel 3 van het kaderbesluit waarborgt elke lidstaat het slachtoffer de mogelijkheid om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen, en neemt hij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.

52     De artikelen 2 en 8, lid 4, van dit kaderbesluit verplichten elke lidstaat ertoe, al het nodige te doen om te waarborgen dat het slachtoffer tijdens de procedure met het gepaste respect voor zijn persoonlijke waardigheid wordt bejegend, dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt, en dat wanneer slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, beschermd moeten worden tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting, zij op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht.

53     Het kaderbesluit geeft geen definitie van het begrip kwetsbaarheid van het slachtoffer in de zin van de artikelen 2, lid 2, en 8, lid 4. Los echter van de vraag of het feit dat het slachtoffer van een strafbaar feit minderjarig is, in het algemeen volstaat om hem als bijzonder kwetsbaar in de zin van het kaderbesluit te kunnen aanmerken, kan niet worden betwist dat jonge kinderen die, zoals in het hoofdgeding, stellen te zijn mishandeld, en dan ook nog door een onderwijzeres, als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, gezien in het bijzonder hun leeftijd en de aard en gevolgen van de strafbare feiten waarvan zij stellen het slachtoffer te zijn, teneinde in aanmerking te komen voor de specifieke bescherming die voornoemde bepalingen van het kaderbesluit voorschrijven.

54     Geen van de drie door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen van het kaderbesluit bepaalt concreet op welke wijze de daarin genoemde doelstellingen moeten worden verwezenlijkt. Deze doelstellingen bestaan er in het bijzonder in, ervoor te zorgen dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een „specifieke behandeling” kunnen krijgen „die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt”, dat zij „hun verklaringen kunnen afleggen onder [bijzondere] omstandigheden” zodat zij „met het gepaste respect voor [hun] persoonlijke waardigheid” worden bejegend en de mogelijkheid hebben om gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen, en dat wordt gewaarborgd dat deze slachtoffers „slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure word[en] ondervraagd”.

55     Volgens de litigieuze regeling in het hoofdgeding moet de verklaring die tijdens het vooronderzoek is afgelegd, in het algemeen ter openbare terechtzitting worden herhaald om volledige bewijskracht te krijgen. In sommige gevallen is het niettemin toegestaan deze verklaring slechts eenmaal en met dezelfde bewijskracht tijdens het vooronderzoek af te leggen, doch onder andere voorwaarden dan die welke ter terechtzitting gelden.

56     In deze omstandigheden is met het oog op de verwezenlijking van de door voornoemde bepalingen van het kaderbesluit beoogde doelstellingen vereist, dat een nationale rechterlijke instantie de mogelijkheid heeft om voor bijzonder kwetsbare slachtoffers een speciale procedure toe te passen, zoals de in het recht van een lidstaat voorziene incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering en de aldaar eveneens geldende bijzondere voorwaarden voor het afleggen van een getuigenverklaring, indien deze procedure het meest beantwoordt aan de situatie van deze slachtoffers en noodzakelijk is om het verlies van bewijsmateriaal te voorkomen, de herhaling van ondervragingen te minimaliseren en de nadelige gevolgen van het afleggen van een verklaring ter openbare terechtzitting voor deze slachtoffers te voorkomen.

57     In dit verband moet worden gepreciseerd dat de omstandigheden waaronder verklaringen kunnen worden afgelegd, volgens artikel 8, lid 4, van het kaderbesluit hoe dan ook verenigbaar moeten zijn met de grondbeginselen van het recht van de betrokken lidstaat.

58     Bovendien eerbiedigt de Unie ingevolge artikel 6, lid 2, EU de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene rechtsbeginselen.

59     Het kaderbesluit dient derhalve zodanig te worden uitgelegd dat de grondrechten worden geëerbiedigd, waaronder met name het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM en zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

60     Aangenomen dat in casu gebruik kan worden gemaakt van de incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering en het horen mogelijk is onder de bijzondere voorwaarden als in het Italiaanse recht voorzien, en gelet op de verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht, dient de verwijzende rechter erop toe te zien dat de toepassing van deze maatregelen niet ertoe leidt dat de tegen Pupino ingeleide strafprocedure in haar geheel bezien niet meer eerlijk is in de zin van artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (zie onder meer EHRM, arresten van 20 december 2001, P.S. v. Duitsland; 2 juli 2002, S.N. v. Zweden, Recueil des arrêts et décisions 2002-V; 13 februari 2004, Rachdad v. Frankrijk, en beschikking van 20 januari 2005, Accardi e.a. v. Italië, nr. 30598/02).

61     Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 2, 3 et 8, lid 4, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd, dat de nationale rechter de mogelijkheid moet hebben om jonge kinderen die, zoals in het hoofdgeding, het slachtoffer zeggen te zijn van mishandeling, toe te staan hun getuigenverklaring af te leggen onder voorwaarden die hun een passende bescherming garanderen, bijvoorbeeld buiten de openbare terechtzitting om en alvorens deze plaatsvindt. De nationale rechter moet alle bepalingen van nationaal recht in aanmerking nemen en deze zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit.

 Kosten

62     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van kaderbesluit 2001/220/JAI van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter de mogelijkheid moet hebben om jonge kinderen die, zoals in het hoofdgeding, het slachtoffer zeggen te zijn van mishandeling, toe te staan hun getuigenverklaring af te leggen onder voorwaarden die hun een passende bescherming garanderen, bijvoorbeeld buiten de openbare terechtzitting om en alvorens deze plaatsvindt.

De nationale rechter moet alle bepalingen van nationaal recht in aanmerking nemen en deze zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit.

ondertekeningen


* Procestaal: Italiaans.

Top